rijk/ministeriele-regeling/regeling-verplichte-beroepspensioenregeling/BWBR0019309
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling verplichte beroepspensioenregeling BWBR0019309 ministeriele-regeling geldend 2006-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0019309 Regeling verplichte beroepspensioenregeling

Regeling verplichte beroepspensioenregeling

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; b. b. het besluit: het Besluit verplichte beroepspensioenregeling; c. c. heffingsgrondslag: de som van premies en directe beleggingsopbrengsten, beide zoals omschreven in staat 3.200, 3.201 en 3.211 van bijlage B behorende bij artikel 3, vierde lid, van het Besluit staten pensioenfondsen, met dien verstande dat de directe beleggingsopbrengsten worden bepaald op het bedrag voor aftrek van de afschrijving van de geactiveerde overrente; d. d. kosten: de kosten die verband houden met de uitvoering van de taken en bevoegdheden van De Nederlandsche Bank N.V. op grond van de wet, daaronder begrepen hetgeen redelijkerwijs nodig is voor het vormen van een werkkapitaal; e. e. het u-rendement: het op 1 januari van het jaar waarin de overdrachtsdatum valt geldende u-rendement, zoals gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het verbond van verzekeraars.

Paragraaf 1. Aanvragen op grond van de wet

Artikel 2

De aanvraag van de verplichtstelling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet, bevat:

a. a. een vermelding van de beroepspensioenvereniging die om de verplichtstelling vraagt; b. b. een toelichting op de aanvraag tot verplichtstelling; c. c. een digitale tekst van de integrale omschrijving van de gewenste werkingssfeer van de verplichtstelling op diskette, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; d. d. een op papier geprinte versie van de digitale tekst, bedoeld in onderdeel c, in viervoud; e. e. een digitale tekst van de integrale beroepspensioenregeling op diskette, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; en f. f. een op papier geprinte versie van de digitale tekst, bedoeld in onderdeel e, in viervoud; g. g. een opgave van representativiteitgegevens in de vorm van:

      1º.
      het aantal beroepsgenoten, dat lid is van de bij de aanvraag van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in de beroepsgroep waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft, als mede, indien de aanvraag ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst;
    
    
      2º.
      het aantal beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de bij de aanvraag van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in loondienst in de beroepsgroep waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft;

1º. 1º. het aantal beroepsgenoten, dat lid is van de bij de aanvraag van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in de beroepsgroep waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft, als mede, indien de aanvraag ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst; 2º. 2º. het aantal beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de bij de aanvraag van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in loondienst in de beroepsgroep waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft; h. h. een toelichting op de wijze van verzameling van de representativiteitgegevens, bedoeld in onderdeel g, die in ieder geval het volgende bevat:

      1º.
      een opgave van de gebruikte bronnen voor de aantallen beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in onderdeel g, onder 1º en 2º;
    
    
      2º.
      een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode;
    
    
      3º.
      een opgave van de wijze van meting;
    
    
      4º.
      een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben;
    
    
      5º.
      een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds of dat deel van het beroepspensioenfonds waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft. Daarbij is duidelijk dat in de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds uitgesloten categorieën beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst in de tellingen buiten beschouwing zijn gelaten.

1º. 1º. een opgave van de gebruikte bronnen voor de aantallen beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in onderdeel g, onder 1º en 2º; 2º. 2º. een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode; 3º. 3º. een opgave van de wijze van meting; 4º. 4º. een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben; 5º. 5º. een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds of dat deel van het beroepspensioenfonds waarop de aanvraag van de verplichtstelling betrekking heeft. Daarbij is duidelijk dat in de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds uitgesloten categorieën beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst in de tellingen buiten beschouwing zijn gelaten.

Artikel 2a

Indien op grond van de opgave, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, het aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de beroepspensioenvereniging een meerderheid vertegenwoordigt van minder dan 60% van het totale aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in dat artikelonderdeel dan wel, indien tegen verplichtstelling ingediende zienswijzen daartoe aanleiding geven, wordt van de aanvrager een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave verlangd van de verstrekte aantallen beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst en de betrouwbaarheid van de daartoe gekozen bronnen, bedoeld in artikel 2, onderdeel h.

Artikel 3

De aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, bevat:

a. a. een vermelding van de beroepspensioenvereniging die om wijziging van de verplichtstelling vraagt; b. b. een toelichting op de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling; c. c. een digitale tekst van de integrale omschrijving van de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals deze zou komen te luiden na de gewenste wijziging, op diskette, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; en d. d. een op papier geprinte versie van de digitale tekst, bedoeld in onderdeel c, in viervoud; e. e. een opgave van representativiteitgegevens in de vorm van:

      1º.
      het aantal beroepsgenoten dat lid is van de bij de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft, als mede, indien de aanvraag ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst;
    
    
      2º.
      het aantal beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de bij de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in loondienst in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft;

1º. 1º. het aantal beroepsgenoten dat lid is van de bij de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft, als mede, indien de aanvraag ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst; 2º. 2º. het aantal beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de bij de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in loondienst in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft; f. f. een toelichting op de wijze van verzameling van de representativiteitgegevens, bedoeld in onderdeel e, die in ieder geval het volgende bevat:

      1º.
      een opgave van de gebruikte bronnen voor de aantallen beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in onderdeel e, onder 1º en 2º;
    
    
      2º.
      een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode;
    
    
      3º.
      een opgave van de wijze van meting;
    
    
      4º.
      een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben;
    
    
      5º.
      een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds of dat deel van het beroepspensioenfonds waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft. Daarbij is duidelijk dat in de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds uitgesloten categorieën beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst in de tellingen buiten beschouwing zijn gelaten.

1º. 1º. een opgave van de gebruikte bronnen voor de aantallen beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in onderdeel e, onder 1º en 2º; 2º. 2º. een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode; 3º. 3º. een opgave van de wijze van meting; 4º. 4º. een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben; 5º. 5º. een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds of dat deel van het beroepspensioenfonds waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft. Daarbij is duidelijk dat in de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds uitgesloten categorieën beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst in de tellingen buiten beschouwing zijn gelaten.

Artikel 3a

Indien op grond van de opgave, bedoeld in artikel 3, onderdeel e, het aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de beroepspensioenvereniging een meerderheid vertegenwoordigd van minder dan 60% van het totale aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in dat artikelonderdeel dan wel indien tegen wijziging van de verplichtstelling ingediende zienswijzen daartoe aanleiding geven, zal een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave worden verlangd van de verstrekte aantallen beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst en de betrouwbaarheid van de daartoe gekozen bronnen als bedoeld in artikel 3, onderdeel f.

Artikel 4

1.

De aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van de wet bevat:

a. a. vermelding van de beroepspensioenvereniging die om de intrekking van de verplichtstelling vraagt; en b. b. een toelichting op de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling; c. c. een opgave van:

        1º.
        het aantal beroepsgenoten dat lid is van de bij de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrekking heeft, als mede, indien de aanvraag ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst;
      
      
        2º.
        het aantal beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de bij de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in loondienst in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrekking heeft;

1º. 1º. het aantal beroepsgenoten dat lid is van de bij de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrekking heeft, als mede, indien de aanvraag ook betrekking heeft op beroepsgenoten in loondienst; 2º. 2º. het aantal beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de bij de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrokken beroepspensioenvereniging onderscheidenlijk het aantal beroepsgenoten in loondienst in de beroepsgroep waarop de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrekking heeft; d. d. een toelichting op de wijze van verzameling van de representativiteitgegevens, die in ieder geval het volgende bevat:

        1º.
        een opgave van de gebruikte bronnen voor de aantallen beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in onderdeel c, onder 1º en 2º;
      
      
        2º.
        een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode;
      
      
        3º.
        een opgave van de wijze van meting;
      
      
        4º.
        een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben;
      
      
        5º.
        een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds of dat deel van het beroepspensioenfonds waarop de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrekking heeft. Daarbij is duidelijk dat in de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds uitgesloten categorieën beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst in de tellingen buiten beschouwing zijn gelaten.

1º. 1º. een opgave van de gebruikte bronnen voor de aantallen beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in onderdeel c, onder 1º en 2º; 2º. 2º. een opgave van de gehanteerde onderzoeksmethode; 3º. 3º. een opgave van de wijze van meting; 4º. 4º. een opgave van de peildatum of de periode waarop de cijfers betrekking hebben; 5º. 5º. een toelichting waaruit blijkt dat de grenzen van het domein waarover de gegevens zijn verzameld gerelateerd zijn aan de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds of dat deel van het beroepspensioenfonds waarop de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling betrekking heeft. Daarbij is duidelijk dat in de werkingssfeer van het beroepspensioenfonds uitgesloten categorieën beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst in de tellingen buiten beschouwing zijn gelaten.

2.

Onverminderd het eerste lid, bevat de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling voor één of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet, tevens:

a. a. een digitale tekst van de integrale omschrijving van de gewenste werkingssfeer van de verplichtstelling zoals deze zou komen te luiden na de gewenste intrekking van de verplichtstelling voor één of meer bepaalde groepen van beroepsgenoten, op diskette, waarbij gebruik is gemaakt van algemeen gebruikte programmatuur; b. b. een op papier geprinte versie van de digitale tekst, bedoeld in onderdeel a, in viervoud; en c. c. een actuariële berekening waaruit de financiële gevolgen van de gedeeltelijke intrekking voor de pensioenuitvoerder blijken.

Artikel 4a

Indien op grond van de opgave, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, het aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst dat lid is van de beroepspensioenvereniging een meerderheid vertegenwoordigt van minder dan 60% van het totale aantal beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst als bedoeld in dat artikelonderdeel dan wel indien tegen intrekking van de verplichtstelling ingediende zienswijzen daartoe aanleiding geven, zal een door een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid geverifieerde opgave worden verlangd van de verstrekte aantallen beroepsgenoten of beroepsgenoten in loondienst en de betrouwbaarheid van de daartoe gekozen bronnen, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel d.

Artikel 5

1. De aanvraag tot ontheffing, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet wordt gedaan door de persoon voor wie de ontheffing wordt gevraagd.

2.

De aanvraag tot ontheffing, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet, vermeldt:

a. a. de naam en geboortedatum van de persoon waarvoor de ontheffing wordt gevraagd; b. b. de beroepspensioenregeling waarin de betrokkene verplicht zou zijn deel te nemen; c. c. de termijn waarvoor de ontheffing wordt gevraagd; d. d. het land van herkomst van de betrokkene; en e. e. een verklaring van de persoon voor wie ontheffing wordt gevraagd waarin wordt aangegeven of er een pensioenvoorziening wordt voortgezet in het land van herkomst.

Artikel 6

De aanvragen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 5 worden eerst in behandeling genomen wanneer alle van belang zijnde gegevens en bescheiden, genoemd in die artikelen, bij de aanvragen zijn gevoegd.

Artikel 6a

1. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk op de aanvraag, bedoeld in artikel 2, 3 of 4, doch uiterlijk binnen zesentwintig weken na de datum van mededeling in de Staatscourant van de aanvraag tot verplichtstelling, de aanvraag betreffende wijziging van de verplichtstelling, dan wel de aanvraag tot intrekking van de verplichtstelling.

2. Indien in verband met het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid informatie of advies is gevraagd aan een persoon of instantie kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, ten hoogste twee maal worden verlengd met een periode van maximaal dertien weken en worden verzoekende partijen van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.

3. Indien verzoekende partijen niet of niet volledig binnen zes weken reageren op een verzoek van Onze Minister of De Nederlandsche Bank N.V. om aanvullende informatie dan wel binnen zes weken in geval van een verzoek van De Nederlandsche Bank N.V. om wijziging van statuten of reglementen, wordt de aanvraag, bedoeld in artikel 2, 3 of 4 niet verder behandeld. Hiervan wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Paragraaf 2. Gemoedsbezwaren

Artikel 7

1. De aanvraag tot ontheffing van de verplichtstelling van een persoon die gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet, geschiedt door indiening van een door de aanvrager ondertekende verklaring.

2. De in het eerste lid genoemde verklaring houdt ten minste in dat de aanvrager overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke vorm van verzekering en mitsdien noch zichzelf nog iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd.

Artikel 8

1. De in artikel 7 bedoelde verklaring wordt ingediend bij de pensioenuitvoerder.

2. De pensioenuitvoerder onderzoekt of de verklaring overeenkomstig de waarheid is.

Artikel 9

1. Indien de verklaring naar de mening van de pensioenuitvoerder overeenkomstig de waarheid is, verleent deze de ontheffing.

2. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden die noodzakelijk zijn in verband met de administratie van de pensioenuitvoerder.

3. Van de verleende ontheffing wordt door de pensioenuitvoerder een bewijs uitgereikt.

Artikel 10

De persoon die een ontheffing heeft, betaalt dezelfde bedragen welke hij verschuldigd zou zijn in de vorm van premies indien hij geen ontheffing had, aan de pensioenuitvoerder in de vorm van spaarbijdragen. In de beroepspensioenregeling wordt geregeld waarop deze spaarbijdragen recht geven.

Artikel 11

1. De op grond van artikel 10 betaalde spaarbijdragen worden door of namens de pensioenuitvoerder geboekt op een de persoon die een ontheffing heeft betreffende spaarrekening.

2. In de beroepspensioenregeling wordt aangegeven in welke gevallen en tot welke bedragen de persoon die een ontheffing heeft gerechtigd is gelden van de spaarbijdragen op te nemen.

Artikel 12

1.

Een ontheffing wordt door de pensioenuitvoerder ingetrokken:

a. a. op verzoek van de persoon aan wie de ontheffing is verleend; b. b. indien naar het oordeel van de pensioenuitvoerder de gemoedsbezwaren op grond waarvan de ontheffing is verleend, niet langer geacht kunnen worden te bestaan.

2. De ontheffing kan door de pensioenuitvoerder worden ingetrokken indien de betrokkene de bij de ontheffing gestelde voorwaarden niet of niet behoorlijk naleeft.

3. In de beroepspensioenregeling worden de gevolgen geregeld van de intrekking van een ontheffing.

Paragraaf 3. Afkoop

Artikel 13

Mits de pensioenuitvoerder daarmee instemt kan, in het kader van een verrekening van pensioenrechten bij echtscheiding respectievelijk scheiding van tafel en bed pensioen of aanspraak op pensioen op verzoek van de rechthebbende met instemming van diens gewezen echtgenoot respectievelijk diens echtgenoot worden afgekocht indien de afkoopsom bij dezelfde instelling wordt aangewend ter verwerving van eenzelfde of een ander soort pensioen ten behoeve van diens gewezen echtgenoot respectievelijk diens echtgenoot.

Artikel 14

1. In de beroepspensioenregeling kan worden bepaald dat bij beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd afkoop van premievrije pensioenaanspraken onder terhandstelling van de afkoopsom aan de gewezen deelnemer op diens verzoek mogelijk is, indien hij korter dan een jaar aan de regeling inzake ouderdomspensioen van die beroepspensioenregeling heeft deelgenomen, tenzij hij pensioenaanspraken heeft ingebracht.

2. De afkoopsom bedraagt tenminste een bedrag gelijk aan de door de gewezen deelnemer betaalde premies voor ouderdomspensioen.

3. De beroepspensioenregeling kan in plaats van het tijdstip van beëindiging van de deelneming een later tijdstip voor uitbetaling van de afkoopsom noemen, doch niet later dan twee jaar na het eindigen van de deelneming, nóch later dan het tijdstip waarop de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt.

Artikel 15

Het bedrag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet, bedraagt € 361,02.

Artikel 16

Bij afkoop van het ouderdomspensioen op grond van artikel 40, eerste lid, van de wet, heeft zowel de pensioenuitvoerder zonder toestemming van de rechthebbende als de rechthebbende zonder toestemming van de pensioenuitvoerder, het recht op afkoop van de bij het ouderdomspensioen behorende aanspraak op nabestaandenpensioen onder terhandstelling van de afkoopsom aan de rechthebbende.

Artikel 17

Een pensioenuitvoerder is bevoegd dat deel van de aanspraak op pensioen dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen uitgaat boven de begrenzingen bedoeld in de artikelen 18a, zevende lid, 18b, zevende lid, 18c, vijfde lid, 18d, 18e, 18f en 38a van de Wet op de loonbelasting 1964, af te kopen en de afkoopsom aan de rechthebbende ter hand te stellen.

Artikel 18

Een pensioenuitvoerder is bevoegd het deel van de aanspraak op pensioen dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de deelnemer ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn, uitgaat boven de begrenzingen bedoeld in de artikelen 18a, zevende lid, 18b, zevende lid, 18c, vijfde lid, 18d, 18e, 18f en 38a van de Wet op de loonbelasting 1964, af te kopen en de afkoopsom aan de rechthebbende ter hand te stellen.

Paragraaf 4. Gewezen deelnemer

Artikel 19

Voor de toepassing van de artikelen 44 en 45 van de wet wordt verstaan onder gewezen deelnemer: de persoon, die heeft deelgenomen aan de beroepspensioenregeling, voor zover hij na de beëindiging van de deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een premievrije aanspraak op pensioen op grond van artikel 29 of 30 van de wet heeft verkregen en behouden jegens de pensioenuitvoerder of, ingeval artikel 57 van de wet toepassing heeft gevonden in die zin dat het beroepspensioenfonds het uit de aangegane pensioenverplichtingen voortspruitende risico heeft overgedragen aan een verzekeraar, jegens die verzekeraar.

Artikel 20

Voor de toepassing van artikel 45, derde lid, van de wet wordt met gewezen deelnemer gelijk gesteld de gewezen echtgenoot bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet vanaf het tijdstip waarop de deelnemer gewezen deelnemer is geworden of bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, voor zover die gewezen echtgenoot na de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed een premievrije aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen heeft verkregen en behouden jegens de pensioenuitvoerder of, ingeval artikel 57 van de wet toepassing heeft gevonden in die zin dat het beroepspensioenfonds het uit de aangegane pensioenverplichtingen voortspruitende risico heeft overgedragen aan een verzekeraar, jegens die verzekeraar.

Paragraaf 5. Kostenregeling

Artikel 21

1. De Nederlandsche Bank N.V. stelt jaarlijks voor 31 december een begroting op waarin zijn opgenomen de in het daarop volgende jaar te verwachten kosten die voor haar aan de uitvoering van de wet zijn verbonden.

2. Van de begroting wordt door De Nederlandsche Bank N.V. voor 1 februari van het jaar waarop zij betrekking heeft, mededeling gedaan in de Staatscourant. Gelijktijdig met de mededeling zendt De Nederlandsche Bank N.V. de begroting ter kennisneming aan Onze Minister.

Artikel 22

1. De Nederlandsche Bank N.V. stelt elk jaar de heffingsgrondslag van iedere pensioenuitvoerder over het laatstverstreken jaar vast. Onder laatstverstreken jaar wordt verstaan het jaar voorafgaande aan dat waarin de begroting, bedoeld in artikel 21, wordt opgesteld.

2. Bij het vaststellen van de heffingsgrondslag gaat De Nederlandsche Bank N.V. uit van de door elke pensioenuitvoerder over het betrokken jaar ingediende staten.

3. Voor zover een pensioenuitvoerder de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de toepassing van de wet heeft overgenomen van een pensioenuitvoerder die in de loop van het laatstverstreken jaar heeft opgehouden te bestaan, wordt de heffingsgrondslag van de laatstbedoelde pensioenuitvoerder toegerekend aan de overnemende pensioenuitvoerder.

Artikel 23

In afwijking van artikel 22, tweede lid:

a. a. kan De Nederlandsche Bank N.V. voor een door haar te bepalen tijdstip van een rechtspersoon een schriftelijke opgave van de heffingsgrondslag verlangen; b. b. schat De Nederlandsche Bank N.V. ambtshalve de heffingsgrondslag, indien zij niet aan de staten of aan een opgave als bedoeld in onderdeel a, de benodigde gegevens kan ontlenen.

Artikel 24

1. De Nederlandsche Bank N.V. brengt de begrote kosten voor een jaar geheel of gedeeltelijk door middel van een aanslag in rekening bij de pensioenuitvoerders. De aanslag bestaat uit een vast bedrag van € 681, vermeerderd met een bedrag dat van jaar tot jaar wordt vastgesteld als een percentage van de heffingsgrondslag.

2. Het percentage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door de begrote kosten, verminderd met het totaal van de vaste bedragen, te delen door het totaal van de heffingsgrondslagen van alle rechtspersonen tezamen.

3. Aan rechtspersonen waaraan in het jaar van oprichting een aanslag wordt opgelegd, wordt het in het eerste lid bedoelde vaste bedrag in rekening gebracht.

4. Het verschil tussen de in een jaar gemaakte kosten en de ontvangsten wordt verrekend met de begrote kosten voor het volgende jaar. De Nederlandsche Bank N.V. doet in haar jaarstukken opgave van de in de vorige zin bedoelde ontvangsten en gemaakte en begrote kosten.

Artikel 25

1. De Nederlandsche Bank N.V. maakt de aanslag aan de rechtspersoon bekend, onder vermelding van de in aanmerking genomen heffingsgrondslagen met het percentage, bedoeld in artikel 24.

2. De Nederlandsche Bank N.V. bepaalt de wijze waarop en het tijdstip waarvoor de betaling geschiedt.

3. De Nederlandsche Bank N.V. kan het vaste bedrag, bedoeld in artikel 24, eerste lid, verminderen, teneinde tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die voor de rechtspersoon uit de aanslag mochten voortvloeien.

4. Gedurende twee jaar na de dagtekening van de bekendmaking van de aanslag kan De Nederlandsche Bank N.V. deze herzien, indien haar de onjuistheid van de aanslag is gebleken.

Paragraaf 6. Reken- en procedureregels recht op waardeoverdracht

Artikel 26

De rente, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van het besluit wordt berekend aan de hand van het u-rendement, waarbij de periode wordt vastgesteld in volle maanden. Het aantal volle maanden wordt bepaald op het verschil in maanden en dagen tussen de overdrachtsdatum en de datum van betaling van de overdrachtswaarde, waarbij alle kalendermaanden op 30 dagen worden gesteld.

Artikel 27

Wanneer waardeoverdracht van een niet-reguliere naar een reguliere regeling plaatsvindt, rekent het overnemende uitvoeringsorgaan, met toepassing van artikel 26, terug welk deel van de afkoopsom als verschuldigde rente wordt aangemerkt over de periode tussen de betaaldatum en de overdrachtsdatum.

Artikel 28

1. Bij de vaststelling van het standaardtarief, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, wordt uitgegaan van de afgeronde overlevingstafels Gehele Bevolking mannen en Gehele Bevolking vrouwen 19952000 zonder leeftijdsverschuivingen en met een opslag wegens stijgende levenskansen van 5% over de contantewaardefactoren.

2. De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een rekenrente van 4%.

3. Bij de bepaling van koopsommen voor lijfrenten, overlevingsrenten en erfrenten wordt de continue rente gebruikt.

4. Voor koopsommen van uitkeringen bij overlijden wordt uitgegaan van overlijden halverwege het jaar.

5. Voor de berekening van het nabestaandenpensioen wordt de gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling aanvangt.

6. Voor het ongehuwdenouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen waarop artikel 37 van de wet niet van toepassing is, wordt uitgegaan van de gehuwdheidsfrequenties, opgenomen in de bijlage bij deze regeling. Mannen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar jongere partner, vrouwen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar oudere partner.

7. De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioendatum en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die het overdragende uitvoeringsorgaan hanteert.

Artikel 29

1. De berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het besluit wordt gemaakt volgens de formules en symbolen, opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

2. De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioendatum en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die het overnemende uitvoeringsorgaan hanteert.

3. Indien de overdrachtswaarde lager is dan het bedrag benodigd voor de financiering van de toe te kennen pensioenaanspraken komt het verschil ten laste van de nieuwe werkgever of van het overnemende pensioenfonds.

Artikel 29a

1. De artikelen 28 en 29, eerste lid, zijn niet van toepassing indien de reguliere regeling een pensioenregeling in euro pensioenkapitaal betreft.

2. Indien het eerste lid van toepassing is, wordt de afkoopsom berekend op basis van de actuariële grondslagen.

3.

In dit artikel wordt onder actuariële grondslagen verstaan:

a. a. de grondslagen die een pensioenfonds, spaarfonds of beroepspensioenfonds volgens zijn actuariële en bedrijfstechnische nota hanteert voor de waardering van zijn pensioenverplichtingen; onderscheidenlijk b. b. de grondslagen die een verzekeraar op basis van artikel 5 van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet hanteert voor de vaststelling van de technische voorzieningen.

Artikel 30

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

Artikel 31

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling verplichte beroepspensioenregeling.

Bijlage . bij de Regeling verplichte beroepspensioenregeling, bedoeld in de