rijk/ministeriele-regeling/regeling-versterking-en-innovatie-agrarisch-onderwijs-via-regeling/BWBR0009781
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling versterking en innovatie agrarisch onderwijs (VIA-regeling) BWBR0009781 ministeriele-regeling geldend 1998-07-22 https://wetten.overheid.nl/BWBR0009781 Regeling versterking en innovatie agrarisch onderwijs (VIA-regeling)

Regeling versterking en innovatie agrarisch onderwijs (VIA-regeling)

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, kan een school als bedoeld in artikel 10a van de Wet op het voortgezet onderwijs met ook andere afdelingen dan landbouw en natuurlijke omgeving samen met een of meer onderwijsinstellingen aan een samenwerkingsverband deelnemen.

Paragraaf 2. Kaderbrief VIA

Artikel 2

De minister kan jaarlijks een aanvraagperiode vaststellen, welke duurt van 1 juli tot en met 14 december, in welke periode aanvragen voor subsidieverlening kunnen worden ingediend. Het besluit tot openstelling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

Artikel 2a

De minister zendt aan de onderwijsinstellingen jaarlijks uiterlijk op 1 juli een kaderbrief VIA waarin:

a. a. voor het komende begrotingsjaar wordt aangegeven op welke beleidsterreinen middelen voor innovatie van het initieel groen onderwijs beschikbaar zijn; b. b. nadere voorwaarden kunnen worden genoemd waaronder onderwijsinstellingen innoverende projecten op genoemde beleidsterreinen kunnen formuleren.

Paragraaf 3. Aard van de projecten

Artikel 3

De minister kan ter stimulering van innovatie in het groen onderwijs op aanvraag subsidies verstrekken voor projecten die:

a. a. gericht zijn op vernieuwing van de inhoud en vormgeving van het initiële groen onderwijs; b. b. aansluiten bij de thema's die beschreven zijn in de kaderbrief van het desbetreffende begrotingsjaar; c. c. niet eerder zijn aangevangen dan 1 april van het jaar volgend op het jaar van de aanvraag en niet later zullen aanvangen dan in het jaar volgend op het jaar van aanvraag, en d. d. een duur van ten hoogste vier jaar hebben.

Paragraaf 4. Beoordeling van de projecten

Artikel 4

1. Er is een Beoordelingscommissie VIA-regeling die tot taak heeft de haar daartoe voorgelegde aanvragen te beoordelen en hierover advies uit te brengen aan de minister.

2. De beoordelingscommissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee doch ten hoogste vier leden.

3. De minister benoemt op basis van hun specifieke kennis en deskundigheid de voorzitter en de leden van de beoordelingscommissie voor een termijn van ten hoogste 5 jaar, behoudens tussentijds ontslag door de minister. Ze zijn te allen tijde herbenoembaar.

4. Het secretariaat van de beoordelingscommissie wordt gevoerd door LASER.

Artikel 5

1.

De beoordelingscommissie hanteert bij de beoordeling van de projectaanvragen tenminste de volgende criteria:

a. a. de mate waarin de projectdoelstellingen passen binnen de thema's van de beleidsbrief; b. b. het innovatieve gehalte van het beschreven en beoogde resultaat; c. c. de adequate en evenwichtige inzet van de innovatie-instrumenten managementontwikkeling, scholing personeel, curriculumontwikkeling en leermiddelenontwikkeling; d. d. de mate waarin gebruikt gemaakt wordt van reeds ontwikkelde kennis en ervaring van andere instellingen uit het landbouwkennissysteem; e. e. de mate waarin wordt samengewerkt met andere onderwijsinstellingen en ondersteuningsinstellingen; f. f. de brede toegankelijkheid en toepasbaarheid van de projectresultaten, en g. g. de omvang van de subsidie-aanvraag in relatie tot het beoogde project-resultaat.

2. De minister kan nadere criteria vaststellen in de kaderbrief.

Paragraaf 5. Aanvraag- en toekenningsprocedure

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Vervallen

Artikel 8

1. De aanvraag voor subsidieverlening kan tot en met 14 december van het jaar waarin de desbetreffende kaderbrief is gepubliceerd, worden ingediend bij LASER op een daartoe vastgesteld formulier.

2.

De aanvraag omvat een projectplan, bestaande uit:

a. a. een beschrijving van de projectdoelstelling en de samenhang daarvan met één of meer thema's uit de beleidsbrief; b. b. een beschrijving van de uitgangssituatie en van het beoogde projectresultaat in meetbare termen van onderwijsvernieuwing; c. c. de begin- en einddatum van het project; d. d. een beschrijving van de projectorganisatie in relatie tot de instellingsorganisatie; e. e. in voorkomend geval, het aan het samenwerkingsverband ten grondslag liggende samenwerkingscontract, met daarin in elk geval een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende onderwijsinstellingen alsmede van de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen tussen de verschillende onderwijsinstellingen, waaronder de aangewezen aanvrager; f. f. een beschrijving van de in te zetten innovatie-instrumenten; g. g. de aard en omvang van externe ondersteuning; h. h. de wijze waarop de aanvrager de kwaliteit van het project bewaakt, met inbegrip van een externe kwaliteitstoets; i. i. een begroting van de kosten, gespecificeerd naar eigen kosten en kosten van derden en een opgave van de dekkende financieringswijze van het project, en j. j. een overzicht van het verwachte financieringsritme.

Artikel 9

1. Na beoordeling van de aanvragen brengt de beoordelingscommissie advies uit aan de minister.

2. De beoordelingscommissie kan de minister adviseren een aanvraag af te wijzen.

3. De beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen waarover zij ingevolge het tweede lid niet afwijzend adviseert, advies uit in de vorm van een rangschikking, waarbij aanvragen hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de beoordelingscommissie meer voldoen aan de in artikel 5 bedoelde criteria.

Artikel 10

1. De minister beslist gelijktijdig op alle aanvragen die van een advies van de beoordelingscommissie zijn voorzien, op basis van een vergelijking van de projecten met betrekking tot hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie.

2. De minister geeft de beschikking tot subsidieverlening vóór 1 april van het jaar volgend op het jaar van de aanvraag. Indien deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien.

Paragraaf 6. Subsidieverlening

Artikel 11

1. De minister stelt jaarlijks in de kaderbrief het subsidieplafond vast.

2. De minister kan binnen het subsidieplafond in de kaderbrief een nadere verdeling maken van maximale bedragen per thema van de kaderbrief en per onderwijssoort.

3. De subsidiabele kosten bedragen ten minste € 45.378,- en ten hoogste € 453.780,-.

4. Een aanvraag wordt afgewezen voor zover door subsidieverlening het subsidieplafond zou worden overschreden.

Artikel 12

1. Het subsidiepercentage voor de subsidiabele kosten bedraagt 50%.

2. Indien voor het programma of een gedeelte daarvan reeds uit anderen hoofde een uit overheidsmiddelen bekostigde subsidie is of zal worden verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale subsidiebedrag niet meer bedraagt dan 75% van de subsidiabele kosten.

3. De minister kan met redenen omkleed voor bepaalde thema's van de genoemde subsidiepercentages afwijken. Hij maakt hiervan melding in de kaderbrief.

Artikel 13

1.

Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende, door de aanvrager aantoonbaar gemaakte en betaalde kosten, voorzover zij noodzakelijk zijn en rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de onderdelen van het programma waarop de beschikking tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 10 betrekking heeft:

a. a. loonkosten van het voor de uitvoering van het programma van andere taken vrijgesteld personeel, berekend op basis van het brutoloon, overeenkomstig de van toepassing zijnde CAO, bij een volledige betrekking; b. b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van advies, ondersteuning, kennisoverdracht en onderzoek, die de kwaliteit van het programma verhogen, waaronder kosten verbonden aan de externe kwaliteitstoets, de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 20, en c. c. een forfaitaire opslag voor de algemene kosten van 20% van de in onderdeel a bedoelde loonkosten.

2.

Kosten genoemd in het eerste lid, onderdeel b, komen voor vergoeding in aanmerking onder de volgende voorwaarden:

a. a. uit het aanbod voor advies en ondersteuning is op basis van vergelijking van kwaliteit en prijs een verantwoorde keuze gemaakt, en b. b. de keuze kan desgevraagd achteraf schriftelijk worden verantwoord.

Artikel 13a

1. Indien de subsidieaanvraag voldoet aan de in artikel 8, tweede lid, genoemde eisen, ontvangt de aanvrager op diens verzoek een vergoeding van maximaal € 6.810,- voor aantoonbaar gemaakte en betaalde kosten, verband houdend met de inschakeling van externe deskundigen bij de voorbereiding van een subsidieaanvraag.

2. Indien een aanvrager aanvragen indient voor meerdere projecten, wordt slechts éénmaal een vergoeding als bedoeld in het eerste lid toegekend.

Artikel 14

De subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de financiering van het programma niet toereikend zal zijn.

Paragraaf 7. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 15

1. De aanvrager dient binnen een maand na toekenning van de subsidie aan te geven of hij instemt met de door de minister gestelde voorwaarden en verplichtingen. De subsidie-ontvanger voert het plan uit conform deze voorwaarden, behoudens goedgekeurde wijzigingen van het project als bedoeld in het tweede lid.

2. Het is behoudens goedkeuring door de minister niet toegestaan het projectplan gedurende de looptijd van de subsidieverlening te wijzigen. De minister verleent geen goedkeuring aan wijzigingen ten aanzien van de doelstelling van het projectplan.

3. De minister kan bij goedkeuring van een wijziging van het projectplan de subsidie-verlening wijzigen.

Artikel 16

1.

Bij een projectduur langer dan één jaar, brengt de subsidieontvanger voor 1 januari van het lopende projectjaar aan LASER een tussenverslag uit omtrent de voortgang van het project op een door de minister te bepalen wijze. Dit verslag bevat tenminste een beschrijving van:

a. a. de activiteiten die tot dan toe in het kader van het project zijn verricht; b. b. de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen, en c. c. de stand van zaken terzake van de financiën.

2. De minister neemt op basis van het tussenverslag een beslissing over de wijziging van de subsidieverlening voor het betrokken project.

Artikel 17

Na afloop van het project rapporteert de subsidieontvanger binnen 3 maanden in de vorm van een evaluatieverslag over het project. Dit verslag bevat ten minste een beschrijving van:

a. a. de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht; b. b. de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen, en c. c. de uitkomst van een door onafhankelijke deskundigen uitgevoerde meting van het projectresultaat tegen de achtergrond van het goedgekeurde projectplan.

Artikel 18

De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 13, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten en de kosten voor eigen arbeid een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording aanwezig is.

Paragraaf 8. Bevoorschotting

Artikel 19

1. Bij eenjarige projecten verleent de minister de subsidieontvanger bij aanvang van het project een voorschot van 80% van het subsidiebedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid.

2. Bij meerjarige projecten wordt een voorschot jaarlijks in gelijke delen verleend, telkens na ontvangst van een tussenverslag en een beslissing tot continuering van de subsidieverlening, de eerste keer bij de aanvang van het project.

3. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan de minister de subsidieontvanger op diens verzoek ten hoogste eenmaal per zes maanden een aanvullend voorschot verlenen.

4. De aanvraag van een aanvullend voorschot gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

5. Het totaal van de verleende voorschotten bedraagt niet meer dan 80% van het maximum subsidiebedrag, bedoeld in artikel 12, eerste lid.

Paragraaf 9. Subsidievaststelling

Artikel 20

1. De aanvraag voor de vaststelling van de subsidie wordt binnen 3 maanden na afloop van het project ingediend bij LASER op een daartoe vastgesteld formulier.

2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

a. a. een afschrift van het in artikel 17 bedoelde evaluatieverslag, en b. b. een financiële verantwoording van het project, bestaande uit een rekening alsmede een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt dat is voldaan aan de voor subsidieverlening gestelde voorwaarden en verplichtingen.

3. De accountant, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, controleert met inachtneming van het in de bijlage bij deze regeling opgenomen controleprotocol.

4. De minister stelt de subsidie vast binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag to

Paragraaf 10. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21

1.

In de periode tot en met 31 december 2002 zullen de hierna te noemen rechtspersonen in aanmerking kunnen komen voor een subsidie ten behoeve van dienstverlening aan de onderwijsinstellingen, genoemd in artikel 1:

  • Stichting tot ontwikkeling van agrarische onderwijskunde en scholing (Stoas) te Wageningen;
  • Netherlands council for international education and training in agriculture (Stichting NETA) te Velp;
  • Ontwikkelcentrum te Ede;
  • Stichting uitwisseling studenten (SUS) te Bergen;
  • Agra management te Dronten;
  • Stichting samenwerking Hoger agrarisch onderwijs (SHAO) te Wageningen.

2. De minister stelt de in het eerste lid genoemde rechtspersonen vóór 1 september van het jaar voorafgaande aan het betreffende begrotingsjaar in kennis van zijn besluit inzake de hoogte van de te verlenen subsidie.

Artikel 22

Voor de periode tot en met 31 december 2002 geldt, in afwijking van artikel 12, eerste lid, voor de subsidiabele kosten genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, een subsidie-percentage van ten hoogste 90%.

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Deze regeling wordt vóór 1 januari 2003 geëvalueerd.

Artikel 25

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 26

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling versterking en innovatie agrarisch onderwijs (VIA-regeling).

Bijlage . Controleprotocol als bedoeld in

Bij de controle, op basis waarvan de rapportage bedoeld in het tweede lid van artikel 20 plaatsvindt, dient aan de naleving van de volgende artikelen op de daarbij aangegeven wijze aandacht te worden besteed.