rijk/ministeriele-regeling/regeling-wet-kinderopvang/BWBR0017252
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling Wet kinderopvang BWBR0017252 ministeriele-regeling geldend 2023-10-13 https://wetten.overheid.nl/BWBR0017252 Regeling Wet kinderopvang

Regeling Wet kinderopvang

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *Besluit registers:*
    Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang;

b. b.

    *kinderopvangtoeslag buitenland:* totaalbedrag van de kinderopvangtoeslagen die door tussenkomst van de Sociale verzekeringsbank worden uitbetaald aan ouders die in een andere lidstaat dan Nederland of in Zwitserland wonen of werken dan wel wonen en werken;

c. c.

    *minister:* Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

d. d.

    *uitvoeringskosten:* totaalbedrag van de kosten die de Sociale verzekeringsbank maakt bij de uitvoering, bedoeld in artikel 34, derde lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover het betreft de Wet kinderopvang;

e. e.

    *wet:*
    Wet kinderopvang.

Paragraaf 2. Rijksbijdrage kinderopvangtoeslag buitenland

Artikel 2

Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt de Sociale verzekeringsbank aan de minister in het jaarplan met begroting, bedoeld in artikel 46 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende kalenderjaar geraamde baten en lasten met betrekking tot de kinderopvangtoeslag buitenland, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per kalenderjaar.

Artikel 3

1.

De minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, van de Regeling Wfsv een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 2, van:

a. a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en b. b. 1/12de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.

2. De minister kan, na overleg met de Sociale verzekeringsbank, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.

Artikel 4

1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, met betrekking tot de kinderopvangtoeslag buitenland opgenomen.

2. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

Paragraaf 3. Regels inzake landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang

Artikel 5

De systeembeschrijving, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van het Besluit registers, wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Artikel 6

De Dienst Uitvoering Onderwijs wordt aangewezen als verwerker in de zin van artikel 4 van het Besluit registers.

Artikel 6a

1.

De door de beoogde ingeschrevene dan wel ingeschrevene te betalen kostenvergoeding voor inschrijving in het personenregister kinderopvang, bedoeld in artikel 16 van het Besluit registers, bedraagt:

a. a. indien de inschrijving door de beoogde ingeschrevene elektronisch in het personenregister kinderopvang wordt gedaan: € 12; b. b. indien de beoogde ingeschrevene de Dienst Uitvoering Onderwijs schriftelijk verzoekt om inschrijving: € 25.

2. In afwijking van het eerste lid wordt bij de beoogde ingeschrevene dan wel ingeschrevene geen kostenvergoeding in rekening gebracht indien de inschrijving voor 1 juli 2018 wordt gedaan dan wel indien het verzoek tot inschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder b, voor 1 juli 2018 door de Dienst Uitvoering Onderwijs is ontvangen.

Paragraaf 3a. Opleidingseisen, kwalificatie eerste hulp aan kinderen en inzet beroepskrachten in opleiding en stagiairs in de dagopvang

Artikel 7

1. De beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken die voor beroepskrachten worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus worden aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

2. De beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken die voor pedagogisch beleidsmedewerkers worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus worden aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding als bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

3.

De houder van een kindercentrum beschikt over een kopie van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de beroepskracht die werkzaam is als Nederlandssprekende beroepskracht:

a. a. de Nederlandse taal voor de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken beheerst op ten minste niveau B2 van het Europees Referentiekader voor Talen, of op ten minste niveau 3F als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, en, voor zover het gaat om taalbeheersing op niveau B2 of niveau 3F:

        1°.
        de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken afzonderlijk zijn beoordeeld met ten minste het cijfer 5 en gemiddeld met ten minste het cijfer 5,5, waarbij de deelvaardigheid luisteren afzonderlijk of gecombineerd met lezen is beoordeeld; of
      
      
        2°.
        op andere wijze blijkt dat de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken afzonderlijk positief zijn beoordeeld;

1°. 1°. de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken afzonderlijk zijn beoordeeld met ten minste het cijfer 5 en gemiddeld met ten minste het cijfer 5,5, waarbij de deelvaardigheid luisteren afzonderlijk of gecombineerd met lezen is beoordeeld; of 2°. 2°. op andere wijze blijkt dat de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken afzonderlijk positief zijn beoordeeld; b. b. voldoet aan artikel 4, lid 3a, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie; c. c. geslaagd is voor het Staatsexamen Nederlands als Tweede Taal, programma II, bedoeld in artikel 2, derde lid, in samenhang met artikel 16, eerste en derde lid, van het Staatsexamenbesluit Nederlands als Tweede Taal, of beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van dat besluit voor de examenonderdelen spreken en luisteren; of d. d. in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2024 voldeed aan de voorwaarden, bepaald in bijlage IV van een in die periode toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus.

4.

Ten aanzien van de beroepskracht die uitsluitend als Friessprekende beroepskracht werkzaam is, beschikt de houder van een kindercentrum over:

a. a. een kopie van een bewijsstuk als bedoeld in het derde lid; of b. b. een kopie van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de Friessprekende beroepskracht de Friese taal voor de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken beheerst op ten minste niveau B2 van het Europees Referentiekader voor Talen, en, voor zover het gaat om taalbeheersing op niveau B2:

        1°.
        de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken afzonderlijk zijn beoordeeld met ten minste het cijfer 5 en gemiddeld met ten minste het cijfer 5,5, waarbij de deelvaardigheid luisteren afzonderlijk of gecombineerd met lezen is beoordeeld; of
      
      
        2°.
        op andere wijze blijkt dat de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken afzonderlijk positief zijn beoordeeld.

1°. 1°. de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken afzonderlijk zijn beoordeeld met ten minste het cijfer 5 en gemiddeld met ten minste het cijfer 5,5, waarbij de deelvaardigheid luisteren afzonderlijk of gecombineerd met lezen is beoordeeld; of 2°. 2°. op andere wijze blijkt dat de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken afzonderlijk positief zijn beoordeeld.

5.

Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van:

a. a. een beroepskracht, geboren op of voor 31 december 1964, gedurende de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2027; of b. b. een beroepskracht die in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 voor een aansluitende periode van acht weken of langer volledig afwezig was in verband met ziekte, vakantie of ander soort verlof, gedurende zes maanden, gerekend vanaf 1 januari 2025 of, indien dat later is, de datum van inzet als beroepskracht die meetelt bij het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op een stamgroep, bedoeld in artikel 7 van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

Artikel 7a

De houder van een kindercentrum beschikt over een kopie van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de Duits-, Engels- of Franssprekende beroepskracht meertalige kinderopvang:

a. a. de desbetreffende taal voor de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken beheerst op niveau B2 van het Europees Referentiekader voor Talen, waarbij de deelvaardigheden afzonderlijk positief zijn beoordeeld; b. b. de desbetreffende taal beheerst op ten minste niveau C1 van het Europees Referentiekader voor Talen; c. c. een erkenning heeft als bedoeld in artikel 2 van de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties kinderopvangpersoneel, ten aanzien van diens beroepskwalificaties in de desbetreffende taal, behaald in een land dat het Duits, Engels of Frans als officiële voertaal bezigt; d. d. op 31 januari 2024 voldeed aan de opleidingseisen, genoemd in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van het Tijdelijke besluit experiment meertalige dagopvang en meertalig peuterspeelzaalwerk; of e. e. op 31 januari 2024 voldeed aan de opleidingseisen, genoemd in artikel 9a, tweede lid, van de Regeling Wet kinderopvang, zoals die luidde op deze datum.

Artikel 8

1. Voor de toepassing van artikel 4, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang worden door de minister bewijsstukken aangewezen in de vorm van geregistreerde certificaten inzake het met goed gevolg afgesloten onderricht dat in elk geval het verlenen van eerste hulp aan kinderen omvat.

2.

Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats indien het certificaat slechts wordt afgegeven aan een persoon die ten minste beschikt over:

a. a. aantoonbare kennis van en inzicht in de voor het verlenen van eerste hulp relevante fysieke verschillen tussen zuigelingen, oudere kinderen en volwassenen; b. b. aantoonbare kennis van en inzicht in het gedrag van kinderen, waaronder specifiek zuigelingen, bij ongeval en ziekte alsmede aantoonbare vaardigheid om daarop adequaat te reageren; c. c. aantoonbare vaardigheid in het verlenen van eerste hulp aan kinderen, waaronder specifiek zuigelingen, bij veelvuldig voorkomende stoornissen in de vitale functies en plaatselijke letsels; d. d. aantoonbare kennis van en inzicht in de gevaren die in het bijzonder kinderen, waaronder specifiek zuigelingen, bedreigen, en e. e. aantoonbare kennis van en inzicht in de wijze waarop ongevallen bij kinderen, waaronder specifiek zuigelingen, kunnen worden voorkomen.

3.

Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan alleen plaatsvinden indien naast de criteria met betrekking tot het afgeven van het certificaat, genoemd in het tweede lid, tevens door de certificerende instantie ten minste aan het volgende is voldaan:

a. a. zij is onafhankelijk; b. b. zij verzorgt zelf geen onderwijs met betrekking tot het te verlenen certificaat; c. c. zij biedt zelf geen onderwijs aan met betrekking tot het te verlenen certificaat; d. d. zij schrijft geen onderwijsmethode en onderwijsmateriaal voor met betrekking tot het te verlenen certificaat; e. e. zij geeft zelf het certificaat af voor maximaal twee jaar; f. f. zij ziet zelf toe op de kwaliteit van het voor het verkrijgen van het certificaat af te leggen examen, en g. g. zij registreert zelf de behaalde certificaten en de geldigheidsduur in een register.

Artikel 9

1. De inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs, bedoeld in artikel 7, achtste lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang, geschiedt overeenkomstig de voorwaarden opgenomen in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus.

2. In aanvulling op het eerste lid geschiedt de inzet van de beroepskracht in opleiding overeenkomstig een begeleidingsplan waarmee schriftelijk is ingestemd door de beroepskracht in opleiding, de praktijkbegeleider en de opleidingsbegeleider.

3. Gedurende de dagopvang bestaat maximaal een derde deel van het totaal minimaal aantal op het kindercentrum in te zetten beroepskrachten, dat wordt gevormd door de optelsom van het op grond van artikel 7 van het Besluit kwaliteit kinderopvang minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op de afzonderlijke stamgroepen, uit beroepskrachten in opleiding of stagiairs.

4. In afwijking van het derde lid is het tot en met 30 juni 2026 toegestaan dat maximaal de helft van het totaal minimaal aantal op het kindercentrum in te zetten beroepskrachten bestaat uit beroepskrachten in opleiding of stagiairs.

5. Bij toepassing van het vierde lid bedraagt het aantal in te zetten stagiairs maximaal een derde deel van het totaal aantal in te zetten beroepskrachten.

Paragraaf 3b. Opleidingseisen, kwalificatie eerste hulp aan kinderen en inzet beroepskrachten in opleiding en stagiairs in de buitenschoolse opvang

Artikel 9a

1. De beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken die voor beroepskrachten worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus worden aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

2. De beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken die voor pedagogisch beleidsmedewerkers worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus worden aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding als bedoeld in artikel 15, derde lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

3. In afwijking van het eerste lid worden de pedagogische modules die voor andersgekwalificeerde beroepskrachten worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus voor andersgekwalificeerde beroepskrachten aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.

4. De houder van een kindercentrum beschikt over een kopie van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de beroepskracht die als Nederlandssprekende beroepskracht werkzaam is de Nederlandse taal voor de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken beheerst op ten minste niveau B1 van het Europees Referentiekader voor Talen, of op ten minste niveau 2F als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

5.

Ten aanzien van de beroepskracht die uitsluitend als Friessprekende beroepskracht werkzaam is, beschikt de houder van een kindercentrum over:

a. a. een kopie van een bewijsstuk als bedoeld in het vierde lid; of b. b. een kopie van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de Friessprekende beroepskracht de Friese taal beheerst op niveau B1 van het Europees Referentiekader voor Talen.

Artikel 9aa

De houder van een kindercentrum beschikt over een bewijsstuk waaruit blijkt dat de Duits-, Engels- of Franssprekende beroepskracht meertalige kinderopvang:

a. a. de desbetreffende taal voor de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken beheerst op niveau B2 van het Europees Referentiekader voor Talen, waarbij de deelvaardigheden afzonderlijk positief zijn beoordeeld; b. b. de desbetreffende taal beheerst op ten minste niveau C1 van het Europees Referentiekader voor Talen; c. c. een erkenning heeft als bedoeld in artikel 2 van de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties kinderopvangpersoneel ten aanzien van diens beroepskwalificaties in de desbetreffende taal, behaald in een land dat het Duits, Engels of Frans als officiële voertaal bezigt; d. d. op 31 januari 2024 voldeed aan de opleidingseisen, genoemd in artikel 9a, tweede lid, van de Regeling Wet kinderopvang, zoals die luidde op deze datum; of e. e. op 31 januari 2024 voldeed aan de opleidingseisen, genoemd in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van het Tijdelijke besluit experiment meertalige dagopvang en meertalig peuterspeelzaalwerk.

Artikel 9b

1. Voor de toepassing van artikel 13, vierde lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang worden door de minister bewijsstukken aangewezen in de vorm van geregistreerde certificaten inzake het met goed gevolg afgesloten onderricht dat in elk geval het verlenen van eerste hulp aan kinderen omvat.

2.

Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats indien het certificaat slechts wordt afgegeven aan een persoon die ten minste beschikt over:

a. a. aantoonbare kennis van en inzicht in de voor het verlenen van eerste hulp relevante fysieke verschillen tussen zuigelingen, oudere kinderen en volwassenen; b. b. aantoonbare kennis van en inzicht in het gedrag van kinderen, waaronder specifiek zuigelingen, bij ongeval en ziekte alsmede aantoonbare vaardigheid om daarop adequaat te reageren; c. c. aantoonbare vaardigheid in het verlenen van eerste hulp aan kinderen, waaronder specifiek zuigelingen, bij veelvuldig voorkomende stoornissen in de vitale functies en plaatselijke letsels; d. d. aantoonbare kennis van en inzicht in de gevaren die in het bijzonder kinderen, waaronder specifiek zuigelingen, bedreigen, en e. e. aantoonbare kennis van en inzicht in de wijze waarop ongevallen bij kinderen, waaronder specifiek zuigelingen, kunnen worden voorkomen.

3.

Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan alleen plaatsvinden indien naast de criteria met betrekking tot het afgeven van het certificaat, genoemd in het tweede lid, tevens door de certificerende instantie ten minste aan het volgende is voldaan:

a. a. zij is onafhankelijk; b. b. zij verzorgt zelf geen onderwijs met betrekking tot het te verlenen certificaat; c. c. zij biedt zelf geen onderwijs aan met betrekking tot het te verlenen certificaat; d. d. zij schrijft geen onderwijsmethode en onderwijsmateriaal voor met betrekking tot het te verlenen certificaat; e. e. zij geeft zelf het certificaat af voor maximaal twee jaar; f. f. zij ziet zelf toe op de kwaliteit van het voor het verkrijgen van het certificaat af te leggen examen, en g. g. zij registreert zelf de behaalde certificaten en de geldigheidsduur in een register.

Artikel 9c

1. De inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs, bedoeld in artikel 16, zevende lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang, geschiedt overeenkomstig de voorwaarden opgenomen in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus.

2. In aanvulling op het eerste lid geschiedt de inzet van de beroepskracht in opleiding overeenkomstig een begeleidingsplan waarmee schriftelijk is ingestemd door de beroepskracht in opleiding, de praktijkbegeleider en de opleidingsbegeleider.

3. Gedurende de buitenschoolse opvang bestaat maximaal een derde deel van het totaal minimaal aantal op het kindercentrum in te zetten beroepskrachten, dat wordt gevormd door de optelsom van het op grond van artikel 16 van het Besluit kwaliteit kinderopvang minimaal aantal op het kindercentrum in te zetten beroepskrachten, uit beroepskrachten in opleiding, stagiairs of andersgekwalificeerde beroepskrachten.

4. In afwijking van het derde lid is het tot en met 30 juni 2026 toegestaan dat maximaal de helft van het totaal minimaal aantal op het kindercentrum in te zetten beroepskrachten bestaat uit beroepskrachten in opleiding, stagiairs of andersgekwalificeerde beroepskrachten.

5. Bij toepassing van het vierde lid bedraagt het aantal in te zetten stagiairs of andersgekwalificeerde beroepskrachten maximaal een derde deel van het totaal aantal in te zetten beroepskrachten.

Paragraaf 4. Deskundigheidseisen gastouders en beroepskrachten voorschoolse educatie

Artikel 10

1.

Voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang worden de volgende beroepsopleidingen als beroepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, aangewezen:

a. a. Helpende Zorg en Welzijn 2; Helpende welzijn 2; en b. b. Helpende breed 2; Helpende sociaal agogisch werk 2; Verzorgingsassistent(e).

2. In aanvulling op het eerste lid kan de minister op aanvraag besluiten een beroepsopleiding, waarvan het curriculum voor ten minste 90% vergelijkbaar is met het curriculum van een van de beroepsopleidingen, genoemd het eerste lid, onder a, of waarvan het curriculum identiek is aan het curriculum van een van de beroepsopleidingen, genoemd in het eerste lid, aan te wijzen als een beroepsopleiding waarmee de aanvrager, indien hij in het bezit is van een getuigschrift van deze beroepsopleiding, eveneens voldoet aan de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang opgenomen eis.

3. De minister stelt beleidsregels vast over de wijze waarop de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt.

Artikel 10a

1.

Voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang, worden de volgende beroepsopleidingen als beroepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d, of e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, aangewezen:

a. a. Gespecialiseerd pedagogisch medewerker 4 kinderopvang; Onderwijsassistent; Onderwijsassistent PO/SO (primair onderwijs/speciaal onderwijs); Pedagogisch medewerker 3 kinderopvang; Pedagogisch Werker 3 Kinderopvang; Pedagogisch Werker 4 Kinderopvang; Pedagogisch Werker niveau 3; Pedagogisch Werker niveau 4; Sociaal-Cultureel Werker (SCW); Sociaal Pedagogisch Werker 3 (SPW-3); Sociaal Pedagogisch Werker 4 (SPW4); Sport en Bewegen (niveau 3 en 4); Sport- en bewegingscoördinator (niveau 4); Sport- en bewegingsleider (niveau 3); en en b. b. A verpleegkundige; Activiteitenbegeleider (AB); Activiteitenbegeleiding (AB); Agogisch Werk (AW); Agogisch Werk/Residentieel Werk (AW/RW); Agogisch Werk/Cultureel Werk (AW/CW); Akte hoofdleidster kleuteronderwijs als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte Kleuterleidster A als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte Kleuterleidster B als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van bekwaamheid als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van bekwaamheid als leidster aan kleuterscholen als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van bekwaamheid als leidster bij het kleuteronderwijs als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Arbeidstherapie (AT); A-Verpleegkundige; A-verpleegster; A-verpleger; B Verpleegkundige; B-Verpleegkundige; B-verpleger; CIOS algemeen sportleider/ster; Coördinator buurt, onderwijs en sport; Cultureel werk (CW); Diploma A (ziekenverpleging); Diploma MHNO kinderverzorgster voor het jonge kind; Gespecialiseerd pedagogisch medewerker; Getuigschrift A (ziekenverpleging); Getuigschrift B (ziekenverpleging); Extramurale gezondheidszorg (EMGZ); Inrichtingswerk (IW); Kinderbescherming A; Kinderbescherming B; Kinderverzorging en Opvoeding; Kinderverzorging/Jeugdverzorging (KV/JV); Kinderverzorgster (KV); Kinderverzorging/Jeugdverzorging 2 (KV/JV 2); Kinderverzorging/Jeugdverzorging 3 (KV/JV 3); Kinderverzorgster van de centrale raad voor de kinderuitzending; Kleuterzorg (Federatie van medische kleuterdagverblijven in Nederland); Kleuterzorg, medisch kleuterdagverblijf Arnhem; Kultureel werk (KW); Leidster kindercentra (niet van OVDB); Leidster Kindercentra van de OVDB of onder de WEB; Leidster Kindercentra landelijke stg. OVDB; Maatschappelijke zorg (medewerker gehandicaptenzorg); Medewerker Gehandicaptenzorg niveau 3; Medewerker gehandicaptenzorg niveau 4; Medewerker kinderopvang, onderwijs en bewegen; Medewerker maatschappelijke zorg; Pedagogisch medewerker 4 jeugdzorg; Pedagogisch medewerker 4 kinderopvang; Pedagogisch medewerker Kinderopvang; Pedagogisch werker; Pedagogisch werker 3; Pedagogisch Werker kinderopvang; Pedagogisch Werker 4 Jeugdzorg; Pedagogisch Werker Jeugdzorg niveau 4; Pedagogisch werker niveau 4 Jeugdzorg; Persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg niveau 4; Residentieel Werk (RW); Sociaal Agogisch 2; Sociaal Agogisch II; Sociaal-agogisch II richting (MBO SA II) (semi) residentiële hulpverlening; Sociaal Agogisch II (MBO-SA II) afstudeerrichting Kultureelwerk; Sociaal Cultureel Werk; Sociaal Dienstverlener (SD); Sociaal Pedagogisch Werker; Sociaal Pedagogisch Werk Kinderopvang MBO niveau 3; Sociale Arbeid (SA, SA2 of SAII); Sociale Arbeid/Sociaal Dienstverlener (SA/SD); Sociale Dienstverlening (SD, SA, SA1 of SAI); Sociaal Pedagogisch Medewerker (SPW; lang of onder WEB); Sociaal Pedagogisch Werker (SPW; lang of onder WEB); Sport- en bewegingscoördinator; SPW lang; Vakopleiding Leidster kindercentra (conform de WEB); Verdere Scholing in Dienstverband (VSID) richting kinderdagverblijven; Verpleegkunde; Verpleegkunde A; Verpleegkunde B; Verpleegkunde Z; Verpleegkundige; Verpleegkundige Z; Verplegende (VP); Verpleging (VP); Verpleging A; Verpleging B; Verzorgende (VZ niveau 3 of VZ lang); Verzorgende beroepen (VZ); Verzorgende Individuele Gezondheidszorg (VIG); Verzorging (VZ); Z Verpleegkundige; Z-Verpleegkundige; Zwakzinnigenzorg.

2. In aanvulling op het eerste lid kan de minister op aanvraag besluiten een beroepsopleiding, waarvan het curriculum voor ten minste 90% vergelijkbaar is met het curriculum van een van de beroepsopleidingen genoemd in het eerste lid, onder a, of waarvan het curriculum identiek is aan het curriculum van een van de beroepsopleidingen, genoemd in het eerste lid, aan te wijzen als een beroepsopleiding waarmee de aanvrager, indien hij in het bezit is van een getuigschrift van deze beroepsopleiding, eveneens voldoet aan de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang opgenomen eis.

3. De minister stelt beleidsregels vast over de wijze waarop de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt.

Artikel 10b

1.

Voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang, worden de volgende opleidingen als opleiding, bedoeld in artikel 7.3a, eerste of tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, aangewezen;

a. a. Culturele en Maatschappelijke vorming (CMV); Kunstzinnig vormende opleiding op HBO-niveau (docentenrichting binnenkunstonderwijs of kunstzinnige richting binnen lerarenopleiding); Leraar basisonderwijs (aan Hogeschool, PABO of IPABO); Leraar lichamelijke oefening (ALO); Pedagogiek (HBO-bachelor); Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH); Sport en Bewegen; en b. b. Akte Muziekonderwijs A Algemene Muzikale Vorming als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte Lager onderwijs zonder hoofdakte (oude kweekschoolopleiding) als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer(es) als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van bekwaamheid als leidster of hoofdleidster bij het kleuteronderwijs als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van bekwaamheid als onderwijzer(es) als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer(es) als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van bekwaamheid NXX (volgens de Wet op het voortgezet onderwijs) als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Aktiviteitenleidersopleiding (van Mikojel: Middeloo, Kopse Hof, Jelburg of Sittard); Akte van bekwaamheid N XI als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van bekwaamheid tot het geven van middelbaar onderwijs in de lichamelijke oefening als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van Bekwaamheid van de tweede graad tot het geven van voortgezet onderwijs in Textiele Werkvormen alsmede in (een ander vak) als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van Bekwaamheid voor het geven van Lager Onderwijs in het vak Lichamelijke Oefening als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Akte van Bekwaamheid voor het geven van Lager Onderwijs in het vak Nuttige Handwerken voor Meisjes als bedoeld in bijlage I bij de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O. zoals deze luidde op 31 juli 2006; Applicatiecursus leraar basisonderwijs (als vervolg op en in combinatie met kleuterakte A/B); Applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer(es); Pedagogisch management Kinderopvang; Associate Degree Childcare; Associate Degree Jeugdwerker; Associate Degree Pedagogisch Educatief Medewerker; Associate Degree Kinderopvang; Associate Degree Onderwijsondersteuner Omgangskunde; Associate Degree Pedagogical Educational Assistant; Associate Degree Pedagogisch Professional Kind en Educatie; Associate Degree Sociaal Werk, met keuzemodule Opvoeden in brede context; Bachelor of Nursing; Creatieve therapie (waaronder van Mikojel: Middeloo, Kopse Hof, Jelburg of Sittard); Cultureel Werk (CW); Docent Beeldende Kunst en Vormgeving; Docent Dans; Docent Drama; Docent Mime; Docerend musicus; Educatieve therapie (van Mikojel: Middeloo, Kopse Hof, Jelburg of Sittard); Extramurale gezondheidszorg (EMGZ); HBO-bachelor-SPH, CMV, WMD; Hoger Beroepsonderwijs Bekwaamheidsonderzoek interim-wet zij-instroom primair onderwijs; Hogere Beroepsopleiding voor Verpleegkundigen; Hogere sociaal-pedagogische opleiding van leider(st)s op het terrein van jeugdvorming en volksontwikkeling (van Middeloo, Kopse Hof, Jelburg of Sittard); Hoofdonderwijzer; Inrichtingswerk (IW); Jeugdwelzijnswerk; Kinderverzorging en kinderopvoeding; Kinderverzorging en opvoeding; Kreatief Educatief Werk; Kunstzinnige therapie; Leraar lichamelijke opvoeding (b1); Leraar speciaal onderwijs; Leraar voortgezet onderwijs van eerste graad in tekenen; Leraar voortgezet Onderwijs van eerste graad in handvaardigheid; Leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in lichamelijke oefening; Lerarenopleiding Omgangskunde; Lerarenopleiding Verzorging/Gezondheidskunde; Lerarenopleiding Verzorging/Huishoudkunde; Maatschappelijk Werk (MW); Maatschappelijk Werk en Dienstverlening (MWD); Overgangsbewijs naar laatste jaar pedagogische academie; Pedagogiek MO-A of kandidaatsexamen Pedagogiek; Pedagogisch Management Kind en Educatie; Pedagogische Academie; Psychologie, met specialisatie gericht op kinderen, jeugd en/of onderwijs; Sociaal kunstzinnige therapie; Social Educational Care; Social Work, programma Social Educational Care; Social Work/Sociaal Werk, afstudeerrichting/profiel Sociaal Pedagoog; Social Work/Sociaal Werk, profiel Jeugd of Jeugdzorgwerker; Sport- en bewegingseducatie (b1); Toegepaste Psychologie, met specialisatie gericht op kinderen, jeugd en/of onderwijs; Vaktherapie (hbo); Verpleegkunde; Zij-instroom in het Beroep Leraar Primair Onderwijs; 3e jaar deeltijd volgend Sociaal Pedagogisch Hulpverlener (SPH); 3e jaar deeltijd volgend Cultureel Maatschappelijke vorming (CMV); 3e jaar deeltijd volgend Maatschappelijk Werk en Dienstverlening (MWD).

2. In aanvulling op het eerste lid kan de minister op aanvraag besluiten een opleiding, waarvan het curriculum voor ten minste 90% vergelijkbaar is met het curriculum van een van de opleidingen uit het eerste lid, onder a, of waarvan het curriculum identiek is aan het curriculum van een van de opleidingen, genoemd in het eerste lid, aan te wijzen als een opleiding waarmee de aanvrager, indien hij in het bezit is van een getuigschrift van deze opleiding, eveneens voldoet aan de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang opgenomen eis.

3. De minister stelt beleidsregels vast over de wijze waarop de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, plaatsvindt.

Artikel 10c

De opleidingen die voor beroepskrachten voorschoolse educatie worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus worden aangewezen als opleidingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

Artikel 10d

1. Voor de toepassing van artikel 13, derde lid, van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang worden door de minister bewijsstukken aangewezen in de vorm van geregistreerde certificaten inzake het met goed gevolg afgesloten onderricht dat in elk geval eerste hulp aan kinderen bij ongevallen omvat.

2.

Een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats indien het certificaat slechts wordt afgegeven wanneer ten minste aan de volgende inhoudelijke criteria wordt voldaan:

a. a. aantoonbare kennis van en inzicht in de voor eerstehulpverlening relevante fysieke verschillen tussen zuigelingen, kinderen en volwassenen; b. b. aantoonbare kennis van en inzicht in het gedrag van zuigelingen en kinderen bij ongeval en ziekte alsmede aantoonbare vaardigheid om daarop adequaat te reageren; c. c. aantoonbare vaardigheid in het verlenen van eerste hulp aan zuigelingen en kinderen bij veelvuldig voorkomende stoornissen in de vitale functies en plaatselijke letsels; d. d. aantoonbare kennis van en inzicht in de gevaren die in het bijzonder zuigelingen en kinderen bedreigen; en e. e. aantoonbare kennis van en inzicht in de wijze waarop ongevallen bij zuigelingen en kinderen kunnen worden voorkomen.

3.

Een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, kan alleen plaatsvinden indien naast de criteria met betrekking tot het certificaat, genoemd het tweede lid, tevens door de certificerende instantie ten minste aan de volgende processuele criteria is voldaan:

a. a. zij is onafhankelijk; b. b. zij verzorgt zelf geen onderwijs met betrekking tot het te verlenen certificaat; c. c. zij biedt zelf geen onderwijs aan met betrekking tot het te verlenen certificaat; d. d. zij schrijft geen onderwijsmethode en onderwijsmateriaal voor met betrekking tot het te verlenen certificaat; e. e. zij geeft zelf het certificaat af voor maximaal twee jaar; f. f. zij ziet zelf toe op de kwaliteit van het voor het verkrijgen van het certificaat af te leggen examen; en g. g. zij registreert zelf de behaalde certificaten en de geldigheidsduur in een register.

Artikel 10e

1. Aan de Directeur-generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van alle benodigde werkzaamheden, waaronder het vaststellen en ondertekenen van stukken, ter uitvoering van de bevoegdheid van de minister, genoemd in de artikelen 10, tweede lid, 10a, tweede lid en 10b, tweede lid.

2. Aan de Directeur-generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken, die betrekking hebben op de afhandeling van administratieve stukken inzake klacht-, bezwaar- en beroepsprocedures, voor zover deze verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in het eerste lid en met dien verstande dat de Directeur-generaal geen besluit op bezwaar neemt met betrekking tot een bezwaarschrift tegen een besluit dat de Directeur-generaal in mandaat heeft genomen.

3. De Directeur-generaal van de Dienst Uitvoering Onderwijs kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, genoemd in het eerste en tweede lid, ondermandaat, volmacht en machtiging in een door hem te bepalen omvang verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, met dien verstande dat de Directeur-generaal geen ondermandaat verleent aan de functionaris aan wie door hem ondermandaat tot het nemen van het besluit waartegen het bezwaar zich richt, is verleend.

Paragraaf 5. Administratie van gegevens bij kindercentra en gastouderbureaus

Artikel 11

1.

De administratie van een kindercentrum of gastouderbureau is zodanig ingericht dat op verzoek van:

a. a. de toezichthouder, bedoeld in artikel 1.61 van de wet, tijdig de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e en j en k, respectievelijk in het derde lid, kunnen worden verstrekt die voor de naleving van bij en krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3, van de wet gegeven voorschriften van belang zijn; b. b. de Dienst Toeslagen tijdig, de gegevens of inlichtingen over de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder e, f, g, h en i, respectievelijk derde lid, eerste zin, voor zover betrekking hebbend op onderdeel e, en tweede zin, onder b, c, d, e, f, of h kunnen worden verstrekt die voor de aanspraak van een ouder op en de hoogte van de kinderopvangtoeslag en het voorschot daarop van belang kan zijn; of c. c. het college tijdig, de gegevens of inlichtingen over de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder e en f, respectievelijk derde lid, eerste zin, voor zover betrekking hebbend op onderdeel e, en tweede zin, onder b, c, d, e of f kunnen worden verstrekt die voor de aanspraak van een ouder op en de hoogte van de kinderopvangtoeslag of de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.

2.

De administratie van een kindercentrum bevat de volgende gegevens:

a. a. een overzicht van alle personen die op grond van artikel 1.50, derde lid, van de wet over een verklaring omtrent het gedrag moeten beschikken, vermeldende in ieder geval naam, burgerservicenummer, geboortedatum, en voor wat betreft de bij het kindercentrum werkzame beroepskrachten eveneens de behaalde diplomas, getuigschriften en bewijsstukken, b. b. een afschrift van het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in de artikelen 4 en 13 van het Besluit kwaliteit kinderopvang, c. c. een overzicht van de omvang en de samenstelling van de oudercommissie, bedoeld in artikel 1.58 van de wet, d. d. een afschrift van het reglement van de oudercommissie, bedoeld in artikel 1.59 van de wet, e. e. een overzicht van alle ingeschreven kinderen, vermeldende per kind: naam, burgerservicenummer, geboortedatum, adres, postcode, woonplaats, telefoonnummer en het adres en telefoonnummer van de ouders, f. f. afschriften van alle met ouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de soort kinderopvang waarop de overeenkomst betrekking heeft, de voor die kinderopvang te betalen prijs per uur, naam, geboortedatum en adres van het kind, het aantal uren kinderopvang per jaar en de duur van de overeenkomst, g. g. betaalbewijzen waaruit de betalingen van de ouder aan het kindercentrum blijken, h. h. een jaaroverzicht en maandoverzichten per ouder, met vermelding van de naam, het burgerservicenummer en de geboortedatum van de ouder, met daarin:

        
        opgave van aantal uren per jaar en per maand dat per kind is afgenomen en de gemiddelde uurprijs per kind,
      
      
        
        het unieke registratienummer van het kindercentrum waar de ouder gebruik van maakt;

opgave van aantal uren per jaar en per maand dat per kind is afgenomen en de gemiddelde uurprijs per kind, het unieke registratienummer van het kindercentrum waar de ouder gebruik van maakt; i. i. de datum waarop de overeenkomst met de ouder is of wordt beëindigd; j. j. een bewijsstuk van een afgerond eerste leerjaar van alle beroepskrachten in opleiding die op grond van artikel 9b van het Besluit kwaliteit kinderopvang zijn toegewezen als vaste beroepskracht, en k. k. het begeleidingsplan, bedoeld in de artikelen 9, tweede lid, en 9c, tweede lid.

3.

Het tweede lid, onder a, en c tot en met e is van overeenkomstige toepassing op de administratie van een gastouderbureau. De administratie van een gastouderbureau bevat tevens de volgende gegevens:

a. a. een overzicht van alle personen die op grond van artikel 1.56b, derde lid, van de wet over een verklaring omtrent het gedrag moeten beschikken, vermeldende in ieder geval naam, burgerservicenummer, geboortedatum, en voor wat betreft de bij dat gastouderbureau aangesloten gastouders eveneens adres, postcode, woonplaats en telefoonnummer, b. b. afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst, c. c. bankafschriften waaruit de betalingen van de vraagouder aan het gastouderbureau blijken, d. d. bankafschriften waaruit de betalingen van het gastouderbureau aan de gastouder blijken, e. e. een jaaroverzicht per voorziening voor gastouderopvang, met vermelding van het unieke registratienummer, de naam en de geboortedatum van de gastouder, met daarin:

        
        het door het gastouderbureau aan de voorziening voor gastouderopvang betaalde bedrag per jaar,
      
      
        
        het door het gastouderbureau aan de voorziening voor gastouderopvang betaalde bedrag per kind per jaar, het aantal uren afgenomen opvang per kind per jaar, de gemiddelde uurprijs per kind per jaar, en
      
      
        
        de naam van de vraagouders die van de voorziening voor gastouderopvang gebruik maken onder vermelding van het burgerservicenummer van deze vraagouders,

het door het gastouderbureau aan de voorziening voor gastouderopvang betaalde bedrag per jaar, het door het gastouderbureau aan de voorziening voor gastouderopvang betaalde bedrag per kind per jaar, het aantal uren afgenomen opvang per kind per jaar, de gemiddelde uurprijs per kind per jaar, en de naam van de vraagouders die van de voorziening voor gastouderopvang gebruik maken onder vermelding van het burgerservicenummer van deze vraagouders, f. f. een jaaroverzicht en de maandoverzichten per vraagouder, met vermelding van de naam, het burgerservicenummer, en de geboortedatum van de vraagouder, met daarin:

        
        het aan het gastouderbureau over dat jaar te betalen bedragen per kind,
      
      
        
        opgave van aantal uren per jaar en per maand dat per kind is afgenomen en de gemiddelde uurprijs per kind,
      
      
        
        de voorzieningen voor gastouderopvang waar de vraagouder gebruik van maakt onder vermelding van het unieke registratienummer van deze gastouders,

het aan het gastouderbureau over dat jaar te betalen bedragen per kind, opgave van aantal uren per jaar en per maand dat per kind is afgenomen en de gemiddelde uurprijs per kind, de voorzieningen voor gastouderopvang waar de vraagouder gebruik van maakt onder vermelding van het unieke registratienummer van deze gastouders, g. g. een afschrift van de risico-inventarisatie, bedoeld in artikel 1.51 van de wet, en h. h. de datum waarop de overeenkomst met de ouder is of wordt beëindigd.

4. De houder van een kindercentrum of gastouderbureau kan de gegevens, bedoeld in het tweede of derde lid, op een andere plaats administreren dan op de plaats van vestiging van het kindercentrum of van het gastouderbureau, mits de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, respectievelijk in het derde lid, op verzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 1.61 van de wet, bij een onderzoek onverwijld beschikbaar komen op de plaats van vestiging van het kindercentrum of van het gastouderbureau.

Paragraaf 5a. Bepalingen voor gastouderbureaus en vraagouders

Artikel 11a

Een houder van een gastouderbureau geleidt de betalingen van vraagouders aan gastouders niet door zolang de termijn, bedoeld in 1.47b, vierde lid, van de wet van toepassing is. Binnen deze termijn vinden er geen contante betalingen plaats tussen vraagouder en gastouder.

Artikel 11b

In de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 1.56, vierde lid, van de wet, geeft het gastouderbureau de vraagouder inzicht in de uitvoeringskosten en de kosten van gastouderopvang.

Artikel 11c

Vervallen

Artikel 11d

Vervallen

Artikel 11e

In de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 1.56, vierde lid, van de wet, wordt het unieke registratienummer van de gastouder opgenomen.

Paragraaf 5b. Bepalingen voor kindercentra en gastouderbureaus

Artikel 11f

De ouder betaalt periodiek de kosten voor kinderopvang uiterlijk binnen zes kalendermaanden na afloop van het tijdvak waarover de kosten op grond van de overeenkomst worden berekend.

Artikel 11g

Vervallen

Paragraaf 5c. Verslag klachtenregeling kindercentra en gastouderbureaus

Artikel 11h

De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt jaarlijks vanaf het kalenderjaar 2017 het verslag, bedoeld in artikel 1.57b, vierde lid, van de wet op, dat betrekking heeft op het voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 11i

Artikel 11h zoals dat luidde de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 augustus 2017 tot wijziging van diverse regelingen in verband met de harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot kindercentra en peuterspeelzalen (Stcrt. 2017, 49281) blijft van toepassing op het verslag dat ziet op het kalenderjaar voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van genoemde regeling.

Paragraaf 6. Gegevensverstrekking

Artikel 12

1. Het college verstrekt aan de Minister uiterlijk op 1 juli van elk kalenderjaar gegevens over de uitvoering van de aan het college bij of krachtens de wet opgedragen taken in het daaraan voorafgaande kalenderjaar, met gebruikmaking van een daartoe door de Minister vastgesteld formulier.

2.

Onder de opgedragen taken, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstaan:

a. a. het uitvoeren van de registertaak van het landelijk register kinderopvang; b. b. de behandeling van aanvragen tot registratie; c. c. het laten uitvoeren van de verplichte onderzoeken door de toezichthouder; en d. d. het handhaven of actie ondernemen in reactie op de door de toezichthouder geconstateerde overtredingen.

Paragraaf 7. Kinderopvang buiten Nederland

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

Artikel 15

Bij de beoordeling van een aanvraag tot gelijkstelling als bedoeld in artikel 1.48, eerste en tweede lid, van de wet worden de in bijlage 2 genoemde criteria en bewijsstukken, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang gebruikt.

Artikel 15a

Vervallen

Artikel 15b

Vervallen

Artikel 15c

Vervallen

Artikel 15d

Vervallen

Artikel 15e

Vervallen

Artikel 15f

Vervallen

Artikel 15g

Vervallen

Artikel 15h

Vervallen

Artikel 15i

Vervallen

Artikel 15j

Vervallen

Artikel 15k

Vervallen

Artikel 15l

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Paragraaf 7a. Aanwijzing van gelijkgestelde buitenlandse kinderopvangvoorzieningen

Artikel 16a

Vervallen

Artikel 16b

Vervallen

Artikel 16c

Vervallen

Artikel 16d

Vervallen

Paragraaf 8. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 17

De verplichting van artikel 12 geldt voor het eerst over het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop dat artikel in werking is getreden.

Artikel 17a

Vervallen

Artikel 17b

Deze regeling berust mede op artikel 4, eerste lid, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

Artikel 17c

Indien een ouder op 31 december 2013 gebruik maakte van een buiten Nederland gevestigd kindercentrum of gevestigde gastouder als bedoeld in de artikelen 16a tot en met 16d, zoals deze luidden op 31 december 2013, wordt dit kindercentrum of deze gastouder voor het gebruik door deze ouder tot 1 januari 2015 aangemerkt als een in het register buitenlandse kinderopvang ingeschreven voorziening als bedoeld in artikel 1.48, eerste of tweede lid, van de wet.

Artikel 17d

1. De minister verwerkt de gegevens van de personen die op 28 februari 2018 op basis van de artikelen 9a en 9b van het Besluit registers continu gescreend worden in het personenregister kinderopvang in de periode die loopt van 1 maart 2018 tot 1 juli 2018.

2. Artikel 11 zoals dat luidde op 28 februari 2018 blijft ten aanzien van de in het eerste lid genoemde personen en gedurende de in het eerste lid genoemde periode van toepassing tot het tijdstip waarop deze personen, voor zover daartoe verplicht op grond van de artikelen 1.50, derde lid, 1.56, derde lid, en 1.56b, derde lid, van de wet, zijn ingeschreven in het personenregister kinderopvang en op grond van artikel 1.48d, derde lid, van de wet, zijn gekoppeld aan de houder van een kindercentrum of gastouderbureau.

Artikel 18

De Regeling Wet kinderopvang treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet kinderopvang in werking treedt.

Artikel 19

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Wet kinderopvang.

Bijlage 1. behorende bij

Bijlage 1a

Vervallen

Bijlage 1b

Vervallen

Bijlage 1c

Vervallen

Bijlage 1d

Vervallen

Bijlage 1e

Vervallen

Bijlage 1f

Vervallen

Bijlage 1g

Vervallen

Bijlage 2. behorende bij