40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling zeevarenden | BWBR0032140 | ministeriele-regeling | geldend | 2021-08-20 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0032140 | Regeling zeevarenden |
Regeling zeevarenden
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- commercieel jacht: een schip van minder dan 3000 GT met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat is ontworpen en gebouwd en uitsluitend wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van niet meer dan 12 passagiers en waarop de LY2-code dan wel de LY3-Code als bedoeld in artikel 1 van de Regeling veiligheid zeeschepen kan worden toegepast;
- officier: ** een scheepsofficier als bedoeld in de wet en iedere andere zeevarende die door de scheepsbeheerder als officier wordt aangemerkt;
- onderofficier: een zeevarende die aan boord een toezichthoudende functie heeft of een andere functie met bijzondere verantwoordelijkheid en die door de scheepsbeheerder als zodanig wordt aangemerkt;
- minister: de Minister van Infrastructuur en Milieu;
- passagiersschip: een schip bestemd of gebezigd voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf passagiers;
- schepen voor bijzondere doeleinden: schepen die op grond van artikel 6 van de Regeling veiligheid zeeschepen een certificaat hebben op basis van de SPS-code of de SPS-code 2008 als bedoeld in artikel 1 van de Regeling veiligheid zeeschepen;
- garnalenkotter: vissersvaartuig gebruikt voor de vangst van garnalen, met een lengte van minder dan 24 meter en een voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW, waarvoor een bemanningscertificaat voor reizen die zich niet verder uitstrekken dan beperkt vaargebied en waarvoor een vergunning op grond van artikel 36 van de Uitvoeringsregeling visserij voor het vangen van garnalen is afgegeven;
- referentielastlijn: voor schepen waarop het Uitwateringsverdrag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Schepenbesluit 2004 van toepassing is, de lijn voor zomeruitwatering als bedoeld in Bijlage 1, voorschrift 6, lid 2, onderdeel a, van het Uitwateringsverdrag en voor schepen waarop het Uitwateringsverdrag niet van toepassing is, de lijn parallel aan de ontwerplastlijn gelegen op een afstand van 20% van de holte naar de mal als bedoeld in Bijlage 1, voorschrift 3, lid 5, van het Uitwateringsverdrag, maar maximaal 1000 mm onder het vrijboorddek als bedoeld in Bijlage 1, voorschrift 3, lid 9, van het Uitwateringsverdrag;
- Uitwateringsverdrag: het op 5 april 1966 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de uitwatering van schepen (Trb. 1966, 275) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen;
- verblijven: dag- en nachtverblijven en alle ruimten voor sanitaire doeleinden, voedselvoorziening, ziekenverpleging en recreatie aan boord van een schip, bestemd voor gebruik door zeevarenden;
- wet: Wet zeevarenden;
- SCV-Code: de in februari 2001 onder auspiciën van de IMO opgestelde en bij circulaire SLS.14/Circ.396, als voor het Koninkrijk der Nederlanden geldende equivalente regeling, aangemelde Code voor de veiligheid van kleine commerciële schepen waarmee reizen worden ondernomen in het Caribisch gebied (Code of Safety for Small Commercial Vessels operating in the Caribbean);
- Caribische handelszone: de Caribische handelszone (Caribbean Trading Area) als omschreven in hoofdstuk 1, artikel 2, onderdeel 6, van de SCV-Code.
Artikel 1.2
De volgende categorieën van personen aan boord van een schip, worden voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de wet niet aangemerkt als zeevarenden:
a. a. passagiers; b. b. meevarende relaties en familie van zeevarenden, die geen werkzaamheden verrichten die onderdeel uitmaken van de normale werkzaamheden aan boord; c. c. militairen, inspecteurs en loodsen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b van de Loodsenwet; d. d. personen die uitsluitend in een haven of een havenfaciliteit als bedoeld in artikel 1, onderdeel f onderscheidenlijk c, van de Havenbeveiligingswet aan boord van een schip zijn; e. e. andere personen wier werkzaamheden geen onderdeel uitmaken van de normale werkzaamheden aan boord in het kader van het gebruik van het schip.
Artikel 1.3
1.
Paragraaf 3 van deze regeling is niet van toepassing op de volgende schepen:
a. a. schepen waarvan de kiel is gelegd of de bouw in een overeenkomstige fase van ontwikkeling was voor de datum van inwerkingtreding van artikel XII van de wet van 6 juli 2011 inzake implementatie van het op 23 februari 2006 te Genève tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) en b. b. vissersvaartuigen en c. c. schepen die ontworpen zijn om traditionele vaardigheden en zeemanschap aan te moedigen en te bevorderen en die als levende cultuurmonumenten volgens de traditionele beginselen van zeemanschap en techniek worden bestuurd,
tenzij in een voorschrift van paragraaf 3 uitdrukkelijk is bepaald dat dat voorschrift wel van toepassing is op de in onderdeel a of c bedoelde schepen.
2.
De artikelen 3.3 tot en met 3.7 zijn niet van toepassing op schepen van minder dan 500 GT waarop de zeevarenden ten hoogste 13 uur per etmaal en ten hoogste 84 uur in elke periode van 7 dagen aan boord verblijven, indien:
a. a. per zeevarende een zitplaats in een dagverblijf beschikbaar is; b. b. per 6 zeevarenden of minder een toiletruimte, een wastafel en een bad of douche beschikbaar is.
3. De paragrafen 3 en 4 zijn niet van toepassing op vissersvaartuigen.
4.
Paragraaf 4a is uitsluitend van toepassing op van een dek voorziene vissersvaartuigen:
a. a. waarvoor het bouwcontract of het contract voor ingrijpende verbouwing op of na 15 november 2019 is gegund; b. b. waarvoor het bouwcontract of het contract voor ingrijpende verbouwing voor 15 november 2019 is gegund en dat drie of meer jaren na die datum wordt opgeleverd; of c. c. waarvan, bij gebrek aan een bouwcontract, op of na 15 november 2019:
1.
de kiel is gelegd;
2.
de bouw als een herkenbaar specifiek type vaartuig begint; of
3.
de assemblage is begonnen, die ten minste 50.000 kilogram of 1 procent van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is.
-
-
de kiel is gelegd;
-
-
-
de bouw als een herkenbaar specifiek type vaartuig begint; of
-
-
-
de assemblage is begonnen, die ten minste 50.000 kilogram of 1 procent van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is.
-
Artikel 1.3a
De artikelen 5 tot en met 25b en 29 tot en met 48a van de wet zijn niet van toepassing op schepen met een lengte van minder dan 12 meter, ingezet door de Nationale Politie, indien de bemanning in het bezit is van:
a. a. het door het de Nationale Politie afgegeven vaarbekwaamheidsbewijs politie voor het besturen van een klein politievaartuig op alle binnenwateren; b. b. het door de Nationale Politie afgegeven getuigschrift vaartraining snelle motorboten; c. c. het door de Nationale Politie afgegeven getuigschrift levensreddend handelen; d. d. het certificaat basisveiligheid, en e. e. het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie.
Artikel 1.3b
Aan de scheepsbeheerder van een garnalenkotter wordt vrijstelling verleend van de verplichting de garnalenkotter te bemannen overeenkomstig de in artikel 2a van het besluit voorgeschreven bemanningssamenstelling voor telkens een periode, gerekend vanaf het tijdstip van uitvaren van de garnalenkotter, van ten hoogste 48 uur indien:
a. a. de bemanning ten minste bestaat uit een schipper en een plaatsvervangend schipper; b. b. de bemanningsleden bij aanwezigheid op het dek een opblaasbare reddinggordel dragen die voldoet aan het bepaalde in artikel 212 van het Vissersvaartuigenbesluit of die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in artikel 1 van de Wet scheepsuitrusting 2016 en die is voorzien van een persoonlijk noodradiobaken. c. c. de garnalenkotter is voorzien van:
i.
een koppeling van het wachtalarm met de automatische stuurinrichting;
ii.
een geautomatiseerde spoel- en sorteermachine voor de scheiding van garnalen en vis;
iii.
een geautomatiseerde kookinrichting waarbij geen handmatige handelingen hoeven te worden verricht; en
iv.
een veilige verschansing of zeereling als bedoeld in artikel 190 van het Vissersvaartuigenbesluit;
i. i. een koppeling van het wachtalarm met de automatische stuurinrichting; ii. ii. een geautomatiseerde spoel- en sorteermachine voor de scheiding van garnalen en vis; iii. iii. een geautomatiseerde kookinrichting waarbij geen handmatige handelingen hoeven te worden verricht; en iv. iv. een veilige verschansing of zeereling als bedoeld in artikel 190 van het Vissersvaartuigenbesluit; d. d. de tijdspanne tussen binnenkomst en weer uitvaren van de garnalenkotter ten minste 10 uren bedraagt.
Artikel 1.3c
Niet commercieel gebruikte schepen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de wet, zijn in ieder geval schepen die worden gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen.
Paragraaf 2
Artikel 2.1
Het model van het document, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet, is opgenomen in bijlage A bij deze regeling.
Artikel 2.2
1.
Naast de kapitein zijn de volgende personen of instellingen bevoegd tot het maken van de hierna omschreven aantekeningen in het monsterboekje van een zeevarende:
a. a. tot het maken van aantekeningen betreffende het door deze zeevarende met goed gevolg hebben afgesloten van een training als bedoeld in de artikelen 35 tot en met 42 van het Besluit zeevarenden: het bevoegd gezag van een door de Minister erkende opleiding als bedoeld in artikel 19a, derde lid, van de Wet zeevarenden; b. b. tot het maken van aantekeningen van een gunstige uitslag van een onderzoek op tuberculose: een bevoegd geneeskundige als bedoeld in artikel 40 van de Wet zeevarenden.
2.
Voor de afgifte van een monsterboekje komen, naast de personen, bedoeld in artikel 97, tweede lid, onderdelen a en b, van het Besluit zeevarenden, tevens in aanmerking personen behorende tot de onderstaande beroepsgroepen, indien zij kunnen aantonen het monsterboekje nodig te hebben ten behoeve van de uitoefening van hun beroep aan boord van een schip tijdens zeereizen:
a. a. nautisch/technisch surveyors van erkende organisaties; b. b. registerloodsen; c. c. noordzeeloodsen (certificaatloodsen); d. d. maritiem wetenschappelijk onderzoekers; e. e. personeel met dienstverlenende taken aan boord van schepen; f. f. nautisch/technisch onderhoudspersoneel; g. g. nautisch/technisch ondersteunend personeel; h. h. medewerkers van nautische/technische inspecties van scheepsbeheerders; i. i. andere zeevarenden dan bedoeld in artikel 97, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit zeevarenden, die in het bezit zijn van een geldig Nederlands vaarbevoegdheidsbewijs; j. j. detacheringsmedewerkers, te werk gesteld via een uitzendbureau of een detacheringsbureau, voor het verrichten van werkzaamheden aan boord van zeeschepen; en k. k. ambtenaren belast met toezichthoudende of handhavende taken aan boord van zeeschepen.
Artikel 2.3
1. Het model van de monsterrol is het model van het FAL-formulier nr. 5 (Crew List) behorende bij het op 9 april 1965 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee (FAL Verdrag) (Trb. 2010, 208).
2. Met inachtneming van artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister de scheepsbeheerder schriftelijk verplichten de monsterrollen gedurende een bepaalde periode onverwijld aan hem toe te sturen.
Paragraaf 3
Artikel 3.1
1.
De verblijven voldoen aan de in de onderstaande tabel genoemde onderdelen van normen van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| stahoogte | norm A3.1, lid 6, onderdeel a, eerste volzin |
|---|---|
| isolatie | norm A3.1, lid 6, onderdeel b |
| te gebruiken materialen | norm A3.1, lid 6, onderdeel f |
| verlichting en waterafvoer | norm A3.1, lid 6, onderdeel g |
| airconditioning | norm A3.1, lid 7, onderdeel b |
| verwarmingssysteem | norm A3.1, lid 7, onderdeel d |
2. Het in het eerste lid bedoelde verwarmingssysteem en de airconditioning kunnen in alle verblijven permanent een temperatuur van 20°C onderhouden.
3.
De verblijven voldoen voorts aan de normering van de in de onderstaande tabel genoemde leidraden dan wel onderdelen van leidraden van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| ontwerp en bouw | leidraad B3.1.1 |
|---|---|
| ventilatie | leidraad B3.1.2 |
| verwarming en radiatoren | leidraad B3.1.3, lid 2 en 3 |
| verlichting | leidraad B3.1.4, lid 1 |
| situering van verblijven ter voorkoming van lawaai en trillingen | leidraad B3.1.12, lid 1 |
| geluidsisolatie | leidraad B3.1.12, lid 2 en3 |
| voorkomen van extreme trillingen | leidraad B3.1.12, lid 5 |
4.
Voor de elektrische verlichting van de verblijven gelden de in de onderstaande tabel genoemde normen:
| Soort verblijf | Lux |
|---|---|
| dagverblijven en ruimten voor recreatieve voorzieningen | 300 |
| gangen en trappenhuizen, nachtverblijven | 150 |
| brug, kantoren, kombuis, | 500 |
| ziekenverblijf | 540 |
| sanitaire ruimten | 325 |
Artikel 3.2
1. De minister kan, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van norm A3.1, zesde lid, onderdeel a, eerste volzin, van het Maritiem Arbeidsverdrag indien de verminderde hoogte van de desbetreffende verblijven redelijk is, en niet tot ongemak voor de zeevarenden leidt.
2. Er wordt geen ontheffing verleend voor een hoogte van de verblijven van minder dan 1930 mm.
3. Voor schepen van minder dan 200 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, en met inachtneming van de grootte van het schip en het aantal opvarenden aan boord, ontheffing verlenen van norm A3.1, lid 7, onderdeel b, ten aanzien van airconditioning.
Artikel 3.3
1.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 3.1 en 3.2 voldoen de nachtverblijven aan de in de onderstaande tabel genoemde onderdelen van normen van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| ligging op het schip, niet zijnde een passagiersschip | norm A3.1, lid 6, onderdeel c |
|---|---|
| afscheiding van andere ruimten | norm A3.1, lid 6, onderdeel e |
| ventilatie | norm A3.1, lid 7, onderdeel a |
| verlichting | norm A3.1, lid 8 |
| individueel nachtverblijf voor elke zeevarende op andere schepen dan passagiersschepen | norm A3.1, lid 9, onderdeel a, eerste zinsnede |
| afzonderlijke nachtverblijven voor mannen en vrouwen | norm A3.1, lid 9, onderdeel b |
| afmetingen en uitrusting | norm A3.1, lid 9, onderdeel c |
| eigen slaapplaats voor elke zeevarende | norm A3.1, lid 9, onderdeel d |
| minimumafmetingen van een slaapplaats | norm A3.1, lid 9, onderdeel e |
| vloeroppervlak van nachtverblijven voor één zeevarende | norm A3.1, lid 9, onderdeel f |
| vloeroppervlak en aantal zeevarenden per nachtverblijf op schepen van minder dan 3000 GT, anders dan passagiersschepen of schepen voor bijzondere doeleinden | norm A3.1, lid 9, onderdeel h |
| vloeroppervlak van nachtverblijven op passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden | norm A3.1, lid 9, onderdeel i |
| vloeroppervlak van nachtverblijven voor meer dan 4 zeevarenden op schepen voor bijzondere doeleinden | norm A3.1, lid 9, onderdeel j |
| vloeroppervlak van nachtverblijven voor zeevarenden die taken als officier verrichten | norm A3.1, lid 9, onderdeel k, of norm A3.1, lid 9, onderdeel l voor passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden |
| aan het nachtverblijf grenzende aanvullende ruimte voor de kapitein, de hoofdwerktuigkundige en de eerste stuurman | norm A3.1, lid 9, onderdeel m, eerste zinsnede |
| meubilair | norm A3.1, lid 9, onderdelen n en o |
2. De binnenwerks gemeten lengte van een slaapplaats bedraagt, in aanvulling op norm A3.1, lid 9, onderdeel e, ten minste 2000 mm.
3. Nachtverblijven zijn achter het aanvaringsschot gelegen.
4.
Nachtverblijven voldoen voorts aan de normering van de in de onderstaande tabel genoemde leidraden dan wel onderdelen van leidraden van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| elektrische leeslamp | leidraad B3.1.4, lid 2 |
|---|---|
| comfort van slaapplaatsen | leidraad B3.1.5, lid 1 |
| uitrusting met een badkamer, inclusief water closet | leidraad B3.1.5, lid 2 |
| scheiding van wachthoudende en overdag werkende zeevarenden | leidraad B3.1.5, lid 3 |
| het maximale aantal onderofficieren per nachtverblijf | leidraad B3.1.5, lid 4 |
| een aan het nachtverblijf grenzende aanvullende ruimte | leidraad B3.1.5, lid 5 |
| de ruimte voor diverse voorzieningen die mede begrepen zijn in de maten van het vloeroppervlak | leidraad B3.1.5, lid 6 |
| slaapplaatsen boven elkaar | leidraad B3.1.5, lid 7, lid 8 en lid 12 |
| materiaal van bedstel, zijwanden en meubels | leidraad B3.1.5, lid 9, lid 10 en lid 13 |
| matrassen | leidraad B3.1.5, lid 11 |
| gordijnen of vergelijkbare voorzieningen | leidraad B3.1.5, lid 14 |
| overige voorzieningen nachtverblijven | leidraad B3.1.5, lid 15 en B3.1.10 |
Artikel 3.4
1.
Voor een commercieel jacht zijn in afwijking van artikel 3.3, eerste lid, als wezenlijk gelijkwaardige bepalingen als bedoeld in artikel VI, lid 3, van het Maritiem Arbeidsverdrag, de in de onderstaande tabel opgenomen normen ten aanzien van de minimale vloeroppervlakte voor nachtverblijven, tezamen met het tweede en derde lid, van toepassing.
| grootte commercieel jacht | type nachtverblijf | minimale vloeroppervlakte |
|---|---|---|
| tot 500 GT | eenpersoonsnachtverblijf zonder eigen sanitaire voorzieningen | 3,6 m^2 |
| eenpersoonsnachtverblijf met eigen sanitaire voorzieningen | 4,5 m^2 | |
| tweepersoonsnachtverblijf met eigen sanitaire voorzieningen | 6,2 m^2 | |
| ≥500 GT tot 1250 GT | eenpersoonsnachtverblijf voor officieren met eigen sanitaire voorzieningen | van 4,5 m^2 bij 500GT + 0,004 m^2 per GT boven de 500 GT, afgerond op decimalen |
| ≥500 GT tot 1150 GT | tweepersoonsnachtverblijf voor officieren met eigen sanitaire voorzieningen | 6,2 m^2 bij 500 GT + 0,01354 m^2 per GT boven de 500 GT, afgerond op decimalen |
2.
Tot de wezenlijk gelijkwaardige bepalingen, bedoeld in het eerste lid, behoort het vereiste dat een commercieel jacht de volgende voorzieningen biedt:
a. a. een dagverblijf dat per zeevarende ten minste 1,5 m^2 zitplaats biedt; b. b. een ruimte aan dek die toegankelijk is voor de zeevarenden die geen dienst hebben en per zeevarende ten minste 1,5 m^2 zitplaats biedt; en c. c. een aanvullende ruimte die per officier ten minste 1,5 m^2 zitplaats biedt en, voor zover deze ruimte is gesitueerd op de brug, alleen wordt gebruikt als het schip niet varende is.
3. Voor zover het vloeroppervlak van nachtverblijven voor officieren ingevolge het eerste lid minder bedraagt dan 7,5 m^2, zijn in deze verblijven een TV en een DVD-speler of gelijkwaardige apparatuur beschikbaar.
Artikel 3.5
1. Met het oog op de functionaliteit, de stabiliteit of anderszins de veiligheid van schepen van minder dan 500 GT, kunnen in afwijking van artikel 3.3, eerste lid, als wezenlijk gelijkwaardige bepaling als bedoeld in artikel VI, lid 3, van het Maritiem Arbeidsverdrag, nachtverblijven onder de referentielastlijn worden geplaatst, mits tevens wordt voldaan aan het tweede lid.
2.
Nachtverblijven als bedoeld in het eerste lid voldoen aan de volgende eisen:
a. a. de bovenzijde van de vloer ligt maximaal 2000 mm onder de referentielastlijn; b. b. voor de stahoogte wordt geen ontheffing verleend als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid; c. c. in het nachtverblijf wordt continue klimaatbeheersing toegepast die adequaat condensvorming en vochtgerelateerde geuren bestrijdt; d. d. vanuit het nachtverblijf zijn ten minste twee adequate vluchtwegen aanwezig; e. e. in het waterdichte compartiment van het nachtverblijf is een bilge-alarm aanwezig; f. f. de lichtsterkte van de verlichting is variabel instelbaar om het gebrek aan daglicht naar behoefte van de zeevarende te kunnen compenseren, en g. g. er worden materialen en kleuren voor wand- en vloerbedekking toegepast gericht op ruimtebeleving.
Artikel 3.6
1. Op passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden is het overeenkomstig norm A3.1, lid 6, onderdeel d, van het Maritiem Arbeidsverdrag toegestaan nachtverblijven onder de referentielastlijn te plaatsen. In afwijking van norm A3.1, lid 6, onderdeel d, van het Maritiem Arbeidsverdrag kunnen als wezenlijk gelijkwaardige bepaling als bedoeld in artikel VI, lid 3, van het Maritiem Arbeidsverdrag, nachtverblijven onder werkgangen worden geplaatst, indien deze nachtverblijven zodanig zijn geïsoleerd dat wordt voldaan aan de normen voor geluidsisolatie tussen nachtverblijven en dagverblijven van de bij resolutie A.468(12) door de Algemene Vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen Code over geluidsniveaus op schepen. Voor schepen groter dan 1600 GT en indien de betreffende schepen zijn gebouwd op of na 1 juli 2014 is resolutie MSC.337 (91) van de Internationale Maritieme Organisatie over geluidsniveaus op schepen van toepassing.
2.
Nachtverblijven als bedoeld in het eerste lid voldoen aan de volgende eisen:
a. a. in het nachtverblijf wordt continue klimaatbeheersing toegepast die adequaat condensvorming en vochtgerelateerde geuren bestrijdt; en b. b. de lichtsterkte van de verlichting is variabel instelbaar om het gebrek aan daglicht naar behoefte van de zeevarende te kunnen compenseren.
Artikel 3.7
1. De minister kan ontheffing verlenen van norm A3.1, lid 6, onderdeel c, van het Maritiem Arbeidsverdrag voor het plaatsen van nachtverblijven voor midscheeps indien de grootte, het type of de beoogde dienst van het schip een andere ligging praktisch onmogelijk maakt.
2. Voor schepen voor bijzondere doeleinden kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van norm A3.1, lid 6, onderdeel d, van het Maritiem Arbeidsverdrag, voor het plaatsen van nachtverblijven zonder daglicht boven de lastlijn indien de grootte, het type of de beoogde dienst van het schip een andere ligging praktisch onmogelijk maakt en de lichtsterkte van de verlichting in de nachtverblijven variabel instelbaar is om het gebrek aan daglicht naar behoefte van de zeevarende te kunnen compenseren.
3.
In afwijking van artikel 3.3, eerste lid, en in overeenstemming met norm A3.1, lid 8, van het Maritiem Arbeidsverdrag, zijn op passagiersschepen nachtverblijven toegestaan waar geen daglicht kan toetreden indien:
a. a. de lichtsterkte van de verlichting variabel instelbaar is om het gebrek aan daglicht naar behoefte van de zeevarende te kunnen compenseren; en b. b. materialen en kleuren voor wand- en vloerbedekking worden toegepast die zijn gericht op ruimtebeleving.
4. Voor schepen van minder dan 3000 GT, niet zijnde passagiersschepen, of voor schepen voor bijzondere doeleinden kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van het bepaalde in norm A3.1, lid 9, onderdeel a, van het Maritiem Arbeidsverdrag dat voor elke zeevarende een individueel nachtverblijf beschikbaar moet zijn.
5. Voor schepen van minder dan 3000 GT, passagiersschepen, of voor schepen voor bijzondere doeleinden kan de minister in overeenstemming met norm A3.1, lid 9, onderdeel g, ontheffing verlenen van norm A3.1, lid 9, onderdeel f, van het Maritiem Arbeidsverdrag met betrekking tot het minimale vloeroppervlak van individuele nachtverblijven, indien daarmee kan worden voorzien in individuele nachtverblijven. Deze individuele nachtverblijven zijn nooit kleiner dan 3,75 m^2.
6. Voor schepen van minder dan 3000 GT kan de minister na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van het bepaalde in norm A3.1, lid 9, onderdeel m, van het Maritiem Arbeidsverdrag met betrekking tot aan nachtverblijven grenzende individuele verblijven.
7. Voor schepen van minder dan 200 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, en met inachtneming van de grootte van het schip en het aantal opvarenden aan boord, ontheffing verlenen van het bepaalde in norm A.3.1, lid 9, onderdeel f en onderdelen h tot en met l, van het Maritiem Arbeidsverdrag met betrekking tot het minimale vloeroppervlak, met dien verstande dat de vloeroppervlakte van individuele nachtverblijven ten minste 3 m^2is, de vloeroppervlakte van nachtverblijven voor meer dan één persoon ten minste 2 m^2per persoon is, en de vloeroppervlakte van nachtverblijven voor officieren ten minste 4 m^2.
8.
De minister kan ontheffing verlenen van de normering van:
a. a. leidraad B3.1.5, lid 2, van het Maritiem Arbeidsverdrag dat nachtverblijven eigen sanitaire voorzieningen hebben; b. b. leidraad B3.1.5, lid 3, van het Maritiem Arbeidsverdrag dat nachtverblijven zodanig zijn ingericht dat de wachten afgescheiden zijn en overdag werkende zeevarenden zijn gescheiden van ’s nachts werkende zeevarenden.
Artikel 3.8
1.
Onverminderd de artikelen 3.1 en 3.2 voldoen de dagverblijven aan de in de onderstaande tabel genoemde onderdelen van normen van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| Ventilatie | norm A3.1, lid 7, onderdeel a |
|---|---|
| Verlichting | norm A3.1, lid 8 |
| plaatsing, grootte en uitrusting dagverblijven | norm A3.1, lid 10 |
2.
Dagverblijven voldoen voorts aan de normering van de in de onderstaande tabel genoemde onderdelen van leidraden van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| vloeroppervlak van dagverblijven | leidraad B3.1.6, lid 3 |
|---|---|
| meubilair in dagverblijven | leidraad B3.1.6, lid 4 |
| voorzieningen in dagverblijven | leidraad B3.1.6, lid 5 |
| pantry’s | leidraad B3.1.6, lid 6 |
| materiaal van het meubilair | leidraad B3.1.6, lid 7 |
3.
Aan boord van schepen van meer dan 400 GT, maar minder dan 1000 GT zijn afzonderlijke dagverblijven voor:
a. a. de kapitein en de officieren; b. b. de overige zeevarenden.
4.
Aan boord van schepen van 1000 GT of meer zijn afzonderlijke dagverblijven voor:
a. a. de kapitein en de officieren; b. b. de onderofficieren; c. c. de overige zeevarenden.
5. Onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid, is er een afzonderlijk dagverblijf voor zeevarenden die niet een functie als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet uitoefenen.
Artikel 3.9
1.
In afwijking van artikel 3.8, eerste lid, en in overeenstemming met norm A3.1, lid 8, van het Maritiem Arbeidsverdrag, zijn op passagiersschepen dagverblijven toegestaan waar geen daglicht kan toetreden indien:
a. a. de lichtsterkte van de verlichting variabel instelbaar is om het gebrek aan daglicht naar behoefte van de zeevarende te kunnen compenseren; en b. b. materialen en kleuren voor wand- en vloerbedekking worden toegepast gericht op ruimtebeleving.
2. De minister kan na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, en rekening houdend met de in leidraad B3.1.6, lid 1, van het Maritiem Arbeidsverdrag genoemde factoren, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.8, derde, vierde en vijfde lid, ten aanzien van de aanwezigheid van afzonderlijke dagverblijven.
3. Voor schepen van minder dan 3000 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van het bepaalde in norm A3.1, lid 10, onderdeel a, van het Maritiem Arbeidsverdrag, ten aanzien van de plaatsing van dagverblijven.
Artikel 3.10
1.
Onverminderd de artikelen 3.1 en 3.2 voldoen de sanitaire voorzieningen aan de in de onderstaande tabel genoemde onderdelen van normen van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| ventilatie | norm A3.1, lid 7, onderdeel c |
|---|---|
| toegankelijkheid, hygiëne en comfort | norm A3.1 lid 11, onderdelen a, b en c |
| wastafels in nachtverblijven | norm A3.1, lid 11, onderdeel d |
| warm en koud stromend water | norm A3.1, lid 11, onderdeel f |
2.
Sanitaire voorzieningen voldoen voorts aan de normering van de in de onderstaande tabel genoemde onderdelen van leidraden van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| wastafels en baden | leidraad B3.1.7, lid 1 |
|---|---|
| water closets | leidraad B3.1.7, lid 2 |
| inrichting van sanitaire ruimten bestemd voor meer dan één persoon | leidraad B3.1.7, lid 3 |
Artikel 3.11
1. Voor schepen van minder dan 1600 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van het bepaalde in norm A3.1, lid 11, onderdeel b, van het Maritiem Arbeidsverdrag ten aanzien van de toegankelijkheid van sanitaire ruimten vanaf de navigatiebrug, de machinekamer of het controlecentrum van de machinekamer.
2. Voor passagiersschepen die doorgaans geen reizen maken van langer dan vier uur kan in afwijking van artikel 3.10, eerste lid, en in overeenstemming met norm A3.1, lid 11, onderdeel e, van het Maritiem Arbeidsverdrag het aantal sanitaire voorzieningen worden beperkt tot een toilet, een wasbak en een badkuip of douche per tien zeevarenden indien aan de wal aanvullende sanitaire voorzieningen aanwezig zijnen de sanitaire voorzieningen aan de wal en aan boord tezamen voldoen aan norm A3.1, lid 11, onderdeel c van het Maritiem Arbeidsverdrag.
3. Op schepen van minder dan 200 GT is norm A.3.1, lid 11, onderdeel d, van het Maritiem Arbeidsverdrag ten aanzien van wastafels in nachtverblijven, niet van toepassing.
Artikel 3.12
1. Op een schip met vijftien of meer zeevarenden aan boord dat reizen van meer dan drie etmalen maakt tussen twee havens waar een ziekenhuis aanwezig is is een afzonderlijk ziekenverblijf aanwezig dat voldoet aan norm A3.1, lid 12, van het Maritiem Arbeidsverdrag.
2. Ziekenverblijven voldoen aan de normering die is opgenomen in leidraad B3.1.8, leden 1, 2 en 4, van het Maritiem Arbeidsverdrag ten aanzien van ontwerp en inrichting, met dien verstande dat sanitaire voorzieningen die deel uitmaken van het ziekenverblijf uitsluitend vanuit dat verblijf toegankelijk zijn met een deur kunnen worden afgesloten.
3.
Het aantal bedden in een ziekenverblijf bedraagt:
a. a. op schepen waar het aantal zeevarenden dat verblijft in nachtverblijven voor meer dan een persoon, minder is dan 30, één bed; b. b. op schepen waar het aantal zeevarenden dat verblijft in nachtverblijven voor meer dan een persoon, 30 of meer is, twee bedden die niet boven elkaar gelegen zijn.
4. Op passagiersschepen is bij voorkeur een apart ziekenverblijf voor passagiers aanwezig. Indien er geen apart ziekenverblijf voor passagiers is, worden de passagiers voor de toepassing van het derde lid meegeteld als zeevarenden.
5. Op een schip dat op een internationaal traject van meer dan drie etmalen vaart, met een bemanning en overig personeel van honderd personen of meer die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn, inclusief stagiairs en leerlingen alsmede personen die werkzaam zijn als loods,, is een verblijf ingericht als apotheek en verbandkamer dat grenst aan het ziekenverblijf en dat kan worden afgesloten.
6. Op schepen waar gelet op het eerste lid geen ziekenverblijf aanwezig is, is een eenpersoons nachtverblijf beschikbaar dat als ziekenkooi kan worden ingericht. Op schepen met minder dan zes zeevarenden, kan worden volstaan met een als ziekenkooi ingerichte slaapplaats in een nachtverblijf. Dit nachtverblijf is gemakkelijk toegankelijk.
Artikel 3.13
1.
Aan boord zijn in overeenstemming met norm A3.1, lid 17, van het Maritiem Arbeidsverdrag recreatieve voorzieningen die voldoen aan de normering van de in de onderstaande tabel genoemde onderdelen van leidraden van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| boekenkast en meubilair voor lezen, schrijven en gezelschapsspellen | leidraad B.3.1.11, lid 2 |
|---|---|
| televisie en radio | leidraad B.3.1.11, lid 4, onderdeel b |
| vertoning van films | leidraad B.3.1.11, lid 4, onderdeel c |
| bibliotheek | leidraad B.3.1.11, lid 4, onderdeel f |
| elektronische apparatuur | leidraad B.3.1.11, lid 4, onderdeel h |
| telefoon-, e-mail- en internetverbinding | leidraad B.3.1.11, lid 4, onderdeel j |
2.
Aan boord van schepen van 8000 GT of meer zijn naast de in het eerste lid bedoelde voorzieningen voorts recreatieve voorzieningen aanwezig die voldoen aan de normering van de in de onderstaande tabel genoemde onderdelen van leidraden van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| rookvoorziening | leidraad B.3.1.11, lid 4, onderdeel a |
|---|---|
| sportvoorzieningen | leidraad B.3.1.11, lid 4, onderdeel d |
| zwembad | leidraad B.3.1.11, lid 4, onderdeel e |
| faciliteiten voor creatieve bezigheden | leidraad B.3.1.11, lid 4, onderdeel g |
| bar | leidraad B.3.1.11, lid 4, onderdeel i |
3. Op schepen van 500 GT of meer is voor de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, ten minste één afzonderlijk verblijf beschikbaar.
4. Op schepen kleiner dan 500 GT kunnen in plaats van een afzonderlijk recreatieverblijf de dagverblijven zodanig worden ingericht en uitgerust, dat zij als ontspanningsruimte dienst kunnen doen.
5. Op schepen van 8000 GT of meer zijn voor de voorzieningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, naast een afzonderlijke ruimte voor het zwembad en een rookvoorziening, ten minste twee verblijven aanwezig waarin voldoende ruimte is voor het tegelijkertijd uitoefenen van verschillende recreatieve bezigheden.
Artikel 3.14
De minister kan, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.13, tweede lid, ten aanzien van de aanwezigheid van een zwembad indien dit gelet op de inrichting van het schip niet goed te realiseren is.
Artikel 3.15
1.
Aan boord zijn de volgende voorzieningen aanwezig, die voldoen aan de volgende onderdelen van normen en de normering van de onderdelen van leidraden van het Maritiem Arbeidsverdrag:
| wasvoorzieningen | norm A3.1, lid 13 en leidraad B3.1.7, lid 4 |
|---|---|
| ruimte op het open dek | norm A3.1, lid 14 |
| kantoren | norm A3.1, lid 15, eerste volzin |
2. Op schepen van 1600 GT of meer is een kleedruimte voor machinekamerpersoneel aanwezig, die voldoet aan de normering van leidraad B3.1.9 van het Maritiem Arbeidsverdrag, tenzij al het machinekamerpersoneel de beschikking heeft over een nachtverblijf voor niet meer dan twee personen met een bijbehorende sanitaire ruimte waar een bad of douche aanwezig is. De kleedruimte voor machinekamerpersoneel is vanuit de machinekamer binnendoor te bereiken.
3. Aan boord zijn voorzieningen aanwezig tegen het binnendringen van muggen in de verblijven en ruimten die toegang geven tot het open dek, indien het desbetreffende schip regelmatig havens aandoet waar doorgaans muggen aanwezig zijn.
4. De in leidraad B3.1.10 van het Maritiem Arbeidsverdrag genoemde benodigdheden zijn in voldoende hoeveelheden voor de zeevarenden aan boord beschikbaar.
Artikel 3.16
1. Voor schepen van minder dan 3000 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van het bepaalde in norm A3.1, lid 15, van het Maritiem Arbeidsverdrag ten aanzien van kantoren.
2. Voor schepen van minder dan 200 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, en met inachtneming van de grootte van het schip en het aantal opvarenden aan boord, ontheffing verlenen van norm A.3.1, lid 13, van het Maritiem Arbeidsverdrag ten aanzien van wasvoorzieningen, indien de zeevarenden van het desbetreffende schip aan de wal voldoende toegang hebben tot wasvoorzieningen.
Artikel 3.17
Voor schepen waarop zeevarenden werkzaam zijn met uiteenlopende gewoonten van godsdienstige of sociale aard, kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden en onder daarbij te stellen voorschriften, ontheffing verlenen van het bepaalde in norm A3.1 van het Maritiem Arbeidsverdrag, mits dit niet leidt tot situaties die voor een of meer zeevarenden aan boord van het desbetreffende schip minder gunstig zijn dan zonder het verlenen van die ontheffing het geval zou zijn.
Artikel 3.18
1. Schepen zijn uitgerust met voldoende kooktoestellen en keukengerei voor het bereiden van maaltijden van voldoende hoeveelheid, kwaliteit en voedingswaarde, voor de zeevarenden aan boord.
2. Op schepen met een lengte van 35 meter of meer is voor het bereiden van voedsel en warme dranken een afzonderlijk verblijf ingericht als kombuis, die voldoende uitgerust is om goede, gevarieerde en voedzame maaltijden efficiënt, in voldoende aantallen en rekening houdend met verschillende godsdienstige en culturele gebruiken van zeevarenden, te kunnen bereiden. De kombuis is aangesloten op een systeem van koud en warm drinkwater.
3. Voor de opslag van levensmiddelen zijn van andere ruimten afgesloten bergplaatsen aanwezig, die zodanig zijn geventileerd of gekoeld, dat de voeding in goede toestand blijft.
4. Schepen zijn uitgerust met drinkwatertanks die door cofferdams zijn gescheiden van olietanks en verzameltanks voor vuil water, en zodanig zijn geconstrueerd dat bij het leegpompen geen restanten achterblijven en de hygiëne van het drinkwater wordt gewaarborgd. Pijpleidingen, van welke aard ook, mogen niet door drinkwatertanks lopen.
5. Dit artikel is ook van toepassing op de in artikel 1.3, onderdeel a en c, bedoelde schepen.
Artikel 3.19
1. Als goedgekeurde materialen en producten worden aangemerkt, materialen en producten die voldoen aan de in leidraad B3.1.1, lid 5, B3.1.5, lid 9, B3.1.7, lid 2 en lid 3, onderdeel b, en B3.1.10, lid 1, onderdeel b, van het Maritiem Arbeidsverdrag genoemde omschrijving.
2. Materialen of producten die op grond van de daarop van toepassing zijnde regelgeving, een CE-markering hebben, worden aangemerkt als goedgekeurde materialen of producten, als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.20
1. De verblijven worden schoon, bewoonbaar en in een goede staat van onderhoud gehouden.
2. Ten minste eenmaal per maand worden de verblijven ten behoeve van de naleving van het bepaalde in het eerste lid, door de kapitein of een door hem aangewezen officier, in aanwezigheid van een of meer leden van de bemanning, geïnspecteerd. De bevindingen van deze inspectie worden vermeld in het scheepsdagboek.
3. Zolang zeevarenden aan boord zijn, wordt met betrekking tot de verwarming van de verblijven aan boord voldaan aan leidraad B3.1.3, lid 1, van het Maritiem Arbeidsverdrag.
4. Ziekenverblijven worden uitsluitend gebruikt voor medische doeleinden.
5. Dit artikel is ook van toepassing op de in artikel 1.3, onderdeel a en c, bedoelde schepen.
Artikel 3.21
1. De scheepsbeheerder zorgt ervoor dat voor de verzending van e-mail aan boord aanwezige internetfaciliteiten voor alle zeevarende toegankelijk zijn en dat postverzending geschiedt in overeenstemming met leidraad B3.1.11, lid 5, van het Maritiem Arbeidsverdrag.
2. Voor het gebruik van telefoon-, e-mail- en internetverbindingen kan de scheepsbeheerder een vergoeding voor de gebruikskosten vragen. De overige in artikel 3.13 bedoelde voorzieningen staan kosteloos ter beschikking van de zeevarenden.
3. De scheepsbeheerder zorgt ervoor dat omgang met familie en vrienden van zeevarenden geschiedt in overeenstemming met de normering van leidraad B3.1.11, leden 6 en 7, van het Maritiem Arbeidsverdrag.
4. De in artikel 3.13 bedoelde voorzieningen worden overeenkomstig de in leidraad B3.1.11, lid 1, van het Maritiem Arbeidsverdrag genoemde doelstellingen ten minste eens per drie jaar door of namens de kapitein geïnspecteerd.
5. Dit artikel is ook van toepassing op de in artikel 1.3, onderdeel a en c, bedoelde schepen.
Artikel 3.21a
1. Aan boord zijn de nodige voorzieningen voor het elektronisch of op andere wijze raadplegen van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (European Transport Workers' Federation – ETF) inzake het Verdrag betreffende maritieme arbeid (PbEG 2009, L124).
2. Het eerste lid is ook van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 3.22
1.
De minister kan afwijking toestaan van de artikelen 3.1, 3.3, eerste en vierde lid, 3.8, 3.10, 3.12, 3.13, eerste tot en met vijfde lid, en 3.15, eerste en tweede lid, voor:
a. a. buitenlandse schepen die onder Nederlandse vlag gaan varen en waarvan de kiel is gelegd op of na de datum waarop paragraaf 3 van deze regeling in werking is getreden; b. b. schepen met een innovatief ontwerp of een innovatieve bouwwijze.
2. Een afwijking als bedoeld in het eerste lid wordt slechts toegestaan na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, en onder daarbij te stellen wezenlijk gelijkwaardige voorschriften als bedoeld in artikel VI, lid 3 van het Maritiem Arbeidsverdrag.
Artikel 3.23
1.
Voor de aanvang van de bouw van een schip of een verbouwing of andere wijziging die van invloed is op de eisen aan de huisvesting en voorzieningen aan boord, wordt aan de minister een plan overgelegd. Dit plan bevat de volgende elementen:
a. a. de plaats en de algemene indeling van de verblijven; b. b. hoe wordt voldaan aan de in de artikelen 3.1, 3.3, 3.8, 3.10, 3.12, 3.13, 3.15, 3.18, en 3.19 bedoelde en op het desbetreffende schip van toepassing zijnde eisen; c. c. eventuele aanvragen voor ontheffingen op grond van de artikelen 3.2, 3.7, eerste en derde tot en met zevende lid, 3.9, tweede en derde lid, 3.11, eerste lid, 3.14, 3.16 en 3.17; d. d. de eventuele toepassing van de in de artikelen 3.4, 3.5, en 3.6, bedoelde wezenlijk gelijkwaardige bepalingen; e. e. de eventuele toepassing van de in de artikelen 3.7, tweede lid, 3.9, eerste lid, en 3.11, tweede lid, bedoelde afwijkende voorschriften; en f. f. eventuele verzoeken tot de toepassing van artikel 3.22, waarbij wordt aangegeven van welke van de in dat artikel genoemde bepalingen afwijking wordt gevraagd; en g. g. de resultaten van het overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, voor zover dit overleg is voorgeschreven in de in dit lid genoemdebepalingen.
2. Met de bouw, verbouwing of andere wijziging als bedoeld in het eerste lid wordt niet gestart totdat het in het eerste lid bedoelde plan is goedgekeurd en eventuele ontheffingen en toestemmingen zijn verleend. De bouw, verbouwing of wijziging wordt uitgevoerd overeenkomstig het goedgekeurde plan.
Paragraaf 4
Artikel 4.1
1.
Voor de bevoorrading van een schip met levensmiddelen die voldoen aan de in artikel 48a van de wet bedoelde eisen, worden de soorten en hoeveelheden mee te nemen levensmiddelen bepaald op basis van:
a. a. het aantal zeevarenden aan boord; b. b. de duur van de reis; c. c. de aard van de reis; d. d. de mogelijkheid tot het aanvullen van voorraden in aanloophavens; en e. e. de religieuze achtergrond en de culturele gewoonten van de zeevarenden.
2. De voorraden levensmiddelen worden opgeslagen in de in artikel 3.18, derde lid, bedoelde bergplaatsen.
Artikel 4.2
1. Voor de bevoorrading van een schip met drinkwater, wordt de benodigde hoeveelheid vastgesteld op basis van de in artikel 4.1, eerste lid, genoemde criteria, alsmede op basis van de mogelijkheid van aanvulling gedurende de reis met behulp van een voorziening om drinkwater te maken.
2. In geval van onvoorziene omstandigheden tijdens de reis, kan de kapitein de hoeveelheid drinkwater per zeevarende rantsoeneren.
3. Het drinkwater wordt opgeslagen in de in artikel 3.18, vierde lid, bedoelde of andere daarvoor geschikte tanks die schoon zijn en zo zijn afgesloten dat daarin geen vreemde bestanddelen kunnen komen.
4.
Het drinkwater wordt slechts in de drinkwatertank geleid:
a. a. met een aanvoerslang die vrij van de kade wordt gehouden; b. b. nadat tenminste één minuut het water op volle aanvoerdruk uit de aanvoerslang heeft gestroomd; c. c. indien tijdens het laden per ton drinkwater wordt toegevoegd:
1°.
een gestabiliseerd hypochloriet in zodanige hoeveelheid, dat minstens 0,7 gram vrij chloor per ton vrijkomt, of
2°.
een hoeveel gestabiliseerd hypochloriet met een hoeveelheid ammoniumzout, zodat minstens 2,5 gram monochlooramine (NH2Cl) per ton ontstaat, of
3°.
een door de minister toegestane stof in een zodanige hoeveelheid dat minstens 0,7 gram vrij chloor per ton water vrijkomt; en
1°. 1°. een gestabiliseerd hypochloriet in zodanige hoeveelheid, dat minstens 0,7 gram vrij chloor per ton vrijkomt, of 2°. 2°. een hoeveel gestabiliseerd hypochloriet met een hoeveelheid ammoniumzout, zodat minstens 2,5 gram monochlooramine (NH2Cl) per ton ontstaat, of 3°. 3°. een door de minister toegestane stof in een zodanige hoeveelheid dat minstens 0,7 gram vrij chloor per ton water vrijkomt; en d. d. indien de in onderdeel c genoemde stoffen behoorlijk door het drinkwater worden gemengd.
5. Een drinkwatertank die voor inspectie, onderhoud, of anderszins is betreden, wordt gereinigd door de tank te vullen met drinkwater waarin 10 gram vrij chloor per ton drinkwater is gemengd. De drinkwatertank wordt slechts bevoorraad met drinkwater als dat water tenminste 2 uur lang in de tank is geweest en daarna is uitgepompt.
Artikel 4.3
1. Peilstokken of andere instrumenten, die gebruikt worden om het restant drinkwater in tanks op te meten, moeten steeds vóór het gebruik gereinigd zijn. Zij moeten worden opgeborgen op een plaats, waar het gevaar van besmetting het geringst is. Bij het gebruik van metalen roestvrije tapelines die worden geborgen in een doos waarin enkele formalinetabletten aanwezig zijn, is het afzonderlijk reinigen niet nodig.
2. De kapitein moet er op toezien, dat de persoon, belast met het peilen, onmiddellijk vóór hij gaat peilen, de handen wast.
Artikel 4.4
1. In kombuizen en pantry’s moet bij elke drinkwaterkraan een opschrift ‘drinkwater’ en bij elke zoutwaterkraan een opschrift ‘zoutwater’ aangebracht zijn.
2. Na vertrek uit een haven moet de zoutwaterleiding, welke voor afwas van keuken- en eetgerei dient, buiten de driemijlsgrens geruime tijd worden doorgespoeld, voordat deze voor afwasdoeleinden gebezigd mag worden.
Artikel 4.5
De voorraad sterke drank aan boord is niet groter dan 0,1 liter per zeevarende per reisdag. Het aantal reisdagen wordt vastgesteld vanaf de dag van vertrek, tot en met de dag van aankomst in de eerst volgende haven waar het schip weer zal worden bevoorraad als vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1, eerste lid, onderdeel d.
Artikel 4.6
1. Een inspectie als bedoeld in artikel 48a, derde lid, van de wet wordt minimaal één keer per maand uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in norm A3.2, lid 7, van het Maritiem Arbeidsverdrag.
2. De bevindingen van de inspectie worden in het scheepsdagboek vermeld.
3. Voor het uitvoeren van een inspectie van het drinkwater, worden alle noodzakelijke hygiënemaatregelen genomen om besmetting van het drinkwater te voorkomen.
Paragraaf 4a. Huisvesting, voorzieningen, voeding en drinkwater ten behoeve van vissers aan boord van vissersvaartuigen
Artikel 4a.1
In alle accommodatieruimten is voldoende stahoogte. Voor accommodatieruimten waar de vissers geacht worden gedurende langere tijd achtereen te staan is de stahoogte ten minste 200 centimeter.
Artikel 4a.2
1. Vanuit visruimen en machinekamers zijn geen directe openingen naar slaapruimten, behalve om als nooduitgang dienst te doen.
2. Directe openingen naar slaapruimten vanuit kombuizen, opslagruimten, droogkamers of gemeenschappelijke sanitaire ruimten zijn waar redelijk en uitvoerbaar vermeden, tenzij uitdrukkelijk elders anders is bepaald.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid zijn in vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer geen directe openingen naar slaapruimten vanuit visruimen, machineruimten, kombuizen, opslagruimten, droogkamers of gemeenschappelijke sanitaire ruimten, behalve ten behoeve van een nooduitgang.
4. Het gedeelte van een schot dat in het derde lid bedoelde ruimten van nachtverblijven scheidt alsmede de buitenwanden, zijn doelmatig vervaardigd van staal of van ander goedgekeurd materiaal en zijn water- en gasdicht.
5. Het derde lid sluit de aanwezigheid van gedeelde sanitaire ruimten tussen twee slaapruimten niet uit.
Artikel 4a.3
1. Accommodatieruimten zijn voldoende geïsoleerd.
2. Materialen die zijn gebruikt voor de constructie van interne scheidingswanden, lambrisering en bekleding, evenals vloeren en verbindingselementen zijn geschikt voor het beoogde doel en dragen bij tot een gezonde omgeving.
3. In alle accommodatieruimten is voldoende waterafvoer.
4. Aan het gestelde in het eerste tot en met derde lid wordt in ieder geval voldaan indien norm A3.1, lid 6, onderdelen b en g, van het Maritiem Arbeidsverdrag, zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.
Artikel 4a.4
Alle praktische maatregelen worden getroffen om accommodatieruimten voor de bemanning van vissersvaartuigen te beschermen tegen vliegen en andere insecten, vooral wanneer het vissersvaartuig actief is in door muggen geteisterde gebieden.
Artikel 4a.5
Alle accommodatieruimten zijn voor zover nodig voorzien van nooduitgangen.
Artikel 4a.6
1. Accommodatieruimten worden geventileerd, rekening houdend met de klimatologische omstandigheden.
2. Het ventilatiesysteem zorgt constant voor voldoende verse lucht wanneer er vissers aan boord zijn.
3. De ventilatievoorzieningen of andere maatregelen zijn zodanig uitgevoerd dat niet-rokers worden beschermd tegen tabaksrook.
4. In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer uitgerust met een ventilatiesysteem voor accommodatieruimten dat zodanig is ingesteld dat de lucht van voldoende kwaliteit is en gewaarborgd is dat de luchtcirculatie voldoende is onder alle weers- en klimatologische omstandigheden. Het ventilatiesysteem is te allen tijde in bedrijf wanneer er vissers aan boord zijn.
5. Aan het gestelde in het eerste tot en met vierde lid wordt in ieder geval voldaan indien norm A3.1, lid 7, onderdeel b, en leidraad B3.1.2 van het Maritiem Arbeidsverdrag, zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.
Artikel 4a.7
1. Accommodatieruimten worden voldoende verwarmd, rekening houdend met de klimatologische omstandigheden.
2. In aanvulling op het eerste lid worden vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer, met uitzondering van vissersvaartuigen die uitsluitend in tropische gebieden actief zijn, voldoende verwarmd door middel van een geschikt verwarmingssysteem.
3. Het in het tweede lid bedoelde verwarmingssysteem zorgt, voor zover nodig, onder alle omstandigheden voor warmte en is operationeel wanneer vissers aan boord verblijven of werken en wanneer de omstandigheden dat vereisen.
4. Vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer zijn, met uitzondering van vissersvaartuigen die regelmatig actief zijn in gebieden waar de gematigde klimatologische omstandigheden geen airconditioning vereisen, voorzien van airconditioning in accommodatieruimten, op de brug, in de radiokamer en in de gecentraliseerde machinecontrolekamer.
5. Aan het gestelde in het eerste tot en met vierde lid wordt in ieder geval voldaan indien norm A3.1, lid 7, onderdelen b en d, en leidraad B3.1.3, lid 2 en 3, van het Maritiem Arbeidsverdrag, zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.
Artikel 4a.8
1. Accommodatieruimten zijn van voldoende verlichting voorzien.
2. Indien uitvoerbaar zijn accommodatieruimten met zowel daglicht als kunstlicht verlicht.
3. Slaapruimten kunnen worden afgeschermd van daglicht.
4. In iedere kooi is in aanvulling op de normale verlichting van de slaapruimte voldoende leesverlichting aanwezig.
5. Aan het gestelde in het eerste tot en met vierde lid wordt in ieder geval voldaan indien leidraad B3.1.4, lid 1, van het Maritiem Arbeidsverdrag zoals die luidde op 15 november 2019 is toegepast.
Artikel 4a.9
1. Slaapruimten zijn voorzien van noodverlichting.
2. Indien eetruimten, gangen of andere ruimten nooduitgang zijn en niet zijn voorzien van noodverlichting, zijn deze voorzien van permanente nachtverlichting.
3. Vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer zijn, in alle delen van de accommodatie waar de bemanning zich vrij kan bewegen, voorzien van verlichting die ten minste zodanig is dat een persoon met een normaal gezichtsvermogen in staat is een normaal gedrukte krant op een heldere dag te lezen.
Artikel 4a.10
1. Indien het ontwerp, de afmetingen of het gebruik van het vissersvaartuig dat toelaat, zijn slaapruimten zodanig geplaatst dat de gevolgen van bewegingen en versnellingen van het vissersvaartuig tot een minimum beperkt blijven.
2. Slaapruimten zijn achter het aanvaringsschot gelegen.
Artikel 4a.11
1. Het aantal personen per slaapruimte en het vloeroppervlak per persoon, exclusief de ruimte ingenomen door kooien en kasten, is zodanig dat, rekening houdend met het gebruik van het vaartuig, de vissers aan boord beschikken over voldoende ruimte en comfort.
2.
Aan het gestelde in het eerste lid wordt in ieder geval voldaan indien het vloeroppervlak per persoon in een slaapruimte voor scheepsgezellen of in een gecombineerd slaapruimte voor officieren en scheepsgezellen, de ruimte ingenomen door kooien en kasten niet meegerekend, ten minste bedraagt:
a. a. op schepen met een lengte van 13 tot 19 meter: 0,75 vierkante meter; b. b. op schepen met een lengte van 19 tot 24 meter: 1 vierkante meter.
3. In aanvulling op het eerste en tweede lid is op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer maar minder dan 45 meter het vloeroppervlak van slaapruimten, exclusief de ruimte ingenomen door kooien en kasten, per persoon ten minste 1,5 vierkante meter.
4. In aanvulling op het eerste en tweede lid is op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 45 meter of meer het vloeroppervlak van slaapruimten, exclusief de ruimte ingenomen door kooien en kasten, per persoon ten minste 2 vierkante meter.
Artikel 4a.12
1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, is het toegestane aantal personen per slaapruimte niet meer dan zes.
2. Op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer is het toegestane aantal personen per slaapruimte niet meer dan vier. De Minister kan in bepaalde gevallen uitzonderingen op dit vereiste toestaan, indien het vereiste vanwege de grootte, het type of het beoogde gebruik van het vissersvaartuig naleving onredelijk of onmogelijk maakt.
3. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald en indien uitvoerbaar zijn voor officieren een of meer afzonderlijke slaapruimten aanwezig.
4. Het maximumaantal personen dat in een slaapruimte kan worden ondergebracht is duidelijk leesbaar en onuitwisbaar vermeld op een duidelijk zichtbare plaats in de slaapruimte.
Artikel 4a.13
1. Op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer beschikken officieren waar mogelijk over een aparte slaapruimte, in geen geval zal de slaapruimte voor officieren meer dan twee kooien bevatten.
2. Onze Minister kan in bepaalde gevallen afwijken van het eerste lid, indien de eisen vanwege de omvang, het type of het beoogde gebruik van het vaartuig onredelijk of niet uitvoerbaar zijn.
Artikel 4a.14
1. Kooien hebben geschikte afmetingen voor één persoon, de matrassen zijn vervaardigd van geschikt materiaal.
2. Op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer zijn de binnenmaten van kooien ten minste 200 bij 80 centimeter.
Artikel 4a.15
1. Slaapruimten zijn zodanig gelegen en ingericht dat een redelijk comfort voor de vissers is gewaarborgd en netheid wordt bevorderd.
2. Slaapruimten zijn ingericht met kooien, individuele kasten voor kleding en andere persoonlijke eigendommen en een geschikt schrijfoppervlak.
3. Slaapruimten op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer zijn voorzien van een schrijftafel met stoel.
4. Indien uitvoerbaar zijn slaapruimten zodanig gelegen of ingericht dat de privacy voor mannen en voor vrouwen voldoende is gewaarborgd.
Artikel 4a.16
1. Vissersvaartuigen zijn voorzien van geschikte eetruimten, waar mogelijk, gescheiden van de slaapruimten.
2. Eetruimten zijn zo dicht mogelijk bij de kombuis gelegen, maar zijn niet gelegen voor het aanvaringsschot.
3. In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer de eetruimten gescheiden van slaapruimten.
Artikel 4a.17
1. De afmetingen en uitrusting van een eetruimte zijn geschikt voor het aantal personen aan boord.
2. Op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 12 meter of meer zijn voor vissers te allen tijde een koelkast met voldoende capaciteit en voorzieningen voor het bereiden van warme en koude dranken beschikbaar.
Artikel 4a.18
1. Voor alle personen zijn sanitaire voorzieningen aanwezig, bestaande uit toiletten, wastafels, en baden of douches al naar gelang het gebruik van het vissersvaartuig. Deze voorzieningen voldoen ten minste aan de minimumnormen op het gebied van gezondheid en hygiëne en aan redelijke kwaliteitsnormen.
2. Sanitaire voorzieningen zijn zodanig uitgevoerd dat verontreiniging van andere ruimten uitgesloten is.
3. Sanitaire voorzieningen bieden redelijke privacy.
4. Aan het gestelde in het eerste tot en met derde lid wordt in ieder geval voldaan indien norm A3.1, lid 11, onderdelen a tot en met c, van het Maritiem Arbeidsverdrag zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.
Artikel 4a.19
1. Koud en warm stromend water zijn in zodanig voldoende mate beschikbaar voor alle vissers en alle overige personen aan boord dat een behoorlijke hygiëne mogelijk is.
2. Sanitaire voorzieningen zijn voorzien van ventilatie met buitenlucht die onafhankelijk is van overige accommodatieruimten.
3. Oppervlakken in sanitaire accommodatieruimten zijn eenvoudig en doeltreffend te reinigen. Vloeren zijn voorzien zijn van een antislip laag.
4. In aanvulling op het eerste tot en met derde lid zijn op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer voor vissers, die niet beschikken over een eigen slaapruimte met bijbehorende sanitaire voorzieningen, ten minste een bad of douche, een toilet en een wasbak per vier of minder personen aanwezig.
5. Aan het gestelde in het eerste tot en met vierde lid wordt in ieder geval voldaan indien norm A3.1, lid 7, onderdeel c, lid 11, onderdelen a tot en met d en f, en leidraad B3.1.7, lid 1 tot en met lid 3, van het Maritiem Arbeidsverdrag zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.
Artikel 4a.20
1. De nodige voorzieningen voor het wassen en drogen van kleding zijn beschikbaar, rekening houdend met het gebruik van het vissersvaartuig.
2. In aanvulling op het eerste lid zijn op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer toereikende voorzieningen voor het wassen, drogen en strijken van kleding beschikbaar.
3. In aanvulling op het eerste lid zijn op vissersvaartuigen met een lengte (L) van 45 meter of meer toereikende voorzieningen voor het wassen, drogen en strijken van kleding beschikbaar die zijn gelegen in een van slaapruimten, eetruimten en toiletten afgescheiden ruimte, die voldoende is geventileerd en verwarmd en is voorzien van waslijnen of andere middelen voor het drogen van kleding.
Artikel 4a.21
1. Wanneer nodig wordt een slaapruimte beschikbaar gemaakt als ziekenverblijf voor een zieke of gewonde visser.
2. Op vissersvaartuigen van meer dan 950 GT die met een bemanning van 15 vissers of meer een reis van meer dan drie dagen maken, en vissersvaartuigen, ongeacht het aantal bemanningsleden en de duur van de reis, met een lengte (L) van 45 meter of meer is een aparte ziekenboeg aanwezig waar medische zorg kan worden verleend.
3. De ziekenboeg is adequaat uitgerust en verkeert te allen tijde in hygiënische staat.
Artikel 4a.22
Buiten slaapruimten, maar op een gemakkelijk bereikbare plaats, is een ruimte beschikbaar voor het ophangen van spullen voor gebruik bij slecht weer en andere persoonlijke beschermingsmiddelen.
Artikel 4a.23
1. Aan alle vissers aan boord worden eetgerei, beddengoed en ander linnengoed verstrekt.
2. De kosten van het in het eerste lid bedoelde linnengoed kunnen worden ingehouden als exploitatiekosten indien de zee-arbeidsovereenkomst in de zeevisserij, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of de maatschapsovereenkomst op grond waarvan de vissers werk verrichten daarin voorziet.
Artikel 4a.24
1. Vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer beschikken over geschikte recreatieve voorzieningen en -diensten voor alle vissers aan boord.
2. Indien geschikt kunnen eetruimten worden gebruikt voor recreatie.
Artikel 4a.25
Alle vissers aan boord krijgen, voor zover mogelijk en binnen redelijke grenzen, toegang tot communicatievoorzieningen tegen een redelijke kostprijs die de totale kostprijs voor de eigenaar van het vissersvaartuig niet overstijgt.
Artikel 4a.26
1. Aan boord zijn kookvoorzieningen en kookgerei beschikbaar. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald en indien uitvoerbaar zijn deze ondergebracht in een afzonderlijke kombuis.
2. Een kombuis, of de kookplaats indien geen afzonderlijke kombuis aanwezig is, is van voldoende afmetingen, goed verlicht, geventileerd en naar behoren uitgerust en onderhouden.
3. In aanvulling op het eerste en tweede lid, beschikken vissersvaartuigen met een lengte (L) van 24 meter of meer over een afzonderlijke kombuis.
Artikel 4a.27
Tanks of flessen met butaan- of propaangas voor het koken in een kombuis zijn geplaatst op het open dek en afdoende beschermd tegen externe hittebronnen en andere externe invloeden.
Artikel 4a.28
1. Aan boord is een geschikte plaats met voldoende capaciteit aanwezig voor de opslag van levensmiddelen zodat deze droog, koel en goed geventileerd blijven en bederf wordt voorkomen en worden waar mogelijk koelkasten of andere voorzieningen voor opslag bij lage temperaturen worden gebruikt.
2. Vissersvaartuigen met een lengte (L) van 12 meter of meer beschikken over een provisiekamer, een koelkast en andere voorzieningen voor koele opslag.
Artikel 4a.29
1. Aan boord is voldoende voeding en drinkwater aanwezig voor de vissers aan boord gelet op de duur en aard van de reis.
2. Voeding en drinkwater zijn wat betreft voedingswaarde, kwaliteit, kwantiteit en variatie geschikt, waarbij ook rekening is gehouden met de voorschriften en gebruiken omtrent voeding die voortvloeien uit de religie en cultuur van de vissers.
Artikel 4a.30
1. Accommodatieruimten worden schoon en bewoonbaar gehouden en zijn vrij van goederen en voorraden die niet tot de persoonlijke eigendommen van de visser behoren en niet bedoeld zijn voor hun veiligheid of redding in geval van nood.
2. Een kombuis en de opslagvoorzieningen voor levensmiddelen worden in een hygiënische staat gehouden.
3. Afval wordt bewaard in goed afgesloten containers en tijdig afgevoerd uit de ruimten waar voedsel wordt bereid.
Artikel 4a.31
1.
Aan boord van vissersvaartuigen met een lengte (L) van meer dan 24 meter worden door of op gezag van de schipper een maal per reis doch ten minste een maal per maand inspecties uitgevoerd om te waarborgen dat:
a. a. accommodatieruimten schoon, aanvaardbaar bewoonbaar, veilig en in een goede staat van onderhoud verkeren; b. b. voedsel- en watervoorraden toereikend zijn; en c. c. kombuis, ruimten en uitrusting voor de opslag van voedsel hygiënisch zijn en in een goede staat van onderhoud verkeren.
2. De bevindingen van deze inspecties en de getroffen maatregelen om eventuele tekortkomingen te verhelpen worden vermeld in het scheepsdagboek.
Artikel 4a.32
De Minister kan na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en vissers uitzonderingen op de bepalingen van deze paragraaf toestaan opdat, zonder discriminatie, rekening kan worden gehouden met de belangen van vissers met onderling verschillende en bijzondere religieuze en sociale gewoonten, op voorwaarde dat deze uitzonderingen er niet toe leiden dat de algemene algehele omstandigheden minder gunstig zijn dan die welke voortvloeien uit de toepassing van deze paragraaf.
Paragraaf 5
Artikel 5.1
1. Een verklaring naleving maritieme arbeid deel I bevat de elementen als bedoeld in norm A5.1.3, lid 10, onderdeel a, van het Maritiem Arbeidsverdrag en wordt opgesteld met inachtneming van leidraad B5.1.3, leden 1 en 4, van het Maritiem Arbeidsverdrag.
2. Het in artikel 5.8, derde lid, bedoelde model bevat een opsomming van de eisen bedoeld in artikel 48c, eerste lid, van de wet die op de desbetreffende schepen van toepassing zijn. Daarbij wordt voor wat betreft de voorschriften met betrekking tot huisvesting en voorzieningen voor zeevarenden onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen schepen, bedoeld in artikel 1.1, de categorieën van schepen bedoeld in artikel 1.3, het tonnage en de bouwdatum van het schip.
Artikel 5.2
1.
In de verklaring naleving maritieme arbeid deel II wordt vermeld:
a. a. de maatregelen en procedures om te waarborgen dat voortdurend wordt voldaan aan de in artikel 48c, eerste lid, van de wet bedoelde eisen en de voorgestelde maatregelen om voortdurende verbetering van de naleving te waarborgen; b. b. de maatregelen die worden getroffen indien blijkt dat niet wordt voldaan aan bepaalde in artikel 48c, eerste lid, van de wet bedoelde eisen; en c. c. welke personen zijn aangewezen voor het toepassen van de in de onderdelen a en b bedoelde maatregelen en procedures.
2. De verklaring naleving maritieme arbeid deel II wordt opgesteld in overeenstemming met de normering van leidraad B5.1.3, leden 2, 3 en 4, van het Maritiem Arbeidsverdrag.
Artikel 5.3
1. Een certificaat maritieme arbeid heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaren.
2.
Ter verkrijging van een certificaat maritieme arbeid, bij een tussentijdse inspectie als bedoeld in het derde lid, en bij een verlengingsinspectie als bedoeld in het vierde lid:
a. a. wordt onderzocht of het schip voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 48c, eerste lid, van de wet, en aan de voorschriften genoemd op de toepasselijke verklaring naleving maritieme arbeid deel I; en b. b. wordt beoordeeld of de verklaring naleving maritieme arbeid deel II voldoet aan het bepaalde in artikel 5.2, en of op basis van de inhoud van die verklaring voldoende is gewaarborgd dat de in onderdeel a bedoelde eisen die op het desbetreffende schip van toepassing zijn, voortdurend worden nageleefd.
3. Tijdens de geldigheidsduur van het certificaat maritieme arbeid wordt het schip onderworpen aan een tussentijdse inspectie die plaatsvindt tussen de tweede en derde verjaardatum van het certificaat. Van een goed verlopen tussentijdse inspectie wordt aantekening gemaakt op het certificaat.
4. Het onderzoek ter verlenging van een certificaat maritieme arbeid vindt plaats voor de vijfde verjaardatum van het certificaat. Indien de verlengingsinspectie wordt afgerond binnen drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat maritieme arbeid geldig vanaf de datum waarop de verlengingsinspectie is afgerond voor een tijdvak dat ten hoogste loopt tot vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat. Indien de verlengingsinspectie meer dan drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande certificaat wordt afgerond, is het nieuwe certificaat maritieme arbeid geldig voor vijf jaar gerekend vanaf de datum waarop de verlengingsinspectie is afgerond.
Artikel 5.4
1. De uitkomsten van een inspectie als bedoeld in artikel 5.3 worden door de betrokken ambtenaar of degene die namens een rechtspersoon de inspectie heeft uitgevoerd opgenomen in een inspectierapport, waarbij alle eventuele zwaarwegende tekortkomingen uitdrukkelijk worden vermeld. De datum waarop wordt vastgesteld dat een zwaarwegende tekortkoming is verholpen, wordt eveneens aangetekend op het inspectierapport.
2. Een afschrift van het inspectierapport wordt in de werktaal van het schip en in het Engels, indien de werktaal geen Engels is en het schip internationale reizen maakt, verstrekt aan de kapitein.
3. De kapitein verstrekt op verzoek een afschrift van het inspectierapport alsmede van het certificaat maritieme arbeid en de verklaring naleving maritieme arbeid in het Engels of in de werktaal van het schip, aan krachtens artikel 48d van de wet aangewezen ambtenaren, aan inspecteurs van een havenstaat of aan vertegenwoordigers van scheepsbeheerders of zeevarenden.
4. Een afschrift van het inspectierapport wordt aan boord van het schip op een duidelijk zichtbare en voor de bemanning toegankelijke plaats beschikbaar gesteld.
Artikel 5.5
1.
Een voorlopig certificaat maritieme arbeid kan worden afgegeven met betrekking tot:
a. a. nieuwe schepen bij de oplevering; b. b. schepen die onder de vlag van het koninkrijk gaan varen; c. c. schepen die in het beheer komen van een andere scheepsbeheerder .
2. Een voorlopig certificaat maritieme arbeid kan eenmalig worden afgegeven voor een tijdvak van ten hoogste 26 weken.
3. In afwijking van artikel 5.2, eerste lid, onderdelen a en b, worden de bedoelde maatregelen en procedures in de verklaring naleving maritieme arbeid deel II zoveel als mogelijk vermeld. De scheepsbeheerder toont aan dat de kapitein op de hoogte is van de eisen van het Maritiem Arbeidsverdrag en zijn verantwoordelijkheden voor de uitvoering en de naleving van de voor het desbetreffende schip geldende regels en procedures voor de naleving van het Maritiem Arbeidsverdrag.
4. Het schip wordt met het oog op een voorlopig certificaat als bedoeld in het eerste lid, op onderdelen onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, onderdeel a.
Artikel 5.6
1.
Een aanvraag voor een certificaat maritieme arbeid of een voorlopig certificaat maritieme arbeid wordt schriftelijk ingediend bij een op grond van artikel 48d, eerste lid van de wet aangewezen ambtenaar of rechtspersoon. Daarbij verstrekt de scheepsbeheerder de volgende gegevens en documenten:
a. a. naam van het schip; b. b. IMO-nummer van het schip; c. c. de naam van de scheepsbeheerder; d. d. technische gegevens van het schip, inclusief de op grond van artikel 3.23 goedgekeurde plannen; e. e. de datum van de kiellegging.
2. Op basis van de gegevens bedoeld in het eerste lid, ontvangt de scheepsbeheerder een verklaring naleving maritieme arbeid deel I, aan de hand waarvan de scheepsbeheerder een verklaring naleving maritieme arbeid deel II opstelt die in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 5.2 en 5.8, vierde lid, en, voor zover van toepassing, artikel 5.5, derde lid.
3. Nadat de in het eerste lid bedoelde ambtenaar of rechtspersoon, de verklaring naleving maritieme arbeid deel II heeft ontvangen, worden de in artikel 5.3 of artikel 5.5, vierde lid, bedoelde onderzoeken uitgevoerd.
Artikel 5.7
Onverminderd het bepaalde in artikel 48e van de wet, vervalt een voor dat schip afgegeven certificaat maritieme arbeid indien:
a. a. het schip wordt onttrokken aan zijn oorspronkelijke bestemming waardoor het niet meer als schip wordt gebruikt; b. b. het schip zonder dat een verbouwing of wijziging van de inrichting plaatsvindt als bedoeld in artikel 48e, eerste lid, onderdeel a van de wet, van bestemming wijzigt.
Artikel 5.8
1. Het model van het certificaat maritieme arbeid is opgenomen in bijlage B bij deze regeling.
2. Het model van het voorlopige certificaat maritieme arbeid is opgenomen in bijlage C bij deze regeling.
3. De modellen van de verklaring naleving maritieme arbeid, deel I, zijn opgenomen in bijlage D bij deze regeling.
4. Het model van de verklaring naleving maritieme arbeid, deel II, is opgenomen in bijlage E bij deze regeling.
5. De in het eerste tot en met het vierde lid bedoelde documenten zijn slechts geldig indien ze zijn opgesteld overeenkomstig de in de bijlagen bij deze regeling opgenomen modellen en naar waarheid zijn ingevuld.
Artikel 5.9
1.
Een erkenning als bedoeld in artikel 48d, vierde lid, van de wet kan worden verleend aan rechtspersonen die voldoen aan de volgende criteria:
a. a. de rechtspersoon beschikt over een gecertificeerd kwaliteitssysteem, waarin de procedures alsmede het beheer van alle documentatie met betrekking tot de onderzoeken waarvoor de aanwijzing geldt zijn geborgd; b. b. de rechtspersoon heeft de beschikking over een wereldwijd netwerk van voldoende en bekwaam personeel met voldoende en actuele kennis van het Maritiem Arbeidsverdrag en de Nederlandse wettelijke vereisten voor de afgifte van een certificaat maritieme arbeid, alsmede ervaring met betrekking tot het onderzoeken van schepen; en c. c. de rechtspersoon voert een onafhankelijke bedrijfsvoering en kan daarover verantwoording afleggen.
2. Een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid houdt kantoor in Nederland en heeft met de Staat een overeenkomst gesloten met betrekking tot de taken die zij in het kader van de aanwijzing uitvoert, waarin de in leidraad B5.1.2 van het Maritiem Arbeidsverdrag genoemde onderwerpen zijn opgenomen.
3. Rechtspersonen die zijn erkend op grond van verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009, worden geacht te voldoen aan de erkenningscriteria, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid.
4. Een erkenning wordt verleend voor onbepaalde tijd. Een erkenning kan worden ingetrokken indien de rechtspersoon waaraan de erkenning is verleend, niet meer voldoet aan een van de in het eerste lid genoemde criteria.
5. Een besluit tot erkenning of intrekking van een erkenning wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 5.10
1. Een rechtspersoon die is erkend overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.9 en die is aangewezen op grond van artikel 6, tweede lid, van de Schepenwet, kan de minister verzoeken om een aanwijzing als bedoeld in artikel 48d, eerste lid, van de wet.
2. Een aanwijzing wordt ingetrokken indien de in artikel 5.9 bedoelde erkenning wordt ingetrokken
3. Een aanwijzing kan worden ingetrokken indien de aangewezen rechtspersoon handelt in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan de aanwijzing of in strijd met de overeenkomst, bedoeld in artikel 5.9, tweede lid.
4. Een aanwijzing kan worden geschorst indien door een handeling of nalaten van de aangewezen rechtspersoon ernstig gevaar voor de veiligheid kan of is ontstaan.
Paragraaf 5a. Visserij-arbeidscertificaat
Artikel 5a.1
Het model voor het visserij-arbeidscertificaat voor vissersvaartuigen is opgenomen in bijlage G.
Artikel 5a.2
Een visserij-arbeidscertificaat heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 5 jaar.
Artikel 5a.3
De artikelen 5.3 tot en met 5.7 zijn van overeenkomstige toepassing op het visserij-arbeidscertificaat.
Paragraaf 6
Artikel 6.1
1.
Na het uitvoeren van een inspectie als bedoeld in artikel 5.3, tweede, derde of vierde lid, worden door de betrokken ambtenaar of degene die namens een rechtspersoon de inspectie heeft uitgevoerd, de volgende gegevens in het in artikel 65, tweede lid, van de wet bedoelde register geregistreerd:
a. a. naam van het schip; b. b. IMO-nummer van het schip; c. c. naam van de scheepsbeheerder van het schip; d. d. naam van de op grond van artikel 48d, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaar of degene die namens een rechtspersoon de inspectie heeft uitgevoerd; e. e. datum en plaats van de inspectie; f. f. de resultaten van vraaggesprekken met zeevarenden aan boord; h. h. informatie betreffende eventuele inbreuken op de wetgeving, opgelegde sancties en aanhouding van het schip; i. i. gerapporteerde arbeidsongevallen.
2. Rechtspersonen die zijn aangewezen op grond van artikel 48d, eerste lid, van de wet, dragen er zorg voor dat de in het eerste lid bedoelde inspectiegegevens in het register worden geregistreerd op de door de minister bij die aanwijzing voorgeschreven wijze.
3. De minister brengt binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar een verslag uit van de in het desbetreffende jaar uitgevoerde inspecties.
Paragraaf 7
Artikel 7.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘klager’: een zeevarende die overeenkomstig een klachtenprocedure als bedoeld in artikel 69a, eerste lid, van de wet of de regels bedoeld in artikel 69b, tweede lid, van de wet, een klacht indient.
Artikel 7.2
1.
In een procedure als bedoeld in artikel 69a van de wet wordt tenminste opgenomen:
a. a. bij welke persoon of personen aan boord een klacht kan worden ingediend, waarbij klachten in ieder geval bij de kapitein kunnen worden ingediend; b. b. bij welke vertegenwoordiger van de scheepsbeheerder die niet tot de zeevarenden aan boord behoort, een klacht kan worden ingediend; c. c. de contactgegevens voor het indienen van een klacht als bedoeld in artikel 7.3; d. d. de naam van één of meer vertrouwenspersonen aan boord die zeevarenden onpartijdig kunnen adviseren over het indienen van een klacht en klagers kunnen bijstaan bij het doorlopen van de klachtenprocedure en kan helpen bij het voorkomen van nadelige behandeling vanwege het feit dat hij een klacht heeft ingediend; en e. e. volgens welke procedure een klacht wordt behandeld waarbij leidraad B5.1.5, tweede lid, van het Maritiem Arbeidsverdrag in acht wordt genomen.
2.
De klachtenprocedure bedoeld in het eerste lid, stelt geen beperkingen aan het recht van de klager:
a. a. zich door iemand te laten vergezellen of vertegenwoordigen; b. b. om te allen tijde zijn klacht rechtstreeks bij de kapitein of de vertegenwoordiger van de scheepsbeheerder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in te dienen; c. c. om klachten in te dienen betreffende een vermoedelijke schending van het Maritiem Arbeidsverdrag of het Verdrag betreffende werk in de visserijsector.
Artikel 7.3
1. Een klacht als bedoeld in artikel 69b van de wet wordt ingediend bij de voor de klachtenbehandeling door de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport aangewezen ambtenaren van die inspectie. De Inspecteur-Generaal draagt zorg voor een vertrouwelijke behandeling van de klacht.
2. Indien een erkende rechtspersoon als bedoeld in artikel 5.9, een melding ontvangt van een klacht, zorgt deze erkende rechtspersoon ervoor dat de klacht wordt ingediend bij de in het eerste lid bedoelde ambtenaar.
3. Schriftelijk ingediende klachten worden gericht aan de Inspectie Leefomgeving en Transport, te bereiken via:a. het postadres: Postbus 16191, IPC 525, 2500 BD Den Haag, Nederland ofb. de website http://www.ILenT.nl.
4.
Een klacht is ontvankelijk indien:
a. a. deze een vermoedelijke schending van het Maritiem Arbeidsverdrag, het Verdrag betreffende werk in de visserijsector of een vermeend onrechtmatig bevel van de kapitein betreft; b. b. het voorval waarop de klacht betrekking heeft minder dan zes maanden geleden heeft plaatsgevonden; c. c. de klacht in het Engels of het Nederlands is gesteld; en d. d. de klacht voldoende gedetailleerde informatie bevat om onderzoek naar de klacht te kunnen doen.
5. Aan de klager wordt zo spoedig mogelijk na het indienen van de klacht medegedeeld of de klacht ontvankelijk is.
6.
Indien de klacht ontvankelijk is:
a. a. wordt nagegaan of het een individuele klacht of een algemene klacht betreft en wordt nagegaan waarop de klacht betrekking heeft; b. b. wordt de klager gevraagd of hij zijn klacht wil handhaven indien zijn anonimiteit, gelet op de aard van de klacht, niet gewaarborgd kan worden; c. c. wordt nagegaan of de in artikel 69a van de wet bedoelde klachtenprocedure is doorlopen en, als dat niet het geval is, wordt de klacht niet verder behandeld, tenzij blijkt dat klager die klachtenprocedure niet heeft gebruikt uit angst voor de gevolgen daarvan of wegens een andere goede reden als bedoeld in leidraad B5.2.2, lid 4; d. d. wordt nagegaan waarom het doorlopen van de in artikel 69a van de wet bedoelde klachtenprocedure niet heeft geleid tot een oplossing van de klacht; e. e. worden, indien de aard van de klacht en noodzakelijke waarborgen voor de klager dit toelaten, de kapitein, de scheepsbeheerder en eventueel andere bij de klacht betrokken personen in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken; f. f. wordt nagegaan of de klacht aan boord eenvoudig kan worden opgelost; g. g. wordt een klacht zo nodig onderzocht door het uitoefenen van toezicht als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet of in het kader van een inspectie als bedoeld in artikel 5.3, waarbij niet wordt gemeld dat de inspectie het gevolg is van een klacht; h. h. worden de conclusie en eventuele maatregelen op basis van het onderzoek naar de klacht medegedeeld aan de klager of aan een door de klager opgegeven contactpersoon of belangenorganisatie, op een wijze die de gewenste anonimiteit van de klager in acht neemt.
Paragraaf 8. Beroepsvereisten
Artikel 8.1
Voor de afgifte van het kennisbewijs hoger maritiem officier alle schepen of middelbaar maritiem officier alle schepen:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift II/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 6;
2°.
voorschrift II/2, lid 2, onderdeel 2;
3°.
voorschrift III/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 5; en
4°.
voorschrift III/2, lid 2, onderdeel 2;
1°. 1°. voorschrift II/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 6; 2°. 2°. voorschrift II/2, lid 2, onderdeel 2; 3°. 3°. voorschrift III/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 5; en 4°. 4°. voorschrift III/2, lid 2, onderdeel 2; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-Code:
1°.
sectie A-II/1, onderdeel 1, onder 1, en onderdelen 2 tot en met 6;
2°.
sectie A-II/2, onderdelen 1 tot en met 7, waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en waarbij het in onderdeel 5 bedoelde niveau alle schepen betreft;
3°.
sectie A-III/1, onderdelen 1 tot en met 6 en 9; en
4°.
sectie A-III/2, onderdelen 1 tot en met 7, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines, en waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige alle schepen betreft; en
1°. 1°. sectie A-II/1, onderdeel 1, onder 1, en onderdelen 2 tot en met 6; 2°. 2°. sectie A-II/2, onderdelen 1 tot en met 7, waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en waarbij het in onderdeel 5 bedoelde niveau alle schepen betreft; 3°. 3°. sectie A-III/1, onderdelen 1 tot en met 6 en 9; en 4°. 4°. sectie A-III/2, onderdelen 1 tot en met 7, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines, en waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige alle schepen betreft; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, die in gelijke mate bestaat uit wachtwerkzaamheden op de brug en uit wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door de kapitein en door de hoofdwerktuigkundige of een eerste maritiem officier af te tekenen stageboek.
Artikel 8.2
Voor de afgifte van het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige kleine schepen:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift II/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 6;
2°.
voorschrift II/2, lid 4, onderdeel 3;
3°.
voorschrift III/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 5; en
4°.
voorschrift III/3, lid 2, onderdeel 2;
1°. 1°. voorschrift II/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 6; 2°. 2°. voorschrift II/2, lid 4, onderdeel 3; 3°. 3°. voorschrift III/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 5; en 4°. 4°. voorschrift III/3, lid 2, onderdeel 2; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-Code:
1°.
sectie A-II/1, onderdeel 1, onder 1, onderdelen 2 tot en met 6;
2°.
sectie A-II/2, onderdelen 1 tot en met 7, waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en het in onderdeel 5 bedoelde niveau schepen van minder dan 3000 GT betreft;
3°.
sectie A-III/1, onderdelen 1 tot en met 6 en 9; en
4°.
sectie A-III/2, onderdelen 1 tot en met 7, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines, en waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3000 kW voortstuwingsvermogen betreft; en
1°. 1°. sectie A-II/1, onderdeel 1, onder 1, onderdelen 2 tot en met 6; 2°. 2°. sectie A-II/2, onderdelen 1 tot en met 7, waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en het in onderdeel 5 bedoelde niveau schepen van minder dan 3000 GT betreft; 3°. 3°. sectie A-III/1, onderdelen 1 tot en met 6 en 9; en 4°. 4°. sectie A-III/2, onderdelen 1 tot en met 7, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines, en waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3000 kW voortstuwingsvermogen betreft; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, die in gelijke mate bestaat uit wachtwerkzaamheden op de brug en uit wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door de kapitein en door de hoofdwerktuigkundige of een eerste maritiem officier af te tekenen stageboek.
Artikel 8.3
Voor de afgifte van het kennisbewijs stuurman alle schepen of stuurman waterbouw:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift II/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 6; en
2°.
voorschrift II/2, lid 2, onderdeel 2;
1°. 1°. voorschrift II/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 6; en 2°. 2°. voorschrift II/2, lid 2, onderdeel 2; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-Code:
1°.
sectie A-II/1, onderdeel 1, onder 1, onderdelen 2 tot en met 6; en
2°.
sectie A-II/2, onderdelen 1 tot en met 7, waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en het in onderdeel 5 bedoelde niveau alle schepen betreft; en
1°. 1°. sectie A-II/1, onderdeel 1, onder 1, onderdelen 2 tot en met 6; en 2°. 2°. sectie A-II/2, onderdelen 1 tot en met 7, waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en het in onderdeel 5 bedoelde niveau alle schepen betreft; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, waarvan 6 maanden gedurende wachtwerkzaamheden op de brug, onder bijhouding van een door de kapitein af te tekenen stageboek.
Artikel 8.4
Voor de afgifte van het kennisbewijs wachtstuurman tot 3000 GT:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift II/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 6; en
2°.
voorschrift II/2, lid 4, onderdeel 3;
1°. 1°. voorschrift II/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 6; en 2°. 2°. voorschrift II/2, lid 4, onderdeel 3; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-Code:
1°.
sectie A-II/1, onderdeel 1, onder 1, onderdelen 2 tot en met 6; en
2°.
sectie A-II/2, onderdelen 1 tot en met 7, waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en het in onderdeel 5 bedoelde niveau schepen van minder dan 3000 GT betreft; en
1°. 1°. sectie A-II/1, onderdeel 1, onder 1, onderdelen 2 tot en met 6; en 2°. 2°. sectie A-II/2, onderdelen 1 tot en met 7, waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en het in onderdeel 5 bedoelde niveau schepen van minder dan 3000 GT betreft; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, waarvan 6 maanden gedurende wachtwerkzaamheden op de brug, onder bijhouding van een door de kapitein af te tekenen stageboek.
Artikel 8.5
Voor de afgifte van het kennisbewijs scheepswerktuigkundige alle schepen of scheepswerktuigkundige waterbouw:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift III/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 5; en
2°.
voorschrift III/2, lid 2, onderdeel 2;
1°. 1°. voorschrift III/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 5; en 2°. 2°. voorschrift III/2, lid 2, onderdeel 2; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-Code:
1°.
sectie A-III/1, onderdelen 1 tot en met 6 en 9; en
2°.
sectie A-III/2, onderdelen 1 tot en met 7, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines en waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige alle schepen betreft; en
1°. 1°. sectie A-III/1, onderdelen 1 tot en met 6 en 9; en 2°. 2°. sectie A-III/2, onderdelen 1 tot en met 7, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines en waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige alle schepen betreft; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, waarvan 6 maanden gedurende wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door de hoofdwerktuigkundige of een eerste maritiem officier af te tekenen stageboek.
Artikel 8.6
Voor de afgifte van het kennisbewijs wachtwerktuigkundige tot 3000 kW:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift III/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 5; en
2°.
voorschrift III/3, lid 2, onderdeel 2;
1°. 1°. voorschrift III/1, lid 2, onderdelen 2 tot en met 5; en 2°. 2°. voorschrift III/3, lid 2, onderdeel 2; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-Code:
1°.
sectie A-III/1, onderdelen 1 tot en met 6 en 9; en
2°.
sectie A-III/3, onderdelen 1 tot en met 7, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines en waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3000 kW voortstuwingsvermogen betreft; en
1°. 1°. sectie A-III/1, onderdelen 1 tot en met 6 en 9; en 2°. 2°. sectie A-III/3, onderdelen 1 tot en met 7, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines en waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3000 kW voortstuwingsvermogen betreft; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, waarvan zes maanden gedurende wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door de hoofdwerktuigkundige of een eerste maritiem officier af te tekenen stageboek.
Artikel 8.7
Voor de afgifte van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift II/3, lid 4, onderdelen 2.2.1, 3, 4 en 5; en
2°.
voorschrift III/1, lid 2, onderdeel 4;
1°. 1°. voorschrift II/3, lid 4, onderdelen 2.2.1, 3, 4 en 5; en 2°. 2°. voorschrift III/1, lid 2, onderdeel 4; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-Code:
1°.
sectie A-II/3, onderdelen 1 tot en met 6, met uitzondering van de aspecten opgenomen in de secties A-VI/2 en A-VI/3; en
2°.
sectie A-III/1; en
1°. 1°. sectie A-II/3, onderdelen 1 tot en met 6, met uitzondering van de aspecten opgenomen in de secties A-VI/2 en A-VI/3; en 2°. 2°. sectie A-III/1; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 6 maanden ervaring opgedaan, die in gelijke mate bestaat uit wachtwerkzaamheden op de brug en uit wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door de kapitein en door de hoofdwerktuigkundige of een eerste maritiem officier af te tekenen stageboek.
Artikel 8.8
Voor de afgifte van het kennisbewijs officier elektrotechniek alle schepen:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift III/6, lid 2, onderdelen 2, 3 en 4, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan sectie A-III/6, onderdelen 1 tot en met 5 van de STCW-Code; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, waarvan 6 maanden gedurende wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door de hoofdwerktuigkundige of een eerste maritiem officier af te tekenen stageboek.
Artikel 8.9
Voor de afgifte van het kennisbewijs gezel elektrotechniek alle schepen:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift III/7, lid 2, onderdelen 2.2.3 en 3, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan sectie A-III/7, onderdelen 1 tot en met 3 van de STCW-Code; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 3 maanden ervaring opgedaan, onder bijhouding van een door de hoofdwerktuigkundige, een eerste maritiem officier of een officier elektrotechniek af te tekenen stageboek.
Artikel 8.10
Voor de afgifte van het kennisbewijs gekwalificeerd gezel dek alle schepen:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift II/5, lid 2, onderdelen 3.3.2 en 4, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan sectie A-II/5, onderdelen 1 tot en met 3 van de STCW-Code; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 6 maanden ervaring opgedaan, onder bijhouding van een door de kapitein af te tekenen stageboek, terwijl hij in het bezit is van de vaarbevoegdheid wachtlopend gezel dek alle schepen.
Artikel 8.11
Voor de afgifte van het kennisbewijs gekwalificeerd gezel machinekamer alle schepen:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift III/5, lid 2, onderdelen 3.3.2 en 4 van de bijlage bij het STCW-Verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan sectie A-III/5, onderdelen 1 tot en met 3 van de STCW-Code; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 6 maanden ervaring opgedaan, onder bijhouding van een door de hoofdwerktuigkundige of een eerste maritiem officier af te tekenen stageboek, terwijl hij in het bezit is van de vaarbevoegdheid wachtlopend gezel machinekamer alle schepen.
Artikel 8.12
Voor de afgifte van het kennisbewijs gekwalificeerd gezel dek en machinekamer alle schepen:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift II/5, lid 2, onderdelen 3.3.2 en 4; en
2°.
voorschrift III/5, lid 2, onderdelen 3.3.2 en 4;
1°. 1°. voorschrift II/5, lid 2, onderdelen 3.3.2 en 4; en 2°. 2°. voorschrift III/5, lid 2, onderdelen 3.3.2 en 4; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-Code:
1°.
sectie A-II/5, onderdelen 1 tot en met 3; en
2°.
sectie A-III/5, onderdelen 1 tot en met 3; en
1°. 1°. sectie A-II/5, onderdelen 1 tot en met 3; en 2°. 2°. sectie A-III/5, onderdelen 1 tot en met 3; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, die in gelijke mate bestaat uit werkzaamheden op de brug en uit werkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door de kapitein en door de hoofdwerktuigkundige of een eerste maritiem officier af te tekenen stageboek, terwijl hij in het bezit is van de vaarbevoegdheid wachtlopend gezel dek en machinekamer alle schepen.
Artikel 8.13
Voor de afgifte van het kennisbewijs wachtlopend gezel dek alle schepen:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift II/4, lid 2, onderdelen 2.2.2, en 3; en
2°.
voorschrift II/4, lid 3;
1°. 1°. voorschrift II/4, lid 2, onderdelen 2.2.2, en 3; en 2°. 2°. voorschrift II/4, lid 3; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan sectie A-II/4, onderdelen 1 tot en met 4 van de STCW-Code; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 2 maanden ervaring opgedaan met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden op het gebied van de brugwacht, onder bijhouding van een door de kapitein af te tekenen stageboek.
Artikel 8.14
Voor de afgifte van het kennisbewijs wachtlopend gezel machinekamer alle schepen:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift III/4, lid 2, onderdelen 2.2.2, en 3; en
2°.
voorschrift III/4, lid 3;
1°. 1°. voorschrift III/4, lid 2, onderdelen 2.2.2, en 3; en 2°. 2°. voorschrift III/4, lid 3; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan sectie A-III/4, onderdelen 1 tot en met 4 van de STCW-Code; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 2 maanden ervaring opgedaan met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden op het gebied van de machinekamerwacht, onder bijhouding van een door de hoofdwerktuigkundige of een eerste maritiem officier af te tekenen stageboek.
Artikel 8.15
Voor de afgifte van het kennisbewijs wachtlopend gezel dek en machinekamer alle schepen:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift II/4, lid 2, onderdelen 2.2.2 en 3;
2°.
voorschrift II/4, lid 3;
3°.
voorschrift III/4, lid 2, onderdelen 2.2.2 en 3; en
4°.
voorschrift III/4, lid 3;
1°. 1°. voorschrift II/4, lid 2, onderdelen 2.2.2 en 3; 2°. 2°. voorschrift II/4, lid 3; 3°. 3°. voorschrift III/4, lid 2, onderdelen 2.2.2 en 3; en 4°. 4°. voorschrift III/4, lid 3; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-Code:
1°.
sectie A-II/4, onderdelen 1 tot en met 4; en
2°.
sectie A-III/4, onderdelen 1 tot en met 4; en
1°. 1°. sectie A-II/4, onderdelen 1 tot en met 4; en 2°. 2°. sectie A-III/4, onderdelen 1 tot en met 4; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 4 maanden ervaring opgedaan die in gelijke mate bestaat uit wachtwerkzaamheden op de brug en uit wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door de kapitein en door de hoofdwerktuigkundige of een eerste maritiem officier af te tekenen stageboek.
Artikel 8.15a
Voor de afgifte van het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen SW4:
a. a. voldoet de aanvrager aan hoofdstuk II, voorschriften 1, 2 en 5, van de annex bij het STCW F-verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van de opleiding overeenkomstig het kwalificatiedossier visserij officier als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs voor de kwalificatie stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen SW4; c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, die in gelijke mate bestaat uit wachtwerkzaamheden op de brug en uit wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder het bijhouden van een door de schipper af te tekenen stageboek.
Artikel 8.15b
Voor de afgifte van het kennisbewijs stuurman vissersvaartuigen S4:
a. a. voldoet de aanvrager aan hoofdstuk II, voorschrift 1 en 2, van de annex bij het STCW F-verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van de opleiding overeenkomstig het kwalificatiedossier visserij officier als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs voor de kwalificatie stuurman vissersvaartuigen S4; c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, waarvan gedurende 6 maanden wachtwerkzaamheden op de brug, onder het bijhouden van een door de schipper af te tekenen stageboek.
Artikel 8.15c
Voor de afgifte van het kennisbewijs werktuigkundige vissersvaartuigen W4:
a. a. voldoet de aanvrager aan hoofdstuk II, voorschrift 5, van de annex bij het STCW F-verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van de opleiding overeenkomstig het kwalificatiedossier visserij officier als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs voor de kwalificatie werktuigkundige vissersvaartuigen W4; c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, waarvan gedurende 6 maanden wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder het bijhouden van een door de schipper af te tekenen stageboek.
Artikel 8.15d
Voor de afgifte van het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen SW5:
a. a. voldoet de aanvrager aan hoofdstuk II, voorschriften 1, 2 en 5, van de annex bij het STCW F-verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van de opleiding overeenkomstig het kwalificatiedossier visserij officier als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs voor de kwalificatie stuurman-werktuigkundige alle vissersvaartuigen SW5; c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan, die in gelijke mate bestaat uit wachtwerkzaamheden op de brug en uit wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder het bijhouden van een door de schipper af te tekenen stageboek.
Artikel 8.15e
Voor de afgifte van het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen SW6:
a. a. voldoet de aanvrager aan de hoofdstuk II, voorschriften 3, 4 en 5, van de annex bij het STCW F-verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van de opleiding overeenkomstig het kwalificatiedossier als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs voor de kwalificatie stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen SW6; c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 6 maanden ervaring opgedaan, die in gelijke mate bestaat uit wachtwerkzaamheden op de brug en uit wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder het bijhouden van een door de schipper af te tekenen stageboek.
Artikel 8.16
1.
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs stuurman grote zeilvaart:
a. a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van de bijlage bij het STCW-Verdrag:
1°.
voorschrift II/1, lid 2, onderdeel 2, 3 en 5; en
waarbij 12 maanden ervaring is opgedaan onder bijhouding van een door de kapitein af te tekenen stageboek;
2°.
voorschrift II/2, lid 4, onderdeel 3;
1°. 1°. voorschrift II/1, lid 2, onderdeel 2, 3 en 5; en waarbij 12 maanden ervaring is opgedaan onder bijhouding van een door de kapitein af te tekenen stageboek; 2°. 2°. voorschrift II/2, lid 4, onderdeel 3; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die de aspecten materialen, tuigage, scheepsvormen, dynamische stabiliteit en behandeling van zeilschepen omvat en voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-Code:
1°.
sectie A-II/1, onderdeel 1, onder 1, en onderdelen 2 tot en met 6, met uitzondering van de aspecten behandeling en stuwen van lading; en
2°.
sectie A-II/2, onderdelen 1 tot en met 7, waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft, het in onderdeel 5 bedoelde niveau schepen van minder dan 3000 GT betreft, en met uitzondering van de aspecten behandeling en stuwen van lading; en
1°. 1°. sectie A-II/1, onderdeel 1, onder 1, en onderdelen 2 tot en met 6, met uitzondering van de aspecten behandeling en stuwen van lading; en 2°. 2°. sectie A-II/2, onderdelen 1 tot en met 7, waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft, het in onderdeel 5 bedoelde niveau schepen van minder dan 3000 GT betreft, en met uitzondering van de aspecten behandeling en stuwen van lading; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 12 maanden ervaring opgedaan onder bijhouding van een door de kapitein af te tekenen stageboek.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kan de aanvrager die in het bezit is van:
a. a. het bekwaamheidsbewijs stuurman kleine zeilvaart, genoemd in artikel 8.17, volstaan met een ervaring van ten minste 6 maanden; b. b. een geldig vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie maritiem officier, stuurman schepen van minder dan 3000 GT of stuurman alle schepen, volstaan met een ervaring van ten minste 2 maanden.
Artikel 8.17
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs stuurman kleine zeilvaart:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift II/3, lid 4, onderdelen 2.2.1, 4, 5 voor zover het sectie A-VI/1, onderdeel 2, van de STCW-Code betreft, en 6.3 van de bijlage bij het STCW-Verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die de aspecten materialen, tuigage, scheepsvormen, dynamische stabiliteit en behandeling van zeilschepen omvat en voldoet aan sectie A-II/3, onderdelen 1 tot en met 7 van de STCW-Code, met uitzondering van de aspecten behandeling en stuwen van lading; en c. c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste 6 maanden ervaring opgedaan onder bijhouding van een door de kapitein af te tekenen stageboek.
Artikel 8.18
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen is de aanvrager in het bezit van het certificaat basisveiligheid en:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/1-1, lid 2, onderdeel 1, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; of b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/1-1, onderdeel 1, van de STCW-Code.
Artikel 8.19
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen is de aanvrager in het bezit van het certificaat basisveiligheid en:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/1-2, lid 2, onderdeel 1, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; of b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/1-2, onderdeel 1, van de STCW-Code.
Artikel 8.20
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs olietankschepen voor gevorderden is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen en:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/1-1, lid 4, onderdelen 1 en 2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/1-1, onderdeel 2, van de STCW-Code.
Artikel 8.21
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling chemicaliëntankschepen voor gevorderden is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen en:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/1-1, lid 6, onderdelen 1 en 2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/1-1, onderdeel 3, van de STCW-Code
Artikel 8.22
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen en:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/1-2, lid 4, onderdelen 1 en 2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/1-2, onderdeel 2, van de STCW-Code.
Artikel 8.23
Voor de afgifte van het schriftelijk bewijs groepsbegeleiding:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/2, lid 4, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een training afgerond die voldoet aan sectie A-V/2, onderdeel 1, van de STCW-Code.
Artikel 8.24
Voor de afgifte van het schriftelijk bewijs dienstverlening aan passagiers:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/2, lid 5, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een training afgerond die voldoet aan sectie A-V/2, onderdeel 2, van de STCW-Code.
Artikel 8.25
Voor de afgifte van het certificaat crisisbeheersing en menselijk gedrag:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/2, lid 6, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/2, onderdeel 3, van de STCW-Code.
Artikel 8.26
Voor de afgifte van het certificaat passagiersveiligheid, ladingveiligheid en waterdichtheid van de scheepsromp:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/2, lid 7, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/2, onderdeel 4, van de STCW-Code.
Artikel 8.27
Voor de afgifte van het certificaat type rating HSC heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan voorschrift 18.3.3 van de bij resolutie MSC.97(73) van de Maritieme Veiligheidsheidscommissie aangenomen Internationale Code voor de veiligheid van hogesnelheidsschepen (High-Speed Craft Code, 2000).
Artikel 8.28
Voor de afgifte van het certificaat stoomvoortstuwing:
a. a. is de aanvrager in het bezit van ten minste het kennisbewijs scheepswerktuigkundige alle schepen; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-III/2 van de STCW-Code wat betreft het aspect voortstuwing door middel van stoomturbines.
Artikel 8.29
Voor de afgifte van het certificaat gasturbinevoortstuwing:
a. a. is de aanvrager in het bezit van ten minste het kennisbewijs scheepswerktuigkundige alle schepen; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-III/2 van de STCW-Code wat betreft het aspect voortstuwing door middel van gasturbines.
Artikel 8.30
1.
Voor de afgifte van het certificaat basisveiligheid:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/1 van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/1, onderdeel 2, van de STCW-Code.
2.
Voor de afgifte van het certificaat van de herhalingstraining basisveiligheid:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/1 van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/1, onderdeel 3, van de STCW-Code.
3. Sectie A-VI/1, onderdeel 4, van de STCW-Code is van toepassing.
Artikel 8.30a
Voor de afgifte van het certificaat basisveiligheid voor vissers:
a. a. voldoet de aanvrager aan hoofdstuk III, voorschrift 1, van de annex bij het STCW F-verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan artikel 8.30, eerste lid, en de eisen met betrekking tot de module visserij zoals opgenomen in bijlage G.
Artikel 8.31
1.
Voor de afgifte van het certificaat reddingmiddelen:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/2, lid 1, onderdeel 3, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/2, onderdelen 1 tot en met 4, van de STCW-Code.
2.
Voor de afgifte van het certificaat van de herhalingstraining reddingmiddelen:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/2, lid 1, onderdeel 3, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/2, onderdeel 5, van de STCW-Code.
3. Sectie A-VI/2, onderdeel 6, van de STCW-Code is van toepassing.
Artikel 8.32
1.
Voor de afgifte van het certificaat snelle hulpverleningsboten:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/2, lid 2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/2, onderdelen 7 tot en met 10, van de STCW-Code.
2.
Voor de afgifte van het certificaat van de herhalingstraining snelle hulpverleningsboten:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/2, lid 2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/2, onderdeel 11, van de STCW-Code.
3. Sectie A-VI/2, onderdeel 12, van de STCW-Code is van toepassing.
Artikel 8.33
1.
Voor de afgifte van het certificaat brandbestrijding voor gevorderden:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/3 van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/3, onderdelen 1 tot en met 4, van de STCW-Code.
2.
Voor de afgifte van het certificaat van de herhalingstraining brandbestrijding voor gevorderden:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/3 van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/3, onderdeel 5, van de STCW-Code.
3. Sectie A-VI/3, onderdeel 6, van de STCW-Code is van toepassing.
Artikel 8.34
1.
Voor de afgifte van het certificaat medische eerste hulp aan boord:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/4, lid 1, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan:
1°.
sectie A-VI/4, onderdelen 1 tot en met 3, van de STCW-Code; en
2°.
Bijlage V van richtlijn 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PB 1992, L 113).
1°. 1°. sectie A-VI/4, onderdelen 1 tot en met 3, van de STCW-Code; en 2°. 2°. Bijlage V van richtlijn 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PB 1992, L 113).
2. Voor de afgifte van het certificaat van de herhalingstraining medische eerste hulp aan boord is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.35
1.
Voor de afgifte van het certificaat medische zorg aan boord:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/4, lid 2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan:
1°.
sectie A-VI/4, onderdelen 4 tot en met 6, van de STCW-Code; en
2°.
Bijlage V van richtlijn 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PB 1992, L 113).
1°. 1°. sectie A-VI/4, onderdelen 4 tot en met 6, van de STCW-Code; en 2°. 2°. Bijlage V van richtlijn 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PB 1992, L 113).
2. Voor de afgifte van het certificaat van de herhalingstraining medische zorg aan boord is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.36
Het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie en het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie worden afgegeven in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens het Frequentiebesluit 2013.
Artikel 8.37
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs scheepskok:
a. a. heeft de aanvrager een diensttijd behaald van ten minste een maand in de kombuis van een zeeschip en is hij in het bezit van een kennisbewijs van een opleiding tot kok die ten minste de volgende aspecten bevat:
1°.
praktische kookvaardigheden;
2°.
voeding en persoonlijke hygiëne;
3°.
opslag van levensmiddelen;
4°.
voorraadcontrole;
5°.
milieubescherming; en
6°.
gezondheid en veiligheid met betrekking tot maaltijdverzorging; of
1°. 1°. praktische kookvaardigheden; 2°. 2°. voeding en persoonlijke hygiëne; 3°. 3°. opslag van levensmiddelen; 4°. 4°. voorraadcontrole; 5°. 5°. milieubescherming; en 6°. 6°. gezondheid en veiligheid met betrekking tot maaltijdverzorging; of b. b. is de aanvrager in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs als scheepskok, afgegeven voor 1 februari 2002, en heeft hij na de verkrijging van dat vaarbevoegdheidsbewijs een diensttijd behaald van ten minste 36 maanden als scheepskok bij een Nederlandse zeewerkgever.
Artikel 8.38
Voor de afgifte van het certificaat scheepsbeveiligingsfunctionaris:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/5, lid 1, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/5, onderdelen 1 tot en met 4, van de STCW-Code.
Artikel 8.39
Voor de afgifte van het certificaat uitvoering beveiligingstaken:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/6, lid 4, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/6, onderdelen 6 tot en met 8, van de STCW-Code.
Artikel 8.40
Voor de afgifte van het certificaat bewustwording scheepsbeveiliging:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift VI/6, lid 1, voor zover het bewustwording scheepsbeveiliging betreft, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-VI/6, onderdeel 4, van de STCW-Code.
Artikel 8.41
Voor de afgifte van het certificaat wetgeving en openbaar gezag heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die de in bijlage F, onderdeel A, genoemde onderdelen beslaat van de Nederlandse wetgeving op de scheepvaart betrekking hebbend.
Artikel 8.42
Voor de afgifte van het certificaat scheepsmanagement-N heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die de in bijlage F, onderdeel B, genoemde onderdelen van tabel A-II/2, behorende bij sectie A-II/2 van de STCW-Code beslaat.
Artikel 8.43
Voor de afgifte van het certificaat scheepsmanagement-W heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die de in bijlage F, onderdeel C, genoemde onderdelen van tabel A-III/2, behorende bij sectie A-III/2 van de STCW-Code beslaat.
Artikel 8.44
Voor de afgifte van het certificaat aanvulling-N voor reizen nabij de internationale kust heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die de in bijlage F, onderdeel D, genoemde onderdelen van de tabellen A-II/2 en A-II/3, behorende bij respectievelijk de secties A-II/2 en A-II/3, van de STCW-Code beslaat.
Artikel 8.45
Voor de afgifte van het certificaat aanvulling-W voor reizen nabij de internationale kust heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die de in bijlage F, onderdeel E, genoemde onderdelen van tabel A-III/2, behorende bij sectie A-III/3 van de STCW-Code beslaat.
Artikel 8.46
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs basistraining Polar Code:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/4, tweede lid, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/4, onderdeel 1, van de STCW-Code.
Artikel 8.47
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining Polar Code is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basistraining Polar Code en:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/4, vierde lid, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/4, onderdeel 2, van de STCW-Code, en c. c. heeft de aanvrager gedurende ten minste 2 maanden dienstgedaan in een relevante functie.
Artikel 8.48
1.
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs basistraining IGF Code:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/3, vijfde lid, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; en b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/3, onderdeel 1, van de STCW-Code.
2. Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs basistraining IGF Code komen tevens in aanmerking zeevarenden die in het bezit zijn van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen of het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden.
Artikel 8.49
1.
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining IGF Code is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basistraining IGF Code en:
a. a. voldoet de aanvrager aan voorschrift V/3, achtste lid, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; b. b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door Onze Minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/3, onderdeel 2, van de STCW-Code; en c. c. heeft de aanvrager ten minste een maand ervaring opgedaan met ten minste drie bunkeroperaties aan boord van schepen waarop de IGF Code van toepassing is. Twee van de drie genoemde bunkeroperaties mogen worden vervangen door simulatortraining als onderdeel van de onder lid b genoemde training.
2.
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining IGF Code komen tevens in aanmerking kapiteins, werktuigkundigen, maritiem officieren en overige zeevarenden die in het bezit zijn van het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden, mits zij tevens:
a. a. voldoen aan de voorschriften V/3, zesde lid, van de bijlage bij het STCW-Verdrag; b. b. voldoen aan voorschrift V/3, achtste lid, onderdeel 2, van de bijlage bij het STCW-Verdrag of hebben deelgenomen aan ten minste drie ladingsoperaties aan boord van een gastankschip; c. c. gedurende vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag ten minste 3 maanden dienst hebben gedaan aan boord van:
1.
schepen waarop de IGF Code van toepassing is;
2.
tankschepen met als lading brandstoffen waarop de IGF Code van toepassing is; of
3.
schepen die gas of brandstof met een laag vlampunt gebruiken als brandstof.
-
-
schepen waarop de IGF Code van toepassing is;
-
-
-
tankschepen met als lading brandstoffen waarop de IGF Code van toepassing is; of
-
-
-
schepen die gas of brandstof met een laag vlampunt gebruiken als brandstof.
-
Paragraaf 9. Bemanningsplan
Artikel 9.1
In het bemanningsplan worden ten minste de gegevens opgenomen die zijn vermeld op een door Onze Minister ter beschikking te stellen formulier.
Paragraaf 10. Vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen
Artikel 10.1
Voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs, legt de aanvrager de volgende bescheiden over aan Onze Minister:
a. a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier; b. b. een geldig identiteitsbewijs waaruit zijn nationaliteit blijkt; c. c. een recente pasfoto; d. d. het originele kennisbewijs of bekwaamheidsbewijs op grond waarvan afgifte wordt gevraagd; e. e. de voor het gewenste vaarbevoegdheidsbewijs vereiste bekwaamheidsbewijzen en schriftelijke bewijzen; f. f. de originele geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet; en g. g. een bewijs dat is voldaan aan de vereiste ervaring voor het gewenste bewijs.
Artikel 10.2
1. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs is artikel 10.1, met uitzondering van onderdeel d, van overeenkomstige toepassing.
2.
Voor de vernieuwing van een bekwaamheidsbewijs, is artikel 10.1 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van onderdeel e, en met dien verstande dat de in onderdeel g vereiste ervaring is opgedaan:
a. a. aan boord van olie- of chemicaliëntankschepen indien het betreft het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen; b. b. aan boord van gastankschepen indien het betreft het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen; c. c. aan boord van olie- en chemicaliëntankschepen indien het betreft het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen voor gevorderden; d. d. aan boord van gastankschepen indien het betreft het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden.
Artikel 10.3
1.
Voor de erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs op grond van voorschrift I/10 van het STCW-verdrag of hoofdstuk I, voorschrift 7, van het STCW F-verdrag, als bedoeld in de artikelen 22 of 22a van de wet, legt de aanvrager de volgende bescheiden over aan Onze Minister:
a. a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier; b. b. een geldig identiteitsbewijs waaruit zijn nationaliteit blijkt; c. c. een recente pasfoto; d. d. het originele vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs waarvan erkenning wordt gevraagd; en e. e. de originele geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet.
2. Indien het vaarbevoegdheidsbewijs waarvan erkenning wordt gevraagd de functie kapitein betreft en is afgegeven door de bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Bondsstaat Zwitserland, overlegt de aanvrager tevens het bewijs van schriftelijke toestemming, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van de wet, tenzij artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector koopvaardij of artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins sector zeegaande waterbouw van toepassing is.
3. Een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur die gelijk is aan die van het door de bevoegde autoriteit van de andere staat afgegeven oorspronkelijke bewijs, maar niet langer dan 5 jaar.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de aanvraag van een vaarbevoegdheidsbewijs door een migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 2 van de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties zeevisserij.
5. Het tweede lid is niet van toepassing op de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs voor het dienstdoen op vissersvaartuigen.
Artikel 10.4
1. Artikel 18, vierde lid, eerste volzin, van de wet is niet van toepassing op radio-operators op schepen.
2.
Bij een aanvraag voor de afgifte van een bewijs van aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet, overlegt de aanvrager naast de in artikel 10.3, eerste lid, bedoelde bescheiden tevens een verklaring:
a. a. van de zeewerkgever omtrent het afgesloten zijn van een arbeidsovereenkomst, waarbij de aanvrager zich heeft verbonden arbeid aan boord van een zeeschip te verrichten; en b. b. van de scheepsbeheerder omtrent de authenticiteit van de door de aanvrager overgelegde bescheiden en de juistheid van de door deze verstrekte gegevens, voor zover dit door hem kan worden beoordeeld.
Artikel 10.5
1.
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs wordt:
a. a. ervaring, opgedaan in de functie maritiem officier alle schepen, voor de helft daarvan gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie wachtstuurman alle schepen en voor de helft daarvan gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie wachtwerktuigkundige alle schepen; b. b. ervaring, opgedaan in de functie eerste maritiem officier schepen van minder dan 3000 GT en minder dan 3000 kW voortstuwingsvermogen, voor de helft daarvan gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie eerste stuurman schepen van minder dan 3000 GT en voor de helft daarvan gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3000 kW voortstuwingsvermogen; c. c. ervaring, opgedaan in de functie eerste maritiem officier alle schepen, voor de helft daarvan gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie eerste stuurman alle schepen en voor de helft daarvan gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie hoofdwerktuigkundige alle schepen; d. d. ervaring, opgedaan in de functie wachtstuurman alle schepen tezamen met ervaring, opgedaan in de functie wachtwerktuigkundige alle schepen, gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie maritiem officier alle schepen; e. e. ervaring, opgedaan in de functie eerste stuurman schepen van minder dan 3000 GT tezamen met ervaring, opgedaan in de functie hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3000 kW voortstuwingsvermogen, gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie eerste maritiem officier schepen van minder dan 3000 GT en minder dan 3000 kW voortstuwingsvermogen; f. f. ervaring, opgedaan in de functie eerste stuurman alle schepen tezamen met ervaring, opgedaan in de functie hoofdwerktuigkundige alle schepen, gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie eerste maritiem officier alle schepen; g. g. ervaring, opgedaan in de functie stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen, voor de helft daarvan gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie stuurman vissersvaartuigen, en voor de helft daarvan gelijkgesteld aan ervaring in de functie werktuigkundige vissersvaartuigen; h. h. ervaring, opgedaan in de functie stuurman vissersvaartuigen tezamen met ervaring, opgedaan in de functie werktuigkundige vissersvaartuigen, gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in de functie stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen.
2. Voor de berekening van de opgedane ervaring in 2 functies tezamen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d, e, f en h, wordt slechts de ervaring van beide functies in acht genomen voor zover deze zich in gelijke mate tot elkaar verhoudt en zij uit ten minste 1 maand ervaring per functie bestaat.
Artikel 10.6
1. Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs wordt ervaring, opgedaan in een relevante functie in een van de bedrijfstakken handelsvaart, zeegaande zeilvaart, zeevisvaart of de Koninklijke Marine, gelijkgesteld aan ervaring, opgedaan in een van de andere genoemde bedrijfstakken, met dien verstande dat in de bedrijfstak waarvoor de vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs is aangevraagd, ten minste 3 maanden ervaring is opgedaan in een functie waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist. Deze eis geldt niet voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies als scheepswerktuigkundige op schepen in de handelsvaart en in de zeevisvaart en voor het behoud van een vaarbevoegdheid in een relevante functie in een andere bedrijfstak dan die waarin de zeevarende op het moment van de aanvraag tot vernieuwing werkzaam is.
2. Voor de berekening van de ervaring, bedoeld in het eerste lid, wordt de ervaring, opgedaan in een van de functies als maritiem officier en in de functie stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen, herleid naar ervaring, opgedaan in de functies als stuurman of werktuigkundige, overeenkomstig het bepaalde in artikel 10.5.
3. Onze Minister besluit welke ervaring, opgedaan in een functie bij de Koninklijke Marine, voor de berekening van de ervaring, bedoeld in het eerste lid, in aanmerking wordt genomen.
Artikel 10.7
1.
Vergelijkbare functies als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Besluit zeevarenden, zijn:
a. a. voor de functies van kapitein en stuurman:
1°.
registerloods;
2°.
gecertificeerde noordzeeloods;
3°.
nautisch surveyor van zeeschepen van een erkende organisatie;
4°.
medewerker van nautische inspecties van scheepsbeheerders;
5°.
ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport, voor zover daadwerkelijk betrokken bij het toezicht op zeeschepen; en
6°.
simulatorinstructeur op een door de Inspectie Leefomgeving en Transport erkende simulator voor stuurhuisactiviteiten van de hoogste categorie, zoals opgenomen in de Leidraad maritieme simulatoren;
1°. 1°. registerloods; 2°. 2°. gecertificeerde noordzeeloods; 3°. 3°. nautisch surveyor van zeeschepen van een erkende organisatie; 4°. 4°. medewerker van nautische inspecties van scheepsbeheerders; 5°. 5°. ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport, voor zover daadwerkelijk betrokken bij het toezicht op zeeschepen; en 6°. 6°. simulatorinstructeur op een door de Inspectie Leefomgeving en Transport erkende simulator voor stuurhuisactiviteiten van de hoogste categorie, zoals opgenomen in de Leidraad maritieme simulatoren; b. b. voor de functie van kapitein of stuurman op zeegaande zeilschepen: officier van de zeedienst der Koninklijke Marine, voor zover daadwerkelijk ervaring als navigatieofficier is opgedaan; c. c. voor de functie van scheepswerktuigkundige:
1°.
technisch surveyor van zeeschepen van een erkende organisatie;
2°.
medewerker van technische inspecties van scheepsbeheerders;
3°.
ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport, voor zover daadwerkelijk betrokken bij het toezicht op zeeschepen;
4°.
werktuigkundige, werkzaam in de binnenvaart;
5°.
werktuigkundige, werkzaam op elektriciteitscentrales, gemalen en de procesindustrie;
6°.
werktuigkundige, werkzaam op zeeschepen zonder eigen voortstuwing;
7°.
werktuigkundige, werkzaam op installaties in de offshore-industrie;
8°.
inbedrijfsteller scheepsinstallaties; en
9°.
simulatorinstructeur op een door de Inspectie Leefomgeving en Transport erkende simulator voor machinekameractiviteiten van de hoogste categorie, zoals opgenomen in de Leidraad maritieme simulatoren;
1°. 1°. technisch surveyor van zeeschepen van een erkende organisatie; 2°. 2°. medewerker van technische inspecties van scheepsbeheerders; 3°. 3°. ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport, voor zover daadwerkelijk betrokken bij het toezicht op zeeschepen; 4°. 4°. werktuigkundige, werkzaam in de binnenvaart; 5°. 5°. werktuigkundige, werkzaam op elektriciteitscentrales, gemalen en de procesindustrie; 6°. 6°. werktuigkundige, werkzaam op zeeschepen zonder eigen voortstuwing; 7°. 7°. werktuigkundige, werkzaam op installaties in de offshore-industrie; 8°. 8°. inbedrijfsteller scheepsinstallaties; en 9°. 9°. simulatorinstructeur op een door de Inspectie Leefomgeving en Transport erkende simulator voor machinekameractiviteiten van de hoogste categorie, zoals opgenomen in de Leidraad maritieme simulatoren; d. d. voor de functie van radio-operator:
1°.
radio-operator werkzaam in de operationele dienst van de kustwacht;
2°.
bedrijfspersoneel betrokken bij de bediening, installatie of reparatie van radiocommunicatie- en radionavigatieapparatuur;
3°.
toezichthoudend ambtenaar van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur; en
4°.
leraar radiokunde verbonden aan een door de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur erkende opleiding voor het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie of voor het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie.
1°. 1°. radio-operator werkzaam in de operationele dienst van de kustwacht; 2°. 2°. bedrijfspersoneel betrokken bij de bediening, installatie of reparatie van radiocommunicatie- en radionavigatieapparatuur; 3°. 3°. toezichthoudend ambtenaar van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur; en 4°. 4°. leraar radiokunde verbonden aan een door de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur erkende opleiding voor het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie of voor het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie.
2. Onze Minister kan andere functies dan de functies, genoemd in het eerste lid, als vergelijkbare functie aanmerken.
3. Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop kan worden vernieuwd indien de houder daarvan in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste 24 maanden een functie als bedoeld in het eerste of tweede lid heeft vervuld.
4. De bevoegdheden waarvoor het vernieuwde vaarbevoegdheidsbewijs geldig is, zijn niet ruimer dan die, welke bij aanvang van de vergelijkbare functie bestonden.
Paragraaf 10a. Beroepsvereisten Caribisch-Nederlandse schepen
Artikel 10.8
1. De artikelen 3 tot en met 6, 13, 56 en 57 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op een Caribisch-Nederlands schip dat verder dan de gebiedsbegrenzingen, bedoeld in artikel 41b, tweede lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen, doch binnen de Caribische handelszone, vaart.
2. Het bemanningscertificaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, wordt opgenomen in het SCV-veiligheidscertificaat, behorend bij de SCV-Code bedoeld in de artikelen 5d of 5e van de Regeling veiligheid zeeschepen.
Artikel 10.9
1.
De schipper, zijn plaatsvervanger of werktuigkundige van een Caribisch-Nederlands schip zijn, voor zover dat vereist is op grond van het bemanningscertificaat bedoeld in artikel 10.8, in het bezit van:
a. a. een geldig certificaat voor de op het bemanningscertificaat genoemde functie, afgegeven volgens hoofdstuk 10, deel A, onderdelen 1 en 2, van de SCV-Code; b. b. een certificaat basisveiligheid; c. c. een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart of een gelijkwaardige verklaring afgegeven door een andere verdragspartij in de Caribische handelszone; en d. d. een basiscertificaat marifonie, een beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie of een algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie als bedoeld in artikel 12 van de Examenregeling frequentiegebruik 2008.
2. Overige op het bemanningscertificaat genoemde bemanningsleden hebben de leeftijd van 16 jaar bereikt en zijn in het bezit van het certificaat basisveiligheid en een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart of een gelijkwaardige verklaring afgegeven door een andere verdragspartij.
3.
Een geldig certificaat, afgegeven door een andere verdragspartij in de Caribische handelszone volgens hoofdstuk 10, deel A, artikelen 1 en 2, van de SCV-Code, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt door Onze Minister vernieuwd indien de aanvrager:
a. a. met een door de scheepsbeheerder ondertekende verklaring, als bedoeld in hoofdstuk 10, deel A, artikel 13.1, van de SCV-Code, heeft aangetoond gedurende 3 jaren voorafgaand aan de vernieuwing ten minste 45 dagen te hebben dienstgedaan in een functie waarvoor het te vernieuwen certificaat is vereist, of met goed gevolg een door Onze Minister erkende training heeft afgerond voor de op het bemanningscertificaat genoemde functie die ten minste voldoet aan Annex 11, paragraaf 1 of paragraaf 2, van de SCV-Code, en b. b. in het bezit is van een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart of een gelijkwaardige verklaring afgegeven door een andere verdragspartij.
4. Een door Onze Minister afgegeven certificaat dat verloren is gegaan kan worden vervangen door een duplicaat certificaat, waarvan de einddatum overeenkomt met de einddatum op het originele document.
5. Een certificaat of verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt door de houder op verzoek getoond aan een ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving of Transport alsmede aan de personen aangewezen in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES.
Artikel 10.10
De artikelen 40a en 42 tot en met 47 van de wet en hoofdstuk 6 van het Besluit zeevarenden zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verkrijging van een geldige verklaring van medische geschiktheid als bedoeld in artikel 10.9.
Artikel 10.11
1.
De schipper, van een Caribisch-Nederlands schip dat:
a. a. tegen vergoeding vracht of personen, niet zijnde zeevarenden, vervoert of tegen vergoeding gelegenheid biedt tot uitoefening van sport of vrijetijdsbesteding; en b. b. op een afstand niet verder dan de gebiedsbegrenzingen, bedoeld in artikel 41b, tweede lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen vaart,
is in het bezit van een geldig certificaat Boatmaster Grade 3 op grond van hoofdstuk 10, deel A, onderdeel 1, van de SCV-Code, of een ten minste gelijkwaardig certificaat afgegeven door een andere verdragspartij.
2.
Een certificaat Boatmaster Grade 3, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt door Onze Minister afgegeven indien de aanvrager:
a. a. achttien jaar of ouder is; b. b. met goed gevolg een door Onze Minister erkende training heeft afgerond die ten minste voldoet aan Annex 11, paragraaf 1, Grade 3, van de SCV-Code; en c. c. in het bezit is van geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart of een geldige door een arts ingevulde verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen waaruit blijkt dat hij medisch geschikt is voor de functie schipper lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen, als bedoeld in het eerste lid; d. d. een basiscertificaat marifonie, een beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie of een algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie als bedoeld in artikel 12 van de Examenregeling frequentiegebruik 2008.
3. Een certificaat Boatmaster Grade 3, als bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheid van ten hoogste 3 jaar.
4.
Een certificaat Boatmaster Grade 3, als bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister vernieuwd indien de aanvrager:
a. a. met een door de scheepsbeheerder ondertekenende verklaring, als bedoeld in hoofdstuk 10, deel A, artikel 13.1, van de SCV-Code heeft aangetoond gedurende 3 jaren voorafgaand aan de vernieuwing ten minste 45 dagen te hebben dienstgedaan in een functie waarvoor het certificaat Boatmaster Grade 3 is vereist, of met goed gevolg een door Onze Minister erkende training heeft afgerond die ten minste voldoet aan Annex 11, paragraaf 1, Grade 3, van de SCV-Code; en b. b. in het bezit is van een geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart of een geldige door een arts ingevulde verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen waaruit blijkt dat hij medisch geschikt is voor de functie schipper lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen als bedoeld in het eerste lid.
5. Een certificaat dat verloren is gegaan kan door Onze Minister worden vervangen door een duplicaat certificaat, waarvan de einddatum overeenkomt met de einddatum op het originele document.
6. Een certificaat of verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt door de houder op verzoek getoond aan een ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving of Transport alsmede aan de personen aangewezen in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES.
Artikel 10.12
1. Indien ten minste een van de vragen van de verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen, als bedoeld in artikel 10.11, tweede lid, onderdeel c, met ‘ja’ is beantwoord, is de aanvrager in eerste aanleg niet medisch geschikt.
2. Een aanvrager die in eerste aanleg niet medisch geschikt is kan verzoeken om een herbeoordeling bij een keuringsarts waarna de aanvrager bij een positieve beoordeling een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart verstrekt krijgt.
3. Een geldige door een arts ingevulde verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen, zoals bedoeld in artikel 10.11, tweede lid, onderdeel c, heeft een geldigheid van ten hoogste 3 jaar.
Artikel 10.13
Het model van de certificaten bedoeld in de artikelen 10.9 en 10.11 is opgenomen in annex 10 van de SCV-Code.
Artikel 10.14
Het model van de verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen als bedoeld in artikel 10.11, tweede lid, onderdeel c, is opgenomen in bijlage H.
Artikel 10.15
Een geldig certificaat dat op grond van hoofdstuk 10 van de SCV-Code is afgegeven door een andere verdragspartij in de Caribische handelszone dat ten minste gelijkwaardig is met een certificaat als bedoeld in de artikelen 10.9 en 10.11 wordt daaraan gelijkgesteld.
Paragraaf 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11.1
Onze Minister verleent een voor 1 januari 2014 aangevraagd:
a. a. certificaat uitvoering beveiligingstaken aan een aanvrager die voldoet aan sectie A-VI/6, onderdeel 9, van de STCW-Code; b. b. certificaat bewustwording scheepsbeveiliging aan een aanvrager die voldoet aan sectie A-VI/6, onderdeel 5, van de STCW-Code.
Artikel 11.2
1. Certificaten uitvoering beveiligingstaken, afgegeven op grond van sectie A-VI/6, onderdeel 9, van de STCW-Code, worden gelijkgesteld met certificaten uitvoering beveiligingstaken, afgegeven op grond van artikel 8.39.
2. Certificaten bewustwording scheepsbeveiliging, afgegeven op grond van sectie A-VI/6, onderdeel 5, van de STCW-Code, worden gelijkgesteld met certificaten uitvoering beveiligingstaken, afgegeven op grond van artikel 8.40.
Artikel 11.3
De datum, bedoeld in de artikelen 125e, zevende lid, en 125aa van het Besluit zeevarenden, is 1 januari 2017.
Artikel 11.3a
Het bezit van het certificaat Boatmaster Grade 3 en een verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen, als bedoeld in artikel 10.11 is tot en met 31 december 2024 niet vereist.
Artikel 11.4
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling zeevarenden.
Bijlage A. – Model document als bedoeld in
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage B. – Model certificaat maritieme arbeid
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage C. – Model voorlopig certificaat maritieme arbeid
[afbeelding]
[afbeelding]
Bijlage D. – Verklaring naleving maritieme arbeid Deel I
Bijlage E. – Model verklaring naleving maritieme arbeid deel II
Bijlage F. bij de
Bijlage G. Basisveiligheidstraining voor alle bemanningsleden op vissersvaartuigen - module visserij
Bijlage G*. behorende bij
Model Visserij-arbeidscertificaat
[afbeelding]
Work in Fishing Convention, 2007
Declaration of Work in Fishing Convention Compliance
Issued under the authority of the Government of the Netherlands
by
the Minister of Infrastructure and Water Management
With respect to the provisions of the Work in Fishing Convention, 2007 (hereinafter C188) of the International Labour Organization, which has been ratified by the Netherlands on
November 15^th 2019, the following referenced fishing vessel:
is maintained in accordance with Part VII of the Convention.
The undersigned declares, on behalf of the abovementioned competent authority, that:
[afbeelding]
Bijlage H. Model Verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen
Naam keurling:
Geboortedatum:
Adres:
Woonplaats:
- Toelichting voor de arts: de toegestane ondergrens van de gezichtsscherpte is, met of zonder optische hulpmiddelen, met beide ogen gezamenlijk 0,8.
Als al de vragen met NEE zijn beantwoord kan dit formulier door de arts ondertekend worden.
Als één of meerdere vragen met JA beantwoord zijn moet u dit voorleggen aan een daartoe aangewezen keuringsarts voor de scheepvaart om te beoordelen of u alsnog voldoet en in aanmerking komt voor een geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart.
Ondergetekende verklaart dat bovengenoemde vragenlijst naar waarheid is ingevuld en dat de betrokkene medisch geschikt is voor de functie als schipper op lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen.
Naam arts:
BIG-nummer:
Adres:
Datum:
Handtekening arts:
Voor vragen en overleg kunt u zich wenden tot de medisch adviseur scheepvaart van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) mas@ilent.nl