40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020 | BWBR0036487 | ministeriele-regeling | geldend | 2020-04-15 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0036487 | Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020 |
Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
• •
*actie:* een door of onder verantwoordelijkheid van de voor het betrokken nationale programma verantwoordelijke instantie gekozen project of groep projecten, bedoeld in artikel 4, die bijdragen aan de verwezenlijking van de algemene of specifieke doelstellingen van de specifieke verordeningen;
• •
*brutoloon:* bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten;
• •
*cofinanciering:* deel van het financieringsplan dat niet door de Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020 wordt gefinancierd;
• •
*deelnemers:* personen uit de doelgroep die deelnemen aan activiteiten uit het project van de subsidieaanvrager en personen die rechtstreeks gekoppeld kunnen worden aan de uitvoering van een activiteit uit het project van de subsidieaanvrager;
• •
*directe loonkosten:* loonkosten van personeel, waarbij sprake is van direct aan deelnemers van het project bestede uren, dan wel loonkosten welke direct aan deelnemers van het project bestede uren, dan wel loonkosten welke direct te relateren zijn aan de uitvoering van subsidiabele activiteiten als bedoeld in bijlagen A tot en met Hf;
• •
*Horizontale verordening:* Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit en crisisbeheersing (PbEU L 150/112);
• •
*indirecte kosten:* kosten die, met inachtneming van de subsidiabiliteitsvereisten, bedoeld in artikel 17 van de Horizontale verordening, niet kunnen worden aangewezen als specifieke kosten van het project, en niet rechtstreeks verband houden met de uitvoering ervan;
• •
*internationale organisatie:* een organisatie als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) Nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012, houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie;
• •
*minister:* De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor zover het betreft subsidiëring van projecten inzake integratie en de Minister van Justitie en Veiligheid voor zover het overige te subsidiëren projecten betreft;
• •
*naaste verwanten:* de echtgenoten of partners, alsmede elke persoon die rechtstreeks familiebanden in opgaande of neergaande lijn heeft met de onderdaan uit een derde land voor wie de integratiemaatregelen bedoeld zijn en die anders niet onder de werking van de Verordening AMIF zou vallen;
• •
*nationaal programma AMIF 2014–2020:* het programma, bedoeld in artikel 19 van de Verordening AMIF;
• •
*nationaal programma ISF 2014–2020:* het programma, bedoeld in artikel 7 van de Verordening ISF Politie en artikel 9 van de Verordening ISF Grenzen;
• •
*onderdaan van een derde land:* eenieder die geen burger van de Europese Unie is in de zin van artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
• •
*project:* het specifieke, praktische middel waarmee een subsidieontvanger een actie geheel of gedeeltelijk uitvoert;
• •
*projectperiode:* periode tussen het tijdstip waarop activiteiten starten en worden beëindigd;
• •
*rechtstreekse subsidietoekenning:* de verantwoordelijke instantie kan subsidies rechtstreeks toekennen indien er door de specifieke aard van het project of de deskundigheid dan wel administratieve bevoegdheid van de betrokken organen geen andere keus is;
• •
*subsidieaanvrager:* de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;
• •
*subsidieontvanger:* de subsidieaanvrager aan wie krachtens deze regeling subsidie is verleend;
• •
*uitgezonden medewerker:* van 1 juli 2019 tot 1 januari 2020 de ambtenaar die valt onder het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018 en vanaf 1 januari 2020 de ambtenaar die valt onder de Aanvullende Cao Rijk Uitzendingen 2020–2024;
• •
*Verordening AMIF:* Verordening (EU) Nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (PbEU L 150/168);
• •
*Verordening ISF Politie:* Verordening (EU) Nr. 513/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer en tot intrekking van het Besluit nr. 2007/125/JBZ van de Raad (PbEU L 150/93);
• •
*Verordening ISF Grenzen:* Verordening (EU) Nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Beschikking nr. 574/2007/EG (PbEU L 150/143);
• •
*vreemdeling:* ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.
Artikel 2
1. De minister kan, overeenkomstig deze regeling, subsidie verstrekken aan de nader krachtens deze regeling aangewezen rechtspersonen die een bijdrage leveren aan de uitvoering van het nationale programma AMIF 2014–2020 en de uitvoering van het nationale programma ISF 2014–2020. De minister neemt daarbij de Horizontale verordening, de Verordening AMIF, de Verordening ISF Politie en de Verordening ISF Grenzen in acht.
2. De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is niet van toepassing op de subsidieverlening bij subsidies met betrekking tot een actie als bedoeld in artikel 4, onderdeel b.
3. Indien de Europese Commissie op het tijdstip van subsidieverlening nog niet heeft ingestemd met het desbetreffende nationale programma, wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, verleend onder de voorwaarde dat de Europese Commissie instemt met dat nationale programma.
4. In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, kan de minister de subsidieverlening aanpassen aan het gewijzigde nationale programma, dat de instemming van de Europese Commissie heeft verkregen.
5. De bepalingen in de bijlagen gelden in aanvulling op hetgeen in het algemeen deel van de regeling is vastgelegd. Voor zover de bepalingen uit de bijlagen in tegenspraak zijn met bepalingen uit het algemeen deel van de regeling, prevaleren de bepalingen in de bijlagen boven de bepalingen in het algemeen deel van de regeling.
Artikel 3
1. Als verantwoordelijke instantie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van de Horizontale verordening, wordt aangewezen de Directie Regie Migratieketen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
2. Als auditinstantie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Horizontale verordening wordt aangewezen de Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën.
3. Als gedelegeerde instantie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel c, van de Horizontale verordening wordt aangewezen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 4
De minister kan met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Horizontale Verordening, subsidie verlenen ten behoeve van projecten zonder winstoogmerk op het gebied van:
a. a. het behouden en verbeteren van de kwaliteit van het opvang- en asielstelsel, nader uitgewerkt in bijlage A, behorende bij deze regeling; b. b. de bevordering van de participatie in de samenleving van onderdanen van een niet-westers derde land en hun naaste verwanten, nader uitgewerkt in bijlage B, behorende bij deze regeling; c. c. de bevordering van terugkeer van vreemdelingen die geen recht op verblijf in Nederland hebben, dan wel van vreemdelingen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun verzoek tot verblijf, dan wel van vreemdelingen met een tijdelijk verblijfsrecht, nader uitgewerkt in bijlage C, behorende bij deze regeling; d. d. financieel rechercheren, nader uitgewerkt in bijlage D, behorende bij deze regeling; e. e. het Europees opleidingsprogramma voor Rechtshandhaving, nader uitgewerkt in bijlage E, behorende bij deze regeling; f. f. het verbeteren van slachtofferzorg, nader uitgewerkt in bijlage F, behorende bij deze regeling; g. g. risico- en crisisbeheersing, nader uitgewerkt in bijlage G, behorende bij deze regeling; h. h. management van de externe EU-grenzen, zowel op visa als op grenzen, nader uitgewerkt in bijlage H, behorende bij deze regeling; i. i. specifieke maatregelen, bedoeld in bijlage Ha; j. j. het inrichten van een nationale passagiersinformatie-eenheid (Pi-NL), nader uitgewerkt in bijlage Hb, behorende bij deze regeling; k. k. het ontwikkelen van noodzakelijke IT oplossingen om de informatie uitwisseling met andere EU lidstaten en de interoperabiliteit met IT systemen en databases ontwikkeld door de EU of andere EU lidstaten te verbeteren, nader uitgewerkt in de bijlagen Hc en Hd, behorende bij deze regeling; l. l. Inreis- en uitreissysteem, nader uitgewerkt in bijlage He, behorende bij deze regeling; m. m. Specifieke Maatregel Frontex uitrusting die ter beschikking wordt gesteld aan het Europese Grens en Kustwacht Agentschap, nader uitgewerkt in bijlage Hf, behorende bij deze regeling; n. n. de inzet van additionele AMIF-middelen, aansluitend op de acties, bedoeld in de onderdelen a en c, nader uitgewerkt in de bijlagen Hg en Hh; o. o. de inzet van additionele AMIF-middelen, gericht op Legale migratie, nader uitgewerkt in de bijlage Hi; p. p. het Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie, nader uitgewerkt in bijlage Hj, behorende bij deze regeling; q. q. het Schengen Informatiesysteem, nader uitgewerkt in bijlage Hk, behorende bij deze regeling.
Artikel 5
De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken, gelegen in de jaren 2014 tot en met 2022. De minister maakt de aanvraagtijdvakken vooraf bekend in de Nederlandse Staatscourant, waarbij tevens het maximaal beschikbare bedrag per actie per aanvraagtijdvak wordt vastgesteld.
Artikel 6
1. De subsidie met betrekking tot een project op het gebied van een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen a, b, c en i, wordt aangevraagd door de als zodanig geregistreerde subsidieaanvrager, die per actie is aangewezen in de bijlagen A tot en met C bij deze regeling.
2. De registratie als subsidieaanvrager, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats bij de gedelegeerde instantie, bedoeld in artikel 3, derde lid, onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.
3. De subsidie met betrekking tot een project op het gebied van een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen d tot en met o, wordt aangevraagd door de subsidieaanvrager, die per actie is aangewezen in de bijlagen D tot en met Hi bij deze regeling.
Artikel 7
1. De subsidieaanvraag heeft steeds betrekking op één project.
2. Als meerdere organisaties in een project samenwerken, kan slecht één van hen de subsidie aanvragen. Indien het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van organisaties wordt bij de subsidieaanvraag een kopie van de door de subsidieaanvrager alsmede de samenwerkingspartner getekende samenwerkingsverklaring meegezonden.
3. De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een projectbeschrijving met bijbehorende begroting en financieringsplan.
4. De subsidieaanvraag met betrekking tot een project op het gebied van een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen a tot en met c, wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier. De overige aanvragen worden ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister niet-elektronisch beschikbaar gesteld formulier.
5.
De subsidieaanvraag bevat in ieder geval:
a. a. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten, waaronder de aard, de omvang en de doelgroep; b. b. een beschrijving van de doelstelling, resultaten en producten die de subsidieaanvrager met de activiteiten nastreeft en de daarbij behorende indicatoren; c. c. een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten zullen worden uitgevoerd, verantwoord en geadministreerd; d. d. de duur van de projectperiode, e. e. een beschrijving van de benodigde en beschikbare operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten en indien van toepassing gegevens van cofinanciers door middel van een kopie van de cofinancieringsverklaring; f. f. een beschrijving van de wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten wordt vormgegeven; g. g. indien van toepassing een beschrijving waaruit blijkt wie de deelnemers van het project zullen zijn en hoe de deelnemers worden geregistreerd.
6. De begroting geeft inzicht in de kosten en opbrengsten van het project en is voorzien van een toelichting per post.
7. Op de aanvraag wordt uiterlijk tweeëntwintig weken na afloop van het aanvraagtijdvak beschikt.
8. In afwijking van het vorige lid wordt op een aanvraag met betrekking tot een project op het gebied van een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen d tot en met m uiterlijk tweeëntwintig weken na ontvangst van de volledige aanvraag beschikt.
9. Een aanvraag is volledig wanneer het formulier en de bijbehorende bijlagen volledig en juist zijn ingevuld en zijn ontvangen door de gedelegeerde instantie, zodat op basis van de verstrekte informatie de aanvraag kan worden beoordeeld.
10. Desgevraagd verstrekt de subsidieaanvrager een nadere toelichting op de projectbeschrijving en de begroting.
Artikel 8
1. Subsidieaanvragen met betrekking tot een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen a tot en met c, worden getoetst en gerangschikt aan de hand van het in bijlage I opgenomen puntenstelsel. Projecten die in hogere mate voldoen aan de criteria van het puntenstelsel hebben voorrang op de projecten die in mindere mate aan deze criteria voldoen.
2. Bij gelijke waardering bepaalt het tijdstip van ontvangst van de volledige aanvraag de volgorde, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.
3. De minister kan een selectiecommissie instellen die tot taak heeft aanvragen overeenkomstig het eerste en tweede lid te beoordelen en hierover advies uit te brengen aan de minister.
4. De selectiecommissie, bedoeld in het derde lid, kan de minister adviseren om een aanvraag tot subsidieverlening af te wijzen, indien deze aanvraag naar haar oordeel niet of niet voldoende bijdraagt aan het realiseren van de doelstelling van de subsidie.
5. De minister kan de selectiecommissie aanwijzingen geven over de manier waarop de taak, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt uitgevoerd.
Artikel 9
1. De minister verleent de subsidie aan de subsidieaanvrager.
2. De minister verleent de subsidie voor het verrichten van het project, zoals vastgelegd in de bij de subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving.
3. De beschikking vermeldt in ieder geval de in artikel 10, tweede lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) Nr. 1042/2014 genoemde onderdelen. Bij de bepaling van het maximumbedrag van de subsidie wordt uitgegaan van het totaal van de in artikel 12 genoemde kosten van het project, zoals door de subsidieaanvrager geraamd in zijn subsidieaanvraag, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden bepaald.
Artikel 10
Een aanvraag tot verlening van subsidie kan in ieder geval door de minister geheel of gedeeltelijk worden afgewezen, indien:
a. a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen; b. b. de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten; c. c. onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten; d. d. onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen; e. e. onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden of realiseren; f. f. onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt; g. g. onaannemelijk is dat de voorgenomen subsidiabele activiteiten en subsidiabele kosten eenvoudig te verantwoorden en te controleren zijn; h. h. de kosten reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s; i. i. dezelfde subsidiabele kosten reeds uit hoofde van nationale subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt; j. j. onaannemelijk is dat subsidieaanvrager beschikt over operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten; k. k. anderszins op grond van diens eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren en aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen; l. l. de subsidiabele kosten minder dan € 400.000 bedragen; m. m. voor een subsidieaanvraag met betrekking tot een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen a tot en met c, op grond van artikel 8, eerste lid, minder dan 60 punten worden toegekend.
Artikel 11
De subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 4 bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
Artikel 12
1.
Ter uitvoering van de subsidiabele activiteiten van het project komen voor subsidiëring uitsluitend de volgende kostensoorten in aanmerking:
a. a. directe loonkosten van een medewerker die in Nederland in loondienst is voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend tarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een opslag van 32% van het brutoloon en waarbij het aantal werkbare uren per jaar is gesteld op 1.720 of wordt berekend op basis van de normale arbeidsduur per jaar in uren minus het wettelijk aantal vakantie-uren per jaar minus de nationaal erkende officiële vrije feestdagen per jaar in uren. Bij een parttime dienstverband wordt het aantal uren naar rato bepaald; b. b. specifieke uitgaven in verband met doelgroepen; c. c. reiskosten buitenland, verblijfskosten buitenland en kosten van een buitenlandtoelage voor uitgezonden medewerkers op basis van bedragen uit het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel 2018 en de Aanvullende Cao Rijk Uitzendingen 2020–2024; d. d. kosten van materieel; e. e. kosten van onroerende zaken; f. f. afschrijvingskosten, voor zover deze betrekking hebben op het eerste lid, onderdelen d en e; g. g. overige externe kosten, met een minimum van € 200 per individuele post.
2. De directe loonkosten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden verhoogd met een opslag van 15% ter dekking van de indirecte kosten.
3. De kosten van de door een subsidieontvanger verrichte eigen arbeid ten behoeve van het project worden, indien een berekening overeenkomstig het eerste lid, onder a, niet mogelijk is, berekend door het aantal uren dat de betrokken persoon aan het project ten behoeve van deze activiteiten heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 39.
4. De kosten van vrijwilligers worden berekend volgens de regels die zijn opgenomen in het Handboek Loonheffingen van de Belastingdienst.
5. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient voor opdrachten met een financieel belang van hoger dan € 20.000 de marktconformiteit aangetoond te worden. Voor opdrachten tot € 50.000 kan worden volstaan met een benchmarkprocedure. Voor opdrachten hoger of gelijk aan € 50.000 dient marktconformiteit te worden aangetoond door middel van een vergelijk van drie offertes, een niet-openbare aanbestedingsprocedure of een openbare aanbestedingsprocedure.
6. In de kosten van een door een verbonden organisatie verrichte eigen arbeid ten behoeve van het project mogen geen winstopslagen opgenomen zijn. De door een privaatrechtelijke verbonden organisatie verrichte eigen arbeid ten behoeve van het project is slechts subsidiabel op basis van directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
7.
Onder een verbonden organisatie als bedoeld in het zesde lid wordt verstaan een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie:
a. a. waarop de subsidieontvanger, dan wel een bij het project betrokken partij, direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen; b. b. die direct of indirect een overheersende invloed op de subsidieontvanger, dan wel op een bij het project betrokken partij, kan uitoefenen; of c. c. die, tezamen met de subsidieontvanger, dan wel met een bij het project betrokken partij, direct of indirect onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere organisatie uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
8.
Overheersende invloed als bedoeld in het zevende lid wordt vermoed, indien een organisatie direct of indirect, ten opzichte van een andere organisatie:
a. a. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de organisatie bezit; b. b. over de meerderheid van de stemmen beschikt die aan de door de organisatie uitgegeven aandelen zijn verbonden; of c. c. meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de organisatie kan benoemen.
9. De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn daadwerkelijk gemaakt en betaald, waarbij de kosten ten laste van het project zijn gebleven en rechtstreeks aan de uitvoering of het beheer van het project zijn toe te rekenen.
10.
Voor internationale organisaties is het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing. Voor internationale organisaties bestaan de directe loonkosten uit:
a. a. de eigenlijke salarissen, mits deze kosten het gebruikelijke loonbeleid van de subsidieontvanger weerspiegelen; b. b. sociale zekerheidsbijdragen mits deze kosten het gebruikelijke loonbeleid van de subsidieontvanger weerspiegelen; c. c. andere statutaire kosten, mits deze kosten het gebruikelijke loonbeleid van de subsidieontvanger weerspiegelen, en d. d. voorzieningen ter dekking van statutaire verplichtingen en rechten in verband met de bezoldiging.
11. Voor internationale organisaties is het tweede lid niet van toepassing. Voor internationale organisaties worden de directe projectkosten, bedoeld in het eerste en tiende lid, verhoogd met een opslag van 7% ter dekking van de indirecte kosten.
12.
Onverminderd de subsidievormen, genoemd in het eerste lid, komen de volgende kostensoorten tevens voor subsidiëring in aanmerking:
a. a. standaardschalen van eenheidskosten; b. b. lump sums; c. c. forfaitaire financiering, bepaald door een percentage toe te passen op een of meer gedefinieerde categorieën kosten.
13. De minister stelt ambtshalve vast welke subsidievorm, bedoeld in het eerste of twaalfde lid, wordt toegepast, alsmede in hoeverre een eventuele combinatie van deze subsidievormen mogelijk is.
Artikel 13
Niet voor subsidiëring komen in aanmerking:
a. a. onredelijk of niet noodzakelijk gemaakte kosten voor uitvoering van het project of een onderdeel daarvan; b. b. kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is; c. c. de aankoop van niet-bebouwde grond; d. d. de aankoop van bebouwde grond, wanneer de grond noodzakelijk is voor de uitvoering van het project, wanneer dat bedrag meer dan 10% van de totale subsidiabele uitgaven van het betrokken project uitmaakt; e. e. belasting over de toegevoegde waarde, behalve indien deze krachtens het nationale recht inzake belasting over de toegevoegde waarde niet terug vorderbaar is; f. f. binnenlandse reiskosten en verblijfskosten met uitzondering van binnenlandse verblijfskosten van uit het buitenland afkomstige deelnemers van voor het project noodzakelijke bijeenkomsten die in Nederland plaatsvinden; g. g. fooien en geschenken; h. h. representatiekosten en representatievergoedingen; i. i. kosten van ontspanningsactiviteiten ten behoeve van personeelsleden van het project; j. j. kapitaalopbrengsten, schulden en kosten van schulden, rente op schulden, commissies voor het wisselen van geld en wisselkoersverliezen, voorzieningen voor eventuele toekomstige verliezen of schulden, verschuldigde rente, dubieuze vorderingen, boetes, financiële sancties, gerechtskosten en buitensporige of roekeloze uitgaven; k. k. verbruiksgoederen, benodigdheden en algemene diensten inclusief kosten voor telefoon en internet ten behoeve van de uitvoering van het project; l. l. kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot subsidieverlening, met uitzondering van de kosten voor de directe loonkosten projectcoördinatie en -administratie en de externe kosten projectcoördinatie en -administratie ten behoeve van het opstellen van de einddeclaratie tot aan het moment van indienen van het verzoek tot vaststelling; m. m. bijdragen in natura ten behoeve van de cofinanciering van het project, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 12, derde lid; n. n. kosten die reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s; o. o. dezelfde kosten die reeds uit hoofde van nationale subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt.
Artikel 14
1. Na verlening van de subsidie wordt een voorschot verleend tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag.
2. Na realisering van ten minste 50% van de subsidiabele kosten en indiening van een voortgangsrapportage en op basis van de meest recente begroting kan een aanvullend voorschot van maximaal 30% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag worden verleend.
3. Aan de subsidieontvanger kan een nadere financiële en inhoudelijke onderbouwing, inclusief specificatie van reeds gemaakte kosten alsmede zekerheid worden gevraagd ten behoeve van het verlenen van een voorschot.
Artikel 15
1. De subsidieontvanger houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee gemaakte kosten en gerealiseerde opbrengsten. Deze administratie bestaat uit een projectadministratie, waaronder voor zover van toepassing een deelnemersadministratie, en een financiële administratie waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken.
2. De volledige administratie is per project voor controle beschikbaar op één voor de subsidieontvanger in Nederland vrij toegankelijke locatie.
3. De projectadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers dan wel in termen van geleverde producten of diensten.
4. De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten, de gerealiseerde opbrengsten en de wijze waarop deze kosten en opbrengsten aan het project worden toegerekend.
5. Indien er in het project sprake is van deelnemers geeft de deelnemersadministratie inzicht in de subsidiabiliteit van de individuele deelnemer zelf en de verrichte activiteiten en behaalde resultaten per individuele deelnemer.
6. Ter zake van de directe loonkosten en de kosten, bedoeld in artikel 12, derde lid, dient een door middel van een inzichtelijk tijdschrijfsysteem controleerbare urenverantwoording per werknemer aanwezig te zijn of een krachtens naar behoren gemotiveerd besluit van de organisatie waaruit blijkt dat de werknemer wordt ingezet voor taken die specifiek verband houden met de uitvoering van het project.
7. De minister, de Europese Commissie of haar vertegenwoordigers, de door de minister dan wel de door de Europese Commissie aangewezen instanties en de Rekenkamer hebben de bevoegdheid om audits, op basis van documenten of ter plaatse, uit te voeren bij alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die overeenkomstig de Horizontale verordening en de specifieke verordeningen middelen van de Europese Unie hebben ontvangen. Tevens verstrekken zij voornoemde instanties desgevraagd informatie over de projecten die voor monitoring en evaluatie gebruikt kunnen worden.
8. Het Europees Bureau voor Fraudebestrijding kan onderzoeken uitvoeren, zoals controles en verificaties te plaatse, overeenkomstig de bepalingen en procedures in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Europese Unie zijn geschaad, in verband met een subsidieovereenkomst, subsidiebesluit of een overeenkomst, gefinancierd overeenkomstig de Horizontale verordening of de specifieke verordeningen.
Artikel 16
1. De subsidieontvanger bewaart alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project tot tenminste 31 december 2027 dan wel tot een nader door de minister aan de subsidieontvanger schriftelijk bekend te maken termijn. Indien de Europese Commissie, vanwege een gerechtelijke procedure of een met redenen omkleed verzoek de bewaartermijn schorst, maakt de minister de gevolgen voor de bewaartermijn, in de Staatscourant bekend.
2. Van alle administratieve bescheiden wordt het origineel bewaard. Hiervan kan worden afgeweken, indien het origineel conform de procedure in bijlage J behorende bij deze regeling, wordt overgezet en bewaard op een andere gegevensdrager. Het overbrengen op een andere gegevensdrager geschiedt met juiste en volledige weergave van de gegevens en deze is de volledige bewaartermijn beschikbaar en kan binnen een redelijke tijd leesbaar worden gemaakt.
3. De administratie is zodanig ingericht en wordt zodanig gevoerd en bewaard, dat controle daarvan binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de subsidieontvanger de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.
4. De computersystemen die gebruikt worden voor documenten waarvan uitsluitend een elektronische versie bestaat, voldoen aan aanvaarde beveiligingsstandaarden die waarborgen dat de bewaarde documenten aan de nationale wettelijke eisen voldoen en dat er voor controledoeleinden op kan worden vertrouwd.
5. Alle administratieve bescheiden zijn beschikbaar voor de subsidieontvanger. De subsidieontvanger is en blijft verantwoordelijk voor een correcte opslag van alle administratieve bescheiden, ook als hij een derde met de opslag belast.
Artikel 17
1. Indien de projectduur langer is dan 12 maanden wordt jaarlijks op 15 november onder gebruikmaking van het daartoe door de minister ten behoeve van een project op het gebied van een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen a tot en met c, elektronisch beschikbaar gestelde formulier een voortgangsrapportage ingediend, waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd over de voortgang van het project waarover subsidie is verleend. Voor de overige projecten wordt een voortgangsrapportage ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister niet-elektronisch beschikbaar gesteld formulier
2. De voortgangsrapportage, bedoeld in het eerste lid, ziet op de periode vanaf de startdatum van het project tot en met 15 oktober. Vervolgens wordt steeds gerapporteerd over de aansluitende periode vanaf 16 oktober tot en met 15 oktober, of zoveel korter tot de einddatum van het project.
3. De subsidieontvanger verstrekt naast de voortgangsrapportage op verzoek aan de minister informatie over de voortgang.
4. Indien er omstandigheden optreden, die de voortgang, inhoud of de administratieve organisatie van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de subsidieontvanger hiervan onverwijld mededeling aan de minister.
5. De subsidieontvanger verleent aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties medewerking aan het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze regeling, en draagt, indien het gesubsidieerde project niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, er zorg voor dat de feitelijke uitvoerder van het project deze medewerking verleent.
6. Indien binnen drie jaar na afloop van het project sprake is van faillissement of overgang van eigendom van een door het project gefinancierde onderneming, meldt de subsidieontvanger dit aan de minister.
Artikel 18
1. De subsidieontvanger dient binnen dertien weken na beëindiging van het project een verzoek tot vaststelling van de subsidie in bij de minister. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt een verantwoording en een einddeclaratie gevoegd.
2. Het verzoek tot vaststelling met betrekking tot een project op het gebied van een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen a tot en met c, wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier, voorzien van de vereiste bijlagen. De overige verzoeken tot vaststelling worden ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister niet-elektronisch beschikbaar gesteld formulier.
3. De minister stelt binnen 12 maanden na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie de subsidie vast.
Artikel 19
1. De subsidieontvanger informeert de door hem ingeschakelde uitvoerder en de deelnemers aan projecten dat zij deelnemen aan een door het Fonds voor asiel, migratie en integratie, dan wel het Fonds voor interne veiligheid van de Europese Unie gesubsidieerd project.
2. De subsidieontvanger licht het publiek voor over de uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie, dan wel het Fonds voor interne veiligheid ontvangen steun.
3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat, op relevante op het project en de uitvoering daarvan betrekking hebbende documenten, duidelijk kenbaar wordt gemaakt dat voor het project steun is verleend vanuit het Fonds voor asiel, migratie en integratie, dan wel het Fonds voor interne veiligheid van de Europese Unie.
4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat op alle vormen van voorlichting- en communicatie-uitingen in ieder geval de term ‘het Fonds voor asiel, migratie en integratie’ indien het een project in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie betreft, of ‘het Fonds voor interne veiligheid van de Europese Unie’ indien het een project in het kader van het Fonds voor interne veiligheid betreft, aanwezig is.
5. De subsidieontvanger voegt aan alle vormen van voorlichting en communicatie-uitingen met betrekking tot het project in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie de slogan ‘Migratie in beweging’ of in het kader van het Fonds van interne veiligheid ‘Balancing Security and Mobility toe, voor zover het formaat van de uiting dit toelaat.
6. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat een embleem van de Europese Unie aanwezig is op alle vormen van voorlichting- en communicatie-uitingen met betrekking tot het project, voor zover het formaat van de uiting dat toelaat, en dat dit embleem voldoet aan de grafische normen zoals opgenomen in de uitvoeringsverordening 1049/2014 van de Europese Commissie.
7. Indien voor het project meer dan € 100.000 subsidie uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie, dan wel het Fonds voor interne veiligheid van de Europese Unie, is ontvangen en het project bestaat uit de aankoop van een materieel object of uit de financiering van infrastructuur of van bouwprojecten, plaatst de subsidieontvanger uiterlijk drie maanden na afronding van zijn project een permanente plaat van aanzienlijk formaat.
8. De plaat, bedoeld in het vorige lid, vermeldt het type en de naam van het project, de slogan, bedoeld in het vijfde lid, de naam van het fonds en het embleem, bedoeld in het zesde lid. De naam van het fonds, de slogan en het embleem beslaat tenminste 25% van de plaat.
9. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de bij het project betrokken partijen voldoen aan het eerste tot en met het achtste lid.
10. De projectresultaten worden om niet beschikbaar gesteld aan de minister of door hem aangewezen derden, en de subsidieontvanger verleent medewerking aan door de minister georganiseerde publicitaire en voorlichtingsactiviteiten gericht op de media, potentiële deelnemers van projecten en het grote publiek.
Artikel 20
1. Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieontvanger er mee in dat het subsidiedossier openbaar kan worden gemaakt.
2. Informatie uit het subsidiedossier wordt niet openbaar gemaakt wanneer de informatie niet voor iedereen toegankelijk is vanwege de vertrouwelijke aard ervan, met name omdat ze verband houdt met veiligheid, openbare orde, strafrechtelijk onderzoek en de bescherming van persoonsgegevens.
Artikel 21
1.
Onverminderd het bepaalde in afdeling 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht kan een beschikking tot subsidieverlening door de minister geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, en kunnen op basis daarvan uitbetaalde bedragen worden teruggevorderd:
a. a. indien het project wordt uitgevoerd in afwijking van de projectbeschrijving, voor zover de subsidieverlening daarop was gebaseerd; b. b. indien de doelstellingen van het project niet of slechts ten dele worden gerealiseerd; c. c. indien de subsidieontvanger niet of niet meer beschikt over de benodigde operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten; d. d. op een daartoe strekkend verzoek van de subsidieontvanger; e. e. indien anderszins in strijd wordt gehandeld met de Horizontale Verordening, de Verordening AMIF, of de Verordening ISF Grenzen of de Verordening ISF Politiesamenwerking; f. f. indien bij een controle door een nationale instantie dan wel een Europese controle-instantie onregelmatigheden in de administratie zijn aangetroffen en aanvrager deze niet of in onvoldoende mate heeft gecorrigeerd dan wel diens toelichting omtrent de onregelmatigheden onvoldoende wordt geacht.
2. Gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening op grond van het eerste lid, onderdeel a, vindt niet plaats, indien de afwijking van het bij de subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving vooraf aan de minister is voorgelegd en de minister daarmee schriftelijk heeft ingestemd. Voor zover de minister niet met afwijking heeft ingestemd, verricht de subsidieontvanger die activiteiten voor eigen rekening en risico.
3. De minister kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidieontvanger in het kader van deze regeling verleende en nog te betalen subsidie, dan wel een andere verleende en nog te betalen subsidie.
Artikel 21a
Deze regeling berust mede op artikel 48a, vierde lid, van de Wet Justitie-subsidies.
Artikel 22
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020.
Artikel 23
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat voor subsidieaanvragen met betrekking tot een project op het gebied van een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen d tot en met h, deze regeling terugwerkt tot en met 1 januari 2015.
Bijlage A. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel a: het behoud en verbeteren van de kwaliteit van het opvang- en asielstelsel.
Bijlage B. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel b: de bevordering van de participatie in de samenleving van onderdanen van een niet-westers derde land en hun naaste verwanten.
Bijlage C. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel c: de bevordering van terugkeer van vreemdelingen die geen recht op verblijf in Nederland hebben dan wel van vreemdelingen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun verzoek tot verblijf, dan wel van vreemdelingen met een tijdelijk verblijfsrecht.
Bijlage D. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot subsidieaanvragen voor actie D als bedoeld in artikel 4, onderdeel d: financieel rechercheren.
Bijlage E. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot subsidieaanvragen in het kader van actie E, als bedoeld in artikel 4, onderdeel e: het Europees opleidingsprogramma voor Rechtshandhaving.
Bijlage F. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot aanvragen in het kader van actie F, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f: verbeteren van slachtofferzorg.
Bijlage G. behorend bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel g: risico- en crisisbeheersing.
Bijlage H. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel h: management van de externe EU-grenzen, zowel op visa als op grenzen.
Bijlage Ha. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel i: specifieke maatregelen.
Bijlage Hb. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel j: het inrichten van een nationale passagiersinformatie-eenheid (Pi-NL).
Bijlage Hc. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel k: het ontwikkelen van noodzakelijke IT oplossingen om de informatie uitwisseling met andere EU lidstaten en de interoperabiliteit met IT systemen en databases ontwikkeld door de EU of andere EU lidstaten te verbeteren.
Bijlage Hd. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel k: het ontwikkelen van noodzakelijke IT-oplossingen om de informatie uitwisseling met andere EU lidstaten en de interoperabiliteit met IT-systemen en databases ontwikkeld door de EU of andere EU lidstaten te verbeteren.
Bijlage He. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel l. Inreis- en uitreissysteem (EES).
Bijlage Hf. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel m. Specifieke Maatregel Frontex uitrusting die ter beschikking wordt gesteld aan het Europese Grens en Kustwacht Agentschap (EGKWA).
Bijlage Hg. behorende bij
Specifieke bepalingen voor subsidieaanvragen, in het kader van de inzet van additionele AMIF-middelen, met betrekking tot artikel 4, onderdeel a: het behoud en verbeteren van de kwaliteit van het opvang- en asielstelsel.
Bijlage Hh. behorende bij
Specifieke bepalingen voor subsidieaanvragen, in het kader van de inzet van additionele AMIF-middelen, met betrekking tot artikel 4, onderdeel c: de bevordering van terugkeer van vreemdelingen die geen recht op verblijf in Nederland hebben dan wel van vreemdelingen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun verzoek tot verblijf, dan wel van vreemdelingen met een tijdelijk verblijfsrecht.
Bijlage Hi. behorende bij
Specifieke bepalingen voor subsidieaanvragen, met betrekking tot artikel 4, onderdeel o:de inzet van additionele AMIF-middelen gericht op Legale migratie
Bijlage Hj. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel p, Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie.
Bijlage Hk. behorende bij
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel q Schengen Informatiesysteem.