rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-demonstratie-en-kennisoverdrachtprojecten-duurzame-landbouw/BWBR0012670
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten duurzame landbouw BWBR0012670 ministeriele-regeling geldend 2001-07-12 https://wetten.overheid.nl/BWBR0012670 Subsidieregeling demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten duurzame landbouw

Subsidieregeling demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten duurzame landbouw

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

1.

Ter bevordering van de concurrentiekracht van de land- en bosbouw en van productiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming en natuurbeheer, kan de minister overeenkomstig de navolgende bepalingen, op aanvraag een subsidie verstrekken voor de uitvoering van projecten aan:

a. a. ondernemers die voor eigen rekening en risico een land- of bosbouwbedrijf exploiteren of een onderneming drijven die land- of bosbouwproducten be- of verwerkt of verhandelt; b. b. verenigingen en stichtingen op het gebied van de onder a bedoelde ondernemingen; c. c. publiekrechtelijke rechtspersonen, en d. d. samenwerkingsverbanden tussen de onder a, b en c bedoelde rechtspersonen en ondernemers.

2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een project van een samenwerkingsverband bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt één van hen tot het indienen van de aanvraag gemachtigd.

3. Geen subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen en instellingen die werkzaam zijn op het terrein van onderzoek, scholing, opleiding, voorlichting, advies of begeleiding.

Artikel 3

1.

Subsidie ten behoeve van demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten, wordt uitsluitend verstrekt indien deze projecten betrekking hebben op:

a. a. biologische landbouw, geïntegreerde landbouw of gesloten teeltsystemen; b. b. milieuverantwoorde benutting van meststoffen; c. c. terugdringing van het gebruik of de emissie van gewasbeschermingsmiddelen; d. d. beperking van de ammoniak-emissies in de veehouderij; e. e. energiebesparing energie-efficiency en energiemanagement; f. f. beheersmaatregelen die de verdroging van natuurgebieden tegengaan; g. g. verwijdering en verwerking van organische afvalstoffen voor zover betrekking hebbende op de substraatteelt; h. h. behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden in agrarische gebieden; i. i. toepassing van nieuwe marktgerichte productiemethoden of verwerkingstechnieken, waaronder de ontwikkeling van nieuwe landbouwproducten of bijproducten en het openen van nieuwe markten; j. j. diversificatie van bedrijfsactiviteiten, met name door toeristische en ambachtelijke activiteiten of de productie en verkoop van ambachtelijke producten op het primaire land- of bosbouwbedrijf; k. k. verbetering van logistieke systemen en informatietechnologie; l. l. verbetering van arbeidsomstandigheden; m. m. verbetering van hygiëne; n. n. verbetering van de gezondheid of het welzijn van dieren; o. o. verbetering van de diergezondheidszorg; p. p. verbetering van de kwaliteit van productieprocessen of -systemen, waaronder integrale borgingssystemen; q. q. verbetering van de horizontale, onderscheidenlijk verticale samenwerking in, onderscheidenlijk tussen opeenvolgende schakels in de productieketen van land- of bosbouwproducten, of r. r. beperking van milieubelasting door bedrijven die zich richten op de be- of verwerking van, of handel in producten van de land- of bosbouw.

2.

De subsidie wordt voorts slechts verstrekt voor projecten:

a. a. die kunnen bijdragen aan de bevordering van de toepassing van nieuwe kennis of technologieën, die verder gaat dan de wettelijke minimumnormen; b. b. die betrekking hebben op vernieuwingen in de productiekolom van land- en bosbouwproducten die voldoende perspectief bieden voor toepassing op bedrijfsniveau; c. c. die zijn voorzien van een op het project toegesneden communicatieplan, waaruit blijkt dat de organisatie die met de uitvoering daarvan is belast beschikt over de terzake benodigde ervaring en expertise; d. d. die zijn voorzien van een opinieverslag waaruit blijkt dat het project voldoende draagvlak heeft bij de, gelet op de doelstelling van het project, relevante vaktechnische, dienstverlenende, branche- of standsorganisaties; e. e. die, gelet op de doelstelling, de inhoud en het geografisch bereik, niet gelijk zijn aan projecten waaraan in het kader van deze regeling eerder een subsidie is verleend; f. f. waarvan de uitvoeringstermijn ten hoogste drie jaar bedraagt vanaf het moment van de beschikking tot subsidieverlening; g. g. waarvan de resultaten openbaar worden gemaakt, en h. h. waarvan de subsidiabele kosten tenminste € 11.344,51 bedragen.

Artikel 4

1. Geen subsidie wordt verstrekt voor projecten met de uitvoering waarvan reeds is begonnen voor de datum van ontvangstbevestiging van de aanvraag tot subsidieverlening.

2. Voor de toepassing van het eerste lid worden voorbereidende activiteiten, welke worden verricht om te komen tot een voldoende gespecificeerde aanvraag buiten beschouwing gelaten.

Artikel 5

1.

Als subsidiabele kosten worden uitsluitend aangemerkt:

a. a. opleidings- en trainingskosten van de met de uitvoering van het project belaste personen; b. b. kosten van leveringen en diensten door derden; c. c. kosten voor het verstrekken van informatie en het verzorgen van publiciteit; d. d. kosten van huur of lease van voor het project noodzakelijke bedrijfsmiddelen; e. e. loonkosten, voorzover deze kosten betrekking hebben op personeel dat ten behoeve van het project is ingezet, alsmede kosten van eigen arbeid van de aanvrager in het kader van het project te waarderen tegen € 18,15 per uur; f. f. uitvoeringskosten, zoals reiskosten en de kosten van de huur van vergaderzalen.

2. De kosten bedoeld in het eerste lid worden, indien van toepassing berekend, exclusief ingevolge de Wet op de omzetbelasting 1968 verschuldigde omzetbelasting, tenzij op het moment van indiening van de aanvraag wordt aangetoond dat deze niet in aftrek kan worden gebracht;

3.

Als niet-subsidiabele kosten worden aangemerkt:

a. a. overheadkosten; b. b. de investeringskosten in bedrijfsmiddelen; c. c. de kosten die betrekking hebben op het kunnen indienen van een voldoende gespecificeerde aanvraag; d. d. ten behoeve van de financiering van het project te betalen rente en kosten; e. e. de kosten van een accountantsverklaring.

4. Het derde lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien aangetoond wordt dat de beschikking over deze bedrijfsmiddelen niet op andere wijze kan worden verkregen, in welk geval slechts het bij de aanvraag tot subsidievaststelling aangegeven verschil tussen de aankoopprijs en de getaxeerde verkoopprijs, zoals deze is vastgesteld voor de datum waarop de uitvoering van het project is voltooid, voor een subsidie in aanmerking komt. Indien de gerealiseerde verkoopprijs hoger is dan de getaxeerde verkoopprijs, wordt bij de subsidievaststelling de gerealiseerde verkoopprijs gehanteerd.

Artikel 6

1. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

2. Indien voor de subsidiabele kosten of een gedeelte daarvan reeds uit anderen hoofde een subsidie is of zal worden verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale subsidiebedrag niet meer bedraagt dan 90% van de subsidiabele kosten.

Artikel 7

1. De minister kan één of meer aanvraagperioden vaststellen.

2. De minister kan per aanvraagperiode één of, indien uitvoering wordt gegeven aan het derde of vierde lid, meerdere subsidieplafonds vaststellen voor de verlening van subsidies ingevolge deze regeling.

3. De minister kan per aanvraagperiode besluiten dat slechts voor projecten inzake bepaalde thema's als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of door bepaalde categorieën aanvragers als bedoeld in artikel 2 een aanvraag kan worden ingediend.

4. De minister kan per aanvraagperiode besluiten dat ter zake van één of meer thema's als bedoeld in artikel 3, eerste lid, slechts aanvragen voor projecten kunnen worden ingediend die betrekking hebben op door de minister bij dat besluit vast te stellen subthema's.

5. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 10, eerste lid kan de minister nader bepalen dat bij de beoordeling, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, prioriteit wordt gegeven aan projecten inzake bepaalde thema's als bedoeld in artikel 3, eerste lid, danwel de per openstelling eventueel te benoemen subthema's, bedoeld in het vierde lid.

6. De minister maakt de besluiten, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, bekend in de Staatscourant.

Paragraaf 3. Subsidieverlening

Artikel 8

1. De subsidieaanvraag wordt ingediend bij Dienst Regelingen, op een daartoe vastgesteld formulier.

2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

a. a. in voorkomend geval, het aan het samenwerkingsverband ten grondslag liggende samenwerkingscontract, met daarin in elk geval een overzicht van de deelnemers aan het samenwerkingsverband, alsmede van de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen tussen de verschillende deelnemers; b. b. een projectplan, inhoudende een beschrijving van de doelstellingen en achtergronden van het project, de activiteiten, een tijdsplanning van de activiteiten en de wijze van uitvoering; c. c. een op het project toegesneden voorlichtings- of onderwijsplan, waaruit onder meer blijkt dat de organisatie die met de uitvoering daarvan is belast beschikt over de terzake benodigde ervaring en expertise; d. d. een verslag waaruit blijkt dat de aanvrager tijdens de voorbereiding van het project overleg heeft gepleegd met de, gelet op de doelstelling van het project, relevante vaktechnische, dienstverlenende, branche- of standsorganisaties; e. e. een begroting van de kosten en een opgave van de financieringswijze van het project, en f. f. in voorkomend geval, bewijsstukken waaruit blijkt dat de aanvrager, of de deelnemers aan het samenwerkingsverband, rechtspersonen zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Artikel 9

1. Behoudens in het geval dat toepassing wordt gegeven aan artikel 10, verdeelt de minister het voor een kalenderjaar of aanvraagperiode beschikbare bedrag in de volgorde van de datum van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat ingeval sprake is van een onvolledige aanvraag in de zin van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht, de aanvraag pas voor subsidie in aanmerking komt op de dag waarop de aanvraag volledig is aangevuld.

2. Indien door toewijzing van subsidieaanvragen met dezelfde datum van ontvangst, het subsidieplafond zou worden overschreden, geschiedt de toewijzing volgens een rangschikking van de subsidieaanvragen, waarbij telkenmale de hoogst gerangschikte subsidie-aanvraag het eerst voor toewijzing in aanmerking komt. De rangschikking vindt plaats volgens loting, welke geschiedt door een door de minister aan te wijzen notaris.

3. De minister kan een commissie instellen die tot taak heeft de haar daartoe voorgelegde aanvragen te beoordelen en advies uit te brengen aan de minister omtrent de verenigbaarheid van het project waarop de aanvraag betrekking heeft met deze regeling en met name met de thema's bedoeld in artikel 3, eerste lid, zoals deze in voorkomend geval met toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, nader zijn uitgewerkt.

4. De in het derde lid bedoelde commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten minste drie doch ten hoogste tien leden. De minister benoemt op basis van hun specifieke kennis en deskundigheid de voorzitter en de leden van de commissie voor een termijn van drie jaar behoudens tussentijds ontslag door de minister. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

5. De commissie, bedoeld in het derde lid, stelt met inachtneming van door de minister te stellen regels haar werkwijze vast. Het secretariaat wordt gevoerd door door de minister aan te wijzen ambtenaren van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 10

1. De minister kan besluiten dat gelijktijdig wordt beslist, op in eenzelfde aanvraagperiode ingediende aanvragen, op basis van een vergelijking van de projecten waarvoor een aanvraag is ingediend met betrekking tot hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van deze regeling. De minister maakt dit besluit bekend in de Staatscourant.

2. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, stelt de minister één of meer beoordelingscommissies in die tot taak heeft, onderscheidenlijk hebben de haar daartoe voorgelegde aanvragen overeenkomstig het vijfde lid te beoordelen en hierover advies uit te brengen aan de minister.

3. De beoordelingscommissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en tenminste drie doch ten hoogste tien leden. De minister benoemt op basis van hun specifieke kennis en deskundigheid de voorzitter en de leden van de beoordelingscommissie voor een termijn van drie jaar, behoudens tussentijds ontslag door de minister. De leden zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

4. De beoordelingscommissie stelt met inachtneming van door de minister te stellen regels haar werkwijze vast. Het secretariaat wordt gevoerd door door de minister aan te wijzen ambtenaren van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

5. De beoordelingscommissie beoordeelt of en in welke mate het project bijdraagt aan het bereiken van de doelstellingen van deze regeling en toetst daarbij op de aspecten bedoeld in artikel 11.

6. De beoordelingscommissie kan de minister adviseren een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

7.

De beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de projecten advies uit aan de minister in de vorm van een rangschikking van de aanvragen waarover de commissie ingevolge het zesde lid niet afwijzend adviseert, waarbij aanvragen:

a. a. hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de beoordelingscommissie meer voldoen aan het in het vijfde lid bedoelde criterium en b. b. die in gelijke mate aan het in het in het vijfde lid bedoelde criterium voldoen, hoger worden gerangschikt naarmate ze meer voldoen aan de door de minister ingevolge artikel 7, vijfde lid, vastgestelde prioriteiten.

8. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid beslist de minister, gehoord hebbende het advies van de beoordelingscommissie, gelijktijdig op de aanvragen die van een dergelijk advies zijn voorzien.

9. De minister geeft de beschikking tot subsidieverlening binnen vier maanden na afloop van de aanvraagperiode waarin de aanvraag is ingediend. Indien deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien.

Artikel 11

1.

Indien uitvoering wordt gegeven aan artikel 10, eerste lid, worden subsidie-aanvragen zodanig gerangschikt dat een project hoger wordt gerangschikt naarmate:

a. a. de vernieuwing waarop het project betrekking heeft meer perspectief heeft voor toepassing op bedrijfsniveau; b. b. de vernieuwing zich in een meer vergevorderd stadium van ontwikkeling bevindt; c. c. het project meer bijdraagt aan het bevorderen van de toepassing van nieuwe kennis of technologiëen in de gehele sector; d. d. het voor het project uit te werken communicatieplan aantoont dat de relevante doelgroepen op de juiste wijze worden benaderd; e. e. het draagvlak bij relevante vaktechnische-, dienstverlenende-, branche- of standsorganisaties, groter is.

2. De minister kan in aanvulling op de rangschikkingscriteria, bedoeld in het eerste lid, nadere rangschikkingscriteria vaststellen.

3. De minister maakt besluiten bedoeld in het tweede lid bekend in de Staatscourant.

Artikel 12

1. De subsidieverlening wordt geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de financiering van de te subsidiëren activiteit niet toereikend zal zijn.

2. De subsidieverlening wordt geweigerd of ingetrokken indien de aanvrager naast de aanvraag tot subsidieverlening in het zelfde kalenderjaar een andere aanvraag tot subsidieverlening of vaststelling bij een Nederlands bestuursorgaan heeft ingediend, waarop dezelfde hoofdstukken van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van toepassing zijn en deze andere aanvraag is door ernstige nalatigheid of opzet onjuist.

3. De subsidieverlening wordt geweigerd of ingetrokken, indien de aanvrager naast de aanvraag tot subsidieverlening of -vaststelling in het voorafgaande kalenderjaar een andere aanvraag tot subsidieverlening of vaststelling bij een Nederlands bestuursorgaan heeft ingediend waarop dezelfde hoofdstukken van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van toepassing zijn en deze andere aanvraag is door opzet onjuist.

Paragraaf 4. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13

1.

De subsidieontvanger voert het project uit:

a. a. overeenkomstig het projectplan waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft, behoudens goedgekeurde wijzigingen van het project als bedoeld in het tweede lid, b. b. in Nederland, behoudens toestemming van de minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland en c. c. binnen de in artikel 3, tweede lid onderdeel f, bedoelde uitvoeringstermijn, met dien verstande dat met de uitvoering van het project uiterlijk zes maanden na de beschikking tot subsidieverlening moet zijn begonnen.

2.

Wijzigingen in het projectplan gedurende de looptijd van het project zijn toegestaan mits:

a. a. deze geen wijzigingen ten aanzien van de doelstelling van het project betreffen en b. b. deze vooraf zijn gemeld aan Dienst Regelingen en zijn goedgekeurd door de minister.

3.

Indien de projectduur langer dan één jaar is, rapporteert de subsidieontvanger steeds nadat een jaar van de projectduur is verstreken binnen 3 maanden in de vorm van een tussenverslag omtrent de voortgang van het project op een door de minister te bepalen wijze. Dit verslag bestaat ten minste uit een beschrijving van:

a. a. de activiteiten die tot dan toe in het kader van het project zijn verricht en b. b. de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen.

4.

Na afloop van de projectduur rapporteert de subsidieontvanger in de vorm van een evaluatieverslag over het project. Dit verslag bestaat ten minste uit een beschrijving van:

a. a. de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht, b. b. de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen, c. c. de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan en d. d. de wijze waarop deze kennis en informatie openbaar is of zal worden gemaakt.

5. De subsidieontvanger is verplicht de kennis en informatie die met het project wordt opgedaan, onmiddellijk na afloop van het project openbaar te maken. Aan de beschikking tot subsidieverlening kan de minister voorschriften verbinden omtrent de wijze waarop deze openbaarmaking dient te geschieden.

6. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 5, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten en de kosten voor eigen arbeid een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording aanwezig is.

7. De minister kan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

Artikel 14

1. De subsidieontvanger is verplicht handelsdocumenten gedurende ten minste 3 jaren te bewaren, ingaande na afloop van het jaar waarin zij zijn opgesteld, en ingeval de met de controle belaste functionarissen of daartoe gemachtigde personen hierom verzoeken, uittreksels of kopieën van de handelsdocumenten te verstrekken.

2. De subsidieontvanger is verplicht de fysieke en administratieve controles toe te laten door de door de Minister aangewezen toezichthouders en van de krachtens het EG-Verdrag bevoegde Europese controleurs.

Artikel 15

Met het toezicht op de naleving van deze regeling zijn belast de door de minister aangewezen ambtenaren van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Paragraaf 5. Subsidievaststelling

Artikel 16

1. De subsidievaststelling wordt geweigerd of ingetrokken indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de financiering van de te subsidiëren activiteit niet toereikend zal zijn.

2. De subsidievaststelling wordt geweigerd of ingetrokken indien de subsidieaanvraag niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 13.

3. De subsidievaststelling wordt geweigerd of ingetrokken indien de aanvrager naast de aanvraag tot subsidievaststelling in het zelfde kalenderjaar een andere aanvraag tot subsidieverlening of -vaststelling bij een Nederlands bestuursorgaan heeft ingediend, waarop dezelfde hoofdstukken van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van toepassing zijn en deze andere aanvraag is door ernstige nalatigheid of opzet onjuist.

4. De subsidievaststelling wordt geweigerd of ingetrokken, indien de aanvrager naast de aanvraag tot subsidievaststelling in het voorafgaande kalenderjaar een andere aanvraag tot subsidieverlening of vaststelling bij een Nederlands bestuursorgaan heeft ingediend waarop dezelfde hoofdstukken van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van toepassing zijn en deze andere aanvraag is door opzet onjuist.

Artikel 17

1. De aanvraag voor de vaststelling van de subsidie wordt binnen vier maanden na afloop van het project ingediend bij Dienst Regelingen, op een daartoe door Dienst Regelingen vastgesteld formulier.

2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

a. a. een afschrift van het in artikel 13, vierde lid, bedoelde evaluatieverslag, en b. b. een financiële verantwoording van het project, alsmede een verklaring van een accountant of een accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt dat is voldaan aan de in deze regeling gestelde voorwaarden en verplichtingen. c. c. De accountant of accountant-administratieconsulent, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, controleert met inachtneming van het in de bijlage bij deze regeling opgenomen controleprotocol. d. d. De minister behoudt zich het recht voor om de Auditdienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een hercontrole te laten uitvoeren op de door de accountant van de aanvrager verrichte werkzaamheden.

Paragraaf 6. Bevoorschotting, betaling en terugvordering

Artikel 18

1. De minister kan de subsidieontvanger op diens aanvraag ten hoogste 80% van het maximum verleende subsidiebedrag en ten hoogste een maal per zes maanden voorschotten verlenen.

2. De aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte.

3. De beschikking tot voorschotverlening vermeldt het bedrag van het voorschot.

Artikel 19

Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen met inbegrip van de wettelijke rente over de periode die aanvangt op het tijdstip van uitbetaling van het subsidiebedrag en die eindigt op het tijdstip van volledige terugbetaling, worden teruggevorderd.

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 20

1. Een subsidie als bedoeld in artikel 2, of een voorschot daarop, wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring van deze regeling of het Plattelandsontwikkelingsplan Nederland door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

2. De beslissing tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2, of een voorschot daarop, kan worden ingetrokken of gewijzigd indien dit noodzakelijk is ter verkrijging van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, voor deze regeling dan wel het Plattelandsontwikkelingsplan Nederland, of wegens het uitblijven daarvan.

3. Ingeval van wijziging of intrekking van de subsidieverlening of de beschikking tot het verstrekken van een voorschot, bedoeld in het tweede lid, worden de uitbetaalde bedragen met inbegrip van de wettelijke rente teruggevorderd .

Artikel 21

De Subsidieregeling demonstratieprojecten markt en concurrentiekracht wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft ten aanzien van subsidieaanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de onderhavige regeling.

Artikel 21a

Deze regeling berust mede op artikel 4 Kaderwet LNV-subsidies.

Artikel 22

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 23

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten duurzame landbouw.

Bijlage

Bij de controle, op basis waarvan de rapportage, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel c, van de regeling demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten duurzame landbouw plaatsvindt, dient aan de naleving van de volgende artikelen op de daarbij aangegeven wijze aandacht te worden besteed.

Aan de niet genoemde artikelen behoeft bij de controle geen aandacht te worden besteed, met dien verstande dat, teneinde de controle op de hierboven genoemde artikelen goed te kunnen verrichten, kennisneming van deze overige artikelen noodzakelijk is.

Accountantsverklaring

Wij hebben de bijgevoegde financiële verantwoording inzake het project over de periode van tot met betrekking tot de subsidieverlening in het kader van de regeling demonstratie- en kennisoverdrachtprojecten van <naam instelling/persoon> te <zetel/woonplaats> gecontroleerd. De financiële verantwoording is opgesteld onder verantwoordelijkheid van <de leiding van naam instelling/naam persoon>. Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring inzake de financiële verantwoording te verstrekken.

Voor het onderhavige project is met brief van Dienst Regelingen, kenmerk , d.d. een subsidie verleend tot een maximum van € .

Onze controle is verricht overeenkomstig algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controle-opdrachten en overeenkomstig de aanwijzingen die de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in het controleprotocol, behorende bij vorenbedoelde regeling, heeft gegeven met betrekking tot de controle op de naleving van de subsidiebepalingen. Volgens de richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de financiële verantwoording geen onjuistheden van materieel belang bevat. Een controle omvat onder meer een onderzoek door middel van deelwaarnemingen van informatie ter onderbouwing van de bedragen in de financiële verantwoording. Voorts is aanvullend specifieke aandacht besteed aan de in vorenbedoeld controleprotocol aangegeven aspecten. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

Wij zijn van oordeel dat de financiële verantwoording voldoet aan de voor dit doel eraan te stellen eisen. Tevens delen wij mede dat de in het controleprotocol genoemde subsidiebepalingen zijn nageleefd.

Plaats en datum:

Handtekening:

Naam accountant:

Naam accountantskantoor:

Adres:

Postcode en woonplaats:

Telefoon: