40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen 2000 - 2006 | BWBR0013413 | ministeriele-regeling | geldend | 2005-06-17 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0013413 | Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen 2000 - 2006 |
Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen 2000 - 2006
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
De minister verleent op aanvraag projectsubsidie aan aanvragers van projecten met betrekking tot de volgende onderwerpen:
a. a. bestrijding van het voortijdig schoolverlaten; b. b. versterking van de beroepsbegeleidende leerweg c. c. het praktijkonderwijs, arbeidsintegratie en het voortgezet speciaal onderwijs, arbeidstoeleiding.
Artikel 3
1. Subsidie op grond van deze regeling wordt slechts verleend voor zover de middelen die in het kader van het ESF-3 Beleidskader, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Subsidieregeling ESF-3 aan de minister ter beschikking zijn gesteld, daartoe strekken.
2.
Voor toekenning van aanvullende middelen op grond van deze regeling is:
a. a. voor het onderwerp genoemd in artikel 2, onderdeel a, 67,7 % van de middelen, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar, b. b. voor het onderwerp genoemd in artikel 2, onderdeel b, 16,4 % van de middelen, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar, en c. c. voor het onderwerp genoemd in artikel 2, onderdeel c, 15,9 % van de middelen, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar.
Artikel 4
1. Projecten bestrijding voortijdig schoolverlaten hebben ten doel dat deelnemers aan het project gedurende de hele looptijd van het project onderwijs gericht op een startkwalificatie volgen, blijkend uit de deelnemersadministratie, dan wel gedurende de looptijd van het project een startkwalificatie behalen.
2. Projecten versterking beroepsbegeleidend onderwijs hebben ten doel dat deelnemers aan het project een beroepspraktijkvormingplaats verwerven, blijkend uit een beroepspraktijkvormingsovereenkomst, en tenminste één deelkwalificatie behalen.
3. Projecten praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs hebben tot doel dat deelnemers aan het project uiterlijk binnen twee en een halve maand na afloop van het project een arbeidsplaats hebben verworven, blijkend uit een arbeidsovereenkomst of een aanstellingsbesluit met een omvang van tenminste 12 uur per week, dan wel een opleiding beroepsbegeleidend onderwijs volgen als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel b, van de WEB, waarvoor uiterlijk twee en een halve maand na afloop van dit project een beroepspraktijkvormingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8 van de WEB, is afgesloten.
Artikel 5
1. De subsidie bedraagt, behoudens het tweede en derde lid, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag, zoals bedoeld in de verordening (EG) nr. 448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1685/2000 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven voor door structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1145/2003 (PbEG L 72), alsmede de verordening (EG) nr. 1685/2000 van de Commissie van 28 juli 2000 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabilliteit van de uitgaven voor door de structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen (PbEG L 193).
2. Indien het aantal deelnemers dat blijkens de deelnemersadministratie bij de start van het project is geregistreerd, lager is dan het in de subsidieaanvraag geschatte aantal deelnemers aan het project, wordt de subsidie naar rato verlaagd.
3.
Indien ten aanzien van minder dan 60% van het bij de start van het project geregistreerde aantal deelnemers de beoogde prestaties van het project, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, zijn gerealiseerd, wordt het bedrag, berekend op grond van het eerste lid, verlaagd met onderstaand percentage indien en voor zover de subsidiabele kosten van het project niet met tenminste een zelfde percentage zijn gedaald ten opzichte van de begrote kosten:
a. a. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 50% of meer maar minder dan 60% van de deelnemers: met 10%; b. b. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 40% of meer maar minder dan 50% van de deelnemers: met 20%; c. c. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 30% of meer maar minder dan 40% van de deelnemers: met 30%; d. d. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 20% of meer maar minder dan 30% van de deelnemers: met 50%; e. e. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 10% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 70%; f. f. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van minder dan 10% van de deelnemers: met 100%.
4.
Indien ten aanzien van minder dan 60% van het bij de start van het project geregistreerde aantal deelnemers de beoogde prestaties van het project, als bedoeld in artikel 4, derde lid, zijn gerealiseerd, wordt het bedrag, berekend op grond van het eerste lid, verlaagd met onderstaand percentage indien en voor zover de subsidiabele kosten van het project niet met tenminste een zelfde percentage zijn gedaald ten opzichte van de begrote kosten:
a. a. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 40% of meer maar minder dan 50% van de deelnemers: met 10%; b. b. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 30% of meer maar minder dan 40% van de deelnemers: met 20%; c. c. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 20% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 30%; d. d. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 10% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 50%; e. e. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van minder dan 10% van de deelnemers: met 100%.
5. Indien door omstandigheden van macro-economische aard de beoogde prestaties van een project niet zijn gehaald, kan de minister, na overleg met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, besluiten om het derde of vierde lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten.
Artikel 6
1. Projecten starten met ingang van 1 augustus van een jaar.
2.
Een project bestrijding voortijdig schoolverlaten is gericht op deelnemers die:
a. a. de leeftijd van 23 jaren nog niet hebben bereikt, b. b. voor wie naar het oordeel van de instelling een verhoogd risico van voortijdig schoolverlaten bestaat indien voor hen geen extra activiteiten worden ondernomen, c. c. die aan een instelling zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder a of b van de WEB in de beroepsopleidende leerweg, d. d. die ongediplomeerd zijn dan wel slechts in het bezit zijn van een diploma voorbereidend beroepsonderwijs verkregen op grond van een eindexamen waarbij één of meer vakken volgens het A-programma, of vier of meer vakken volgens het B-programma zijn geëxamineerd dan wel ongediplomeerd zijn uitgestroomd uit één van de vier leerwegen van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs of in het bezit zijn van een getuigschrift dan wel een diploma van de basisberoepsgerichte leerweg respectievelijk leerwerktraject en niet in het bezit zijn van een overgangsbewijs van het derde naar het vierde leerjaar HAVO/VWO, en e. e. die door de instelling zijn geregistreerd als deelnemer aan het ESF-project en aangemeld bij ’het RMC-meldpunt’.
3.
Een project versterking beroepsbegeleidende leerweg is gericht op deelnemers die:
a. a. naar het oordeel van de aanvrager daadwerkelijk extra ondersteuningsactiviteiten nodig hebben om aan de beroepsbegeleidende leerweg te kunnen deelnemen, b. b. aan een instelling zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder a of b, van de WEB in de beroepsbegeleidende leerweg, c. c. niet in het bezit zijn van tenminste een startkwalificatie en d. d. door de instelling zijn geregistreerd als deelnemer aan het ESF-project.
4.
Een project praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is gericht op deelnemers van 15 jaar of ouder die:
a. a. naar het oordeel van de school in aanvulling op het reguliere onderwijs, ondersteuning ten tijde van de periode dat de deelnemers als leerling voor het praktijkonderwijs staan ingeschreven, en begeleiding na het verlaten van de school nodig hebben ten behoeve van arbeidsintegratie, dan wel b. b. naar het oordeel van de school in aanvulling op het reguliere onderwijs, ondersteuning ten tijde van de periode dat de deelnemers als leerling voor het voortgezet speciaal onderwijs staan ingeschreven, nodig hebben, en c. c. door de school zijn geregistreerd als deelnemer aan het ESF-project.
5. Een project versterking beroepsbegeleidende leerweg kan uitsluitend worden uitgevoerd door een instelling en een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven gezamenlijk.
6. Een project heeft een looptijd van ten hoogste 2 jaar.
7. De projectorganisatie dient dusdanig te zijn ingericht dat aannemelijk is dat met de uit te voeren activiteiten het beoogde doel van het project haalbaar is.
8. De kosten van het project staan in een redelijke verhouding tot de daarvan te verwachten resultaten.
9. De projectresultaten dienen ter overdracht om niet aan andere scholen, instellingen en landelijke organen ter beschikking te worden gesteld.
10. Geen subsidie wordt verleend ten behoeve van deelnemers die woonachtig zijn in de provincie Flevoland.
11. Geen subsidie wordt verleend voor projecten die mede-gefinancierd worden uit andere structuurfondsen of communautaire initiatieven.
12. In bijlage 1 behorende bij deze regeling zijn de typen activiteiten benoemd waaraan de subsidie kan worden besteed.
Artikel 7
1. Een aanvrager die een project wil uitvoeren, dient uiterlijk op 1 mei van het jaar waarin het project zal starten een subsidieaanvraag in met gebruikmaking van de door de minister beschikbaar gestelde elektronische formats en formulieren. Aanvragen die na 1 mei van het jaar waarin een project zal starten bij de minister worden ingediend, worden afgewezen.
2.
De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een projectbeschrijving. In de projectbeschrijving zijn tenminste opgenomen:
a. a. de beoogde prestatie van het project; b. b. de begrote kosten; c. c. een schatting van het aantal deelnemers bij de start van het project; d. d. een inhoudelijke beschrijving van het project, alsmede een beschrijving van de extra activiteiten die in het kader van het project in aanvulling op de reguliere opleiding hebben plaatsgevonden, waarbij een relatie wordt gelegd tussen de te ondernemen activiteiten en de begrote kosten; e. e. een beschrijving van de projectorganisatie; f. f. indien van toepassing de partners uit de verschillende sectoren met wie het project is opgezet.
3. De aanvraag van de aanvrager van een project beroepsbegeleidend onderwijs gaat vergezeld van een door aanvrager en de andere partij, dan wel indien meer dan een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven bij de aanvraag betrokken is, andere partijen, ondertekende samenwerkingsovereenkomst, waarin tenminste de taken van partijen met betrekking tot het project en afspraken met betrekking tot de verdeling van het subsidiebedrag zijn opgenomen.
4. De aanvraag wordt in behandeling genomen nadat de aanvrager alle krachtens deze regeling gevraagde gegevens ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 8
1. Een subsidieaanvraag voor een project bestrijding van het voortijdig schoolverlaten of versterking beroepsbegeleidende leerweg wordt toegewezen indien de subsidieaanvraag en het project voldoen aan de bij deze regeling gestelde eisen, met dien verstande dat indien met het aantal subsidieaanvragen voor projecten gericht op een onderwerp voor een bepaalde startdatum, gezamenlijk een subsidiebedrag gemoeid is dat het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, te boven gaat, het subsidiebedrag per project naar evenredigheid wordt verlaagd.
2. Een subsidieaanvraag voor een project praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt toegewezen indien de subsidieaanvraag en het project voldoen aan de bij deze regeling gestelde eisen, met dien verstande dat indien met het aantal subsidieaanvragen voor projecten praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs gezamenlijk een subsidiebedrag gemoeid is dat het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid onderdeel c, te boven gaat, op basis van een evenwichtige landelijke spreiding van projecten een prioriteit wordt aangebracht. Een subsidieaanvraag wordt toegewezen aan projecten met een hogere prioriteit zolang de middelen toereikend zijn.
Artikel 9
In de beschikking tot subsidieverlening wordt het maximumbedrag aan subsidie bepaald dat tegemoet kan worden gezien. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de voorbereidings-, uitvoerings- en beheerskosten van het project, zoals door de aanvrager geraamd in zijn subsidieaanvraag, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de uitvoering van het project.
Artikel 10
1. Aan de aanvrager worden voorschotten op de subsidie verleend.
2.
Voorschotbetalingen worden als volgt gedaan:
a. a. een eerste voorschot, ten bedrage van 30% van het maximaal toegekende subsidiebedrag, wordt direct uitbetaald nadat van de aanvrager van het project bericht is ontvangen dat de uitvoering van het project waarvoor de subsidie werd toegekend is aangevangen; b. b. verdere voorschotten, waarbij het eerste voorschot wordt aangevuld tot ten hoogste 80% van het maximaal toegekende subsidiebedrag, kunnen op verzoek worden verstrekt.
3. Alvorens een voorschot als bedoeld in het tweede lid onder b, te verlenen kan de minister van de aanvrager verlangen dat de voortgangsrapportage wordt voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Een dergelijk voorschot wordt niet verleend indien de realisatie van het project achterblijft bij de ramingen, als vervat in de bij de subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving, of wanneer er twijfel is aan een correcte uitvoering van het project.
Artikel 11
1. De aanvrager dient een inzichtelijke en controleerbare deelnemersadministratie en een financiële administratie met betrekking tot het project en een administratie van de ontvangen en te ontvangen subsidie per deelnemer bij te houden of te doen bijhouden.
2. De deelnemersadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde deelnemersprestaties, bedoeld in artikel 4.
3. De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten en in de integrale financiering van het project, uitgesplitst naar subsidie op grond van deze regeling en cofinanciering. De cofinanciering betreft uitsluitend de reguliere bekostiging van de school onderscheidenlijk instelling op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs onderscheidenlijk de WEB.
4. De administratie dient aldus te zijn opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate tussentijdse rapportages en dient voldoende mogelijkheden te bieden voor een goede accountantscontrole op de juiste naleving van de subsidievoorwaarden.
5. Bij de vastlegging van de gegevens worden in ieder geval de eisen in acht genomen die in bijlage 2 bij dit besluit ter zake worden gesteld alsmede de eisen zoals opgenomen in het door de minister vastgestelde Handboek ESF-3 voor uitvoerders.
6. Bij de vastlegging van de gegevens wordt gebruik gemaakt van het door de minister ter beschikking gestelde computerprogramma.
7. De aanvrager draagt er zorg voor dat alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project bewaard blijven tot 1 april 2016. Indien de Europese Commissie, vanwege een gerechtelijke vervolging of een met redenen omkleed verzoek de bewaartermijn schorste, maakt de minister de gevolgen voor de bewaartermijn bekend in de Staatscourant.
8. De aanvrager zal aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen desgevraagd inzage in of informatie uit deze administratie geven of doen geven. Tevens zal hij de voornoemde personen desgevraagd informatie verschaffen over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project.
Artikel 12
1. Een aanvrager dient ieder jaar een rapportage in over de voortgang van het project. In deze rapportage dient te worden aangegeven welke resultaten zijn gerealiseerd en wat de prognose is voor de resterende periode van het project.
2. De rapportage dient uiterlijk twee maanden na afloop van het desbetreffende jaar te worden ingediend, onder gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld formulier.
3. Indien er tussentijds bijzondere omstandigheden optreden die de voortgang van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de aanvrager hiervan onverwijld mededeling aan de minister.
Artikel 13
1.
Een aanvrager dient uiterlijk 30 september van het jaar waarin het project eindigt een verzoek tot subsidievaststelling in door overlegging van een eindrapportage die een beschrijving geeft van de realisatie van het project
in relatie tot de projectbeschrijving, bedoeld in artikel 7, tweede lid. In de eindrapportage wordt tevens aangegeven welke extra activiteiten er in aanvulling op de reguliere opleiding hebben plaatsgevonden, waarbij tevens een relatie wordt gelegd tussen de gerealiseerde activiteiten en de gedeclareerde kosten.
2. De eindrapportage, waarvan het verzoek tot subsidievaststelling deel uit maakt, wordt ingediend met gebruikmaking van het door de minister ter beschikking gestelde formulier en is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig het als bijlage 3 bij deze regeling gevoegde model.
3. De accountantsverklaring bevat tevens een oordeel over de naleving van de subsidievoorwaarden door de subsidieontvanger.
4. De minister kan nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van de accountantsverklaring.
5. De subsidieontvanger bedingt bij de accountant, dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig het controleprotocol, neergelegd in bijlage 4 bij deze regeling.
6. Subsidievaststelling vindt plaats binnen drie maanden na ontvangst van de clusterbeschikking en clusterbetaling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
7. Indien de aanvrager het verzoek tot subsidievaststelling niet heeft ingediend op uiterlijk de datum, bedoeld in het eerste lid, stelt de minister de aanvrager in de gelegenheid dit verzoek alsnog in te dienen. Indien de minister het verzoek, bedoeld in de vorige volzin, niet binnen de door de minister gestelde termijn heeft ontvangen stelt de minister de subsidie vast op nihil.
Artikel 14
1. Een aanvrager informeert de deelnemers aan projecten dat zij deelnemen aan een door het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerd project en verleent medewerking aan door de minister of door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid georganiseerde publicitaire en voorlichtingsactiviteiten gericht op de media, potentiële deelnemers en het grote publiek. In publicaties betreffende het project worden het bedrag van de subsidie alsmede het Europees embleem opgenomen.
2. Een aanvrager verleent op verzoek van de minister medewerking aan de totstandkoming van een gegevensverzameling ten behoeve van de door derden te verrichten evaluaties en draagt er zorg voor dat ook onderaanvragers en deelnemers aan projecten verplicht worden daaraan medewerking te verlenen.
Artikel 15
1. Een aanvrager is verplicht alle medewerking te verlenen aan toezicht op de naleving door of namens de minister, de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid en de Europese Commissie.
2. Een aanvrager is verplicht ervoor zorg te dragen dat een zelfde medewerking aan toezicht op de naleving wordt verleend door derden die bij het project betrokken zijn.
3. Bij het uitvoeren van toezicht is het bepaalde in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
Vervallen
Artikel 17
1. In afwijking van artikel 6, eerste lid, kan subsidie worden verleend voor projecten praktijkonderwijs die gestart zijn op 1 januari 2000, 1 januari 2001 of 1 januari 2002.
2. In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt een subsidieaanvraag voor een project dat gestart is op 1 augustus 2001 of 1 januari 2002, ingediend vóór 30 maart 2002.
3. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 3 en 7 van de Subsidieregeling OCW-ESF 2000 wordt de subsidie, verleend op grond van die regeling, vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van deze regeling, indien ten aanzien van het project blijkens een accountantsverklaring is voldaan aan de eisen gesteld bij deze regeling. De subsidieaanvrager kan binnen 4 weken na publicatie van deze regeling verzoeken om toepassing van artikel 5 achterwege te laten.
4. In afwijking van het bepaalde in artikel 13, eerste lid, wordt het verzoek om subsidievaststelling voor projecten praktijkonderwijs waarvan de einddatum is gelegen vóór de datum van publicatie van deze regeling, gedaan binnen vier weken na publicatie van deze regeling.
Artikel 18
Vervallen
Artikel 19
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekend gemaakt en werkt, met inachtneming van het tweede lid, terug tot en met 1 augustus 2001.
2. Voor projecten praktijkonderwijs werkt deze regeling terug tot en met 1 januari 2000.
3. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2018.
Artikel 20
Deze regeling wordt aangehaald als Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen 2000 - 2006.
Artikel 21
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
Bijlage 1. Typen activiteiten (thema’s), bedoeld in
Bijlage 2. Eisen met betrekking tot vast te leggen gegevens per project onder vermelding van het door de door de minister toegekend projectnummer
Deze opsomming is niet limitatief. Voor nadere details omtrent de vast te leggen gegevens per project wordt verwezen naar het ESF handboek voor uitvoerders.
Bijlage 3. Modellen voor de accountantsverklaring
Er zijn drie modellen voor een accountantsverklaring. Bij een goedkeurende accountantsverklaring wordt model A gehanteerd. Indien bij de controle van de eindrapportage onjuistheden zijn geconstateerd die niet op afdoende wijze zijn gecorrigeerd kan de accountant geen goedkeurende verklaring verstrekken. In dergelijke gevallen dient de accountant een afkeurend oordeel te geven, volgens model B. Indien bij de controle van de eindrapportage onzekerheden van materieel belang zijn blijven bestaan die niet noodzakelijkerwijs hadden moeten leiden tot een correctie van de declaratie (bijvoorbeeld bij onduidelijkheid over de juiste interpretatie van subsidievoorwaarden) en die daardoor niet hoefden te leiden tot het geven van een afkeurende verklaring kan de accountant evenmin een goedkeurende verklaring verstrekken. In dergelijke gevallen dient de accountant een verklaring met beperking te geven, volgens model C.