40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling excellentieprogramma basisonderwijs | BWBR0024757 | ministeriele-regeling | geldend | 2008-12-04 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0024757 | Subsidieregeling excellentieprogramma basisonderwijs |
Subsidieregeling excellentieprogramma basisonderwijs
Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
*School:* basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
*Samenwerkingsverband:* meerdere scholen die gezamenlijk een project uitvoeren;
*minister:* de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
*adviescommissie:* de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 10.
Artikel 2
1. De minister kan een projectsubsidie verstrekken aan bevoegd gezagen van scholen voor projecten in verband met het bevorderen van excellentie in het basisonderwijs.
2.
De subsidie wordt verleend voor projecten die tot doel hebben:
a. a. Excellentie in het basisonderwijs te stimuleren op de bij het project betrokken scholen én; b. b. Praktijkkennis op te leveren en te verspreiden om zo excellentie te stimuleren bij alle scholen, ook scholen die niet direct in het project participeren.
Artikel 3
Subsidie op grond van deze regeling wordt verleend aan het bevoegd gezag ten behoeve van een project dat wordt uitgevoerd door één school of door meerdere scholen die samenwerken in een samenwerkingsverband.
Artikel 4
Voor subsidieverlening op grond van deze regeling is een bedrag van ten hoogste € 5.100.000,– beschikbaar.
Artikel 5
1. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de gebudgetteerde kosten van het project.
2. Voor het overige deel dient cofinanciering plaats te vinden.
3. De subsidie bedraagt per subsidieaanvrager minimaal € 80.000,– en maximaal € 200.000,–.
Paragraaf 2. Subsidieaanvraag
Artikel 6
1. Een subsidieaanvraag wordt gedaan door het bevoegd gezag van een school. Per bevoegd gezag kan slechts één subsidieaanvraag worden ingediend.
2. Wanneer een project wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband wordt de subsidieaanvraag gedaan door één bevoegd gezag, als vertegenwoordiger van het samenwerkingsverband.
3. Een subsidieaanvraag wordt gedaan door indiening van een projectvoorstel en bevat maximaal 3000 woorden.
4. Het project dient plaats te vinden in de schooljaren 2009–2010, 2010–2011 en 2011–2012.
Artikel 7
1. Een projectvoorstel wordt ingediend door het bevoegd gezag, eventueel namens een samenwerkingsverband, tevens subsidieaanvrager, waarbij gebruik wordt gemaakt van CFI formulier 58012 ‘Aanvraag subsidie ten behoeve van het bevorderen van excellentie in het basisonderwijs’. Het projectvoorstel bevat niet meer dan 3000 woorden.
2. Een projectvoorstel wordt ingediend bij CFI, Postbus 606, 2700 ML in Zoetermeer.
3. Per subsidieaanvrager kan slechts één projectvoorstel worden ingediend.
4. Een school kan slechts bij één subsidieaanvraag betrokken zijn.
Artikel 8
1.
Een projectvoorstel bevat in ieder geval de volgende informatie:
a. a. de partijen die deelnemen aan het samenwerkingsverband; b. b. een begroting van het gehele projectvoorstel, inclusief cofinanciering, en meerjarenraming; c. c. indien wordt samengewerkt in een samenwerkingsverband, een samenwerkingsovereenkomst met als doel van samenwerking de uitvoering van het projectvoorstel; d. d. een activiteitenplan, dat de hoofdlijnen van de activiteiten en de daarmee beoogde resultaten bevat, zowel op het niveau van het bevoegd gezag als op het niveau van de individuele scholen binnen het samenwerkingsverband; e. e. een document waar in staat hoe cofinanciering zal plaatsvinden.
2. Projectvoorstellen die onvolledig zijn, of niet de in lid één genoemde bijlagen bevatten, worden niet in behandeling genomen.
Artikel 9
Het projectvoorstel, bedoeld in artikel 6, wordt ingediend voor 28 februari 2009. Aanvragen ingediend op of na 28 februari 2009 worden afgewezen.
Paragraaf 3. Adviescommissie
Artikel 10
1. Er is een onafhankelijke adviescommissie die tot taak heeft de minister te adviseren omtrent de beoordeling van projectvoorstellen, op basis van door de minister vastgestelde beoordelingscriteria, zoals omschreven in artikel 16.
2.
Tot leden van de adviescommissie worden benoemd:
– – dhr. Prof.dr. Robbert Dijkgraaf, wonend te Amsterdam, tevens voorzitter; – – mevr. drs. Yvonne Leenders, wonend te Nijmegen; – – dhr. Rob Limper, wonend te Uithoorn; – – dhr. Ton Duif, wonend te ’s-Hertogenbosch; – – dhr. Prof.dr. Jan de Lange, wonend te Katwijk aan Zee
3. De voorzitter en de leden worden benoemd voor de periode van 1 oktober 2008 tot 1 juli 2009.
4. De periode, bedoeld in het derde lid, kan met ten hoogste een jaar worden verlengd.
5.
De benoeming van de voorzitter of een lid kan worden ingetrokken indien
a. a. daarom door de desbetreffende persoon om verzocht is; b. b. het functioneren van de voorzitter of het lid daartoe aanleiding geeft; c. c. gebleken is dat de onafhankelijkheid van de voorzitter of het lid niet gewaarborgd is.
6. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.
Artikel 11
Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de subsidieverlening.
Artikel 12
1. De minister kan een deskundige aanwijzen die het recht heeft de vergaderingen van de adviescommissie bij te wonen.
2. De adviescommissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.
Artikel 13
1. De adviescommissie stelt haar eigen werkwijze vast.
2. In het secretariaat van de adviescommissie wordt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorzien.
Artikel 14
De voorzitter en andere leden van de adviescommissie, ontvangen per vergadering een beloning op basis van het Vacatiegeldenbesluit 1988 en de daarop gebaseerde voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geldende bepalingen, waarbij de adviescommissie als zware commissie in de zin van het Vacatiegeldenbesluit 1988 wordt aangemerkt. De vergoeding bedraagt het maximum dat geldt voor een zware commissie.
Paragraaf 4. Subsidieverlening
Artikel 15
De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op subsidieaanvragen met betrekking tot projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie, zoals door de adviescommissie, bedoeld in artikel 10, voorgesteld in de vorm van een ranking.
Artikel 16
1. De adviescommissie adviseert de minister over de ingediende projectvoorstellen.
2.
De adviescommissie baseert zich bij haar advisering op de volgende criteria:
a. a. robuustheid, b. b. integraliteit, c. c. innovatie en overdraagbaarheid, d. d. prestatie en verantwoording, e. e. haalbaarheid, efficiëntie en duurzaamheid, f. f. de leerfunctie van de gesubsidieerde projecten in onderlinge samenhang.
3. De criteria, bedoeld in het tweede lid, zijn nader uitgewerkt in een beoordelingskader, dat als bijlage bij deze regeling is gevoegd.
4. Bij het advies dat de adviescommissie uitbrengt aan de minister wordt rekening gehouden met regionale spreiding van projecten.
5. De commissie is bevoegd om in individuele gevallen de Inspectie van het Onderwijs te raadplegen.
6. Indien het totale bedrag van aanvragen het subsidieplafond overstijgt, selecteert de adviescommissie in haar advies zoveel projecten dat het subsidieplafond niet wordt overschreden.
Artikel 17
1. De minister neemt een beslissing over de subsidieverlening op basis van het advies van de adviescommissie.
2. De minister beschikt uiterlijk op 1 juli 2009 op de aanvragen, bedoeld in artikel 6, eerste lid.
3. Indien de minister niet tijdig een beslissing neemt, deelt hij de aanvrager mee binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 18
Subsidie wordt verleend voor activiteiten in de drie schooljaren 2009–2010, 2010–2011 en 2011–2012.
Artikel 19
De minister betaalt de subsidieontvangers jaarlijks een bedrag vooruit dat één derde van het totale subsidie bedraagt. De betalingen vinden plaats in: augustus 2009, augustus 2010 en augustus 2011.
Artikel 20
In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van artikel 3 verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.
Paragraaf 5. Verplichting subsidieontvanger
Artikel 21
1. Het project start zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na verlening van de subsidie en heeft een looptijd van drie schooljaren.
2.
De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde:
a. a. activiteiten die gericht zijn op het monitoren van de regeling, het vaststellen van de effecten van innovatieve projecten en het verspreiden van de opgedane kennis in het kader van deze regeling. Hieronder vallen eventuele bezoeken voor informatieverzameling en informatiedeling over de projecten door het Projectbureau Kwaliteit (PK!) van de PO Raad en de Stichting Leerplan Ontwikkeling. b. b. onderzoekingen die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.
Paragraaf 6. Verantwoording en subsidievaststelling
Artikel 22
1. De subsidie wordt verstrekt als tegemoetkoming in uitgaven die zijn verbonden aan het in deze regeling omschreven doel.
2. De subsidie wordt verantwoord in de jaarrekening die betrekking heeft op het jaar waarin de subsidie wordt besteed.
3. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie.
4. Eventuele rentebaten als gevolg van de vooruitbetaling dienen aan het project ten goede te komen.
5. In geval van wanprestatie wordt het subsidiebedrag teruggevorderd.
Artikel 23
1. Na afloop van het project, per 31 augustus 2012, stelt de subsidieontvanger een inhoudelijk verslag van de activiteiten en resultaten van het project op. Dit verslag bevat in ieder geval een vergelijking tussen de nagestreefde en gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen. De inrichting van de projectverantwoording komt overeen met de inrichting van het activiteitenplan en bevat maximaal 3000 woorden.
2. Dit inhoudelijk verslag wordt uiterlijk drie maanden na afloop van het project per post en digitaal toegestuurd aan de Dienst Uitvoering Onderwijs.
Paragraaf 7. Slotbepalingen
Artikel 24
1. Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2009, met uitzondering van paragraaf 3.
2. Paragraaf 3 van deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na publicatie in de Staatscourant en werkt daarbij terug tot en met 1 oktober 2008.
3. Deze regeling vervalt op 1 januari 2014.
Artikel 25
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling excellentieprogramma basisonderwijs.
Bijlage . Beoordelingskader regeling excellentie basisonderwijs: nadere uitwerking
Hieronder worden de criteria weergegeven waarop individuele subsidieaanvragen in de vorm van projectvoorstellen (zie paragraaf 2 van de regeling) zullen worden beoordeeld en geprioriteerd. Bij elk criterium wordt aangegeven wat er minimaal in de aanvraag moet worden opgenomen (vereisten) en waarop de prioritering van de aanvragen zal plaatsvinden door de adviescommissie (zie paragraaf 3 van de regeling).
In het kader van het lerend vermogen van de regeling (zie artikel 16, lid 2f) zijn innovativiteit en diversiteit belangrijk. In de beoordeling zal daarom rekening gehouden worden met een goede spreiding van de verschillende soorten initiatieven, die van elkaar kunnen verschillen qua: