rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-maatschappelijk-werk-voor-zwakzinnigen/BWBR0002263
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling maatschappelijk werk voor zwakzinnigen BWBR0002263 ministeriele-regeling geldend 1958-01-19 https://wetten.overheid.nl/BWBR0002263 Subsidieregeling maatschappelijk werk voor zwakzinnigen

Subsidieregeling maatschappelijk werk voor zwakzinnigen

Paragraaf I. Inleidende bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij deze regeling bepaalde wordt verstaan onder:

Artikel 2

Aan de uitvoerende en landelijke instellingen, die voldoen aan de bepalingen, die te haren opzichte bij deze regeling worden gegeven, kan subsidie worden verleend, voor zover de minister daarvoor ook overigens termen aanwezig acht en bij de wet de nodige gelden zijn toegestaan.

Paragraaf II. Bepalingen betreffende de taak en de toerusting van de uitvoerende instelling

Artikel 3

De uitvoerende instelling dient haar taak uit te oefenen in nauwe samenwerking met de organisaties, welke sociaal-psychiatrisch werk ten behoeve van zwakzinnigen verrichten, met de organisaties van het algemeen maatschappelijk werk, alsmede met die organisaties, welke op grond van hun maatschappelijke functie primair aangewezen zijn de in een bepaalde situatie noodzakelijke bijstand te verschaffen.

Artikel 4

1. De uitvoerende instelling dient een werkgebied te hebben, dat dusdanig is bepaald, dat daarin voor haar een taak ligt van voldoende omvang en uitvoerbaarheid. Zij dient verder ervoor zorg te dragen, dat het aantal van haar functionarissen en haar toerusting, alsmede de samenwerkingsvormen, welke zij tot stand brengt met de organisaties, in artikel 3 bedoeld, zodanig zijn, dat een doeltreffende uitvoering van haar taak is verzekerd.

2. Ter zake van de aangelegenheden, waarop het bepaalde in het eerste lid betrekking heeft, wordt het advies gevraagd van Gedeputeerde Staten van de provincie(s), waarin het werkgebied der instelling is gelegen.

Artikel 5

Vervallen

Paragraaf III. De subsidiëring van de uitvoerende instelling

Artikel 6

1.

Behoudens het bepaalde in de navolgende artikelen bedraagt het subsidie aan een uitvoerende instelling 40 pct. van de voor subsidie in aanmerking komende uitgaven voor:

a. a. salarissen en diverse op de salarissen rustende kosten; b. b. apparaatskosten, waaronder begrepen de reis- en verblijfkosten, alsmede die kosten van administratieve hulp.

2. Het subsidie in de onder a van het eerste lid bedoelde kosten wordt per functionaris berekend over het met het basisbedrag, bedoeld in artikel 20A, corresponderende bedrag van kolom 2 van de jaarlijks door de minister toe te zenden subsidietabellen.

3. Voor zover ten behoeve van een functionaris tevens een pensioenverzekering is afgesloten, welke voldoet aan artikel 2 van de Pensioen- en Spaarfondsenwet, en de pensioenpremie, verminderd met het eventuele werknemersaandeel daarin, ten minste 10 pct, van het salaris bedraagt, wordt het subsidie berekend over het met het basisbedrag, bedoeld in artikel 20A, corresponderende bedrag van kolom 3 van de jaarlijks door de minister toe te zenden subsidietabellen.

4.

Het subsidie in de daarvoor in aanmerking komende apparaatskosten wordt verleend in de vorm van een afkoopsom.

Deze afkoopsom wordt per functionaris gesteld op 55 pct, van het maximum salaris dat per 1 januari van het subsidiejaar kan worden genoten door een functionaris van categorie B.

Artikel 7

1.

Ten aanzien van de subsidiëring worden de functionarissen onderscheiden naar de volgende categoriën:

a. a. categorie A, de functionaris die voldoet aan de voorwaarde: het bezit van het diploma van een sociale academie. b. b. categorie B, de functionaris die voldoet aan de voorwaarden:

        1º.
        het bezit van het diploma van een sociale academie,
      
      
        2º.
        het bezit van het getuigschrift specialistische deskundigheid.

1º. 1º. het bezit van het diploma van een sociale academie, 2º. 2º. het bezit van het getuigschrift specialistische deskundigheid. c. c. categorie C de functionaris die voldoet aan de voorwaarden:

        1º.
        het bezit van het diploma van een sociale academie,
      
      
        2º.
        het bezit van het getuigschrift specialistische deskundigheid,
      
      
        3º.
        beschikkend over ten minste 5 jaar ervaring in het maatschappelijk werk in het algemeen dan wel ten minste 3 jaar in het gespecialiseerd maatschappelijk werk voor geestelijk gehandicapten,
      
      
        4º.
        belast met de leiding van ten minste twee andere functionarissen.

1º. 1º. het bezit van het diploma van een sociale academie, 2º. 2º. het bezit van het getuigschrift specialistische deskundigheid, 3º. 3º. beschikkend over ten minste 5 jaar ervaring in het maatschappelijk werk in het algemeen dan wel ten minste 3 jaar in het gespecialiseerd maatschappelijk werk voor geestelijk gehandicapten, 4º. 4º. belast met de leiding van ten minste twee andere functionarissen. d. d. categorie D, de functionaris die voldoet aan de voorwaarden:

        1º.
        het bezit van het diploma van een sociale academie,
      
      
        2º.
        het bezit van het getuigschrift specialistische deskundigheid,
      
      
        3º.
        beschikkend over ten minste 5 jaar ervaring in het gespecialiseerd maatschappelijk werk voor geestelijk gehandicapten,
      
      
        4º.
        belast met de leiding van ten minste drie andere functionarissen en leidinggevend aan een geheel van werkzaamheden, omvattend het merendeel van het volgende:
        
          
            de eigenlijke sociaal-pedagogische arbeid,
          
          
            de instandhouding van een dagverblijf voor ernstig geestelijk gehandicapten,
          
          
            avondverzorging, vakantiewerk en vrijetijdsbesteding,
          
          
            huisvesting pensiontehuizen voor alleenstaande geestelijk gehandicapten,
          
          
            specifieke oudervoorlichting.

1º. 1º. het bezit van het diploma van een sociale academie, 2º. 2º. het bezit van het getuigschrift specialistische deskundigheid, 3º. 3º. beschikkend over ten minste 5 jaar ervaring in het gespecialiseerd maatschappelijk werk voor geestelijk gehandicapten, 4º. 4º. belast met de leiding van ten minste drie andere functionarissen en leidinggevend aan een geheel van werkzaamheden, omvattend het merendeel van het volgende:

            de eigenlijke sociaal-pedagogische arbeid,
          
          
            de instandhouding van een dagverblijf voor ernstig geestelijk gehandicapten,
          
          
            avondverzorging, vakantiewerk en vrijetijdsbesteding,
          
          
            huisvesting pensiontehuizen voor alleenstaande geestelijk gehandicapten,
          
          
            specifieke oudervoorlichting.
  • de eigenlijke sociaal-pedagogische arbeid,
  • de instandhouding van een dagverblijf voor ernstig geestelijk gehandicapten,
  • avondverzorging, vakantiewerk en vrijetijdsbesteding,
  • huisvesting pensiontehuizen voor alleenstaande geestelijk gehandicapten,
  • specifieke oudervoorlichting.

2. In afwijking van hetgeen in het eerste lid, onder d, in de voorwaarden 1, 2n en 3 wordt bepaald, kan nà goedkeuring van de minister een functionaris ook voor subsidie in aanmerking worden genomen volgens categorie D, wanneer hij in het bezit is van een diploma van een hogere en/of anders gerichte opleiding, eventueel gepaard gaande aan een bepaalde werkervaring.

3. Het werkgebied van de instelling, aan welker werkzaamheden de functionaris genoemd in het eerste lid onder d en in het tweede lid leiding geeft, dient te omvatten één of meer gemeenten met tezamen meer dan 300 000 inwoners.

4.

Het salaris van de functionarissen genoemd in het eerste en tweede lid komt voor subsidie in aanmerking tot het bedrag, dat gelet op opleiding, ervaring en leeftijd van betrokkene, redelijk is te achten en tot maximaal het bedrag corresponderend met het laatste volgnummer vermeld achter de desbetreffende categorie in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

De bedragen welke corresponderen met de in bijlage I vermelde volgnummers zijn opgenomen in de vigerende salaris-overzichten.

Artikel 7a

1.

De uitvoering van het maatschappelijk werk voor zwakzinnigen dient te geschieden door functionarissen, die ten minste:

a. a. in het bezit zijn van het diploma voor maatschappelijk werk; b. b. het getuigschrift specialistische deskundigheid bezitten.

2. Van het bepaalde in het vorige lid onder b, kan worden afgeweken, met dien verstande, dat een functionaris gedurende uiterlijk vier jaar na indiensttreding bij een uitvoerende instelling aan de daar genoemde eis nog niet hoeft te voldoen, mits hij zo spoedig mogelijk na indiensttreding aan de opleiding voor het getuigschrift specialistische deskundigheid is gaan deelnemen.

3. Wanneer een functionaris als bedoeld in het eerste lid het getuigschrift bedoeld in het vorige lid niet behaalt, zal subsidiëring in de kosten van zijn werkzaamheid worden beëindigd na afloop van de eerste volle maand volgend op de datum waarop hij na examen voor dat getuigschrift is afgewezen.

Artikel 8

Onder diverse op de salarissen rustende kosten worden verstaan de wettelijk verplichte sociale lasten, met uitzondering van de premie ziektewet, en de pensioenkosten voor zover deze voldoen aan het in artikel 6, derde lid, gestelde.

Artikel 9

1. Indien een functie vacant wordt na een dienstverband van een aaneengesloten periode van ten minste één jaar, anders dan ter beëindiging van een tijdelijke tewerkstelling of detachering, wordt nog gedurende het bestaan van de vacature, doch over een periode van ten hoogste zes aaneengesloten maanden, in de desbetreffende apparaatskosten subsidie verleend.

2. Het in het voorgaande lid bedoelde subsidie bedraagt per maand de helft van het twaalfde deel van het in aanmerking komende bedrag, vermeld in artikel 6, vierde lid.

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Paragraaf IV. De subsidiëring van de landelijke instelling

Artikel 12

De landelijke instellingen dragen naar vermogen zorg voor een onderlinge samenwerking, alsmede voor een samenwerking met de landelijke verbanden van de instellingen van het algemeen maatschappelijk werk en van de instellingen van het sociaal-psychiatrisch werk.

Artikel 13

1.

Behoudens het bepaalde in de volgende artikelen van deze paragraaf, bedraagt het subsidie aan een landelijke instelling 80% van de som van de navolgende kosten:

a. a. de brutosalarissen en diverse op de brutosalarissen rustende kosten van de directeur en van een aan het bureau van de instelling verbonden administratieve kracht; b. b. de apparaatskosten; c. c. de reis- en verblijfkosten van de bestuursleden voor zover deze gemaakt zijn voor het bezoeken van bestuursvergaderingen en van de directeur.

2.

Het subsidie in de onder a en b van het eerste lid bedoelde kosten wordt per functionaris vastgesteld op het met het basisbedrag corresponderende bedrag van:

a. a. kolom 2, a, onderscheidenlijk 4, a, van de bij deze regeling behorende bijlage 2, indien de kosten uitsluitend bestaan uit salariskosten en sociale lasten; b. b. kolom 2, b, onderscheidenlijk 4, b, van de vorengenoemde bijlage, indien de kosten tevens bestaan uit kosten, voortvloeiende uit een pensioenverzekering, bedoeld in artikel 6, derde lid.

Artikel 14

De salarissen van de directeur en van de administratieve kracht komen voor subsidie in aanmerking tot de maxima, vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Artikel 15

Met betrekking tot de diverse op de brutosalarissen rustende kosten vindt het bepaalde in artikel 8 overeenkomstige toepassing.

Artikel 16

De apparaatskosten worden voor de berekening van het subsidie gesteld op 30% van de in artikel 13, eerste lid, onder a, genoemde kosten.

Artikel 17

Met de in artikel 13, eerste lid, onder c, genoemde kosten wordt slechts rekening gehouden, indien bij de declaratie ervan de bepalingen, gegeven bij of krachtens het Reisbesluit 1956, zijn in acht genomen en voor zover het totaal van genoemde kosten een bedrag van f 4000 niet overschrijdt.

Paragraaf V. Nadere bepalingen in verband met de subsidiëring

Artikel 18

1.

Onverminderd de elders in deze regeling gestelde voorwaarden met betrekking tot de subsidiëring, dienen de uitvoerende en de landelijke instellingen, om voor subsidie in aanmerking te worden gebracht, nog te voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. a. De geldende statuten, de stichtingsbrief of het reglement dienen op het departement van de minister te zijn gedeponeerd. b. b. Een nauwkeurige en overzichtelijke financiële administratie dient te worden gevoerd. c. c. Aan door de minister aan te wijzen ambtenaren worden alle bescheiden getoond en alle inlichtingen verstrekt die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. De instelling onderwerpt zich aan controle vanwege de minister. d. d. Aan de minister dient in vijfvoud en uiterlijk in de maand juni door tussenkomst van het hoofd van het bureau van het Ministerie in de provincie te worden aangeboden een verslag, waarin onder meer een overzicht wordt gegeven van de werkzaamheden van de instelling gedurende het voorafgaande kalenderjaar.

2. Voor de uitvoerende instellingen geldt nog, dat zij dienen te streven naar een dusdanig verband met een der landelijke instellingen, dat zij advies en voorlichting van die landelijke instelling kunnen verkrijgen.

Paragraaf VI. Bepalingen betreffende het aanvragen, de vaststelling en de uitbetaling van subsidies

Artikel 19

De subsidie-aanvragen dienen vóór 1 januari van het jaar, waarover subsidie wordt gevraagd, in drievoud bij de minister te zijn ingediend.

De uitvoerende instelling dient voor de subsidie-aanvrage gebruik te maken van formulieren overeenkomstig de modellen, behorende bij deze regeling.

Artikel 20

Bij de subsidie-aanvrage wordt overgelegd:

a. a. een begroting van de inkomsten en de uitgaven, waarbij de inkomsten zijn gespecificeerd naar de bronnen, waarvan zij afkomstig zijn, en de uitgaven zodanig zijn geordend en gespecificeerd, dat de berekening van het subsidie overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in § III of § IV van deze regeling op eenvoudige wijze kan geschieden; b. b. een lijst, welke bevat: wanneer de subsidie-aanvrage betreft een uitvoerende instelling:

      1º.
      de samenstelling van het bestuur;
    
    
      2º.
      de namen en voornamen, de leeftijden, de opleidingen, de eventueel beklede betrekkingen met de daarin laatstgenoten salarissen, de data van indiensttreding bij de instelling en de beknopte taakomschrijving van de functionarissen, in wier salariskosten subsidie wordt gevraagd;
    
    
      3º.
      de vermelding van de instantie(s) en instellingen, als bedoeld in de artikelen 3 en volgende, waarmede wordt samengewerkt, met een korte omschrijving van de gekozen samenwerkingsvormen;
    
    
      4º.
      een opgave van het totaalaantal der zwakzinnigen, waarmede de instelling bemoeienis heeft, en van het aantal hunner, ten aanzien van wie die bemoeienis intensief is;
    
    
      5º.
      de vermelding van de gemeenten, c.q. delen van gemeenten, welke tot het werkgebied van de instelling behoren, alsmede van de totale oppervlakte van het werkgebied; 
    
  
  wanneer de subsidie-aanvrage betreft een landelijke instelling:
  
    
      1º.
      de samenstelling van het bestuur;
    
    
      2º.
      de namen en voornamen, de leeftijden, de opleidingen, de eventueel beklede betrekkingen met de daarin laatstgenoten salarissen, de data van indiensttreding bij de instelling en de beknopte taakomschrijving van de functionarissen, in wier salariskosten subsidie wordt gevraagd;
    
    
      3º.
      de namen der eventuele deskundigen, c.q. de samenstelling der commissies van deskundigen, die het bestuur of de directeur bijstaan in de uitoefening van zijn taak;
    
    
      4º.
      een opgave van de aangesloten uitvoerende instellingen.

1º. 1º. de samenstelling van het bestuur; 2º. 2º. de namen en voornamen, de leeftijden, de opleidingen, de eventueel beklede betrekkingen met de daarin laatstgenoten salarissen, de data van indiensttreding bij de instelling en de beknopte taakomschrijving van de functionarissen, in wier salariskosten subsidie wordt gevraagd; 3º. 3º. de vermelding van de instantie(s) en instellingen, als bedoeld in de artikelen 3 en volgende, waarmede wordt samengewerkt, met een korte omschrijving van de gekozen samenwerkingsvormen; 4º. 4º. een opgave van het totaalaantal der zwakzinnigen, waarmede de instelling bemoeienis heeft, en van het aantal hunner, ten aanzien van wie die bemoeienis intensief is; 5º. 5º. de vermelding van de gemeenten, c.q. delen van gemeenten, welke tot het werkgebied van de instelling behoren, alsmede van de totale oppervlakte van het werkgebied; 1º. 1º. de samenstelling van het bestuur; 2º. 2º. de namen en voornamen, de leeftijden, de opleidingen, de eventueel beklede betrekkingen met de daarin laatstgenoten salarissen, de data van indiensttreding bij de instelling en de beknopte taakomschrijving van de functionarissen, in wier salariskosten subsidie wordt gevraagd; 3º. 3º. de namen der eventuele deskundigen, c.q. de samenstelling der commissies van deskundigen, die het bestuur of de directeur bijstaan in de uitoefening van zijn taak; 4º. 4º. een opgave van de aangesloten uitvoerende instellingen.

Artikel 20A

1.

Het basisbedrag wordt gevormd door:

het betaalde jaarsalaris met inachtneming van het gestelde in artikel 7, vierde lid.

Het basisbedrag wordt afgerond op honderd gulden, en wel zodanig, dat bedragen tot en met f 50,- naar beneden en bedragen boven f 50,- naar boven worden afgerond.

2. Het subsidie wordt naar boven afgerond op hele guldens.

3. In de kosten van vervanging wegens ziekte wordt geen subsidie verleend.

4. Ontvangen ziekengelden worden voor de bepaling van het basisbedrag buiten beschouwing gelaten.

Artikel 20B

1. Indien een functionaris geen vol jaar in dienst is geweest, wordt voor de bepaling van het basisbedrag het brutosalaris op jaarbasis gebracht.

2. Uitgaande van het aldus verkregen basisbedrag en het daarmee corresponderende kolombedrag, wordt het subsidie voor deze functionaris vastgesteld in evenredigheid tot het aantal maanden diensttijd.

3. Aanstelling, c.q. ontslag van functionarissen in de loop van de maand worden voor de subsidieberekening geacht te zijn geschied met ingang van de eerste van de lopende maand, indien de mutatie vóór de 16de, en met ingang van de eerste van de daaropvolgende maand, indien de mutatie op of na de 16de van de maand heeft plaatsgevonden.

Artikel 21

1. Een opgave van de inkomsten en uitgaven betreffende het jaar, waarvoor subsidie is aangevraagd, dient vóór 1 april van het daaropvolgend jaar in drievoud bij de minister te zijn ingediend, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn gespecificeerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, a.

2. De definitieve vaststelling van het subsidie geschiedt na het boekenonderzoek, dat namens de minister plaatsheeft na afloop van het jaar, waarover subsidie is aangevraagd.

3. In afwachting daarvan kunnen aan de betreffende instelling één of meer voorschotten worden uitbetaald.

Paragraaf . Slotbepaling

Artikel 22

Deze regeling kan worden aangehaald als: Subsidieregeling maatschappelijk werk voor zwakzinnigen. Zij werkt terug tot 1 januari 1957.

Bijlage I

Vaste volgnummers, zoals deze door de Minister in de vigerende salarisoverzichten worden gehanteerd (zie de artikelen 6, 7, 14, en 20A)

Bijlage 2. behorende bij de beschikking van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk d.d. 3 mei 1965 nr. U 804

Bijlage

Vervallen

Bijlage

Vervallen