rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-mobiliteitsbevordering-thuiszorgsector-20092010/BWBR0026363
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling mobiliteitsbevordering thuiszorgsector 2009/2010 BWBR0026363 ministeriele-regeling geldend 2009-09-12 https://wetten.overheid.nl/BWBR0026363 Subsidieregeling mobiliteitsbevordering thuiszorgsector 2009/2010

Subsidieregeling mobiliteitsbevordering thuiszorgsector 2009/2010

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *minister:* Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. b.

    *werkgeversorganisaties:* Actiz en Branchebelang Thuiszorg Nederland;

c. c.

    *werknemersorganisaties:* ABVAKABO FNV, CNV Publieke Zaak en Unie Zorg en Welzijn;

d. d.

    *huishoudelijke verzorging:* huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

e. e.

    *thuiszorginstelling:* een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die op basis van overeenkomsten of onderaannemingsovereenkomsten met gemeenten huishoudelijke verzorging levert in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

f. f.

    *moederinstelling:* een rechtspersoon die in een of meer thuiszorginstellingen afzonderlijk 25% of meer van het kapitaal of het stemrecht heeft;

g. g.

    *groep van thuiszorginstellingen:*
  
  
    
      1°
      een moederinstelling met inbegrip van alle thuiszorginstellingen waarin zij 25% of meer van het kapitaal of het stemrecht heeft;
    
    
      2°
      een thuiszorginstelling met inbegrip van al haar moederinstellingen, of
    
    
      3°
      een groep bestaande uit een combinatie van 1° en 2°;

1° 1° een moederinstelling met inbegrip van alle thuiszorginstellingen waarin zij 25% of meer van het kapitaal of het stemrecht heeft; 2° 2° een thuiszorginstelling met inbegrip van al haar moederinstellingen, of 3° 3° een groep bestaande uit een combinatie van 1° en 2°; h. h.

    *medewerker in de huishoudelijke verzorging:* een persoon die op basis van een reguliere betaalde betrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964 daadwerkelijk huishoudelijke verzorging verricht ten behoeve van natuurlijke personen die overeenkomstig de Wet maatschappelijke ondersteuning aanspraak hebben op huishoudelijke verzorging;

i. i.

    *algemene opleiding:* een opleiding die bestaat in onderricht dat niet uitsluitend of hoofdzakelijk op de huidige of toekomstige functie van de medewerker in de huishoudelijke verzorging bij de thuiszorginstelling is gericht, maar door middel waarvan bekwaamheden worden verkregen die in ruime mate naar andere ondernemingen of andere werkgebieden overdraagbaar zijn, zodat de inzetbaarheid van de medewerker in de huishoudelijke verzorging op de arbeidsmarkt wordt verbeterd.

j. j.

    *opleidende instantie:* een instantie die algemene opleidingen aanbiedt, zijnde een instantie binnen de subsidieaanvragende thuiszorginstelling, een instantie binnen de groep van thuiszorginstellingen waartoe de subsidieaanvrager behoort of welke andere opleidende instantie dan ook; en

k. k.

    *personeelskosten:* de loonkosten die de subsidieaanvrager maakt ten behoeve medewerker in de huishoudelijke verzorging die een opleiding volgt, bestaande uit het brutoloon voor belasting, alsmede de verplichte bijdragen zoals sociale zekerheidsbijdragen en de kosten voor kinderopvang en algemene indirecte kosten, zoals administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten, die maximaal gelijk zijn aan de te subsidiëren kosten.

Artikel 2

Deze regeling valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L214).

Paragraaf 2. Toepassingsbereik

Artikel 3

1.

De minister kan aan een thuiszorginstelling ten behoeve van interne en externe mobiliteitsbevordering van medewerkers in de huishoudelijke verzorging een subsidie verstrekken voor kosten gemaakt of te maken in 2009 of 2010 in het kader van een algemene opleiding, die van start gaat nadat de aanvraag is ingediend, inhoudende:

a. a. omscholing, herscholing en bijscholing; of b. b. outplacementactiviteiten die gericht zijn op het volgen van opleidingen of het ontwikkelen van vaardigheden buiten de thuiszorginstelling of de sector waarin deze medewerkers in de huishoudelijke verzorging werken.

2. De minister verstrekt uitsluitend subsidie ten behoeve van medewerkers in de huishoudelijke verzorging in dienst van de subsidieaanvrager.

3. De minister verstrekt geen subsidie ten behoeve van opleidingen die reeds voor de aanvraag van de subsidie zijn gestart.

4. De minister verstrekt geen subsidie voor opleidingen die in aanmerking komen voor bekostiging op basis van sociale zekerheidswetgeving, waaronder de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 4

Uitsluitend de volgende kosten voor een algemene opleiding komen in aanmerking voor subsidie:

a. a. de personeelskosten van de opleiders; b. b. de verplaatsingskosten van de opleiders en de medewerkers in de huishoudelijke verzorging die de opleiding volgen, daaronder begrepen de verblijfkosten; c. c. kosten voor materiaal en benodigdheden die rechtstreeks met de opleiding verband houden; d. d. de kosten voor afschrijving van middelen en uitrusting, voor zover deze uitsluitend voor de algemene opleiding worden gebruikt; e. e. de kosten van diensten inzake begeleiding en advisering met betrekking tot de algemene opleiding; f. f. de personeelskosten van degenen die de opleiding volgen en de algemene indirecte kosten (administratieve kosten, huur, algemene vaste kosten) ten belope van ten hoogste het totaal van de in de onderdelen a tot en met e bedoelde in aanmerking komende kosten tot een maximum van € 5 per uur per medewerker. Wat betreft de personeelskosten van degenen die de opleiding volgen, mag slechts rekening gehouden worden met de uren die de deelnemers aan de opleiding daadwerkelijk daaraan besteden, na aftrek van de door hen gewerkte uren in de huishoudelijke verzorging.

Paragraaf 3. Subsidieplafond

Artikel 5

1. Het subsidieplafond voor de verstrekking van de subsidies bedraagt € 3.000.000.

2. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de subsidieaanvrager, krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht eenmalig de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als de datum van ontvangst geldt.

Paragraaf 4. Subsidieaanvraag

Artikel 6

1. Een aanvraag voor een subsidie wordt ingediend vóór de aanvang van de opleiding.

2. Subsidieaanvragen worden bij aangetekende brief ingediend.

3. Subsidieaanvragen kunnen uiterlijk tot 15 oktober 2010 worden ingediend. Aanvragen die na 15 oktober 2010 zijn ingediend worden niet in behandeling genomen.

4. De subsidieaanvrager stuurt gelijktijdig met het indienen van de aanvraag bij de minister een afschrift van de subsidieaanvraag naar de lokale vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties.

Artikel 7

1. Een subsidieaanvraag geschiedt middels het aanvraagformulier dat is opgenomen in bijlage 1 en de daarbij behorende begroting, met gebruikmaking van het begrotingsformulier dat is opgenomen in bijlage 3.

2. Het aanvraagformulier is ondertekend door degene die op grond van de statuten bevoegd is de thuiszorginstelling te vertegenwoordigen, of door een persoon die daartoe gevolmachtigd is.

3. De subsidieaanvraag is onderbouwd met een projectplan, dat een beschrijving bevat van de opleidingen per individuele medewerker in de huishoudelijke verzorging en van de wijze waarop de subsidieaanvrager deze opleidingen wil (laten) uitvoeren. Uit het projectplan blijkt dat van een wezenlijke toename van het aantal deelnemers aan een opleiding sprake is ten opzichte van de periode voor de aanvang van de subsidieaanvraag.

4.

De begroting geeft inzicht in de kosten en baten per individuele medewerker en bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

a. a. een overzicht waarin per opleidingsactiviteit is aangegeven hoeveel medewerkers ervan gebruik zullen maken en hoeveel van deze medewerkers tevens van een andere opleidingsactiviteit gebruik zullen maken; b. b. een specificatie van de totale kosten en baten van de opleidingen; c. c. een specificatie van de kosten die inzicht geeft in het aantal opleidingsactiviteiten waarvan een individuele medewerker gebruik zal maken en van de totale kosten per individuele medewerker voor alle door hem te gebruiken opleidingsmaatregelen tezamen; en d. d. een postgewijze toelichting waarbij de kosten en baten die door middel van interne doorberekeningen zijn toegerekend, zijn bepaald op bedrijfseconomische en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Voor zover hier kosten zijn inbegrepen van materiële vaste activa, zijn deze kosten op basis van aanschaffingsprijzen van die activa berekend.

Artikel 8

1. Voor zover de subsidieaanvrager voor dezelfde begrote kosten tevens subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij één of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.

2. Voor zover de subsidieaanvrager nadat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend voor dezelfde begrote kosten een subsidie of een andere financiële bijdrage aanvraagt bij een of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan terstond mededeling aan de minister.

Paragraaf 5. Subsidieverlening en bevoorschotting

Artikel 9

1. De minister neemt binnen dertien weken na datum van ontvangst van de subsidieaanvraag een beschikking op de aanvraag.

2. De minister laat zich bij het nemen van de beschikking adviseren door een door hem in te stellen beheerscommissie, bestaande uit vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Artikel 10

1. De minister verstrekt voorschotten op basis van de verleende subsidie.

2. Voorschotten worden gelijkmatig over het aantal maanden verstrekt waarvoor subsidie is aangevraagd.

3. De minister kan afwijken van het bepaalde in het tweede lid.

Paragraaf 6. Berekeningswijze

Artikel 11

1. Een subsidie bedraagt maximaal 50% van de kosten voor de algemene opleiding zoals deze zijn opgenomen in de begroting bedoeld in artikel 4.

2. Behoudens het bepaalde in het eerste lid bedraagt de subsidie niet meer dan € 3.500 per medewerker in de huishoudelijke verzorging waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

3. Behoudens het bepaalde in de vorige leden bedraagt de optelsom van subsidie aan thuiszorginstellingen die tot dezelfde groep van thuiszorginstellingen behoren niet meer dan € 1.000.000.

Artikel 12

De minister brengt subsidies of andere financiële bijdragen verstrekt door één of meer andere bestuursorganen voor dezelfde algemene opleidingen in mindering bij verstrekking van een subsidie.

Paragraaf 7. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13

De subsidieontvanger zorgt er voor dat:

a. a. de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt gevoerd; b. b. te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde kosten en baten kunnen worden nagegaan; c. c. de opleidingen, zoals voorgesteld in het projectplan, op een doelmatige wijze worden uitgevoerd; en d. d. de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat een goed beleid en beheer worden gevoerd.

Artikel 14

De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een besluit tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie en overlegt hierbij de relevante stukken.

Artikel 15

De subsidieontvanger stelt na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend een verslag vast dat inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de in het kader van de subsidie verrichte algemene opleidingen en dat een vergelijking bevat van de gevolgde opleidingen met de in de subsidieaanvraag voorgenomen opleidingen.

Artikel 16

De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoeken die erop zijn gericht de minister inlichtingen te verschaffen voor de ontwikkeling van het beleid.

Artikel 17

De minister kan bij de verlening van een subsidie verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

Paragraaf 8. Subsidievaststelling

Artikel 18

1. Binnen vier maanden na afloop van de periode waarover subsidie is verleend, dient de subsidieontvanger een aanvraag in voor de subsidievaststelling.

2. Voor de aanvraag tot subsidievaststelling wordt het formulier gebruikt dat als bijlage 2 bij deze subsidieregeling is gevoegd.

3. De aanvraag voor de subsidievaststelling gaat vergezeld van het verslag bedoeld in artikel 15 en van een declaratie waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd omtrent de aan de algemene opleidingen verbonden kosten en baten en de daaraan gekoppelde berekeningswijze, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn. De declaratie sluit aan op de indeling van de bij de subsidieaanvraag ingediende begroting. Verschillen tussen declaratie en begroting zijn voorzien van een toelichting.

4. De voor subsidievaststelling in aanmerking komende kosten, als opgenomen in de declaratie worden met bewijsstukken gestaafd en zijn overzichtelijk en gespecificeerd gepresenteerd.

Artikel 19

1. De declaratie bedoeld in artikel 18, derde lid, is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig een in bijlage 4 bij deze subsidieregeling opgenomen modelaccountantsverklaring.

2. De declaratie bedoeld in artikel 18 gaat vergezeld van een rapportage omtrent de naleving van de subsidiebepalingen door de subsidieontvanger, opgesteld door de accountant overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze subsidieregeling opgenomen controleprotocol.

3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de accountant meewerkt aan door of namens de Rijksauditdienst in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte controlewerkzaamheden.

4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de verleende subsidie minder dan € 125.000 bedraagt.

Artikel 20

Binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling bedoeld in artikel 18, eerste lid, neemt de minister een beschikking tot vaststelling.

Paragraaf 9. Slotbepalingen

Artikel 21

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 22

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling mobiliteitsbevordering thuiszorgsector 2009/2010.

Bijlage 1

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Bijlage 2

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Bijlage 3

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Bijlage 4

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Bijlage 5

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport