rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-nationaal-groeifonds-llo-collectief-laagopgeleiden-en-laaggelet/BWBR0051162
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling Nationaal Groeifonds LLO Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden BWBR0051162 ministeriele-regeling geldend 2025-07-02 https://wetten.overheid.nl/BWBR0051162 Subsidieregeling Nationaal Groeifonds LLO Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden

Subsidieregeling Nationaal Groeifonds LLO Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

  • Ervaringsdeskundige: persoon die zelf laagopgeleid of laaggeletterd is of is geweest en vanuit praktijkervaring advies kan leveren;

  • Instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 of 1.4.1 van de WEB of artikel 1.1.1 of 1.4.1 van de WEB BES, instelling als bedoeld in artikel 1.8 van de WHW of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, van de WHW;

  • Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

  • Kandidaat: laagopgeleide of laaggeletterde die deelneemt aan de activiteiten als bedoeld in artikel 3, onderdeel b;

  • LLO: Leven Lang Ontwikkelen;

  • Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; a. Opleider:

        a.
        publieke opleider, zijnde een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB of de WEB BES of instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
    
    
        b.
        private opleider formeel onderwijs, zijnde een andere dan een in artikel 1.1.1 van de WEB of de WEB BES bedoelde instelling die op grond van artikel 1.4.1 van de WEB of de WEB BES bevoegd is een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 van de WEB of artikel 7.4.8 van de WEB BES af te geven voor het met goed gevolg afleggen van het examen van ten minste één beroepsopleiding, of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, van de WHW;
    

a. a. publieke opleider, zijnde een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB of de WEB BES of instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of b. b. private opleider formeel onderwijs, zijnde een andere dan een in artikel 1.1.1 van de WEB of de WEB BES bedoelde instelling die op grond van artikel 1.4.1 van de WEB of de WEB BES bevoegd is een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 van de WEB of artikel 7.4.8 van de WEB BES af te geven voor het met goed gevolg afleggen van het examen van ten minste één beroepsopleiding, of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, van de WHW;

  • penvoerder: penvoerder als bedoeld in artikel 6;
  • project: subsidiabele activiteiten uitgevoerd door een samenwerkingsverband in één regio in het Europese deel van Nederland of op een eiland in Caribisch Nederland als bedoeld in artikel 3 tezamen;
  • regio: regio als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, van de WEB of een eiland in Caribisch Nederland;
  • samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 7;
  • WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs;
  • WEB BES: Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
  • werkgeversorganisatie: brancheorganisatie, een ondernemersvereniging, een regionale afdeling van MKB Nederland of VNO-NCW;
  • Werknemersorganisatie: vereniging of ander type organisatie met als doel de belangen van werknemers te behartigen;
  • WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 2

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.

Artikel 3

1.

De minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van de volgende cumulatieve activiteiten in een project door een samenwerkingsverband:

a. a. het ontwikkelen van onderwijsaanbod dat aansluit bij de leerwensen van de kandidaten, op maat gemaakt en gericht op duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het verbinden van basisvaardigheden en vakvaardigheden; b. b. het verzorgen van het onderwijs, bedoeld in onderdeel a, inclusief begeleiding, voor ten minste 200 kandidaten per regio in het Europese deel van Nederland en voor ten minste 15 kandidaten in Caribisch Nederland. c. c. werkzaamheden in het kader van projectmanagement, samenwerking en kennisdeling met regionale en landelijke instelling-, werkgevers- en werknemersorganisaties, en d. d. werkzaamheden om de activiteiten, bedoeld in onderdelen a en b, voort te kunnen zetten na afloop van de subsidieperiode, bedoeld in het tweede lid.

2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, starten vanaf 1 januari 2026 en worden uiterlijk op 31 december 2027 afgerond.

3. De minister kan de periode waarin de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden verricht met negen maanden verlengen bij onvoorziene omstandigheden in de uitvoering van de activiteiten. De activiteiten worden bij toepassing van de mogelijkheid tot verlenging uiterlijk op 30 september 2028 voltooid.

Artikel 4

1. Per project in het Europese deel van Nederland is een bedrag van ten minste € 125.000, en ten hoogste € 2.200.000, beschikbaar.

2. Per project in Caribisch Nederland is een bedrag van ten minste € 125.000, en ten hoogste € 500.000, beschikbaar.

Artikel 5

Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is een bedrag van ten hoogste € 40.000.000, beschikbaar.

Artikel 6

1. Een subsidieaanvraag kan uitsluitend worden ingediend door een penvoerder, niet-zijnde een gemeente, een provincie of een openbaar lichaam, namens een samenwerkingsverband.

2. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.

Artikel 7

Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit:

a. a. een opleider; b. b. een overheidsorganisatie; en c. c. een werkgeversorganisatie.

Artikel 8

1. De subsidieaanvraag kan worden ingediend van 15 september 2025 13.00 uur CET tot en met vrijdag 31 oktober 13 uur CET.

2. Aanvragen die buiten de in het eerste lid genoemde periode worden ingediend, worden afgewezen.

3. Een aanvraag wordt afgewezen indien uit de begroting blijkt dat het aangevraagde bedrag onder de € 125.000, is.

4. Per samenwerkingsverband kan slechts één aanvraag worden ingediend. Eventuele tweede of opvolgende aanvragen voor hetzelfde samenwerkingsverband worden afgewezen.

Artikel 9

1. Een subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe is bekendgemaakt op de website van DUS-I.

2.

Onverminderd artikel 3.3 van de Kaderregeling bevat de aanvraag de volgende documenten:

a. a. een visiedocument als bedoeld in artikel 10; b. b. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 11; c. c. een begroting als bedoeld in artikel 12; d. d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 13; e. e. een samenvatting van de aanvraag die openbaar gemaakt kan worden.

Artikel 10

In het visiedocument beschrijft de aanvrager:

a. a. de ambitie van het samenwerkingsverband ten aanzien van LLO voor laaggeletterden en laagopgeleiden; b. b. de strategie ten aanzien van het bereiken en de begeleiding van de kandidaten, de betrokkenheid van ervaringsdeskundigen en hoe men het onderwijsaanbod inhoudelijk wil vormgeven; c. c. de wijze waarop de werkgevers, de laagopgeleide of laaggeletterde werkenden en werkzoekenden in de regio of op het eiland waar het samenwerkingsverband zich op richt, bereikt zullen worden; d. d. de arbeidsmarkt binnen de regio of op het eiland waar de aanvrager zich met LLO op richt; e. e. de professionaliseringsopgaven bij docenten en andere betrokken professionals op het gebied van kennis over en bewustzijn van de uitdagingen waar laagopgeleide en laaggeletterde onderwijsdeelnemers mee te maken hebben, die noodzakelijk zijn om de beoogde LLO-organisatie te realiseren; f. f. de organisatie van de aanvrager en de mate waarin LLO voor laaggeletterden en laagopgeleiden verankerd is dan wel verankerd zal worden in strategie, beleid en uitvoering; g. g. de verbinding met mogelijke andere groeifondsprojecten in de regio of daarbuiten, en hoe dit al dan niet bijdraagt aan de kwaliteit van het project en hoe dit kan leiden tot projectvoordelen; en h. h. de wijze waarop de subsidieaanvrager de activiteiten en resultaten na afronding van het project wil verduurzamen en verankeren in de regio.

Artikel 11

Onverminderd artikel 3.4 van de Kaderregeling bevat het activiteitenplan in ieder geval:

a. a. een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd; b. b. een beschrijving hoe deze activiteiten bijdragen aan de na te streven doelstellingen en resultaten en hoe de geleerde lessen uit de eerste twee pilotregios hierin meegenomen zijn; c. c. een activiteitenplanning met daarin de start- en einddatum van het project en een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten in de projectperiode waarin in ieder geval fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en eindresultaten zijn opgenomen; d. d. een beschrijving van de projectorganisatie met een verdeling van de taken waarbij aannemelijk wordt gemaakt dat de subsidieaanvrager in staat is het voorstel binnen de gestelde tijd uit te voeren; e. e. een analyse van de afbreukrisicos die het project kunnen vertragen of het behalen van de doelstellingen kunnen belemmeren en een beschrijving van de wijze waarop deze risicos worden gemitigeerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van eerder geleerde lessen uit de eerste twee pilotregios; f. f. een beschrijving van de lerende aanpak waarmee de voortgang en de uitkomsten van het project worden geëvalueerd en de aanpak indien nodig wordt bijgesteld; en g. g. een beschrijving van de bijdrage aan de vier landelijke projecten binnen het LLO Collectief, namelijk het landelijk projectleiderschap, de impactmonitor en de twee trajecten voor professionalisering van docenten en professionals.

Artikel 12

1. De begroting bevat een overzicht van de kosten van de activiteiten, voorzien van een toelichting.

2. De begroting gaat in op de kosteneffectiviteit door inzichtelijk te maken wat de kosten per bereikte kandidaat zijn.

3. Voor het bepalen van de uurtarieven van personen die belast worden met de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt aansluiting worden gezocht bij de Handleiding Overheidstarieven 2025.

4. De begroting wordt ingediend in het hiervoor bestemde format, dat bekend zal worden gemaakt op de website van DUS-I.

Artikel 13

1. De deelnemers aan een samenwerkingsverband sluiten een overeenkomst die wordt opgesteld met gebruikmaking van het format dat DUS-I hiervoor beschikbaar stelt.

2. De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door alle partijen in het samenwerkingsverband.

3.

In de samenwerkingsovereenkomst is in ieder geval vastgelegd:

a. a. de beoogde start- en einddatum van het project; b. b. dat de penvoerder gemachtigd is om namens het samenwerkingsverband op te treden; c. c. wat elke partij in het samenwerkingsverband inhoudelijk, organisatorisch dan wel financieel bijdraagt aan het project; d. d. dat elke partij de intentie heeft om na afloop van het project de samenwerking te verduurzamen; e. e. dat het samenwerkingsverband een open netwerk is waar geïnteresseerde partijen in de regio of sector zich onder transparante en redelijke voorwaarden bij kunnen aansluiten; en f. f. dat alle partijen in het samenwerkingsverband medewerking verlenen aan de verantwoording van de subsidie en aan de nakoming van de aan de subsidie verbonden verplichtingen, en dat alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.

Artikel 14

1. De minister bepaalt de rangschikking van de aanvragen op basis van een onderlinge afweging van de aanvragen.

2. De rangschikking vindt plaats aan de hand van het beoordelingskader dat is opgenomen als bijlage bij deze regeling. Hiervoor geldt hoe meer punten hoe hoger de rangschikking.

3. Om voor subsidie in aanmerking te komen geldt dat minimaal 5 punten moeten zijn toegekend op elk van de criteria van het beoordelingskader.

4.

Bij de beoordeling wordt een hoger aantal punten toegekend naarmate de score op Impact, Kwaliteit en Verankering hoger is, blijkend uit:

a. a. de kwaliteit van het visiedocument en de verbinding met de regio of sector waar de aanvrager zich op richt; b. b. de ambities van het project met betrekking tot doelstellingen en bereik; c. c. de kwaliteit van de samenwerking en het draagvlak waardoor het aannemelijk is dat de doelen van het project behaald worden; d. d. de kwaliteit van het activiteitenplan waardoor het aannemelijk is dat het project uitvoerbaar en haalbaar is; e. e. de kwaliteit van de begroting waardoor het aannemelijk is dat het project zo kostenefficiënt mogelijk wordt uitgevoerd en middelen effectief worden ingezet; f. f. de kwaliteit van de onderbouwing voor de verduurzaming van de activiteiten.

5. De subsidieaanvraag uit Caribisch Nederland met de hoogste score op de rangschikking, krijgt voorrang, ook al heeft deze aanvraag een lagere score dan de aanvraag uit Europees Nederland.

6. Indien het subsidieplafond door toekenning van alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen zou worden overschreden en twee of meer aanvragers een gelijke score hebben gehaald bij de rangschikking van de aanvragen, dan worden deze aanvragen gerangschikt op volgorde van binnenkomst.

7. Per regio wordt aan maximaal één aanvrager subsidie toegekend.

8. In Caribisch Nederland wordt per openbaar lichaam aan maximaal één samenwerkingsverband subsidie toegekend.

9. De minister beslist binnen 13 weken na afloop van de periode waarin de aanvragen kunnen worden ingediend gelijktijdig op de aanvragen.

Artikel 15

Voor de ontvanger van de subsidie gelden de volgende verplichtingen:

a. a. de penvoerder verleent gedurende de looptijd van de regeling op verzoek van de minister medewerking aan regionale of sectorale bijeenkomsten om aldaar de opgedane inzichten van het project toe te lichten; b. b. de penvoerder doet eenmaal per 12 maanden, op in het besluit tot verlening vermelde tijdstippen, verslag van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten aan de minister, met gebruikmaking van het format dat daartoe door DUS-I beschikbaar is gesteld. c. c. de penvoerder verleent gedurende 5 jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening medewerking aan een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van de aan hem verstrekte subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd; d. d. de penvoerder voert een gescheiden boekhouding met betrekking tot de financiering van de activiteiten zoals genoemd in deze regeling, indien de penvoerder en de deelnemende partijen binnen het samenwerkingsverband naast de activiteiten op grond van deze regeling ook economische activiteiten verrichten. e. e. de penvoerder maakt alle resultaten van activiteiten voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd; f. f. de penvoerder verleent opdrachten aan derden voor uitvoering van de activiteiten, of een deel daarvan, op basis van transparante criteria en tegen marktconforme tarieven en houdt zich aan de toepasselijke wet- en regelgeving; g. g. de penvoerder participeert in de vier landelijke projecten binnen het LLO Collectief, namelijk het landelijk projectleiderschap, de impactmonitor en de twee trajecten voor professionalisering van docenten en andere professionals; h. h. de administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende 5 jaren na de vaststelling van de subsidie bewaard.

Artikel 16

Subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 17

Voor de verleende subsidie wordt een voorschot van 100% gefaseerd verstrekt. Het eerste voorschot bedraagt 30% van het toegekende subsidiebedrag, en wordt uitbetaald uiterlijk 6 weken na ontvangst van de beschikking. Het resterende deel van het subsidiebedrag wordt in gelijke delen uitbetaald, verdeeld over de kwartalen van de activiteitenperiode, bedoeld in artikel 3, tweede lid.

Artikel 18

1. Indien de penvoerder van het samenwerkingsverband een bekostigde instelling is als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB of artikel 1.1.1 van de WEB BES, geschiedt verantwoording van de subsidie in de jaarverslaggeving met model G, onderdeel 2 als bedoeld in bijlage 4 bij de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

2. De subsidie kan uitsluitend worden aangewend voor het doel waarvoor de subsidie is verstrekt. Niet bestede middelen worden teruggevorderd.

3. De vaststelling van de subsidie vindt plaats binnen een jaar na de indiening van het jaarverslag over het laatste jaar van besteding.

Artikel 19

1. Indien de penvoerder van het samenwerkingsverband geen bekostigde instelling is als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB of artikel 1.1.1 van de WEB BES, geschiedt de verantwoording onder toepassing van artikel 7.8 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

2. Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag dat bestaat uit de gerealiseerde kosten verminderd met de gerealiseerde bijdragen van derden en de begrote eigen bijdrage of de gerealiseerde eigen bijdrage indien deze hoger is dan de begrote eigen bijdrage tot ten hoogste het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag.

3. De subsidie kan uitsluitend worden aangewend voor het doel waarvoor de subsidie is verstrekt. Niet bestede middelen worden teruggevorderd.

Artikel 20

De minister kan een of meer bepalingen van de regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 21

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 oktober 2028.

Artikel 22

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Nationaal Groeifonds LLO Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden.

Bijlage . Beoordelingskader kwalitatieve beoordeling Subsidieregeling Nationaal Groeifonds LLO Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden

Deze bijlage behoort bij artikel 14, tweede lid, van de Subsidieregeling Nationaal Groeifonds LLO Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden.