40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling onderwijscoalities af- en ombouw gesloten jeugdhulp | BWBR0048384 | ministeriele-regeling | geldend | 2025-06-30 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0048384 | Subsidieregeling onderwijscoalities af- en ombouw gesloten jeugdhulp |
Subsidieregeling onderwijscoalities af- en ombouw gesloten jeugdhulp
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar jeugdhulp wordt verleend door of namens een jeugdhulpaanbieder, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
- accommodatie gesloten jeugdhulp: accommodaties van een instelling gesloten jeugdhulp, genoemd in Bijlage 1 van de Regeling specifieke uitkering vastgoedtransitie residentiële jeugdhulp 2021;
- bovenregionaal expertisenetwerk jeugd: één van de acht expertisenetwerken jeugd als bedoeld in artikel 1 van de Regeling specifieke uitkering randvoorwaardelijke functies jeugdhulp;
- bovenregionaal plan: bovenregionaal plan als bedoeld in artikel 1 van de Regeling specifieke uitkering vastgoedtransitie residentiële jeugdhulp 2021;
- bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- coalitie: coalitie als bedoeld in artikel 5, tweede lid;
- coördinerende gemeente: coördinerende gemeente, genoemd in Bijlage 1 van de Regeling specifieke uitkering vastgoedtransitie residentiële jeugdhulp 2021;
- gesloten jeugdhulp: jeugdhulp op basis van een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2, 6.1.3 of 6.1.4 van de Jeugdwet;
- gesloten jeugdhulpinstelling: jeugdhulpaanbieder voor gesloten jeugdhulp die opgenomen is in de Bekendmaking geregistreerde jeugdhulpaanbieders van 17 februari 2022 (Stcrt. 2022, 4785);
- hoger onderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- jeugdige: jeugdige als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
- Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- kleinschalige voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 4;
- landelijk samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47, achttiende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- mbo-instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- penvoerder: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5;
- regionaal expertteam jeugd: regionaal expertteam jeugd in één van de 42 Jeugdregio’s in Nederland;
- samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- speciaal onderwijs: speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 Wet op de expertisecentra.
- student: student als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- vo-leerling: leerling als bedoeld in artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020;
- voortgezet onderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.4 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- voortgezet speciaal onderwijs: voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra.
Artikel 2
1. Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.
2. Artikel 4.3, eerste lid, van de Kaderregeling is niet van toepassing.
Artikel 3
1. De Minister kan in 2023 aan een penvoerder subsidie verstrekken voor de uitvoering van een plan van aanpak in de kalenderjaren 2023 en 2024 en in de eerste zes maanden van het kalenderjaar 2025, voor kwalitatief goed onderwijs en passende ondersteuning aan jeugdigen die behoren tot de in artikel 4, eerste lid, bedoelde doelgroep, tijdens de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp.
1a. De minister kan in 2025 aan een penvoerder subsidie verstrekken voor de uitvoering van een plan van aanpak in de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 augustus 2028, voor kwalitatief goed onderwijs en passende ondersteuning aan jeugdigen die behoren tot de in artikel 4, eerste lid, bedoelde doelgroep, tijdens de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp.
2. De subsidie heeft ten doel om door middel van de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 4, bij te dragen aan de verdere ontwikkeling en organisatie van kwalitatief goed onderwijs en ondersteuning voor jeugdigen die in de periode van 2023 tot en met 30 juni 2025 tijdelijk verblijven in gesloten of open jeugdhulpinstellingen, inclusief kleinschalige voorzieningen of kleinschalige woonvoorzieningen, en beoogt bij te dragen aan een soepele overgang na hun residentiële verblijf.
3. De subsidie heeft tevens ten doel om door middel van de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 4, bij te dragen aan de voorbereiding en aansluiting van het onderwijs bij de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp, door het opbouwen van kennis- en expertise en het bevorderen van samenwerking tussen de verschillende partijen van de coalitie, bedoeld in artikel 5, die betrokken zijn bij de ontwikkeling van de jeugdigen.
Artikel 4
1. De Minister verstrekt uitsluitend subsidie voor een plan van aanpak dat is gericht op jeugdigen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar, die tijdelijk dag en nacht op een gesloten of open accommodatie, inclusief kleinschalige voorziening verblijven, niet zijnde jeugdigen die vanwege een strafrechtelijke uitspraak geplaatst zijn en verblijven in justitiële jeugdinrichtingen.
2. De leeftijdsgrens van jeugdigen, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de coalitie of coalities die jeugdigen van de Bergse Veldschool bij de gesloten jeugdhulpinstelling Bergse Bos begeleiden in de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg.
3.
De Minister kan voor de doelgroep als bedoeld in het eerste lid subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten:
a. a. de inzet van gespecialiseerde medewerkers of docenten met kennis over residentiële jeugdigen om docenten in het voortgezet onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs of het middelbaar beroepsonderwijs te ondersteunen bij het bieden van onderwijs aan jeugdigen die in de residentiele jeugdhulp verblijven; b. b. het bieden van begeleiding bij het onderwijs- en ontwikkelproces van de jeugdige, met als doel dat de school waar de jeugdige op dat moment onderwijs krijgt betrokken blijft bij de ontwikkeling van de jeugdige die van een grootschalige gesloten accommodatie naar een kleinschalige voorziening wordt overgeplaatst; c. c. de afstemming tussen scholen bij de individuele begeleiding van een jeugdige in de overstap naar passend en aansluitend onderwijs in de omgeving; d. d. het faciliteren van het onderwijspersoneel van scholen verbonden aan gesloten accommodaties bij de opbouw van onderwijs of onderwijsondersteuning bij kleinschalige voorzieningen of bij alternatieven van gesloten jeugdhulp; e. e. de ondersteuning bij de individuele casuïstiek van jeugdigen in verschillende schoolsoorten, van primair onderwijs tot en met middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs, of begeleiding van jeugdigen naar stagemogelijkheden of beschikbare onderwijsvoorzieningen; f. f. kennisopbouw en deskundigheidsbevordering bij consulenten van de samenwerkingsverbanden, onderwijsteams en regionale expertteams jeugd of bovenregionale expertisenetwerken jeugd over de ontwikkeling van jeugdigen in de gesloten jeugdhulp en het onderwijs bij kleinschalige voorzieningen; g. g. het opzetten, inrichten en borgen van een goede samenwerking en afspraken tussen de samenwerkingsverbanden, het middelbaar beroepsonderwijs, het primair en voortgezet onderwijs, de relevante gemeente of gemeenten of coördinerende gemeente of gemeenten, regionale expertteams, bovenregionale expertisenetwerken jeugd, de betrokken jeugdhulpaanbieders of andere partijen over het onderwijs en de ondersteuning aan de jeugdigen die met de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg op andere plekken terechtkomen en daar onderwijs nodig hebben, en de jeugdigen die voorlopig nog in de gesloten jeugdhulp verblijven; of h. h. activiteiten in het kader van projectleiding van het plan van aanpak waaronder projectplanning, verdere uitwerking van activiteiten, coördinatie en evaluatie.
4. Ten behoeve van de uitvoering van de subsidiabele activiteiten kunnen door de penvoerder subsidiemiddelen overgedragen worden aan een school, mbo-instelling of samenwerkingsverband.
5. Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor kosten voor huisvesting als bedoeld in artikel 6.2 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 90 van de Wet op de expertisecentra.
Artikel 5
1. Subsidie kan worden aangevraagd door een samenwerkingsverband, niet zijnde het landelijk samenwerkingsverband, dat optreedt als penvoerder namens een coalitie.
2.
Een coalitie voldoet ten minste aan de volgende eisen:
a. a. een coalitie bestaat uit ten minste twee samenwerkingsverbanden; b. b. in de coalitie treedt één samenwerkingsverband op als penvoerder namens de deelnemende samenwerkingsverbanden; c. c. een samenwerkingsverband in de coalitie neemt niet deel aan meerdere coalities tegelijk; d. d. de coalitie vormt een logisch geografisch afgebakend geheel, door bestaande samenwerkingsrelaties of geografische grenzen, waar mogelijk aansluitend op het bovenregionaal gebied.
3. Een coalitie weigert geen scholen op het terrein van accommodaties gesloten jeugdhulp die zich in het kader van de subsidieaanvraag bij die coalitie willen aansluiten.
3a. Een coalitie die een subsidieaanvraag doet als bedoeld in artikel 3, lid 1a, weigert geen mbo-instellingen die zich in het kader van die subsidieaanvraag bij de coalitie willen aansluiten.
4. Subsidie wordt aangevraagd door, verleend aan en verantwoord door de penvoerder.
5. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
Artikel 6
1. Het plan van aanpak bevat activiteiten als bedoeld in artikel 4, derde lid, die gericht zijn op jeugdigen die behoren tot de doelgroep, bedoeld in artikel 4, eerste lid, zodat zij zich optimaal kunnen ontwikkelen binnen het onderwijs.
2. In het plan van aanpak geeft de penvoerder de beoogde samenwerking en afstemming vorm tussen de verschillende partijen die betrokken zijn in de coalitie.
3. In het plan van aanpak wordt de bestaande expertise van scholen bij accommodaties gesloten jeugdhulp, en in voorkomend geval ook bij andere accommodaties, opgenomen om de kennisoverdracht tussen coalitiepartijen te bevorderen.
4.
Het plan van aanpak bestaat uit een activiteitenplan en een begroting. Op het activiteitenplan en de begroting zijn de artikelen 3.4 en 3.5 van de Kaderregeling van toepassing. Het activiteitenplan bevat, in aanvulling op het bepaalde in artikel 3.4 van de Kaderregeling, een beschrijving van:
a. a. een beknopte regiovisie met de voorgenomen regionale veranderingen in aanloop naar kalenderjaar 2030 als gevolg van de af- en ombouw van grootschalige gesloten jeugdhulpinstellingen en een omschrijving van de gevolgen voor het onderwijs van de jeugdigen in de coalitie in 2023 en 2024, waarvan het bovenregionaal plan van de coördinerende gemeente of gemeenten een onderdeel kan zijn; b. b. de gestelde concrete doelen van de coalitie, in aansluiting op de subsidiedoelen als bedoeld in artikel 3 en de regiovisie als bedoeld in onderdeel a; c. c. de inspanning die verricht is om relevante regionale partijen te betrekken bij de uitvoering van het plan van aanpak; d. d. de wijze waarop de samenwerking tussen de partijen in de coalitie vormgegeven wordt, inclusief eventueel andere momenteel nog niet-aangesloten partijen, waarbij in ieder geval in wordt gegaan op de betrokkenheid en rol van de coördinerende gemeente of gemeenten; d1. d1. indien het een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 3, lid 1a, betreft, in aanvulling op onderdeel d, een omschrijving van de betrokkenheid en rol van scholen bij gesloten jeugdhulpinstellingen en van mbo-instellingen, ongeacht of zij al bij de coalitie zijn aangesloten; e. e. de eventuele betrokkenheid van één of meerdere scholen die verbonden zijn aan een accommodatie voor gesloten jeugdhulp; f. f. de wijze waarop de realisatie van de doelen wordt gevolgd en geëvalueerd.
5. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, onderdeel a, beschrijft de regiovisie voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, lid 1a, voorgenomen regionale veranderingen in aanloop naar kalenderjaar 2030 als gevolg van de af- en ombouw van grootschalige gesloten jeugdhulpinstellingen, waarvan het bovenregionaal plan van de coördinerende gemeente of gemeenten een onderdeel kan zijn. De regiovisie bevat daarnaast een omschrijving van de gevolgen hiervan voor het onderwijs van de jeugdigen in de coalitie in de aanloop naar 2030.
Artikel 7
1. De penvoerder dient een plan van aanpak in bij de subsidieaanvraag.
2. Een aanvraag kan worden ingediend van 15 augustus 2023 tot en met 2 oktober 2023. Aanvragen die worden ontvangen na 2 oktober worden afgewezen.
2a. Een aanvraag voor de subsidie, bedoeld in artikel 3, lid 1a, kan worden ingediend van 24 juli tot en met 8 september 2025, 13.00 uur. Aanvragen die worden ontvangen na 8 september 2025, 13.00 uur, worden afgewezen.
3. De subsidie wordt aangevraagd met het digitale aanvraagformulier dat op de website van DUS-I beschikbaar is gesteld.
4.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. a. de naam van de betrokken samenwerkingsverbanden en het RIO-nummer van de samenwerkingsverbanden die deelnemen aan de coalitie; b. b. de andere partijen binnen de coalitie die deelnemen aan de uitvoering van het plan van aanpak; c. c. de contactgegevens van de penvoerder en de andere betrokken samenwerkingsverbanden; d. d. het plan van aanpak, bedoeld in artikel 6; e. e. een ondertekende samenwerkingsovereenkomst van alle samenwerkingsverbanden als bedoeld in onderdeel a waaruit blijkt dat alle betrokken samenwerkingsverbanden hebben ingestemd met de aanvraag, en waarin is omschreven wat de gezamenlijke afspraken zijn met betrekking tot inzet van middelen en menskracht; f. f. een ondertekende verklaring waarin in ieder geval de betrokken samenwerkingsverbanden verklaren dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen, en dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie, op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.
5. De aanvraag kan vergezeld gaan van een coalitieconvenant tussen de betrokken coalitiepartijen.
Artikel 8
1. Voor het verstrekken van subsidie op grond van deze regeling is in totaal een bedrag van € 24 miljoen beschikbaar.
2. Het subsidiebedrag dat ten hoogste kan worden verstrekt, wordt berekend op basis van het aantal vo-leerlingen dat op 1 oktober 2022 voorlopig als werkelijk schoolgaand staat ingeschreven op de scholen aangesloten bij de samenwerkingsverbanden binnen de coalitie.
3. De subsidie bedraagt per vo-leerling maximaal € 25,55.
4. Indien het subsidieplafond wordt overschreden, wordt het bedrag per vo-leerling verlaagd naar rato van het aantal vo-leerlingen waarvoor de subsidie wordt toegekend, tot minimaal € 12,78 per vo-leerling.
Artikel 8a
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 8 is voor het verstrekken van subsidie op grond van deze regeling in 2025 naar aanleiding van subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 3 lid 1a, een bedrag van € 17.250.000 beschikbaar.
2. Het subsidiebedrag dat in 2025 ten hoogste kan worden verstrekt, wordt berekend op basis van het aantal vo-leerlingen op 1 oktober 2024 op de vestigingen van de scholen die op 1 januari 2025 zijn aangesloten bij het desbetreffende samenwerkingsverband.
3. De subsidie bedraagt per vo-leerling € 18,49.
Artikel 9
1. De Minister beoordeelt de subsidieaanvraag, als bedoeld in artikel 7, aan de hand van het beoordelingskader dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.
1a. De Minister beoordeelt de subsidieaanvraag, bedoeld in artikel 3, lid 1a, aan de hand van het beoordelingskader dat als bijlage 1a bij deze regeling is gevoegd.
2.
De subsidieverstrekking kan worden geweigerd indien:
a. a. een samenwerkingsovereenkomst tussen de betrokken samenwerkingsverbanden ontbreekt; b. b. de subsidie wordt aangevraagd voor één of meerdere activiteiten die niet onder de subsidiabele activiteiten vallen; c. c. onvoldoende aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zijn gericht op de doelgroep, bedoeld in artikel 4, eerste lid; d. d. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de criteria van het beoordelingskader.
3. Indien een aanvraag onvolledig is ingediend kan deze binnen vijf werkdagen op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht worden aangevuld. Deze termijn gaat in op de eerste werkdag na verzending van het verzoek om aanvulling door DUS-I.
4. Indien de aanvraag niet tijdig wordt aangevuld kan deze niet in behandeling worden genomen.
Artikel 10
1. De activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt, worden uitgevoerd in de periode van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2025.
2. De penvoerder werkt mee aan door of namens de Minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het door of namens de Minister te voeren beleid en stellen daartoe de daarvoor benodigde gegevens beschikbaar;
3. De penvoerder levert uiterlijk voor 1 september 2025 een activiteitenverslag bij DUS-I aan, met een beschrijving van de uitvoering van de activiteiten en in hoeverre de beoogde doelen behaald zijn.
4. Indien bijzondere omstandigheden daar aanleiding toe geven, kan de Minister op verzoek van de subsidieontvanger toestaan dat wordt afgeweken van de uitvoeringstermijn, bedoeld in het eerste of vijfde lid.
5. In afwijking van het eerste lid worden de activiteiten waarvoor in 2025 subsidie wordt verstrekt naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 3, lid 1a, uitgevoerd in de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 augustus 2028.
6. De penvoerder levert voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 3, lid 1a, het activiteitenverslag, bedoeld in het derde lid, in afwijking van het derde lid uiterlijk op 1 oktober 2027 aan op basis van het daartoe door DUS-I beschikbaar gestelde format.
Artikel 11
1. De subsidie wordt uiterlijk 31 december 2023 vastgesteld.
2. De Minister betaalt het vastgestelde subsidiebedrag in twee termijnen, waarbij twee derde van het subsidiebedrag uiterlijk op 31 december 2023 aan de penvoerder wordt betaald, en één derde van het subsidiebedrag uiterlijk op 31 december in 2024 aan de penvoerder wordt betaald.
3. Indien de activiteiten volledig zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging is verstrekt.
4. In afwijking van het eerste lid wordt een subsidie naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 3, lid 1a, verleend binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 7, lid 2a. De Minister stelt de subsidie vast binnen 22 weken na het moment van indiening van de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 12, met betrekking tot het laatste jaar waarin de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd.
5. In afwijking van het tweede lid verstrekt de minister voor een subsidie naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 3, lid 1a, een voorschot van 100%, dat wordt uitbetaald in drie termijnen. De betaling van de eerste termijn vindt plaats in december 2025 en bedraagt 32,0% van het verleende subsidiebedrag. De betaling van de tweede termijn vindt plaats in december 2026 en bedraagt 33,5% van het verleende subsidiebedrag. De betaling van de derde termijn vindt plaats in december 2027 en bedraagt 34,5%.
Artikel 12
De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.
Artikel 13
De Minister kan één of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 14
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van de subsidies die op grond van deze regeling zijn verstrekt.
Artikel 15
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling onderwijscoalities af- en ombouw gesloten jeugdhulp.
Bijlage 1. Beoordelingskader
Bijlage 1a. Beoordelingskader 2025
Deze bijlage hoort bij artikel 9, lid 1a, van de Subsidieregeling onderwijscoalities af- en ombouw gesloten jeugdhulp.
Bijlage 2. Regio-indeling met aanbieders en coördinerende gemeenten gesloten jeugdhulp
Onderstaande coördinerende gemeenten hebben het bovenregionaal plan en strategisch vastgoedplan in bezit. Het bovenregionaal plan beschrijft het toekomstperspectief voor gesloten jeugdhulpinstellingen in het bovenregionale gebied, en wordt opgeleverd aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het strategisch vastgoedplan geeft inzicht in de vastgoedtransitie vanuit de context van de bestaande jeugdhulp-accommodaties, op basis van het bovenregionaal plan13wetten.nl - Regeling - Regeling specifieke uitkering vastgoedtransitie residentiële jeugdhulp 2021 - BWBR0045673 (overheid.nl).
Deze indeling zou gebruikt kunnen worden bij het komen tot coalities. Coalities hebben de mogelijkheid om af te wijken van deze indeling wanneer deze niet passend is.
^1 Omdat sinds het ontstaan van de regeling ’s Heerenloo zich teruggetrokken heeft als aanbieder gesloten jeugdhulp kan deze instelling in dit verband buiten beschouwing gelaten worden.