40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling Onderwijsregio’s | BWBR0048597 | ministeriele-regeling | geldend | 2023-09-05 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0048597 | Subsidieregeling Onderwijsregio’s |
Subsidieregeling Onderwijsregio’s
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
aspirant-opleidingsschool: aspirant-opleidingsschool waaraan op grond van paragraaf 2.3 van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019, zoals die luidde op 25 april 2023, subsidie is verstrekt; a. bevoegd gezag:
a. bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; of b. instellingsbestuur als bedoeld artikel 1.1 onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs van een instelling die een of meer lerarenopleidingen verzorgt;
a. a. bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; of b. b. instellingsbestuur als bedoeld artikel 1.1 onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs van een instelling die een of meer lerarenopleidingen verzorgt;
- beoordelingsgerichte peer review: peer review uitgevoerd door de commissie beoordelingsgerichte peer review die gericht is op de beoordeling van de basiskwaliteit van de aspirant-opleidingsschool, bedoeld in artikel 22;
- beroepsgroep: vertegenwoordiger of vertegenwoordigers van vak- en beroepsorganisaties van onderwijspersoneel;
- commissie beoordelingsgerichte peer review: commissie beoordelingsgerichte peer review als bedoeld in artikel 25;
- DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs;
- DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
- hoger onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- invalpool: bovenbestuurlijke vervangingspool van samenwerkende besturen binnen een onderwijsregio, waarvan leraren voor vervangingen worden ingezet op scholen binnen de onderwijsregio;
- Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- leerling: leerling als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022, artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC 2022 of artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020. Voor het aantal leerlingen in het primair onderwijs van een onderwijsregio wordt uitgegaan van het aantal leerlingen op teldatum 1 februari 2023 binnen de vestigingen van een onderwijsregio. Voor het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs van een onderwijsregio wordt uitgegaan van het aantal leerlingen op teldatum 1 oktober 2022 binnen de vestigingen van een onderwijsregio;
- lerarenopleiding: op basis van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde bachelor- of masteropleiding die opleidt tot het verkrijgen van een bevoegdheid om les te geven op een school of instelling die valt onder de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- mbo-student: bekostigde student die beroepsonderwijs volgt als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Voor het aantal mbo-studenten binnen een onderwijsregio wordt uitgegaan van het aantal mbo-studenten van de onderwijslocaties van de mbo-instellingen binnen een onderwijsregio op teldatum 1 oktober 2022;
- middelbaar beroepsonderwijs: beroepsonderwijs en opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs;
- onderwijspersoneel: leraren, directeuren en onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel 29 van de Wet op het primair onderwijs, leraren, directeuren, rectoren of overig personeel als bedoeld in artikel 7.2 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of personeel als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- onderwijsregio: via een brief van de minister bevestigde regio waarbinnen schoolbesturen, lerarenopleidingen en de beroepsgroep samen zorgen voor voldoende en goed opgeleid onderwijspersoneel door zich gezamenlijk binnen de onderwijsregio in te zetten op de functies werven, matchen, opleiden, begeleiden en professionaliseren van onderwijspersoneel;
- ontwikkelingsgerichte peer review: peer review georganiseerd door een opleidingsschool die is gericht op kwaliteitsontwikkeling en kwaliteitsborging met gebruikmaking van het Kwaliteitskader Samen Opleiden en Inductie dat op de website van DUS-I is gepubliceerd;
- opleidingsschool: partnerschap, niet zijnde een aspirant-opleidingsschool, tussen één of meer scholen voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden;
- personeelsomvang: totale personeelsomvang uitgedrukt in fte op de peildatum 1 oktober 2022 van de vestigingen voor primair onderwijs en 1 oktober 2022 van de vestigingen voor voortgezet onderwijs in de regio, zoals vastgesteld met behulp van de in het kader van de aanvraagprocedure via www.dus-i.nl beschikbaar gestelde rekentool;
- personeelstekort: bestaand of toekomstig tekort aan voldoende onderwijzend, onderwijsondersteunend of leidinggevend personeel op de vestigingen voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs in de regio;
- primair onderwijs: primair onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra;
- RAP-regio: regio zoals gevormd in het kader van de Subsidieregeling regionale aanpak personeelstekort onderwijs 2020 en 2021, zoals opgenomen in bijlage 2 van die subsidieregeling, zoals die luidde op 14 april 2023;
- Realisatie-Eenheid: organisatie opgericht door het Ministerie van OCW in samenwerking met onderwijsraden en werknemersorganisaties, met de opdracht zorg te dragen voor de vorming van een landelijk dekkend netwerk van onderwijsregio’s en hierop regie op te voeren;
- RIO: Registratie Instellingen en Opleidingen;
- sectoroverstijgende onderwijsregio: subsidieaanvraag voor een onderwijsregio die betrekking heeft op meer dan één van de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs;
- school: uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, of instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- schoolbestuur: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- student: student als bedoeld in artikel 1 van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019, zoals die luidde op 25 april 2023;
- vestiging: vestiging van een uit ’s Rijks kas bekostigde school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de experticecentra, of artikel 1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, zoals geïdentificeerd binnen de Basisregistratie instelling met het Basisregistratie instellingsnummer of volgnummer, of onderwijslocatie van een bekostigde mbo-instelling zoals opgenomen in de RIO;
- voortgezet onderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.4 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- zij-instromer: zij-instromer als bedoeld in artikel 1 van de Regeling subsidie zij-instroom;
Artikel 2
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
Artikel 3
1. De minister kan aan een bevoegd gezag voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 subsidie verstrekken als tegemoetkoming voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in de artikelen 5, 12 of 19.
2. De minister kan geen subsidie verstrekken voor de uitvoering van zowel activiteiten als bedoeld in artikel 5, als activiteiten als bedoeld in artikel 12 of artikel 19.
Artikel 4
1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 in totaal een bedrag beschikbaar van € 90.951.000.
2. Het beschikbare bedrag voor deze regeling wordt eerst aangewend voor de aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 5. Vervolgens worden de resterende middelen evenredig verdeeld over aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 12 en aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 19.
3. Indien het bedrag, bedoeld in het eerste lid, ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, worden de subsidiebedragen naar beneden bijgesteld als bedoeld in artikel 13, vijfde lid, en als bedoeld in artikel 20, zesde lid.
Hoofdstuk 2. Subsidie onderwijsregio’s
Artikel 5
1. De minister kan op grond van dit hoofdstuk voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 subsidie verstrekken aan een penvoerder als bedoeld in artikel 11 als tegemoetkoming voor de uitvoering van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 9 gericht op de samenwerking tussen schoolbesturen, lerarenopleidingen en beroepsgroep in de onderwijsregio om te zorgen voor voldoende goed opgeleid onderwijspersoneel.
2. Een aanvraag kan worden ingediend voor een onderwijsregio.
3. Het plan van aanpak heeft betrekking op activiteiten die gericht zijn op het werven, matchen, opleiden, begeleiden en professionaliseren van onderwijspersoneel in een onderwijsregio.
4. Indien sprake is van een aanvraag die zich richt op slechts één van de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs, wordt in het plan van aanpak opgenomen welke activiteiten zich richten op het komen tot een toekomstige sectoroverstijgende onderwijsregio.
Artikel 6
1.
De subsidie die op grond van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd en verstrekt aan een onderwijsregio bestaat uit:
a. a. een subsidiebedrag voor de ontwikkeling en totstandkoming van een onderwijsregio en de uitvoering van het plan van aanpak, waarbij de maximale hoogte van het aan te vragen en te verstrekken bedrag is opgenomen in bijlage 1 van deze regeling; b. b. voor een sectoroverstijgende onderwijsregio bestaat het maximale subsidiebedrag uit de som van de uit het eerste lid, onderdeel a voortvloeiende maximale subsidiebedragen voor de afzonderlijke sectoren. c. c. een bedrag van € 75.000, indien sprake is van een aanvraag voor een sectoroverstijgende onderwijsregio die bestaat uit twee sectoren en een bedrag van € 150.000 indien sprake is van een aanvraag voor een sectoroverstijgende onderwijsregio die bestaat uit drie sectoren; d. d. een bedrag van € 955 per student en zij-instromer voor de begeleiding van studenten en zij-instromers die hun opleiding op de werkplek volgen en de inrichting en instandhouding van een opleidingsinfrastructuur voor een opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool; en e. e. indien in het plan van aanpak het oprichten van een invalpool is opgenomen, een subsidiebedrag van € 100.000.
2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt vermenigvuldigd met het aantal studenten en zij-instromers dat in schooljaar 2022–2023 is opgeleid op de vestigingen van de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen binnen de desbetreffende onderwijsregio.
3. In afwijking van het tweede lid wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, voor een aspirant-opleidingsschool die in 2022 is gestart als aspirant-opleidingsschool vermenigvuldigd met het aantal studenten en zij-instromers dat in het schooljaar 2023–2024 is opgeleid op de vestigingen van de aspirant-opleidingsschool binnen de desbetreffende onderwijsregio.
4. Voor een aspirant-opleidingsschool die in 2022 is gestart als aspirant-opleidingsschool wordt in afwijking van het eerste lid, onderdeel d, voor het jaar 2024 vijf twaalfde deel van het in dat onderdeel bedoelde bedrag per student en zij-instromer toegekend.
5. Indien een of meerdere mbo-instellingen deelnemen aan een sectoroverstijgende onderwijsregio en het aantal mbo-studenten lager is dan 15.000, dan wordt, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, en bijlage 1, voor de sector mbo een bedrag van € 115.000 in aanmerking genomen.
6. Indien het bedrag, bedoeld in artikel 4 ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen op grond van dit hoofdstuk te kunnen toewijzen, worden de subsidiebedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, per aanvraag evenredig naar beneden bijgesteld.
Artikel 7
1. Een penvoerder van een onderwijsregio kan een aanvraag op grond van dit hoofdstuk indienen.
2. Een aanvraag voor de subsidie kan worden ingediend van 2 oktober 2023 om 09:00 uur tot en met 31 oktober 2023 om 16:00 uur. Aanvragen die worden ingediend na 31 oktober 2023 om 16:00 uur, worden afgewezen.
2. De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het digitale aanvraagformulier dat daartoe op de website van de DUS-I beschikbaar wordt gesteld.
3.
Een aanvraag voor subsidie gaat vergezeld van:
a. a. een plan van aanpak; b. b. een lijst met partijen die deelnemen aan de uitvoering van het plan van aanpak onderwijsregio, waarbij wordt vermeld:
1°.
per bevoegd gezag de naam zoals vastgelegd in RIO, en
2°.
per vestiging het in RIO geïdentificeerde nummer van de vestiging waarvoor de aanvraag wordt ingediend;
1°. 1°. per bevoegd gezag de naam zoals vastgelegd in RIO, en 2°. 2°. per vestiging het in RIO geïdentificeerde nummer van de vestiging waarvoor de aanvraag wordt ingediend; c. c. een opsomming van de gemeentes die de onderwijsregio vormen; d. d. een opsomming van deelnemende opleidingsscholen of aspirant-opleidingsscholen; en e. e. een opgave van het aantal studenten en zij-instromers dat in schooljaar 2022–2023 is opgeleid op de vestigingen van opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen binnen een onderwijsregio;
4. Indien een vestiging deel uitmaakt van meerdere aanvragen als bedoeld in artikel 8, tweede tot en met vierde lid, dan neemt DUS-I contact op met de betreffende penvoerders om te bepalen in welke aanvraag de vestiging deelneemt.
5. De aanvraag wordt medeondertekend door alle bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij de aanvraag. Hiermee verklaren zij gezamenlijk het plan van aanpak uit te zullen voeren. Zij verklaren bovendien dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder onderwijsregio van de besteding van de subsidie op verzoek aan de penvoerder onderwijsregio worden verstrekt.
Artikel 8
1. Een onderwijsregio bestaat minimaal uit de schoolbesturen met deelnemende vestigingen, één of meer lerarenopleidingen en een of meer vertegenwoordigers van de beroepsgroep. Tevens kunnen andere partijen deelnemen, zoals educatieve associate degree opleidingen en een beroepsopleiding van een mbo-instelling als opleider voor onderwijsondersteunend personeel.
2. Een vestiging kan in maximaal één aanvraag van een onderwijsregio deelnemen. Het is voor een vestiging niet mogelijk om in meerdere onderwijsregio’s deel te nemen, met uitzondering van de landelijke onderwijsregio voor het groen onderwijs.
3. Een vestiging kan niet tegelijkertijd deelnemen aan een onderwijsregio en een RAP-regio, met uitzondering van de landelijke onderwijsregio voor het groen onderwijs.
4. Een vestiging kan niet tegelijkertijd deelnemen aan een onderwijsregio en een opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool.
5. Een bevoegd gezag van een lerarenopleiding kan als opleider deelnemen aan meerdere onderwijsregio’s.
6. Een vestiging van een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.1.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs die gericht is op het opleiden van onderwijsondersteunend personeel kan als opleider deelnemen aan meerdere onderwijsregio’s.
Artikel 9
1.
Het plan van aanpak bevat voor de periode waarop deze betrekking heeft, in aanvulling op de onderdelen van artikel 3.4 van de Kaderregeling, in ieder geval een beschrijving van:
a. a. de onderwijsregio met een beschrijving van de onderwijsarbeidsmarktsituatie in de onderwijsregio en welke vraagstukken die kenmerkend zijn voor de regionale onderwijsarbeidsmarkten die de partijen gezamenlijk aan gaan pakken; b. b. activiteiten gericht op het bereiken van doelen met betrekking tot het werven, matchen, opleiden, begeleiden en professionaliseren van onderwijspersoneel; c. c. de uitwerking van de ambitie om 100% van de studenten en zij-instromers op te leiden binnen opleidingsscholen binnen de onderwijsregio die werken conform het Kwaliteitskader Samen Opleiden en Inductie als bedoeld in artikel 1 van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019, zoals die luidde op 25 april 2023; d. d. activiteiten gericht op het begeleiden van startende leraren, en schoolleiders en hun verdere professionalisering; e. e. de wijze waarop partijen zich inzetten om alle besturen en lerarenopleidingen in de onderwijsregio aangesloten te krijgen; f. f. de wijze waarop de realisatie van de doelen wordt gevolgd en vastgesteld; g. g. de aanstelling van een projectleider ter uitvoering van het plan; h. h. op welke wijze een loket wordt ingericht voor de onderwijsregio om potentieel onderwijspersoneel te informeren over de ontwikkelmogelijkheden en waar nodig door te geleiden naar routes ter verkrijging van een aanstelling in het onderwijs; i. i. op welke wijze de governance in de onderwijsregio wordt vormgegeven; j. j. indien een invalpool onderdeel uitmaakt van een onderwijsregio, worden de activiteiten die samenhangen met het inrichten en in stand houden van de invalpool opgenomen; en k. k. indien sprake is van een sectorspecifieke aanvraag, activiteiten die zich richten op de doorontwikkeling naar een toekomstige sectoroverstijgende onderwijsregio.
2. Het plan van aanpak van de onderwijsregio wordt door de minister na toekenning van de subsidie openbaar gemaakt met inachtneming van de voorschriften uit de Algemene verordening gegevensbescherming.
3. In het plan van aanpak kunnen geen activiteiten worden opgenomen, waarvoor de ministers reeds op grond van een andere regeling subsidie hebben verstrekt.
Artikel 10
1. De activiteiten waarvoor op grond van dit hoofdstuk subsidie wordt verstrekt, worden uitgevoerd in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024.
2. De penvoerder van de onderwijsregio is ervoor verantwoordelijk dat de deelnemende partijen uit de aanvraag meewerken aan monitoring en evaluatie van deze regeling.
3. De penvoerder van de onderwijsregio is ervoor verantwoordelijk dat de deelnemende partijen uit de aanvraag op verzoek van de minister of de Realisatie-Eenheid actief meewerken aan kennisdelingsactiviteiten.
4. De penvoerder onderwijsregio is ervoor verantwoordelijk dat de opleidingsscholen binnen de onderwijsregio ten minste iedere zes jaar een ontwikkelingsgerichte peer review organiseert, met dien verstande dat de eerste ontwikkelingsgerichte peer review wordt georganiseerd binnen vier jaar na de beoordelingsgerichte peer review waarmee de basiskwaliteit is vastgesteld. De ontwikkelingsgerichte peer review vindt plaats door een onafhankelijk panel bestaand uit in ieder geval vertegenwoordigers van ten minste twee andere opleidingsscholen.
5. De penvoerder onderwijsregio is ervoor verantwoordelijk dat in het jaar waarin de opleidingsscholen binnen de onderwijsregio de ontwikkelingsgerichte peer review organiseren, de opleidingsscholen het rapport van de ontwikkelingsgerichte peer review aanleveren.
6. De vestigingen van opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen binnen een onderwijsregio leiden in schooljaar 2022–2023 gezamenlijk minimaal 150 studenten en zij-instromers op. Alle studenten en zij-instromers, die in schooljaar 2022–2023 zijn opgeleid binnen vestigingen van opleidingsscholen en vestigingen van aspirant opleidingsscholen binnen een onderwijsregio tellen mee.
7.
In afwijking van artikel 5.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is de penvoerder ervoor verantwoordelijk dat een administratie wordt bijgehouden:
a. a. waarin inzichtelijk en controleerbaar het aantal studenten en zij-instromers is geregistreerd, dat in schooljaar 2022–2023 op de vestigingen van opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen binnen een onderwijsregio is opgeleid; b. b. die zodanig is opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate rapportages; en c. c. die voldoende mogelijkheden biedt voor een goede accountantscontrole op de juistheid van de in onderdeel a genoemde gegevens.
Artikel 11
1. Een bevoegd gezag dat deelneemt aan de onderwijsregio treedt namens de andere bevoegde gezagsorganen in de regio op als penvoerder van de onderwijsregio.
2. De subsidie, bedoeld in artikel 5, wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder van de onderwijsregio.
3. De penvoerder van de onderwijsregio is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke van de deelnemende partijen feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
Hoofdstuk 3. Subsidie RAP-regio
Artikel 12
1. De minister kan op grond van dit hoofdstuk voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 subsidie verstrekken aan een penvoerder van een RAP-regio als bedoeld in artikel 18 als tegemoetkoming voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 16 gericht op de bestaande of te verwachten kwantitatieve en kwalitatieve tekorten in de personeelsvoorziening.
2. Voor een RAP-regio wordt uitgegaan van de op grond van de Subsidieregeling regionale aanpak personeelstekort onderwijs 2020 en 2021 gevormde RAP-regio’s, zoals die luidde op 14 april 2023.
3. De in het tweede lid genoemde RAP-regio kan worden gewijzigd.
4. Indien door een wijziging als bedoeld in het derde lid het aantal deelnemers aan een RAP-regio vermindert, wordt de personeelsomvang van de vestigingen in de RAP-regio opnieuw vastgesteld.
5. In aanvulling op het eerste lid zijn in het plan van aanpak tevens activiteiten opgenomen die gericht zijn op de vorming van een onderwijsregio.
Artikel 13
1. De subsidie die op grond van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd en verstrekt, bedraagt per RAP-regio ten hoogste het bedrag dat is opgenomen in de in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen tabel.
2. Indien in de aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk geen instelling voor middelbaar beroepsonderwijs meer deelneemt aan de RAP-regio, dan wordt het maximale subsidiebedrag verlaagd met 23 procent.
3. Indien in de aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk een aantal schoolbesturen en vestigingen niet meer deelneemt aan de RAP-regio en de personeelsomvang van de resterende deelnemende vestigingen tussen 400 en 800 fte voor een RAP-regio in het primair onderwijs is, of tussen 600 en 1.200 fte voor een RAP-regio in het voortgezet onderwijs, dan bedraagt het maximale subsidiebedrag voor een RAP-regio in het primair onderwijs en een RAP-regio in het voortgezet onderwijs € 115.500 en voor een RAP-regio voor zowel voortgezet onderwijs als middelbaar beroepsonderwijs € 150.150.
4. Indien in de aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk een aantal schoolbesturen niet meer deelneemt aan de RAP-regio en de personeelsomvang van de resterende deelnemende vestigingen lager is dan 400 fte voor een RAP-regio primair onderwijs of lager is dan 600 fte voor een RAP-regio voortgezet onderwijs, dan is het niet mogelijk om subsidie aan te vragen.
5. Indien het bedrag, bedoeld in artikel 4, ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen op grond van dit hoofdstuk te kunnen toewijzen, worden de subsidiebedragen naar rato naar beneden vastgesteld.
Artikel 14
1. Een penvoerder van een RAP-regio kan alleen een aanvraag op grond van dit hoofdstuk indienen voor een RAP-regio zoals opgenomen in bijlage 2.
2. Per RAP-regio kan maximaal één subsidieaanvraag worden toegekend voor de sector primair onderwijs en maximaal één subsidieaanvraag voor de sector voortgezet onderwijs met eventueel de sector middelbaar beroepsonderwijs. Dit geldt ook in het geval van een sectoroverstijgende aanvraag.
3. Het is voor een vestiging niet mogelijk om in een RAP-regio deel te nemen en in een onderwijsregio, met uitzondering van een vestiging in de landelijke onderwijsregio voor het groen onderwijs.
4. Indien een vestiging deel uitmaakt van een subsidieaanvraag voor een RAP-regio en een subsidieaanvraag voor een onderwijsregio, dan neemt DUS-I contact op met de betreffende penvoerders om te bepalen in welke aanvraag de vestiging deelneemt.
Artikel 15
1. Een penvoerder van een RAP-regio kan een aanvraag op grond van dit hoofdstuk indienen.
2. Een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend van 2 oktober 09:00 uur 2023 tot en met 31 oktober 2023 16:00 uur. Aanvragen die worden ingediend na 31 oktober 2023 16:00 uur worden afgewezen.
3. De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het digitale aanvraagformulier dat daartoe op de website van de DUS-I beschikbaar wordt gesteld en, indien artikel 12, derde lid, van toepassing is de daarbij behorende rekentool ter vaststelling van de besturen en de personeelsomvang van de vestigingen in de regio, die daartoe via de website van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen beschikbaar worden gesteld.
4.
Een aanvraag voor subsidie gaat vergezeld van:
a. a. een plan van aanpak; en b. b. een lijst met de besturen met deelnemende vestigingen en eventuele andere partijen die deelnemen aan de uitvoering van het plan van aanpak RAP-regio. De lijst met partijen gaat vergezeld van:
1°.
per bevoegd gezag de naam zoals vastgelegd in RIO, en
2°.
het in RIO geïdentificeerde nummer van de vestiging waarvoor de aanvraag wordt ingediend.
1°. 1°. per bevoegd gezag de naam zoals vastgelegd in RIO, en 2°. 2°. het in RIO geïdentificeerde nummer van de vestiging waarvoor de aanvraag wordt ingediend.
5. De aanvraag wordt medeondertekend door alle partijen die betrokken zijn bij de aanvraag. Hiermee verklaren zij gezamenlijk het plan van aanpak uit te zullen voeren. Zij verklaren bovendien dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder RAP-regio van de besteding van de subsidie op verzoek aan de penvoerder RAP-regio worden verstrekt.
Artikel 16
1.
Het plan van aanpak bevat voor de periode waarop deze betrekking heeft, in aanvulling op de onderdelen van artikel 3.4 van de Kaderregeling, in ieder geval een beschrijving van:
a. a. de regio met hierin opgenomen een beschrijving van de onderwijsarbeidsmarktsituatie in de regio en welke vraagstukken kenmerkend zijn voor de regionale onderwijsarbeidsmarkt, die de partijen vanuit collectieve verantwoordelijkheid aan gaan pakken; b. b. de activiteiten om de doelen te bereiken; c. c. de wijze waarop de realisatie van de doelen wordt gevolgd en vastgesteld; d. d. activiteiten gericht op de aanpak van de bestaande of te verwachten kwantitatieve en kwalitatieve tekorten in de personeelsvoorziening; e. e. de aanstelling van een projectleider ter uitvoering van het plan; f. f. de inrichting of continuering van de inrichting van het informatiepunt of loket voor de regio om potentieel onderwijspersoneel te informeren over de ontwikkelmogelijkheden en waar nodig door te geleiden naar routes ter verkrijging van een aanstelling in het onderwijs; g. g. op welke manier de regio inzet op strategische personeelsplanning; en h. h. op welke manier de regio zich inzet om te komen tot een onderwijsregio en waarop partijen zich inzetten om alle besturen en lerarenopleidingen in de toekomstige onderwijsregio aangesloten te krijgen of vertegenwoordigd te krijgen.
2. Het plan van aanpak van de RAP-regio wordt door de minister na toekenning van de subsidie openbaar gemaakt met inachtneming van de voorschriften uit de Algemene verordening gegevensbescherming.
3. In het plan van aanpak kunnen geen activiteiten worden opgenomen, waarvoor de ministers reeds op grond van een andere regeling subsidie hebben verstrekt.
Artikel 17
1. De activiteiten waarvoor op grond van dit hoofdstuk subsidie wordt verstrekt, worden uitgevoerd in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024.
2. De penvoerder van de RAP-regio is ervoor verantwoordelijk dat de deelnemende partijen uit het plan van aanpak RAP regio meewerken aan monitoring en evaluatie van deze regeling ten behoeve van een lerende aanpak.
3. De penvoerder van de RAP-regio is ervoor verantwoordelijk dat de deelnemende partijen uit de aanvraag op verzoek van de minister of de Realisatie-Eenheid actief meewerken aan kennisdelingsactiviteiten.
Artikel 18
1. Een bevoegd gezag dat deelneemt aan de RAP-regio treedt namens de andere bevoegde gezagsorganen in de regio op als penvoerder van de RAP-regio.
2. Subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder RAP-regio.
3. De penvoerder RAP-regio is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
Hoofdstuk 4. Subsidie opleidingsscholen
Artikel 19
1.
De minister kan voor de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 subsidie verstrekken aan een penvoerder als bedoeld in artikel 24 als tegemoetkoming in:
a. a. de kosten van het in gezamenlijkheid opleiden van toekomstige leraren op de werkplek; b. b. de inrichting en instandhouding van een opleidingsinfrastructuur voor een opleidingsschoolof aspirant-opleidingsschool; en c. c. activiteiten die gericht zijn op de vorming van een onderwijsregio.
2. Het is uitgesloten om activiteiten op te nemen, waarvoor de ministers reeds op grond van een andere regeling subsidie hebben verstrekt.
Artikel 20
1.
De subsidie die op grond van dit hoofdstuk kan worden toegekend aan een opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool bestaat uit:
a. a. een vast subsidiebedrag van € 100.000 voor de ontwikkeling en instandhouding van de basisinfrastructuur; en b. b. een subsidiebedrag van € 955 per student en zij-instromer voor de begeleiding van studenten en zij-instromers die hun opleiding op de werkplek volgen en de inrichting en instandhouding van een opleidingsinfrastructuur voor een opleidingsschool; en
2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt berekend door het aantal studenten en zij-instromers dat in schooljaar 2022–2023 is opgeleid op de vestigingen van de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool te vermenigvuldigen met € 955.
3. In afwijking van het tweede lid wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voor een aspirant-opleidingsschool die in 2022 is gestart als aspirant-opleidingsschool vermenigvuldigd met het aantal studenten en zij-instromers dat in het schooljaar 2023–2024 is opgeleid op de vestigingen van de aspirant-opleidingsschool binnen de desbetreffende onderwijsregio.
4. De aspirant-opleidingsschool die in 2022 is gestart als aspirant-opleidingsschool komt slechts in aanmerking voor vijf twaalfde deel van het subsidiebedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor het jaar 2024.
5. Indien in de aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk een aantal vestigingen niet meer deelneemt aan de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool en het aantal studenten en zij-instromers tussen de 30 en 60 is in het schooljaar 2022–2023, dan wordt het maximale subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, € 60.000.
6. Indien in de aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk een aantal vestigingen niet meer deelneemt aan de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool en het aantal studenten en zij-instromers lager is dan 30 in schooljaar 2022–2023, dan vervalt het subsidiebedrag in het eerste lid, onderdeel a.
6. Indien het bedrag, bedoeld in artikel 4, ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen op grond van dit hoofdstuk te kunnen toewijzen, ontvangt een opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool eerst het subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Vervolgens verdeelt de minister het resterende bedrag voor het subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, evenredig over de ingediende aanvragen, zodanig dat elke opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool een gelijk bedrag ontvangt, met uitzondering van de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen, bedoeld in het vierde lid.
Artikel 21
1. Een aanvraag voor de subsidie kan worden ingediend van 2 oktober 09:00 uur 2023 tot en met 31 oktober 2023 16:00 uur. Aanvragen die worden ingediend na 31 oktober 2023 16:00 uur worden afgewezen.
2. De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het digitale aanvraagformulier dat daartoe op de website van de DUS-I beschikbaar wordt gesteld.
3.
Een aanvraag voor subsidie gaat vergezeld van een vermelding van:
a. a. een lijst van de besturen van de desbetreffende opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool met per bevoegd gezag de naam zoals vastgelegd in RIO; b. b. een lijst van de vestigingen van de desbetreffende opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool, waarbij per deelnemende vestiging is het in RIO geïdentificeerde nummer van de vestiging waarvoor de aanvraag wordt ingediend opgenomen; en c. c. opgave van het aantal studenten en zij-instromers dat in schooljaar 2022–2023 is opgeleid op de vestigingen van de betreffende opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool;
4. Het is voor een vestiging niet mogelijk om in een opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool deel te nemen en in een onderwijsregio, met uitzondering van een vestiging in de landelijke onderwijsregio voor het groen onderwijs.
5. Indien een vestiging deel uitmaakt van een aanvraag van een onderwijsregio en van een aanvraag voor een opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool, dan neemt DUS-I contact op met de betreffende penvoerders om te bepalen in welke aanvraag de vestiging deelneemt.
6. De aanvraag wordt medeondertekend door alle partijen die betrokken zijn bij de aanvraag. Zij verklaren bovendien dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.
Artikel 22
1. De minister beoordeelt in 2024 de basiskwaliteit van de aspirant-opleidingsscholen die in 2020 zijn gestart als aspirant-opleidingsschool aan de hand van de criteria, opgenomen in bijlage 1 van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019, zoals die luidde op 25 april 2023.
2. De minister vraagt hierover advies aan de commissie beoordelingsgerichte peer review. De commissie beoordelingsgerichte review brengt binnen acht weken advies uit aan de Minister, in de vorm van een rapport van de beoordelingsgerichte peer review.
3. Indien de minister de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool als voldoende beoordeelt, wordt de aspirant-opleidingsschool aangewezen als opleidingsschool.
4. Indien de minister de basiskwaliteit van een aspirant-opleidingsschool als onvoldoende beoordeelt, wordt de aspirant-opleidingsschool niet aangewezen als opleidingsschool.
Artikel 23
1. De activiteiten waarvoor op grond van dit hoofdstuk subsidie wordt verstrekt, worden uitgevoerd in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024.
2. De penvoerder van de opleidingsschool is ervoor verantwoordelijk dat de deelnemende partijen uit de aanvraag meewerken aan monitoring en evaluatie van deze regeling ten behoeve van een lerende aanpak.
3. De penvoerder van de opleidingsschool is ervoor verantwoordelijk dat de deelnemende partijen uit de aanvraag op verzoek actief van de minister of de Realisatie-Eenheid meewerken aan kennisdelingsactiviteiten.
4. De penvoerder opleidingsschool is ervoor verantwoordelijk dat de opleidingsschool ten minste iedere zes jaar een ontwikkelingsgerichte peer review organiseert, met dien verstande dat de eerste ontwikkelingsgerichte peer review wordt georganiseerd binnen vier jaar na de beoordelingsgerichte peer review waarmee de basiskwaliteit is vastgesteld. De ontwikkelingsgerichte peer review vindt plaats door een onafhankelijk panel bestaand uit in ieder geval vertegenwoordigers van ten minste twee andere opleidingsscholen.
5. De penvoerder is ervoor verantwoordelijk dat in het jaar waarin de opleidingsschool de ontwikkelingsgerichte peer review organiseert, de opleidingsschool het rapport van de ontwikkelingsgerichte peer review aanlevert.
6. Opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen gaan aan de slag met de vorming van onderwijsregio’s onder begeleiding van de Realisatie-Eenheid.
7.
In afwijking van artikel 5.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is de penvoerder van de opleidingsschool ervoor verantwoordelijk dat een administratie wordt bijgehouden:
a. a. waarin inzichtelijk en controleerbaar het aantal studenten en zij-instromers is geregistreerd, dat in schooljaar 2022–2023 op de vestigingen van de betreffende opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool is opgeleid; b. b. die zodanig is opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate rapportages; en c. c. die voldoende mogelijkheden biedt voor een goede accountantscontrole op de juistheid van de in a genoemde gegevens.
Artikel 24
1. Vanuit de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool treedt één bevoegd gezag op als penvoerder opleidingsschool.
2. Subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder van de opleidingsschool.
3. De penvoerder van de opleidingsschool is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke van de samenwerkende bevoegde gezagsorganen feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
Artikel 25
1. Er is een commissie beoordelingsgerichte peer review, die bestaat uit onafhankelijke deskundigen op het gebied van Samen Opleiden en een voorzitter. De leden en de voorzitter van de commissie worden benoemd door de Minister.
2.
De commissie heeft tot taak:
a. a. het begeleiden van aspirant-opleidingsscholen; en b. b. het uitvoeren van beoordelingsgerichte peer review.
3. DUS-I voert het secretariaat van de commissie beoordelingsgerichte peer review.
4. De werkwijze en samenstelling van de commissie wordt gepubliceerd op de website van DUS-I.
5. De commissie functioneert bij de uitvoering van haar taken in een wisselende samenstelling van ten minste drie commissieleden bij het uitvoeren van de beoordelingsgerichte peer review.
Hoofdstuk 5. Verantwoording
Artikel 26
1. In afwijking van artikel 9.1, vierde lid, van de Kaderregeling wordt de subsidie aan de penvoerder, als bedoeld in hoofdstuk 2, 3 en 4, binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagperiode verleend. De minister verstrekt een voorschot van 100%, dat in één keer wordt uitbetaald.
2. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, onderscheidenlijk de Regeling jaarverslaggeving onderwijs BES, met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.
3. De subsidie wordt binnen een jaar na indiening van de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de activiteitenperiode vastgesteld.
4. Indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend geheel zijn verricht en volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de verleende subsidie, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd.
5. De penvoerder toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn. In dit kader zal in ieder geval een steekproefsgewijze controle plaatsvinden.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 27
De minister kan deze regeling in bijzondere gevallen buiten toepassing verklaren of daarvan afwijken, voor zover de toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden.
Artikel 28
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2028.
Artikel 29
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Onderwijsregio’s.
Bijlage 1. behorende bij
De subsidiebedragen worden volgens de onderstaande tabellen bepaald op basis van aantal leerlingen en of mbo-studenten van de deelnemende vestigingen in de onderwijsregio. In het geval van een sectoroverstijgende aanvraag worden de bedragen bij elkaar opgeteld. Voor de landelijke onderwijsregio voor het groen onderwijs is het maximale aan te vragen en te verstrekken bedrag vastgesteld op € 425.000.