40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling praktijkleren | BWBR0034144 | ministeriele-regeling | geldend | 2025-09-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0034144 | Subsidieregeling praktijkleren |
Subsidieregeling praktijkleren
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*beroepsopleiding:* beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid, van de WEB, of artikel 7.1.2, tweede lid van de WEB BES;
b. b.
*gerealiseerde praktijkleerplaats:* het aantal weken dat tijdens de praktijkleerplaats daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep plaats vindt tot ten hoogste 40 weken per studiejaar gedeeld door 40 voor zover het een beroepsopleiding, het voortgezet speciaal onderwijs of het voortgezet onderwijs betreft, onderscheidenlijk tot ten hoogste 42 weken gedeeld door 42 voor zover het een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft;
c. c.
*gerealiseerde werkleerplaats:* het aantal maanden in een studiejaar dat een promovendus zijn onderzoek verricht of een technologisch ontwerper in opleiding staat ingeschreven bij een universiteit voor zijn opleiding, gedeeld door twaalf en vermenigvuldigd met de totale arbeidsduur van de promovendus of technologisch ontwerper in opleiding in uren per week tot ten hoogste 36 uur gedeeld door 36;
d. d.
*hbo-student:* student die is ingeschreven aan een hoger beroepsopleiding;
e. e.
*KNAW:* Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de WHW;
f. f.
*leerling:* leerling als bedoeld in de WEC of de WVO 2020;
g. g.
*mbo-student: * student als bedoeld in de WEB, of de WEB BES;
h. h.
*minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
i. i.
*NWO:* Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;
j. j.
*praktijkleerovereenkomst:* overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8 van de WEB, artikel 7.2.7 van de WEB BES, artikel 7.7, vijfde lid, van de WHW of 2.103, zesde lid, van de WVO 2020 dan wel stage-overeenkomst als bedoeld in artikel 9 van het Onderwijskundig besluit WEC, respectievelijk artikel 2.36 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020;
k. k.
*praktijkleerplaats:* tijdsduur gedurende welk een bedrijf of organisatie onderricht in de praktijk van het beroep voor een leerling, mbo-student of hbo-student verzorgt op grond van een praktijkleerovereenkomst;
l. l.
*promovendus:* natuurlijke persoon die een onderzoek verricht gericht op promotie als bedoeld in artikel 7.18 WHW;
m. m.
*studiejaar:* tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van een kalenderjaar en eindigt op 31 juli van het daaropvolgende kalenderjaar voor zover het een beroepsopleiding, het voortgezet speciaal onderwijs of het voortgezet onderwijs betreft of tijdvak dat aanvangt op 1 september van een kalenderjaar en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar voor zover het een opleiding in het hoger beroepsonderwijs of een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding betreft;
n. n.
*technologisch ontwerper in opleiding:* natuurlijk persoon die staat ingeschreven bij een universiteit voor de opleiding gericht op de titel PDEng;
o. o.
*universiteit:* bekostigde universiteit als bedoeld in de onderdelen a en b, van de bijlage bij de WHW;
p. p.
*WEB:*
Wet educatie en beroepsonderwijs;
q. q.
*WEB BES:*
Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
r. r.
*WEC:*
Wet op de expertisecentra;
s. s.
*werkgever:* bedrijf of organisatie die de praktijkleerplaats of werkleerplaats verzorgt en omschreven als bedoeld in artikel 4, tweede lid, 6, tweede lid, 8, tweede lid, onderscheidenlijk 10, tweede lid;
t. t.
*werkleerplaats:* tijdsduur gedurende welke een promovendus aan een universiteit of instituut van de KNAW of NWO zijn onderzoek verricht of welke een technologisch ontwerper in opleiding zijn opleiding volgt;
u. u.
*WHW:*
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
v. v.
*WVO 2020:*
Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 2
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
Artikel 3
1. Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van werkgevers tot het bieden van praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen door middel van de verstrekking van subsidie.
2. De subsidie is een tegemoetkoming in de kosten van een werkgever voor de begeleiding van een leerling, mbo-student of hbo-student of een tegemoetkoming in de loonkosten of begeleidingskosten van een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding.
Artikel 4
1. De minister kan subsidie verstrekken aan een werkgever voor een gerealiseerde praktijkleerplaats voor een mbo-student in het kader van een beroepsopleiding voor zover het betreft de beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, van de WEB, of artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel b, van de WEB BES.
2. Onder werkgever wordt in dit artikel verstaan het bedrijf dat of de organisatie die het onderricht in de praktijk van het beroep voor de mbo-student verzorgt.
3. Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor een gerealiseerde praktijkleerplaats voor een mbo-student in het kader van een beroepsopleiding, bedoeld in het eerste lid, indien de beroepspraktijkvormingsovereenkomst uitsluitend betrekking heeft op één of meer keuzedelen.
Artikel 5
1.
Subsidie op grond van artikel 4 wordt slechts verstrekt voor zover:
a. a. de mbo-student gedurende het desbetreffende studiejaar of een deel daarvan een beroepsopleiding heeft gevolgd die gericht is op het behalen van een kwalificatie die is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de WEB en artikel 6.1.1 van de WEB BES; b. b. de volgende gegevens aan de Minister zijn geleverd als bedoeld in artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers:
1°.
het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet;
2°.
de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en
3°.
de diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet;
1°. 1°. het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet; 2°. 2°. de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en 3°. 3°. de diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet; c. c. het onderwijsprogramma van de beroepsopleiding, bedoeld onder a, aan de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming voldoet als bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van de WEB of artikel 7.2.6 van de WEB BES; d. d. de verzorging van het onderricht in de praktijk van het beroep voor de mbo-student door de werkgever plaats heeft gevonden op grond van en overeenkomstig een praktijkleerovereenkomst; e. e. de werkgever beschikt over een aanwezigheidsregistratie van de mbo-student bij de beroepspraktijkvorming; en f. f. de werkgever beschikt over een administratie waaruit de begeleiding van de mbo-student blijkt en de wijze waarop de mbo-student het deel van de beroepsopleiding met betrekking tot de beroepspraktijkvorming heeft gerealiseerd.
2. De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geldt niet voor gerealiseerde praktijkleerplaatsen op Bonaire.
Artikel 6
1. De minister kan subsidie verstrekken aan een werkgever voor een gerealiseerde praktijkleerplaats voor een hbo-student in het kader van een duale opleiding in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de WHW of een deeltijdse opleiding in het hoger beroepsonderwijs waarbij de beroepsuitoefening een verplicht onderdeel vormt van de opleiding.
2. Onder werkgever wordt in dit artikel verstaan een in Nederland gevestigd bedrijf dat of organisatie die het onderricht in de beroepsuitoefening voor de hbo-student verzorgt.
Artikel 7
Subsidie op grond van artikel 6 wordt slechts verstrekt voor zover:
a. a. de hbo-student gedurende het desbetreffende studiejaar een opleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft gevolgd waarvoor op grond van artikel 5.8 of artikel 5.11 van de WHW accreditatie is verleend en de opleiding is opgenomen in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13 van de WHW en artikel 6.1.1. van de WEB BES, en de code van de opleiding is opgenomen in de onderdelen 1°. techniek, 2°. gezondheidszorg, gedrag en maatschappij, of 3°. landbouw en natuurlijke omgeving; b. b. de volgende gegevens aan de Minister zijn geleverd als bedoeld in artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers:
1°.
het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet;
2°.
de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en
3°.
De diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet;
1°. 1°. het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet; 2°. 2°. de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en 3°. 3°. De diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet; c. c. de verzorging van het onderricht in de praktijk van het beroep voor de hbo-student door de werkgever plaats heeft gevonden op grond van en overeenkomstig een praktijkleerovereenkomst; d. d. de werkgever beschikt over een aanwezigheidsregistratie van de hbo-student bij de beroepsuitoefening; en e. e. de werkgever beschikt over een administratie waaruit de begeleiding van de hbo-student blijkt en de wijze waarop de hbo-student het deel van de kwaliteiten met betrekking tot de beroepsuitoefening heeft gerealiseerd.
Artikel 8
1. De minister kan subsidie verstrekken aan een werkgever voor een gerealiseerde werkleerplaats voor een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding.
2. Onder werkgever wordt in dit artikel verstaan een privaatrechtelijke rechtspersoon, met uitzondering van de bijzondere universiteiten of de daaraan verbonden academische ziekenhuizen genoemd in de bijlage bij de WHW en de privaatrechtelijke onderzoeksorganisaties.
Artikel 9
1.
Subsidie op grond van artikel 8 wordt slechts verstrekt voor zover:
a. a. de promovendus:
1°
voor zijn onderzoek een arbeidsovereenkomst met een universiteit of een instituut van de NWO of de KNAW heeft, op basis van een overeenkomst tussen één van die instellingen en de werkgever over de financiering van de loonkosten van de promovendus door de werkgever; of
2°
met de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft en de werkgever een overeenkomst heeft met een universiteit of een instituut van de NWO of de KNAW over de begeleiding door die instelling van de promovendus bij diens onderzoek; of
1° 1° voor zijn onderzoek een arbeidsovereenkomst met een universiteit of een instituut van de NWO of de KNAW heeft, op basis van een overeenkomst tussen één van die instellingen en de werkgever over de financiering van de loonkosten van de promovendus door de werkgever; of 2° 2° met de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft en de werkgever een overeenkomst heeft met een universiteit of een instituut van de NWO of de KNAW over de begeleiding door die instelling van de promovendus bij diens onderzoek; of b. b. de technologisch ontwerper in opleiding:
1°
voor zijn opleiding een arbeidsovereenkomst met een universiteit heeft en in dat kader een ontwerpopdracht bij de werkgever vervult op basis van een overeenkomst tussen de universiteit en de werkgever; of
2°
een arbeidsovereenkomst heeft met de werkgever en de werkgever een overeenkomst heeft met een universiteit over de begeleiding door de universiteit van de technologisch ontwerper in opleiding bij diens opleiding.
1° 1° voor zijn opleiding een arbeidsovereenkomst met een universiteit heeft en in dat kader een ontwerpopdracht bij de werkgever vervult op basis van een overeenkomst tussen de universiteit en de werkgever; of 2° 2° een arbeidsovereenkomst heeft met de werkgever en de werkgever een overeenkomst heeft met een universiteit over de begeleiding door de universiteit van de technologisch ontwerper in opleiding bij diens opleiding.
2.
De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, bevat in ieder geval:
a. a. een bepaling dat de werkgever de loonkosten van de promovendus financiert; b. b. de periode van de arbeidsovereenkomst met de instelling, bedoeld in dat onderdeel, en de totale arbeidsduur in uren per week van de promovendus; en c. c. de naam en het adres van de werkgever, de instelling en de promovendus.
3.
De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, bevat in ieder geval:
a. a. de zaken, bedoeld in het tweede lid, onder a en c; en b. b. de periode van de begeleiding door de instelling, bedoeld in dat onderdeel, en de totale arbeidsduur in uren per week van de promovendus bij de werkgever.
4.
De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, bevat in ieder geval:
a. a. de periode waarin de technologisch ontwerper in opleiding de ontwerpopdracht bij de werkgever vervult en de arbeidsduur in uren per week van de technologisch ontwerper in opleiding; en b. b. de naam en het adres van de werkgever, de universiteit en de technologisch ontwerper in opleiding.
5. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°.
Artikel 9a
1. De minister kan subsidie verstrekken aan een werkgever voor een gerealiseerde praktijkleerplaats voor een leerling in het kader van het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel in het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 14c van de WEC.
2. Onder werkgever genoemd in het eerste lid wordt verstaan de stagegever, bedoeld in artikel 6, van het Onderwijskundig besluit WEC, niet zijnde het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 9, derde lid, van het Onderwijskundig besluit WEC.
3. De minister kan subsidie verstrekken aan een werkgever voor een gerealiseerde praktijkleerplaats voor een leerling in het kader van een leer-werktraject in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs van het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 14a van de WEC.
4. Onder werkgever, genoemd in het derde lid, wordt verstaan het bedrijf dat of de organisatie die de begeleiding van de leerling verzorgt als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, van de WEC juncto artikel 2.105 WVO 2020, niet zijnde het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 9, derde lid, van het Onderwijskundig besluit WEC.
5. De minister kan subsidie verstrekken aan een werkgever voor een gerealiseerde praktijkleerplaats voor een leerling in het kader van een entreeopleiding in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs van het voortgezet speciaal onderwijs, als bedoeld in artikel 14a tweede lid, van de WEC in samenhang met artikel 2.102 van de WVO 2020.
6. Onder een werkgever als bedoeld in het vijfde lid, wordt verstaan het bedrijf dat of de organisatie die de begeleiding van de leerling verzorgt als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, van de WEC, niet zijnde het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 9, derde lid, van het Onderwijskundig besluit WEC.
Artikel 9b
Subsidie op grond van artikel 9a, eerste, derde en vijfde lid, wordt slechts verstrekt voor zover:
a. a. de leerling als daadwerkelijk schoolgaand staat ingeschreven aan een school voor voortgezet speciaal onderwijs en in het laatste schooljaar onderwijs volgt in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel als bedoeld in artikel 14c van de WEC, een leer-werktraject in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs, bedoeld in artikel 14a van de WEC respectievelijk een entreeopleiding in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs van het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 14a tweede lid van de WEC in samenhang met artikel 2.102 van de WVO 2020; b. b. de stage van de uitstroomprofielen, bedoeld in het eerste lid, een omvang heeft van tenminste 640 klokuren en voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 17, van de WEC en Titel III van het Onderwijskundig besluit WEC; c. c. de verzorging van het onderricht in de praktijk van het beroep voor de leerling door de werkgever plaats heeft gevonden op grond van en overeenkomstig een stage-overeenkomst; d. d. de volgende gegevens aan de Minister zijn geleverd, bedoeld in artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers:
1°.
het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet;
2°.
de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en
3°.
de diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet;
1°. 1°. het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet; 2°. 2°. de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en 3°. 3°. de diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet; e. e. de werkgever over een gunstige beoordeling beschikt door de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.5.3, tweede lid, van de WEB; f. f. de werkgever beschikt over een aanwezigheidsregistratie van de leerling bij het praktijkgedeelte; en g. g. de werkgever beschikt over een administratie waaruit de begeleiding van de leerling blijkt en de wijze waarop de leerling de leerdoelen van het praktijkgedeelte heeft behaald.
Artikel 9c
1. De minister kan subsidie verstrekken aan een werkgever voor een gerealiseerde praktijkleerplaats voor een leerling in het kader van het praktijkonderwijs in het voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de WVO 2020.
2. Onder werkgever, genoemd in het eerste lid, wordt verstaan de stagegever, bedoeld in artikel 2.35, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.
Artikel 9d
1.
Subsidie op grond van artikel 9c, eerste lid, wordt slechts verstrekt voor zover:
a. a. de leerling als daadwerkelijk schoolgaand staat ingeschreven aan een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de WVO 2020 en onderwijs volgt in het laatste schooljaar; b. b. de stage een omvang heeft van tenminste 640 klokuren en voldoet aan de voorschriften, bedoeld in de artikelen 2.34 tot en met 2.37, 2.39 en 2.44 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020; c. c. de verzorging van het onderricht in de praktijk van het beroep voor de leerling door de werkgever plaats heeft gevonden op grond van en overeenkomstig een stageovereenkomst; d. d. de volgende gegevens aan de Minister zijn geleverd, bedoeld in artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers:
1°.
het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet;
2°.
de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en
3°.
de diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet;
1°. 1°. het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet; 2°. 2°. de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en 3°. 3°. de diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet; e. e. de werkgever over een gunstige beoordeling beschikt door de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.5.3, tweede lid, van de WEB, dan wel over een positieve beoordeling beschikt van de Raad onderwijs arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde en vijfde lid, van de WEB BES; f. f. de werkgever beschikt over een aanwezigheidsregistratie van de leerling bij het praktijkgedeelte; en g. g. de werkgever beschikt over een administratie waaruit de begeleiding van de leerling blijkt en de wijze waarop de leerling de leerdoelen van het praktijkgedeelte heeft behaald.
2. De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, geldt niet voor gerealiseerde praktijkleerplaatsen op Bonaire.
Artikel 10
1. De minister kan subsidie verstrekken aan een werkgever voor een gerealiseerde praktijkleerplaats voor een leerling in het kader van een leer-werktraject in het voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.103 van de WVO 2020.
2. Onder werkgever wordt in dit artikel verstaan het bedrijf dat of de organisatie die de begeleiding van de leerling verzorgt als bedoeld in artikel 2.105 van de WVO 2020.
3. De minister kan subsidie verstrekken aan een werkgever voor een gerealiseerde praktijkleerplaats voor een leerling in het kader van een entreeopleiding in het voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.102 van de WVO 2020.
4. Onder werkgever wordt in dit artikel verstaan het bedrijf dat of de organisatie die de begeleiding van de leerling verzorgt als bedoeld in artikel 2.63, eerste lid onder d, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 juncto artikel 7.2.9, derde lid, van de WEB.
Artikel 11
1.
Subsidie op grond van artikel 10, eerste lid, wordt slechts verstrekt voor zover:
a. a. de leerling een basisberoepsgerichte leerweg in het voortgezet onderwijs volgt die is ingericht als leer-werktraject als bedoeld in artikel 2.103 van de WVO 2020 en dat specifiek is gericht op het behalen van een startkwalificatie op het niveau van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de WEB; b. b. het praktijkgedeelte van het leer-werktraject voldoet aan het aantal klokuren, bedoeld in artikel 2.38, negende lid, van de WVO 2020; c. c. de verzorging van het onderricht in de praktijk van het beroep voor de leerling door de werkgever plaats heeft gevonden op grond van en overeenkomstig een praktijkleerovereenkomst; d. d. de volgende gegevens aan de Minister zijn geleverd, bedoeld in artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers:
1°.
het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet;
2°.
de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en
3°.
de diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet;
1°. 1°. het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet; 2°. 2°. de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en 3°. 3°. de diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet; e. e. de werkgever beschikt over een aanwezigheidsregistratie van de leerling bij het praktijkgedeelte; en f. f. de werkgever beschikt over een administratie waaruit de begeleiding van de leerling blijkt en de wijze waarop de leerling de leerdoelen van het praktijkgedeelte heeft behaald.
2.
Subsidie op grond van artikel 10, derde lid, wordt slechts verstrekt voor zover:
a. a. de leerling een basisberoepsgerichte leerweg in het voortgezet onderwijs volgt die is ingericht als entreeopleiding als bedoeld in artikel 2.102 van de WVO 2020 en dat wordt verzorgd als beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, van de WEB; b. b. de beroepspraktijkvorming van de entreeopleiding voldoet aan het aantal klokuren, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van de WEB; c. c. de verzorging van het onderricht in de praktijk van het beroep voor de leerling door de werkgever plaats heeft gevonden op grond van en overeenkomstig een praktijkleerovereenkomst; d. d. de volgende gegevens aan de Minister zijn geleverd, bedoeld in artikel 12 van de Wet register onderwijsdeelnemers:
1°.
het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet;
2°.
de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en
3°.
de diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet;
1°. 1°. het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van deze wet; 2°. 2°. de basisgegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van deze wet; en 3°. 3°. de diplomagegevens, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van deze wet; e. e. de werkgever beschikt over een gunstige beoordeling door de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.3, tweede lid, van de WEB, dan wel over een positieve beoordeling beschikt van de Raad onderwijs arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 1.5.2, vierde en vijfde, lid van de WEB BES; f. f. de werkgever beschikt over een aanwezigheidsregistratie van de leerling bij het praktijkgedeelte; en g. g. de werkgever beschikt over een administratie waaruit de begeleiding van de leerling blijkt en de wijze waarop de leerling de leerdoelen van het praktijkgedeelte heeft behaald.
3. De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en het tweede lid, onderdeel d, geldt niet voor gerealiseerde praktijkleerplaatsen op Bonaire.
Artikel 12
1. Met een mbo-student of hbo-student aan een opleiding als bedoeld in artikel 4 of 6 wordt gelijkgesteld een natuurlijke persoon die gedurende het desbetreffende studiejaar een opleiding heeft gevolgd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, indien de werkgever gevestigd is in Nederland en beschikt over een verklaring van de minister dat die opleiding wat betreft niveau en kwaliteit vergelijkbaar is met een opleiding als bedoeld in artikel 5, onder a, onderscheidenlijk artikel 7, onder a.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 5 of 7 onder praktijkleerovereenkomst verstaan een onderwijsarbeidsovereenkomst of stage-overeenkomst gesloten tussen de werkgever, het opleidingsinstituut en de natuurlijke persoon, waarin de verzorging van het onderricht in de praktijk van het beroep is geregeld.
3. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen overeenkomstig paragraaf vier van deze regeling.
Artikel 13
Subsidie wordt verstrekt per studiejaar.
Artikel 14
1. De minister maakt jaarlijks de hoogte van de subsidieplafonds voor de subsidies, bedoeld in de artikelen 4, 6, 8 en 9a, 9c en 10, bekend in de Staatscourant.
2. Indien in enig jaar een beschikbaar bedrag niet geheel wordt verstrekt, kan het resterende bedrag naar verhouding van de budgetten gelijkelijk worden verdeeld over de overige in het eerste lid bedoelde budgetten.
Artikel 14a
Vervallen
Artikel 15
1. Het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkleerplaats of gerealiseerde werkleerplaats wordt berekend aan de hand van het beschikbare bedrag voor de desbetreffende categorie gedeeld door het aantal gerealiseerde praktijkleerplaatsen of werkleerplaatsen dat in aanmerking komt voor subsidie voor die categorie. Het maximumbedrag per gerealiseerde praktijkplaats of werkleerplaats wordt jaarlijks vastgesteld en bekendgemaakt door middel van een bekendmakingsbesluit.
2. Het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkleerplaats op Bonaire wordt jaarlijks vastgesteld en bekendgemaakt door middel van een bekendmakingsbesluit. Het subsidiebedrag wordt omgerekend in US-dollars tegen de jaarlijks vastgestelde wisselkoers.
Paragraaf 1a. Aanvullende subsidie voor de mbo-sectoren landbouw, horeca of recreatie, contact- en conjunctuurgevoelige sectoren, alsmede mbo-opleidingen die bijdragen aan de klimaat- en energietransitie
Artikel 15a
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- hoofdactiviteit: activiteit van een werkgever die valt onder de SBI-code die als eerste in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is geregistreerd;
- SBI-code: code van de Standaard Bedrijfsindeling zoals gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek waarmee de economische activiteit van een bedrijf wordt weergegeven.
Artikel 15b
1. Voor de verstrekking van aanvullende subsidies op grond van deze paragraaf voor mbo-praktijkplaatsen in de sectoren landbouw, horeca of recreatie, is voor de studiejaren 2020–2021 tot en met 2022–2023 jaarlijks € 10.600.000 beschikbaar en is voor het studiejaar 2023–2024 € 11.629.000 beschikbaar.
2. Voor de verstrekking van aanvullende subsidies op grond van deze paragraaf voor mbo-praktijkleerplaatsen voor opleidingen als bedoeld in bijlage 4 bij deze regeling is voor studiejaar 2025–2026 € 7.000.000,– beschikbaar.
3. Voor de verstrekking van aanvullende subsidies op grond van deze paragraaf voor mbo-praktijkleerplaatsen in sectoren die contact- en conjunctuurgevoelig zijn, is voor het studiejaar 2020–2021 € 15.800.000 beschikbaar en is voor het studiejaar 2021–2022 € 19.000.000 beschikbaar.
Artikel 15c
1. In aanvulling op de subsidie die wordt verstrekt aan een werkgever op grond van artikel 4, kan de Minister subsidie verstrekken voor een gerealiseerde praktijkplaats voor een mbo-student in het kader van een beroepsopleiding voor zover het betreft de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, van de WEB, in één van de sectoren landbouw, horeca of recreatie.
2. In afwijking van artikel 16 kunnen slechts werkgevers in aanmerking komen voor de aanvullende subsidie waarvan op het moment van aanvragen en gedurende het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft, de hoofdactiviteit bij de Kamer van Koophandel geregistreerd staat onder één van de SBI-codes die voorkomt in bijlage 1 bij deze regeling.
3. De subsidie wordt op aanvraag verstrekt. De subsidieaanvraag maakt onderdeel uit van de aanvraag, bedoeld in artikel 16, juncto artikel 4.
4. In afwijking van artikel 15 wordt het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkleerplaats berekend aan de hand van het beschikbare bedrag voor de desbetreffende categorie gedeeld door het aantal gerealiseerde praktijkleerplaatsen dat in aanmerking komt voor subsidie.
5. In afwijking van het tweede lid kan de aanvullende subsidie ook worden toegekend indien de werkgever ten genoegen van de Minister aantoont dat een onderneming op het moment van aanvragen en gedurende het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft, feitelijk een activiteit uitvoert als hoofdactiviteit die valt onder een SBI-code die in bijlage 1 van deze regeling is opgenomen. De werkgever kan dit aantonen aan de hand van een afschrift van de Kamer van Koophandel, waarin de desbetreffende SBI-code is geregistreerd, in samenhang met andere stukken waaruit blijkt dat de werkgever feitelijk een hoofdactiviteit heeft die onder één van de in de bijlage 1 opgenomen SBI-codes valt.
Artikel 15c1
1. In aanvulling op de subsidie die wordt verstrekt aan een werkgever op grond van artikel 4, kan de minister subsidie verstrekken voor een gerealiseerde praktijkleerplaats voor een mbo-student in het kader van een beroepsopleiding voor zover het betreft de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, van de WEB of artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel b, van de WEB BES, en voor zover deze opleiding wordt genoemd in bijlage 4 bij deze regeling.
2. De subsidie wordt op aanvraag verstrekt. De subsidieaanvraag maakt onderdeel uit van de aanvraag, bedoeld in artikel 16 juncto artikel 4.
3. In afwijking van artikel 15 wordt het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkleerplaats, als bedoeld in het eerste lid, berekend aan de hand van het beschikbare bedrag voor deze categorie gedeeld door het aantal gerealiseerde praktijkplaatsen dat in aanmerking komt voor subsidie, met een maximum van € 500,– per gerealiseerde praktijkleerplaats als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 15c2
1. In aanvulling op de subsidie die wordt verstrekt aan een werkgever op grond van artikel 4, kan de Minister subsidie verstrekken voor een gerealiseerde praktijkplaats voor een mbo-student in het kader van een beroepsopleiding voor zover het betreft de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, van de WEB, in een sector die contact- en conjunctuurgevoelig is.
2. In afwijking van artikel 16 kunnen slechts werkgevers in aanmerking komen voor de aanvullende subsidie waarvan op het moment van aanvragen en gedurende het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft, de hoofdactiviteit bij de Kamer van Koophandel geregistreerd staat onder één van de SBI-codes die voorkomt in bijlage 2 bij deze regeling.
3. De aanvullende subsidie wordt op aanvraag verstrekt. De subsidieaanvraag maakt onderdeel uit van de aanvraag, bedoeld in artikel 16, juncto artikel 4.
4. In afwijking van artikel 15 wordt het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkleerplaats berekend aan de hand van het beschikbare bedrag voor de desbetreffende categorie gedeeld door het aantal gerealiseerde praktijkleerplaatsen dat in aanmerking komt voor subsidie.
5. Aanvullende subsidie kan ook worden toegekend indien de werkgever ten genoegen van de Minister aantoont dat een onderneming op het moment van aanvragen en gedurende het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft, feitelijk een activiteit uitvoert als hoofdactiviteit die valt onder een SBI-code die in bijlage 2 van deze regeling is opgenomen. De werkgever kan dit aantonen aan de hand van een afschrift van de Kamer van Koophandel, waarin de desbetreffende SBI-code is geregistreerd, in samenhang met andere stukken waaruit blijkt dat de werkgever feitelijk een hoofdactiviteit heeft die onder één van de in de bijlage 2 opgenomen SBI-codes valt.
6. De aanvullende subsidie, bedoeld in dit artikel, kan slechts worden aangevraagd voor gerealiseerde praktijkplaatsen voor de studiejaren 2020–2021 en 2021–2022.
Artikel 15d
1. De aanvulling op de subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 4, wordt gehonoreerd.
2. Bij de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 4, overlegt de werkgever het nummer waaronder het is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.
Paragraaf 1b. Aanvullende subsidie voor de hbo-sectoren techniek en gezondheidszorg
Artikel 15e
Voor de verstrekking van aanvullende subsidies op grond van deze paragraaf, is voor het studiejaar 2020–2021 € 6.700.000,- beschikbaar en voor het studiejaar 2021–2022 is jaarlijks € 8.000.000 beschikbaar.
Artikel 15f
1. In aanvulling op de subsidie die wordt verstrekt aan een werkgever op grond van artikel 6, kan de Minister aanvullende subsidie verstrekken voor een gerealiseerde praktijkplaats voor een hbo-student in het kader van een duale opleiding in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de WHW of een deeltijdse opleiding in het hoger beroepsonderwijs waarbij de beroepsuitoefening een verplicht onderdeel vormt van de opleiding.
2. De aanvullende subsidie kan enkel worden verstrekt voor een opleiding als bedoeld in bijlage 3.
3. De aanvullende subsidie wordt verstrekt aan de aanvrager, wanneer deze hiervoor in aanmerking komt. De subsidieaanvraag maakt onderdeel uit van de aanvraag, bedoeld in artikel 16, juncto artikel 6.
4. In afwijking van artikel 15 wordt het subsidiebedrag per gerealiseerde praktijkleerplaats berekend aan de hand van het beschikbare bedrag voor de desbetreffende categorie gedeeld door het aantal gerealiseerde praktijkleerplaatsen dat in aanmerking komt voor subsidie. Het subsidiebedrag van de aanvullende subsidie bedraagt ten hoogste € 2.700.
5. De aanvullende subsidie, bedoeld in dit artikel, kan slechts worden aangevraagd voor gerealiseerde praktijkplaatsen voor de studiejaren 2020–2021 en 2021–2022.
Artikel 15g
De aanvulling op de subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de ingediende aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6, wordt gehonoreerd.
Paragraaf 2. Aanvraag
Artikel 16
Een werkgever als bedoeld in artikel 4, 6, 8, 9a, 9c of 10 kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in het desbetreffende artikel indienen.
Artikel 17
1. Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend uiterlijk om 17:00 uur op 17 september na het studiejaar waarvoor subsidie wordt gevraagd, met dien verstande dat de subsidie voor de laatste maal uiterlijk om 17:00 uur op 18 september 2028 kan worden aangevraagd. Aanvragen die later worden ontvangen worden afgewezen.
2. In geval het indienen van een aanvraag op of kort voor de sluitingsdatum van een aanvraagronde langere tijd niet mogelijk is door een calamiteit aan de kant van het elektronisch loket, bedoeld in artikel 18, kan de minister met inachtneming van een redelijke termijn een nieuw tijdstip voor uiterste indiening van een aanvraag bepalen.
3. Voor aanvragers op Bonaire geldt dat een aanvraag voor subsidie uiterlijk wordt ingediend om 17:00 uur lokale tijd op 17 september na het studiejaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, met dien verstande dat de subsidie voor de laatste maal uiterlijk om 17:00 uur op 18 september 2028 kan worden aangevraagd. Aanvragen die later worden ontvangen worden afgewezen.
4. Indien een aanvraag onvolledig is en de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst de datum waarop de aanvullende informatie is ontvangen.
Artikel 18
1. Een subsidieaanvraag wordt elektronisch ingediend via de website www.rvo.nl/subsidies-regelingen/subsidieregeling-praktijkleren.
2. Een subsidieaanvraag voor een gerealiseerde praktijkleerplaats op Bonaire wordt in persoon ingediend, op een hiervoor bestemde locatie die wordt bekend gemaakt op de website https://www.rvo.nl/praktijkleren/cn.
Artikel 19
1. Voor de indiening van een aanvraag wordt gebruik gemaakt van het hiervoor bestemde aanvraagformulier dat wordt bekendgemaakt op de website www.rvo.nl/praktijkleren.
2. De minister kan na indiening van een aanvraag, de aanvrager verplichten de documenten, bedoeld in artikel 5, 7, 9, 9b, 9d of 11 over te leggen. Artikel 17 is niet van toepassing op het indienen van deze documenten.
3.
Bij de indiening van een aanvraag voor een gerealiseerde praktijkleerplaats op Bonaire worden door de aanvrager de volgende documenten overgelegd:
a. a. de documenten, bedoeld in artikel 5, 9d of 11; en b. b. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde, de machtiging waaruit blijkt dat de gemachtigde bevoegd is de documenten namens de aanvrager in te dienen.
4. Voor het indienen van de documenten, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, houdende de gegevens bedoeld in artikel 5, onderdelen e en f, artikel 9d, onderdelen f en g, en artikel 11, eerste lid, onderdelen e en f, en tweede lid, onderdelen f en g, wordt gebruik gemaakt van formulieren die bekend worden gemaakt op de website www.rvo.nl/praktijkleren/cn.
Paragraaf 3. Vaststellen subsidie
Artikel 20
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverstrekking geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie:
a. a. aan de werkgever voor de mbo-student of hbo-student voor meer volledige gerealiseerde praktijkleerplaatsen subsidie zou worden verstrekt dan de duur van de opleiding van de mbo-student of hbo-student in studiejaren; b. b. aan de werkgever voor de promovendus voor meer dan vier volledige gerealiseerde werkleerplaatsen subsidie zou worden verstrekt; of c. c. aan de werkgever voor de technologisch ontwerper in opleiding voor meer dan twee volledige gerealiseerde werkleerplaatsen subsidie zou worden verstrekt.
Artikel 21
De minister beslist met toepassing van artikel 15 gelijktijdig op de voor het desbetreffende studiejaar ontvangen aanvragen.
Artikel 22
De minister beslist binnen dertien weken na 17 september van enig kalenderjaar op de voor het daaraan voorafgaande studiejaar ontvangen aanvragen.
Artikel 23
1. Aan de verstrekking van subsidie is de verplichting verbonden dat de subsidieontvanger de documenten, bedoeld in artikel 5, 7, 9, 9b, 9d of 11 gedurende vijf jaren bewaart na het studiejaar waarvoor subsidie is verstrekt.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor subsidieontvangers op Bonaire.
Paragraaf 4. Verklaring vergelijkbare opleiding
Artikel 24
1. Een verklaring als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt verstrekt op aanvraag.
2. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat door de minister bekend wordt gemaakt.
3. Een aanvraag voor de vergelijking van een buitenlandse opleiding met een opleiding als bedoeld in artikel 4 of 6 geeft in ieder geval inzicht in de vooropleiding die toegang geeft tot de opleiding.
4.
In aanvulling op het derde lid geeft een aanvraag voor de vergelijking met een opleiding als bedoeld in artikel 4 in ieder geval inzicht in:
a. a. het vakkenpakket waaruit de opleiding bestaat; b. b. de hoeveelheid onderwijsuren waaruit de opleiding bestaat; en c. c. het aantal uren en aandeel van de beroepspraktijkvorming, als onderdeel van de opleiding.
Artikel 25
1. De minister beslist binnen acht weken op een aanvraag voor een verklaring als bedoeld in artikel 12, eerste lid.
2. De verklaring vermeldt het tijdstip vanaf welk moment de opleiding waarop de verklaring betrekking heeft als een vergelijkbare opleiding wordt aangemerkt.
Artikel 26
Een aanvraag voor een verklaring wordt in ieder geval geweigerd indien de buitenlandse opleiding niet in dat land is erkend of het opleidingsniveau lager is dan een vergelijkbare Nederlandse opleiding.
Paragraaf 5. Mandaatverlening en toezicht
Artikel 27
Aan de Directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken wordt mandaat verleend tot:
a. a. het nemen van besluiten namens de minister op grond van deze regeling, met uitzondering van paragraaf 4; en b. b. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in onderdeel a, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen.
Artikel 27a
1. De minister is verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, voor de verwerking van persoonsgegevens op basis van deze regeling.
2. De Directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken is verwerker voor de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering van de gemandateerde taken, bedoeld in artikel 27. Aan de Directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken wordt mandaat verleend tot het afhandelen van verzoeken van betrokkenen op grond van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, en het voorbereiden en nemen van besluiten in dit kader namens de minister.
3. De persoonsgegevens die verwerkt worden ter uitvoering van deze regeling worden niet verder verwerkt voor andere doeleinden, met uitzondering van verwerking van deze gegevens voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de Subsidieregeling groepshulpen kinderopvang.
Artikel 28
De Directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken kan met betrekking tot zijn bevoegdheden, bedoeld in artikel 27 en 27a, ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende medewerkers.
Artikel 29
Onverminderd het toezicht door de Inspectie van het onderwijs worden de ambtenaren die een arbeidsovereenkomst hebben bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, voor zover zij werkzaamheden verrichten ten behoeve van de uitvoering van deze regeling, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij deze regeling.
Paragraaf 5a. Voorschot subsidie praktijkleerplaatsen mbo in 2020 in verband met uitbraak coronavirus
Artikel 30
Vervallen
Paragraaf 6. Slotbepalingen
Artikel 31
Ten aanzien van subsidieverstrekking voor het studiejaar 2020–2021, is de weigeringsgrond, bedoeld in artikel 20, aanhef en onderdeel a, niet van toepassing.
Artikel 31a
Deze regeling is mede gebaseerd op artikel 2.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES.
Artikel 32
Vervallen
Artikel 33
Vervallen
Artikel 33a
Vervallen
Artikel 34
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2029.
Artikel 35
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling praktijkleren.
Bijlage 1. behorende bij
Bijlage 2. behorende bij
Bijlage 3. behorende bij
Bijlage 4. behorende bij
Overzicht opleidingscodes die in aanmerking komen voor de aanvullende subsidie voor mbo-opleidingen die bijdragen aan de klimaat- en energietransitie.