40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling programma technologie en samenleving | BWBR0009882 | ministeriele-regeling | geldend | 1998-09-06 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0009882 | Subsidieregeling programma technologie en samenleving |
Subsidieregeling programma technologie en samenleving
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
1.
De minister verstrekt op een aanvraag subsidie aan:
a. a. degene die voor eigen rekening en risico een project uitvoert dat past in een deelprogramma of b. b. de deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een project uitvoeren dat past in een deelprogramma.
2. De minister stelt bij ministeriële regeling de deelprogramma's vast. Een deelprogramma bevat een beschrijving van het aandachtsgebied en de daarop betrekking hebbende doelstellingen.
3.
Als deelprogramma als bedoeld in het voorgaande lid worden in 1998 aangewezen:
- Leren in de werkomgeving, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1A;
- Criminaliteitspreventie, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1B;
- Transmurale zorg, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1C;
- (Re)ïntegratie in arbeid, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1D.
4. Geen subsidie wordt verstrekt indien voor het project reeds door de minister subsidie is verstrekt.
5. Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag is opgetreden.
Artikel 3
1. De subsidie bedraagt 50 procent van de projectkosten doch ten hoogste € 90 800.
2. Het bedrag van de subsidie wordt verlaagd voor zover deze tezamen met in de drie voorafgaande kalenderjaren door een bestuursorgaan of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen verstrekte subsidies waarvoor geen goedkeuring is gevraagd aan de Commissie meer bedraagt dan € 100 000.
Artikel 4
1.
Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. a. de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag gemaakte en betaalde kosten:
1º
loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolom ‹loon voor de loonbelasting› van de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar;.
2º
kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winst-opslagen bij transacties binnen een groep;
3º
de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten, of afschrijvingstermijnen, berekend op basis van de historische aanschafwaarde exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van vijf jaar, tot een maximum van 25 procent van de totale projectkosten;
4º
aan derden verschuldigde kosten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
1º 1º loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolom ‹loon voor de loonbelasting› van de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar;. 2º 2º kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winst-opslagen bij transacties binnen een groep; 3º 3º de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten, of afschrijvingstermijnen, berekend op basis van de historische aanschafwaarde exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van vijf jaar, tot een maximum van 25 procent van de totale projectkosten; 4º 4º aan derden verschuldigde kosten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep; b. b. een opslag voor algemene kosten, groot 25 procent van de onder a, aanhef en onder 1° bedoelde loonkosten.
2. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
Artikel 5
1. Er is een Stuurgroep Technologie en Samenleving die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van deze regeling.
2. De stuurgroep bestaat uit een voorzitter en ten minste vier en ten hoogste vijftien leden.
3. De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
4. De stuurgroep stelt haar eigen werkwijze vast.
5. De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de stuurgroep bij te wonen.
6. In het secretariaat van de stuurgroep wordt door de minister voorzien.
7. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de stuurgroep geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. Die bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de stuurgroep opgeborgen in het archief van dat ministerie.
8. De stuurgroep verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
9. De stuurgroep stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Paragraaf 2. Aanvragen
Artikel 6
1. De minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast, na afloop waarvan de aanvragen die in die periode in het kader van het desbetreffende deelprogramma zijn ontvangen worden behandeld.
2. De periode in 1998 na afloop waarvan de aanvragen op grond van deze regeling, die in die periode met betrekking tot de in artikel 2, derde lid, bedoelde deelprogramma's zijn ontvangen en die voldoen aan de wettelijke voorschriften, worden behandeld wordt vastgesteld op 1 september 1998 tot en met 19 oktober 1998.
3. De minister stelt voorts bij ministeriële regeling een subsidieplafond vast voor het verlenen van subsidies op in een periode ontvangen aanvragen. Daarbij stelt hij afzonderlijke subsidieplafonds vast met betrekking tot ieder deelprogramma.
4.
De subsidieplafonds voor het in 1998 verlenen van subsidies in het kader van de in artikel 2, derde lid, bedoelde deelprogramma's bedragen voor:
| Leren in de werkomgeving | f 900.000,00; |
|---|---|
| Criminaliteits- preventie | f 1.000.000,00; |
| Transmurale zorg | f 800.000,00; |
| (Re)ïntegratie in arbeid | f 400.000,00. |
Artikel 7
1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een begroting en van een projectplan alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband dient een deelnemer de aanvraag mede namens de andere deelnemers in.
Artikel 8
De minister geeft een beschikking binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 9
1. De minister wint omtrent een aanvraag het advies in van de stuurgroep.
2.
De stuurgroep geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies:
a. a. indien de aanvraag niet voldoet aan deze regeling en de daarop berustende bepalingen; b. b. indien zij het onaannemelijk acht dat het project binnen twee jaren na de subsidieverlening kan worden uitgevoerd; c. c. indien gegronde vrees bestaat dat de aanvragers het project niet kunnen financieren; d. d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvragers de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren; e. e. indien gegronde vrees bestaat dat het project technisch, economisch of maatschappelijk niet haalbaar is.
3.
De stuurgroep rangschikt per deelprogramma de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. a. de toepassing van technologie in het project meer vernieuwend is voor het in het betrokken deelprogramma beschreven aandachtsgebied, b. b. het project meer maatschappelijk voordeel oplevert met betrekking tot het betrokken aandachtsgebied; c. c. het project een groter economisch voordeel oplevert voor de betrokken ondernemers of de overheid, met dien verstande dat aan elk van deze criteria een gelijk gewicht wordt toegekend.
Artikel 10
De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien de stuurgroep een negatief advies heeft uitgebracht.
Artikel 11
1. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking van de aanvragen door de stuurgroep.
2. De minister kan afwijken van het eerste lid en van artikel 10, indien een advies van de stuurgroep in strijd is met deze regeling dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Paragraaf 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Artikel 12
Op alle subsidie-ontvangers rusten de in de artikelen 13 en 14 opgenomen verplichtingen, met dien verstande dat de in artikel 14 opgenomen verplichtingen slechts rusten op de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie is opgetreden. Zij gelden tot aan de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld.
Artikel 13
1. De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voor het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen, of het stopzetten van het project.
2. De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.
3. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4 onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.
4. De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.
Artikel 14
1. De subsidie-ontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.
2. De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag tot subsidievaststelling in binnen zes maanden na het tijdstip waarop het project ingevolge artikel 13, eerste lid, moet zijn uitgevoerd.
3. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.
4. De aanvraag gaat vergezeld van een accountantsverklaring, indien het bedrag van de subsidieverlening meer dan € 50 000 bedraagt, en een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het project, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
Artikel 15
De minister kan aan een ontheffing als bedoeld in artikel 12 voorschriften verbinden.
Artikel 16
De minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot het geven van bekendheid aan het project en de resultaten ervan.
Paragraaf 4. Voorschotten
Artikel 17
1. Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt, kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger door de minister voorschotten worden verstrekt.
2. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
3. Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot ten minste € 4 500 bedraagt.
Artikel 18
1. Een aanvraag wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 14, eerste lid.
2. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4.
3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie is opgetreden, de aanvraag in mede namens de andere deelnemers en gaat de aanvraag, indien het een eerste voorschot betreft, vergezeld van een verklaring van de indiener van de aanvraag waarin hij zich aansprakelijk stelt voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
Artikel 19
De minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
Paragraaf 5. Subsidievaststelling
Artikel 20
De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
Paragraaf 6. Slotbepalingen
Artikel 21
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 22
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling programma technologie en samenleving.