rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-sanering-varkenshouderijen/BWBR0042634
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling sanering varkenshouderijen BWBR0042634 ministeriele-regeling geldend 2019-10-12 https://wetten.overheid.nl/BWBR0042634 Subsidieregeling sanering varkenshouderijen

Subsidieregeling sanering varkenshouderijen

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

    *concentratiegebied:* concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost zoals aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet;

    *dierenverblijf:* een overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden;

    *geurgevoelig object:* een in de Basisregistratie adressen en gebouwen opgenomen verblijfsobject met een woonfunctie, dat niet een bedrijfswoning is van een landbouwondernemingvoor het houden van landbouwhuisdieren en dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van die wet daaronder mede begrepen, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van die wet, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet, mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf;

    *geurscore:* een maat voor de omvang van de geurbelasting van een varkenshouderijlocatie op geurgevoelige objecten in de omgeving van de varkenshouderijlocatie, zoals bepaald op grond van artikel 2;

    *intensieve veehouderij:* een landbouwonderneming voor het houden van varkens, pluimvee, konijnen, vleeskalveren, vleesstieren, geiten of nertsen;

    *landbouwonderneming:* onderneming waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt;

    *minister:* de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

    *omgevingsvergunning beperkte milieutoets:* vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    *omgevingsvergunning milieu:* vergunning verleend krachtens artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    *productiecapaciteit:* dierenverblijven, mest- en voersilos en mestkelders;

    *varkenshouder:* een ondernemer of onderneming die een varkenshouderij in stand houdt;

    *varkenshouderij:* een landbouwonderneming voor het houden van varkens die voldoet aan de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 702/2014 vastgestelde criteria;

    *varkenshouderijlocatie:* een plaats waar een varkenshouderij is gevestigd;

    *varkensrecht:* het varkensrecht, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel y, van de Meststoffenwet.

Artikel 2

De geurscore van een varkenshouderijlocatie wordt bepaald met behulp van de volgende methode:

a. a. de geurbelasting, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, van de varkenshouderij op geurgevoelige objecten binnen een straal van 1.000 meter vanaf het geometrisch gemiddelde van de emissiepunten van de varkenshouderijlocatie wordt berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied en met overeenkomstige toepassing van artikel 2, tweede tot en met zesde lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij; b. b. de voor deze geurgevoelige objecten berekende geurbelasting, voor zover deze ten minste 2,0 odour units per kubieke meter lucht bedraagt, wordt met toepassing van bijlage 1 omgezet in een weegfactor per geurgevoelig object; c. c. de in onderdeel b bedoelde weegfactoren worden opgeteld tot de geurscore.

Artikel 3

De artikelen 6, 8, 22, 23, 26, 28, 36, 36a, 41, 43, 52 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2. Criteria voor subsidieverstrekking

Artikel 4

1. De minister kan een varkenshouder op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie indien de geurscore van die locatie meer bedraagt dan 0,4 en voor zover die locatie is gelegen binnen een concentratiegebied.

2. Voor subsidieverstrekking op grond van het eerste lid komt niet in aanmerking een varkenshouder die artikel 19, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden.

Artikel 5

Er is sprake van een onomkeerbare sluiting van een varkenshouderijlocatie zoals bedoeld in artikel 4 indien:

a. a. niet langer varkens op de varkenshouderijlocatie worden gehouden; b. b. de meststoffen van varkens zijn verwijderd van de varkenshouderijlocatie; c. c. overeenkomstig artikel 31, eerste lid, Meststoffenwet de varkenshouder een kennisgeving van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn varkensrecht heeft gedaan, waarbij ten minste het gedeelte van het varkensrecht vervalt dat vereist is voor het houden van 80% van het aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat gemiddeld in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 1 januari 2019 op de varkenshouderijlocatie is gehouden; d. d. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer:

      1°.
      de varkenshouder, indien hij meldingsplichtig is voor de varkenshouderijlocatie op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, bij het bevoegd gezag melding heeft gedaan dat hij op de varkenshouderijlocatie niet langer varkens houdt en evenmin andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden en, indien de varkenshouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens dient te beschikken over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, het bevoegd gezag de omgevingsvergunning beperkte milieutoets heeft ingetrokken; of
    
    
      2°.
      het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de varkenshouderijlocatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de varkenshouderijlocatie varkens te houden en evenmin andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden;

1°. 1°. de varkenshouder, indien hij meldingsplichtig is voor de varkenshouderijlocatie op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, bij het bevoegd gezag melding heeft gedaan dat hij op de varkenshouderijlocatie niet langer varkens houdt en evenmin andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden en, indien de varkenshouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens dient te beschikken over een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, het bevoegd gezag de omgevingsvergunning beperkte milieutoets heeft ingetrokken; of 2°. 2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de varkenshouderijlocatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de varkenshouderijlocatie varkens te houden en evenmin andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden; e. e. in het geval de varkenshouder voor de varkenshouderijlocatie beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming gedeputeerde staten deze vergunning heeft ingetrokken, of, in het geval de varkenshouder andere activiteiten op de veehouderijlocatie gaat verrichten, door een wijziging van de vergunning of anderszins naar het oordeel van de minister voldoende zeker is gesteld dat de andere activiteiten geen substantiële stikstofemissie opleveren; f. f. het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de varkenshouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de varkenshouder in behandeling heeft genomen om het bestemmingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een intensieve veehouderij kan worden gevestigd; g. g. de varkenshouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om:

      1°.
      niet langer op de varkenshouderijlocatie varkens te houden en ook geen andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
    
    
      2°.
      zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de varkenshouderijlocatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie varkens worden gehouden of andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden;
    
    
      3°.
      geen varkens te gaan houden op een andere locatie dan waar hij ten tijde van de aanvraag reeds een varkenshouderijlocatie heeft; en

1°. 1°. niet langer op de varkenshouderijlocatie varkens te houden en ook geen andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; 2°. 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de varkenshouderijlocatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie varkens worden gehouden of andere diersoorten die bij intensieve veehouderij gehouden kunnen worden; 3°. 3°. geen varkens te gaan houden op een andere locatie dan waar hij ten tijde van de aanvraag reeds een varkenshouderijlocatie heeft; en h. h. de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit is afgebroken en verwijderd.

Artikel 6

1.

De aanvraag van de varkenshouder wordt afgewezen indien:

a. a. de varkenshouder niet daadwerkelijk varkens voor productie heeft gehouden op de varkenshouderijlocatie of de daarvoor gebruikte productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is; b. b. de omgevingsvergunning milieu of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, of de op de varkenshouderijlocatie gebruikte huisvestingssystemen niet voldoet respectievelijk niet voldoen aan de vereisten van het Besluit emissiearme huisvesting die gelden tot 1 januari 2020.

2. De aanvraag kan worden afgewezen indien de varkenshouder niet voldoet of niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten voor het houden van varkens.

Paragraaf 3. Subsidiebedrag

Artikel 7

De subsidie omvat:

a. a. een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk vervallen van het varkensrecht; en b. b. een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit als gevolg van de onomkeerbare sluiting van de varkenshouderijlocatie.

Artikel 8

1. De in artikel 7, onderdeel a, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen varkensrecht, voor zover dat vervallen varkensrecht niet meer bedraagt dan het varkensrecht dat vereist is voor het houden van 100% van het aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden, dat gemiddeld in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 1 januari 2019 op de varkenshouderijlocatie is gehouden.

2.

De in het eerste lid bedoelde waarde wordt bepaald op basis van:

a. a. de actuele waarde van het varkensrecht benodigd voor een varkenseenheid in het concentratiegebied waar de varkenshouderijlocatie is gelegen; en b. b. het gedeelte van het varkensrecht dat vervalt.

3. De minister stelt met het oog op de toepassing van dit artikel voor elk van de concentratiegebieden de actuele waarde van het varkensrecht benodigd voor een varkenseenheid vast aan de hand van de actuele marktprijs en maakt deze bedragen uiterlijk bekend op de dag voor de aanvang van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

Artikel 9

1. De in artikel 7, onderdeel b, bedoelde bijdrage bedraagt 65% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit.

2. De gecorrigeerde vervangingswaarde, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door per dierenverblijf het aantal m^2 van het dierenverblijf te vermenigvuldigen met het bedrag dat in bijlage 3 is vermeld, uitgaand van de levensduur, uitgedrukt in jaren en maanden, van de romp van het dierenverblijf op het tijdstip dat is voldaan aan de vereisten, vermeld in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f.

Paragraaf 4. Aanvraag tot subsidieverlening

Artikel 10

1. Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 25 november 2019 tot en met 15 januari 2020.

2. Het subsidieplafond voor de verstrekking van subsidies op aanvragen die zijn ingediend in de in het eerste lid bedoelde periode, bedraagt € 450.000.000,.

Artikel 11

1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.

2.

De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:

a. a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel; b. b. de varkenshouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft; c. c. gegevens over de emissieparameters van het verspreidingsmodel V-Stacks gebied; d. d. het gemiddelde aantal varkens, uitgedrukt in varkenseenheden overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet, dat op de varkenshouderijlocatie is gehouden in de periode van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019; e. e. het gedeelte van het varkensrecht, uitgedrukt in varkenseenheden, dat zal vervallen; f. f. een opgave of de aanvrager voor de varkenshouderijlocatie beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming; g. g. een opgave van de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van:

        1°.
        de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en
      
      
        2°.
        het aantal m^2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.

1°. 1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden, en 2°. 2°. het aantal m^2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf.

3.

Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:

a. a. een kopie van, voor zover van toepassing, de melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets of de omgevingsvergunning milieu, betreffende de varkenshouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft; b. b. een verklaring van de aanvrager dat:

        1°.
        hij daadwerkelijk varkens voor productie heeft gehouden;
      
      
        2°.
        de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de beëindiging is gebruikt; en
      
      
        3°.
        de omgevingsvergunning milieu of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, of de op de varkenshouderijlocatie gebruikte huisvestingssystemen voldoen aan de vereisten van het Besluit emissiearme huisvesting die gelden tot 1 januari 2020;

1°. 1°. hij daadwerkelijk varkens voor productie heeft gehouden; 2°. 2°. de voor het houden van varkens op de varkenshouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de beëindiging is gebruikt; en 3°. 3°. de omgevingsvergunning milieu of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, of de op de varkenshouderijlocatie gebruikte huisvestingssystemen voldoen aan de vereisten van het Besluit emissiearme huisvesting die gelden tot 1 januari 2020; c. c. een actuele kaart van de varkenshouderijlocatie, met aanduiding van de voor het houden van varkens gebruikte productiecapaciteit.

Artikel 12

De minister stelt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, onder d, er van in kennis dat van de betreffende aanvrager een aanvraag op grond van deze regeling is ontvangen.

Paragraaf 5. Verdeling subsidieplafond

Artikel 13

1. De minister verdeelt het in artikel 10, tweede lid, bedoelde subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

2. De minister rangschikt een aanvraag hoger naarmate de geurscore van de desbetreffende varkenshouderijlocatie hoger is.

Artikel 14

De minister stelt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, onder d, er van in kennis dat de aanvraag van de betreffende aanvrager is toegewezen of afgewezen.

Paragraaf 6. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 15

1.

De subsidieontvanger voldoet aan:

a. a. het vereiste, vermeld in artikel 5, onder g, binnen acht weken na de subsidieverlening; b. b. de vereisten, vermeld in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f, binnen acht maanden na de subsidieverlening; c. c. het vereiste, vermeld in artikel 5, onder h, binnen 24 maanden na de subsidieverlening.

2. Het afbreken en verwijderen van de productiecapaciteit, bedoeld in artikel 5, onder h, vindt niet eerder plaats dan nadat de minister heeft geconstateerd dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f, bedoelde vereisten.

Artikel 16

De subsidieontvanger verstrekt de minister op diens verzoek informatie over de uitvoering van de in artikel 5 bedoelde vereisten.

Paragraaf 7. Bevoorschotting

Artikel 17

1. De minister verstrekt de subsidieontvanger uiterlijk zes weken na ontvangst van de ondertekende overeenkomst, bedoeld in artikel 5, onder g, een voorschot van 10% van het subsidiebedrag.

2. De minister verstrekt de subsidieontvanger op aanvraag een voorschot van 70% van het subsidiebedrag uiterlijk zes weken nadat is vastgesteld dat uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f, bedoelde vereisten.

3.

De in het tweede lid bedoelde aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel en bevat ten minste:

a. a. gegevens over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 5, onder a, b, c, d, e en f, bedoelde vereisten; b. b. een kopie van de kennisgeving over het geheel of gedeeltelijk vervallen van het varkensrecht, bedoeld in artikel 5, onder c; c. c. een kopie van de in artikel 8.41, vierde lid, van de Wet milieubeheer bedoelde openbare kennisgeving van de melding, bedoeld in artikel 5, onder d, onder 1°, respectievelijk van de beschikking tot intrekking of wijziging van de vergunning, bedoeld in artikel 5, onder d, onder 1° en 2°; d. d. in het geval de subsidieontvanger voor de varkenshouderijlocatie beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming een kopie van de beschikking tot intrekking of wijziging van die vergunning, bedoeld in artikel 5, onder e; e. e. een kopie van het verzoek, bedoeld in artikel 5, onder f, en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen.

Paragraaf 8. Subsidievaststelling

Artikel 18

De aanvraag om subsidievaststelling wordt uiterlijk dertien weken na afloop van de in artikel 15, eerste lid, onderdeel c, bedoelde termijn ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

Paragraaf 9. Slotbepalingen

Artikel 19

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 20

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling sanering varkenshouderijen.

Bijlage 1. behorende bij

Categorieën van geurbelasting op een geurgevoelig object binnen een straal van 1.000 meter rond een productielocatie, met daaraan gekoppeld het hinderpercentage en de weegfactor.

Bijlage 2. behorende bij

Model-overeenkomst

........... (bedrijfsnaam), gevestigd te ...; vertegenwoordigd door ......1Indien de subsidieontvanger een rechtspersoon of een samenwerkingsverband (zoals een maatschap, v.o.f. of coöperatie) betreft die een varkenshouderij in stand houdt, wordt deze model-overeenkomst betreffende de aanhef en de ondertekening zodanig aangepast dat deze wordt gesloten door deze rechtspersoon respectievelijk dit samenwerkingsverband zoals een maatschap of v.o.f. en gelet op artikel 4 van deze overeenkomst tevens ondertekend door alle vennoten, maten, aandeelhouders (terugwerkend tot een natuurlijke persoon), etc. in privé hoedanigheid., verder te noemen: de varkenshouder

en

de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, namens deze, ....... Directeur ......... van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

overwegende:

dat ingevolge de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (verder: de regeling), artikel 5, onderdeel g, een varkenshouder die subsidie op grond van de regeling ontvangt, zich bij overeenkomst met de Staat moet verbinden om:

dat de aanvraag van de varkenshouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het saneren van de varkenshouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;

komen het volgende overeen:

Indien de varkenshouder een vennootschap of een samenwerkingsverband zoals een maatschap, vennootschap onder firma of coöperatie betreft, gelden de verplichtingen zoals vastgelegd in de artikelen 1, 2 en 3 van deze overeenkomst op overeenkomstige wijze voor alle aandeelhouders (terugwerkend naar een natuurlijke persoon) c.q. maten c.q. vennoten etc. van deze vennootschap c.q. dit samenwerkingsverband. Ter bevestiging hiervan wordt deze overeenkomst mede door hen ondertekend.

De Staat der Nederlanden

namens deze: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

namens deze: .............................

Datum en plaats: .......................

Naam varkenshouder2In voorkomend geval dient op grond van artikel 1:88, eerste lid, Burgerlijk Wetboek ook de echtgenoot/echtgenote van de varkenshouder te ondertekenen.

namens deze: ..........................

Datum en plaats: ....................

Indien van toepassing wordt, overeenkomstig het in artikel 4 bepaalde, deze overeenkomst mede ondertekend door:

(Naam aandeelhouder, maat, vennoot, etc.3In voorkomend geval dient op grond van artikel 1:88, eerste lid, Burgerlijk Wetboek ook de echtgenoot/echtgenote van de aandeelhouder, maat, vennoot, etc. te ondertekenen.)

(namens deze: .......................)

(Datum en plaats: .................)

(Naam aandeelhouder, maat, vennoot, etc.4In voorkomend geval dient op grond van artikel 1:88, eerste lid, Burgerlijk Wetboek ook de echtgenoot/echtgenote van de aandeelhouder, maat, vennoot, etc. te ondertekenen.)

(namens deze: .......................)

(Datum en plaats: .................)

Etc.

Bijlage 3. behorende bij

Bedrag per m^2 van een dierenverblijf voor het houden van varkens, gerelateerd aan de levensduur van het dierenverblijf

Indien de levensduur van het dierenverblijf meer is dan 40 jaar, wordt voor de bepaling van het waardeverlies per m^2 uitgegaan van een bedrag van € 94,0.