rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-school-en-omgeving-20252028/BWBR0050794
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling School en Omgeving 20252028 BWBR0050794 ministeriele-regeling geldend 2025-10-16 https://wetten.overheid.nl/BWBR0050794 Subsidieregeling School en Omgeving 20252028

Subsidieregeling School en Omgeving 20252028

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • AVG: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119);

  • bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

  • CBS: Centraal bureau voor de statistiek als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek;

  • coalitie-aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 4, derde lid;

  • DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

  • GKA: Gelijke Kansen Alliantie;

  • Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

  • kinderopvang: kinderopvang als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang;

  • leerling: leerling als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022, artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC 2022, of artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, tenzij anders geregeld in deze regeling;

  • leerling met niet-Nederlandse culturele achtergrond: een leerling met een achtergrond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022;

  • lokale coalitie: groep van lokale partijen, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, die gezamenlijk betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van het programma School en Omgeving;

  • lokale partij: partij die opereert in de fysieke omgeving van een school, zoals een zorginstelling, bibliotheek, instelling op het gebied van sociaal werk, welzijnsorganisatie, sportvereniging, cultuurinstelling of kinderopvang;

  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • ontwikkelaanbod: aanbod op het gebied van sport, cultuur, cognitieve ontwikkeling, sociale ontwikkeling of het gebied van oriëntatie op jezelf of op de wereld;

  • praktijkonderwijsvestiging: vestiging waar op 1 oktober 2022 meer dan 50% van de leerlingen conform artikel 6.7 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 praktijkonderwijs volgt, met dien verstande dat artikel 6.10 lid 2 en lid 3 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 hierbij niet van toepassing zijn.

  • primair onderwijs: onderwijs dat gegeven wordt op een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs of onderwijs dat gegeven wordt op een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

  • programma School en Omgeving: lokaal programma verrijkte schooldag met activiteiten buiten de reguliere onderwijstijd van een vestiging, aangeboden door een lokale coalitie ten behoeve van leerlingen op scholen met relatief veel leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand;

  • regievoerder: regievoerder als bedoeld in artikel 4;

  • relatief aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond: het aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond op de vestiging gedeeld door het totale aantal leerlingen dat op de vestiging is ingeschreven op 1 februari 2024 zoals bekend bij de Dienst Uitvoering Onderwijs, zoals opgenomen in bijlage 3; a. relatieve onderwijsachterstandsscore:

        a.
        Voor het primair onderwijs: achterstandsscore zonder drempel als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022 op 1 februari 2024, zoals gepubliceerd door het CBS op 7 oktober 2024;
    
    
        b.
        Voor vestigingen in het voortgezet onderwijs: of achterstandsscore zonder drempel per vestiging op 1 oktober 2022 zoals gepubliceerd door het CBS op 7 maart 2024.
    
    
    Deze scores zijn opgenomen in bijlagen 1, 2, 3 en 4;
    

a. a. Voor het primair onderwijs: achterstandsscore zonder drempel als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO 2022 op 1 februari 2024, zoals gepubliceerd door het CBS op 7 oktober 2024; b. b. Voor vestigingen in het voortgezet onderwijs: of achterstandsscore zonder drempel per vestiging op 1 oktober 2022 zoals gepubliceerd door het CBS op 7 maart 2024.

  • school: school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • voortgezet onderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.4 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
  • vestiging: hoofdvestiging of nevenvestiging als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, hoofdvestiging of nevenvestiging als bedoeld in artikel 76a van de Wet op de expertisecentra, hoofdvestiging als bedoeld artikel 4.13 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.14 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.16 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 2

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.

Artikel 3

1. De minister kan voor de schooljaren 20252026, 20262027 en 20272028 subsidie verstrekken aan een bevoegd gezag van een school met een vestiging die is opgenomen in bijlage 1 tot en met 4, als deelnemer aan een lokale coalitie voor het uitvoeren van een programma School en Omgeving, dat aansluit bij het curriculum van de desbetreffende school en ten dienste staat van een succesvolle schoolloopbaan.

2.

De subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een programma School en Omgeving voor de volgende ontwikkelgebieden:

a. a. sport; b. b. cultuur; c. c. cognitieve ontwikkeling; d. d. sociale ontwikkeling; e. e. oriëntatie op jezelf; of f. f. oriëntatie op de wereld.

3.

Van het programma School en Omgeving kunnen geen deel uitmaken:

a. a. uren die behoren tot de onderwijstijd; b. b. activiteiten die betrekking hebben op trainingen voor de eindtoets of examentraining; c. c. buitenlandse reizen.

4. Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt aan een bevoegd gezag voor een vestiging die deel uitmaakt van een lokale coalitie waarvoor middelen zijn aangevraagd door een gemeente op grond van de Regeling kansrijke wijk.

Artikel 4

1. Eén bevoegd gezag van één van de deelnemende vestigingen in de lokale coalitie treedt namens de lokale coalitie op als regievoerder.

2. Een lokale coalitie bestaat uit een bevoegd gezag van ten minste één deelnemende vestiging, ten minste één gemeente, waaronder in ieder geval de gemeente waarin ten minste één van de deelnemende vestigingen gelegen is, en ten minste één lokale partij.

3. De regievoerder dient, tijdens de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 5, tweede lid, namens de lokale coalitie een coalitie-aanmelding in via de website van DUS-I voor de vorming van een coalitie. Bij de coalitie-aanmelding wordt een plan van aanpak als bedoeld in het vierde lid ingediend.

4.

Het plan van aanpak bevat voor de periode, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, in ieder geval:

a. a. de contactgegevens van de regievoerder; b. b. een beschrijving van de samenwerkende partijen die deelnemen aan de lokale coalitie, met vermelding van een contactpersoon, de naam van de organisatie, het e-mailadres van de organisatie en indien beschikbaar het RIO geïdentificeerde nummer; c. c. indien vestigingen aan een bestaande lokale coalitie worden toegevoegd of uit een coalitie gaan, de naam van de betreffende vestiging, met vermelding van een contactpersoon, het e-mailadres van de vestiging en het RIO geïdentificeerde nummer; d. d. het geschatte totaal aantal leerlingen dat deelneemt aan activiteiten in de lokale coalitie; e. e. een beschrijving van de visie en doelen van het aanbod in de lokale coalitie in het kader van het programma School en Omgeving; f. f. een beschrijving van welk ontwikkelaanbod wordt georganiseerd, welke ontwikkelgebieden hiermee worden bereikt, naar welke kwaliteit wordt gestreefd, waarbij in ieder geval aannemelijk wordt gemaakt dat een Verklaring Omtrent Gedrag van betrokkenen bij het ontwikkelaanbod verplicht is gesteld en hoe de kwaliteit zal worden gemonitord en geëvalueerd; g. g. een beschrijving van de activiteiten om doelen te bereiken; h. h. proces- en samenwerkingsafspraken in de lokale coalitie, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de vormgeving van de samenwerking tussen de gemeente en de vestiging binnen de lokale coalitie.

5. Indien de regievoerder zijn taken aan een nieuwe regievoerder overdraagt, maakt de oorspronkelijke regievoerder daar melding van bij DUS-I.

Artikel 5

1. De subsidie wordt door het bevoegd gezag van een vestiging aangevraagd. Het bevoegd gezag kan per vestiging maximaal één aanvraag indienen.

2. Een aanvraag wordt afgewezen als er geen coalitie-aanmelding als bedoeld in artikel 4, derde lid, is gedaan.

3. Een subsidieaanvraag kan worden ingediend van 3 maart 2025, 09:00 uur tot en met 31 maart 2025, 16:00 uur. Aanvragen die na 31 maart 2025, 16:00 uur worden ingediend, worden afgewezen.

4.

De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het digitale aanvraagformulier dat daartoe op de website van de DUS-I beschikbaar wordt gesteld. In dit aanvraagformulier vermeldt de aanvrager:

a. a. de naam van de vestiging; b. b. het in RIO geïdentificeerde nummer van de vestiging waarvoor de aanvraag wordt ingediend; c. c. de contactpersoon van de vestiging; d. d. het referentienummer van de lokale coalitie waar de vestiging deel van uitmaakt; e. e. het geschatte totaal aantal klokuren ontwikkelaanbod per schooljaar, bestaande uit 40 weken, met een minimum van vier klokuren en een maximum van tien klokuren per week, verdeeld over de schooljaren 20252026, 20262027 en 20272028; f. f. het geschatte aantal leerlingen op vestigingsniveau dat zal deelnemen aan de activiteiten.

5. Het ontwikkelaanbod gedurende de geschatte klokuren, bedoeld in het derde lid onderdeel e, is gericht op één of meer van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde ontwikkelgebieden.

6. Indien een bevoegd gezag op grond van artikel 3, eerste lid, een subsidieaanvraag doet, maakt het plan van aanpak van de lokale coalitie, bedoeld in artikel 4, vierde lid, onderdeel uit van deze subsidieaanvraag.

Artikel 6

1.

Voor subsidieverstrekking overeenkomstig artikel 9 is op grond van deze regeling in totaal een bedrag beschikbaar van € 835.976.165,40, waarvan:

a. a. € 479.957.070,20 beschikbaar is voor aanvragen voor het primair onderwijs, met uitzondering van het speciaal onderwijs, het speciaal basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; b. b. € 289.213.424, beschikbaar is voor aanvragen voor het voortgezet onderwijs, niet zijnde praktijkonderwijs; c. c. € 38.012.015, beschikbaar is voor aanvragen voor het speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; en d. d. € 28.793.656,20 beschikbaar is voor het praktijkonderwijs.

2.

Indien een subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid, ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen toe te wijzen, worden de aanvragen gerangschikt op aflopende relatieve onderwijsachterstandsscore, waarbij de subsidie voor de vestigingen met de hoogste scores wordt toegekend:

a. a. in het primair onderwijs, met uitzondering van het speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs, wordt gekeken naar de in bijlage 1 opgenomen relatieve onderwijsachterstandsscores; b. b. in het voortgezet onderwijs, met uitzondering van het praktijkonderwijs, wordt gekeken naar de in bijlage 2 opgenomen relatieve onderwijsachterstandsscores; c. c. in het speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs wordt gekeken naar de in bijlage 3 opgenomen scores met betrekking tot het relatief aantal leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond; d. d. in het praktijkonderwijs wordt gekeken naar de in bijlage 4 opgenomen relatieve onderwijsachterstandsscores.

3. Iedere aanvrager krijgt, indien het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, toereikend is, de mogelijkheid om in maart 2026 het aantal aangevraagde klokuren of het aantal aangevraagde leerlingen eenmalig tussentijds naar boven bij te stellen. De tussentijdse bijstelling heeft enkel effect op schooljaren 20262027 en 20272028. Er kan niet met terugwerkende kracht voor schooljaar 20252026 omhoog worden bijgesteld.

4. Indien het subsidieplafond, bedoeld in artikel 6, eerste lid, enkel deels toereikend is voor het doorvoeren van tussentijdse bijstellingen, worden de aanvragen gerangschikt op aflopende relatieve onderwijsachterstandsscore, waarbij de tussentijdse bijstelling voor de vestigingen met de hoogste scores wordt toegekend.

5. Indien één of meerdere subsidieplafonds, bedoeld in het eerste lid, niet of niet volledig worden benut, dan worden de resterende middelen uit andere subsidieplafonds verdeeld over de volledig benutte subsidieplafonds naar rato van de overvraag op de andere subsidieplafonds.

Artikel 7

1. Het subsidiebedrag voor een vestiging wordt berekend door het aantal opgegeven leerlingen van de desbetreffende vestiging dat naar verwachting zal deelnemen aan het programma School en Omgeving te vermenigvuldigen met een bedrag van € 264, per aangevraagd klokuur per schooljaar.

2. Indien een vestiging waarvoor subsidie wordt aangevraagd een totaal leerlingenaantal van 150 of minder heeft, wordt het subsidiebedrag voor de desbetreffende vestiging aangevuld met een aanvullend subsidiebedrag. Voor het totaal leerlingenaantal wordt gekeken naar de leerlingtelling van de Dienst Uitvoering Onderwijs met teldatum 1 februari 2024 voor het primair onderwijs en de leerlingtelling van teldatum 1 oktober 2022 voor het voortgezet onderwijs, zoals geregistreerd bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. Het aanvullende subsidiebedrag wordt berekend door 150 te verminderen met het aantal leerlingen waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waarbij het resulterende getal wordt vermenigvuldigd met € 52,80 per aangevraagd klokuur. Dit aanvullende bedrag wordt voor alle drie de schooljaren berekend.

Artikel 8

1.

In aanvulling op hoofdstuk 5 van de Kaderregeling worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

a. a. de activiteiten worden uitgevoerd in de schooljaren 20252026, 20262027 en 20272028 telkens in de periode van 1 augustus tot en met 31 juli; b. b. de activiteiten vinden plaats op reguliere schooldagen, buiten de reguliere onderwijstijd, en vinden uitsluitend plaats in schoolvakanties voor zover dit gebeurt in combinatie met aanbod op reguliere schooldagen, buiten de reguliere onderwijstijd; c. c. de subsidieontvanger ziet erop toe dat de personen die werken met de leerlingen in het bezit zijn van een Verklaring Omtrent het Gedrag; d. d. de subsidieontvanger spant zich in om het aantal opgegeven leerlingen een programma School en Omgeving aan te bieden; e. e. de subsidieontvanger biedt het aantal opgegeven klokuren daadwerkelijk aan; f. f. de subsidieontvanger deelt de inhoud van het programma School en Omgeving met onderzoekers die in opdracht van de minister de subsidieregeling evalueren met inachtneming van de AVG en neemt actief deel aan dit monitor- en effectenonderzoek.

2. De minister verzoekt de regievoerder uiterlijk op 1 november 2028 een kwaliteitsrapport bij DUS-I in te dienen, waarvoor door DUS-I in juni 2025 een format voor beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 9

1. In afwijking van artikel 9.1, vierde lid, van de Kaderregeling wordt de subsidie verleend binnen 13 weken na afloop van de periode waarin de aanvragen kunnen worden ingediend.

2. Onverminderd de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4 van de Kaderregeling, verstrekt de minister in het in het derde lid bedoelde geval de subsidies onder de opschortende voorwaarde dat het voorstel van wet tot wijziging van het voorstel van wet tot Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2025 (Kamerstukken 36 600 VIII) tot wet wordt verheven en in werking treedt en dat uiterlijk op 1 juni 2025 onder toepassing van artikel 2.26 van de Comptabiliteitswet 2016, een voorstel van wet tot wijziging van die wet wordt ingediend, waarbij voldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor de verstrekking van de subsidies en is voorzien in een kasritme dat de uitbetaling van de subsidies aan de hand van het in het zevende lid bedoelde betaalritme mogelijk maakt.

3.

De minister verstrekt een subsidie onder de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde, indien de subsidie wordt verstrekt ten laste van een voor subsidieverstrekking beschikbaar bedrag als bedoeld in artikel 6, eerste lid, terwijl van dat voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag voor de hoger gerangschikte aanvragen reeds een bedrag is aangewend van:

a. a. ten minste € 421.513.267, voor aanvragen voor het primair onderwijs, met uitzondering van het speciaal onderwijs, het speciaal basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; b. b. ten minste € 254.050.846, voor aanvragen voor het voortgezet onderwijs, niet zijnde praktijkonderwijs; c. c. ten minste € 33.403.081, voor aanvragen voor het speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; d. d. ten minste € 25.125.908, voor aanvragen voor het praktijkonderwijs.

4. Indien de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde op het moment van subsidieverstrekking reeds is vervuld, wordt de subsidie zonder deze opschortende voorwaarde verstrekt, met dien verstande dat dit de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4 van de Kaderregeling, onverlet laat.

5. Indien op het moment van subsidieverstrekking vaststaat dat de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde niet zal worden vervuld, wijst de minister de aanvragen als bedoeld in het derde lid af. Indien na het moment van subsidieverstrekking komt vast te staan dat de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde niet zal worden vervuld, stelt de minister de reeds onder opschortende voorwaarde verstrekte subsidies op nihil vast.

6. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

7.

De minister verstrekt een voorschot van 100 procent. Het betaalritme bestaat uit vier betalingen en vindt als volgt plaats:

a. a. de eerste betaling in september 2025, die 50 procent van het budget voor schooljaar 20252026 betreft; b. b. de tweede betaling in januari 2026, die 50 procent van het budget voor schooljaar 2025- 2026 en 50 procent van het budget voor schooljaar 20262027 betreft; c. c. de derde betaling in januari 2027, die 50 procent van het budget voor schooljaar 2026- 2027 en 50 procent van schooljaar 20272028 betreft; d. d. de vierde betaling in januari 2028, die 50 procent van het budget voor schooljaar 20272028 betreft.

8. Indien tussentijds omhoog wordt bijgesteld, als bedoeld in artikel 6 derde lid, vindt er een extra betaling plaats in september 2026, die het aanvullende budget voor 50 procent van schooljaar 20262027 betreft.

Artikel 9a

1. De Minister verleent aan het bevoegd gezag van een vestiging als bedoeld in artikel 3, eerste lid, die voor het eerst in 2025 subsidie ontvangt voor de uitvoering van het programma School en Omgeving als bedoeld in artikel 3, tweede lid, ambtshalve een aanvullend subsidiebedrag.

2. Voor de verstrekking van het aanvullende subsidiebedrag, in aanvulling op het bedrag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, in totaal € 3.333.000, beschikbaar. Het subsidiebedrag bedraagt per vestiging als bedoeld in het eerste lid, € 7.000,.

3. Het aanvullende subsidiebedrag, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, wordt verstrekt voor de uitvoering van kennisopbouw- en kennisdelingsactiviteiten in de schooljaren 20252026, 20262027 of 20272028. Onder kennisopbouw- en kennisdelingsactiviteiten wordt in ieder geval verstaan het professionaliseren door middel van training, het volgen of aanbieden van workshops, intervisiebijeenkomsten, werkbezoeken, of de ontwikkeling van tools ter bevordering van de lokale aanpak.

4. De Minister verleent het aanvullende subsidiebedrag ambtshalve uiterlijk op 1 december 2025 door wijziging van de subsidiebeschikking waarbij de aanvankelijke subsidie werd toegekend.

5. Het bevoegd gezag verantwoordt de subsidie onder toepassing van artikel 10, als onderdeel van de subsidie die overeenkomstig artikel 9 is verstrekt. In aanvulling op de verantwoording overeenkomstig artikel 10 geeft de subsidieontvanger in het eindverslag aan of er kennisopbouw- en kennisdelingsactiviteiten zijn verricht.

6. De Minister verleent een voorschot van 100%, dat in drie termijnen wordt uitbetaald. De eerste betaling van € 2.800, vindt uiterlijk op 8 december 2025 plaats, de tweede betaling van € 2.100, uiterlijk op 8 december 2026, en de derde betaling van € 2.100, uiterlijk op 8 december 2027.

Artikel 10

1. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, onderdeel 1.

2. De subsidie wordt uiterlijk 22 weken na indiening van het eindverslag, bedoeld in het vijfde lid, én de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de activiteitenperiode vastgesteld.

3. De activiteiten waarvoor op grond van artikel 3, tweede lid, subsidie is verstrekt, worden als volledig verricht beschouwd, indien ten minste 75 procent van het aantal klokuren, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel e, zijn uitgevoerd.

4. Indien de activiteiten volledig zijn uitgevoerd en aan de subsidieverplichtingen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, is voldaan, wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd.

5. De subsidieontvanger dient uiterlijk op 1 november 2028 bij DUS-I een eindverslag in. Een format daartoe wordt door DUS-I beschikbaar gesteld. In het eindverslag vermeldt de subsidieontvanger op welke manier hij zich heeft ingespannen om het aantal opgegeven leerlingen en het aantal gerealiseerde klokuren te bereiken. De vermelding van het aantal aangeboden klokuren, bedoeld in de derde volzin, geschiedt aan de hand van een uitsplitsing over de schooljaren 20252026, 20262027 en 20272028. Verder toont de subsidieontvanger in het eindverslag aan dat het aannemelijk is dat er gedurende het aantal aangeboden klokuren een ontwikkelaanbod is gerealiseerd en dat er zorg is gedragen voor de VOG-verklaringen van de betrokkenen.

6. De subsidieontvanger meldt gedurende de subsidieperiode schriftelijk bij DUS-I indien het gemiddeld aantal aangeboden klokuren dat is gerealiseerd minder is dan 75 procent van het aangevraagde aantal klokuren. In dat geval kan de subsidie lager worden vastgesteld. Voor het lager vaststellen van de subsidie wordt uitgegaan van het gemiddeld aantal klokuren per week per schooljaar, waarbij klokuren die meetellen activiteiten betreffen die vallen onder de ontwikkelgebieden, bedoeld in artikel 3, tweede lid.

7. Indien het aantal klokuren, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel e, niet wordt gehaald, wordt na aftrek van een marge van 25 procent van het aantal aangevraagde klokuren naar rato teruggevorderd over de niet-gerealiseerde uren.

8. Indien de activiteiten niet volledig zijn uitgevoerd of niet aan de verplichtingen is voldaan, kan de minister de subsidie lager vaststellen en het ontvangen subsidiebedrag naar rato terugvorderen.

9. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

Artikel 11

De minister kan één of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing daarvan gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 12

Deze regeling is niet van toepassing op scholen op Caribisch Nederland.

Artikel 13

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2030 met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van subsidies die op grond van deze regeling zijn verstrekt.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling School en Omgeving 20252028.

Bijlage 1. Primair onderwijs behorende bij

Bijlage 2. Voortgezet onderwijs behorende bij

Bijlage 3. Gespecialiseerd onderwijs behorende bij

Bijlage 4. Praktijkonderwijs behorende bij