40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel | BWBR0046464 | ministeriele-regeling | geldend | 2022-05-09 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0046464 | Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel |
Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
aanschaf: verkrijging van de eigendom, bedoeld in artikel 3:84, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek krachtens koop, of ‘financial leasing’, bedoeld in paragraaf 3.2 van het besluit Omzetbelasting, leasing van 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M;
-
aanvrager: onderneming, niet zijnde een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid, een provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een vestiging in Nederland en een subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;
-
Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
-
alternatieve energiedragers: energiebronnen die dienen als vervanging van fossiele bronnen en die ertoe kunnen bijdragen dat de energievoorziening koolstofvrij wordt en de milieuprestaties van de bouwsector verbeteren;
-
bouwsector: sector van bedrijven, ingeschreven in het handelsregister onder de codes 39, 41, 42, 43, 49410, 50 201, 77120, 77320, 77340 of 77390 van de Standaard Bedrijfsindeling, evenals de onderliggende codes gericht op de nieuwbouw, het onderhoud, de verbouw of het slopen en verwijderen van een onroerende zaak of een gedeelte daarvan; a. bouwmachine:
a. bouwwerktuig: 1°. mobiele machine; 2°. vervoerbare industriële uitrusting; of 3°. voertuig, niet bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg, of vaartuig; en 4°. welke genoemd is in bijlage 1, onderdeel A; of b. hulpfunctie: 1°. machine die is gemonteerd op het chassis van een weg- of spoorvoertuig, een oplegger of een drijvend werktuig; en 2°. welke genoemd is in en voldoet aan de beschrijving in bijlage 1, onderdeel B; of c. bouwvoertuig: 1°. voertuig dat op het moment van subsidievaststelling beschikt over de in het kentekenregister vastgelegde voertuigkwalificatie N3; en 2°. welke genoemd is in bijlage 1, onderdeel C; en d. indien elektrisch aangedreven beschikkende over een continu elektrisch motorvermogen van 8 kilowatt of hoger; en e. bestemd is of in hoofdzaak wordt gebruikt voor het verrichten van bouwwerkzaamheden in de open lucht;
a. a. bouwwerktuig:
1°.
mobiele machine;
2°.
vervoerbare industriële uitrusting; of
3°.
voertuig, niet bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg, of vaartuig; en
4°.
welke genoemd is in bijlage 1, onderdeel A; of
1°. 1°. mobiele machine; 2°. 2°. vervoerbare industriële uitrusting; of 3°. 3°. voertuig, niet bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg, of vaartuig; en 4°. 4°. welke genoemd is in bijlage 1, onderdeel A; of b. b. hulpfunctie:
1°.
machine die is gemonteerd op het chassis van een weg- of spoorvoertuig, een oplegger of een drijvend werktuig; en
2°.
welke genoemd is in en voldoet aan de beschrijving in bijlage 1, onderdeel B; of
1°. 1°. machine die is gemonteerd op het chassis van een weg- of spoorvoertuig, een oplegger of een drijvend werktuig; en 2°. 2°. welke genoemd is in en voldoet aan de beschrijving in bijlage 1, onderdeel B; of c. c. bouwvoertuig:
1°.
voertuig dat op het moment van subsidievaststelling beschikt over de in het kentekenregister vastgelegde voertuigkwalificatie N3; en
2°.
welke genoemd is in bijlage 1, onderdeel C; en
1°. 1°. voertuig dat op het moment van subsidievaststelling beschikt over de in het kentekenregister vastgelegde voertuigkwalificatie N3; en 2°. 2°. welke genoemd is in bijlage 1, onderdeel C; en d. d. indien elektrisch aangedreven beschikkende over een continu elektrisch motorvermogen van 8 kilowatt of hoger; en e. e. bestemd is of in hoofdzaak wordt gebruikt voor het verrichten van bouwwerkzaamheden in de open lucht;
-
CO2: koolstofdioxide;
-
emissieloos: zonder uitlaatemissie van NO_x, roetdeeltjes en broeikasgassen, uitgezonderd CO_2 die vrijkomt bij gebruik van niet fossiele waterstofdragers in een brandstofcel;
-
emissiearm: uitlaatemissies van NO_x en roetdeeltjes die voldoen aan emissielimieten zoals aangegeven in bijlage 3;
-
fijnstof: vaste stofdeeltjes die kleiner zijn dan 10 micrometer doorsnee;
-
groep: groep, bedoeld in artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek; 1°. * hermotorisering:*
1°. inbouw van een nieuwe motor die voldoet aan de fase V emissienorm, als bedoeld in de NRMM-Verordening of op basis van de NRMM-Verordening als gelijkwaardig is erkend, in een in gebruik zijnd bouwwerktuig, of 2°. de inbouw van een nieuwe motor die voldoet aan de IMO MARPOL Tier III emissienorm, in een in gebruik zijnd zeegaand bouwvaartuig;
1°. 1°. inbouw van een nieuwe motor die voldoet aan de fase V emissienorm, als bedoeld in de NRMM-Verordening of op basis van de NRMM-Verordening als gelijkwaardig is erkend, in een in gebruik zijnd bouwwerktuig, of 2°. 2°. de inbouw van een nieuwe motor die voldoet aan de IMO MARPOL Tier III emissienorm, in een in gebruik zijnd zeegaand bouwvaartuig;
-
- IMO MARPOL Tier III emissienorm:* als bedoeld in voorschrift 13, paragraaf 5,1,1, bijlage VI, Hoofdstuk 3 van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij, Londen, 02-11-1973 en gepubliceerd in het Tractatenblad 1978, 187;
- in gebruik zijnd bouwwerktuig of zeegaand bouwvaartuig: een bouwwerktuig of zeegaand bouwvaartuig dat door de huidige of vorige eigenaar al is ingezet voor bouwwerkzaamheden;
- Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;
- kleine of middelgrote onderneming: kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
- netto investeringskosten: investeringskosten voor de subsidiabele bouwmachine of het zeegaand bouwvaartuig exclusief omzetbelasting;
- netto referentiekosten: investeringskosten voor de referentie-bouwmachine exclusief omzetbelasting;
- NOx: stikstofoxiden;
- NH3: ammoniak;
- NRMM-Verordening: verordening (EU) 2016/1628 van het Europees parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG;
- onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;
- operational leasing: leasevorm, bedoeld in paragraaf 3.3 van het besluit Omzetbelasting, leasing;
- overeenkomst: schriftelijke overeenkomst tot koop, bedoeld in artikel 7:1 van het Burgerlijk Wetboek of een schriftelijke overeenkomst tot ‘financial leasing’, bedoeld in paragraaf 3.2 van het besluit Omzetbelasting, leasing, met de ontbindende voorwaarde dat subsidie wordt verleend;
- project experimentele ontwikkeling: een project inhoudende experimentele ontwikkeling, bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening waarbij sprake is van het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten;
- project haalbaarheidsstudie: een project inhoudende een haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 87, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij sprake is van een onderzoek of analyse van het potentieel van een project experimentele ontwikkeling, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico’s in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat de uiteindelijke slaagkansen zijn;
- referentie-bouwmachine: bouwmachine met een verbrandingsmotor met dezelfde functie en prestatie als de te subsidiëren bouwmachine;
- roetdeeltjes: stof die ontstaat bij een onvolledige verbranding van koolstofhoudende brandstoffen;
- SCR-katalysator: nabehandelingssysteem voor selectieve katalytische reductie, dat overeenkomstig geldende standaarden op een motor van een bouwwerktuig kan worden geplaatst, teneinde emissies van NO_x significant te verminderen;
- RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
- eerste inschrijving en tenaamstelling: eerste inschrijving en tenaamstelling, bedoeld in artikel 25 van het Kentekenreglement;
- verkoopprijs: prijs van de emissieloze bouwmachine inclusief af-fabriekopties zoals vermeld op de overeenkomst verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting;
- verstrekkingsvoorbehoud: registratie als bedoeld in artikel 25 van het Kentekenreglement, van de rechtspersoon of natuurlijk persoon die over de tenaamstellingscode van een voertuig in het kentekenregister kan beschikken;
- voertuigkwalificatie N3: voertuigkwalificatie N3 als bedoeld in bijlage II, onderdeel A, van de Verordening (EU) 2018/858 van het Europees parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1–218);
- zeegaand bouwvaartuig: vaartuig dat mede wordt ingezet voor bouwwerkzaamheden in de Nederlandse exclusieve economische zone, waarvoor een geldig certificaat als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 6 van het Schepenbesluit 2004 vereist is, dat is genoemd in bijlage 1, onderdeel D, bij deze regeling, niet zijnde een binnenvaartschip of drijvend werktuig als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG;
Artikel 1.2
Deze regeling heeft als hoofddoel om de emissie van NO_x in de bouwsector te verminderen en als nevendoel om de emissie van CO_2 en fijnstof te verminderen, door:
a. a. de aanschaf van emissieloze bouwmachines en bouwmachines met mono-fuel waterstofverbrandingsmotor voor bouwwerkzaamheden door ondernemingen in de bouwsector te stimuleren; b. b. de ombouw van bouwmachines en zeegaande bouwvaartuigen door middel van NO_x-reducerende maatregelen door ondernemingen in de bouwsector te stimuleren; c. c. het ondersteunen van projecten gericht op technologie-, innovatie- en kennisontwikkeling in de pre-commerciële fase of aanschaf in het kader van een experimentele ontwikkeling, die een bijdrage leveren aan het bereiken van een reductie van met name de emissie van NO_x, alsmede de emissies van CO_2, en fijn stof, in de bouwsector, door het gebruik van bouwmachines zonder verbrandingsmotor of bouwmachines met mono-fuel waterstofverbrandingsmotor die in hun energiebehoefte worden voorzien door elektriciteit, waterstof of niet petrochemische waterstofdragers.
Artikel 1.3
Per aanvrager of groep wordt per kalenderjaar ten hoogste € 1.500.000 aan subsidie als bedoeld in de artikelen 2.1 en 3.1 verleend.
Artikel 1.4
Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2. Aanschafsubsidie
Artikel 2.1
De Minister kan, overeenkomstig het bepaalde bij dit hoofdstuk en artikel 1.3, aan een aanvrager subsidie verstrekken voor de aanschaf van één of meerdere emissieloze bouwmachines, of van één of meerdere bouwmachines met een mono-fuel waterstofverbrandingsmotor, die voor het eerst in gebruik worden genomen na productie dan wel die voor datum vaststelling subsidie voor het eerst zijn ingeschreven en tenaamgesteld.
Artikel 2.2
1. De subsidie bedraagt per emissieloos bouwwerktuig en emissieloze hulpfunctie ten hoogste een percentage van de meerkosten ten opzichte van een referentie-bouwwerktuig of hulpfunctie, tot een bedrag van ten hoogste € 300.000 als het een emissieloos bouwwerktuig of emissieloze hulpfunctie betreft met een continu elektrisch motorvermogen tot 300 kW en ten hoogste € 500.000 als het een emissieloos bouwwerktuig of emissieloze hulpfunctie betreft met een continu elektrisch motorvermogen groter of gelijk aan 300 kW, waarbij dit percentage 30% voor kleine en middelgrote ondernemingen en 25% voor grote ondernemingen is.
2.
De meerkosten, bedoeld in het eerste lid, worden per bouwwerktuig of hulpfunctie als volgt bepaald:
a. a. in het geval van een emissieloos bouwwerktuig of emissieloze hulpfunctie met uitsluitend een batterijpakket als energiedrager, met een continu elektrisch motorvermogen tot 100 kW, door toepassing van de formule: AkWh + MkW + O, waarbij: A = € 700, kWh = accucapaciteit in kilowattuur, M = € 300, kW = continu elektrisch motorvermogen in kilowatt van op het bouwwerktuig of hulpfunctie beschikbare elektromotoren, O = € 7.000; b. b. indien de hulpfunctie bedoeld in onderdeel a, energie krijgt van het batterijpakket dat dient voor aandrijving van het emissieloos voertuig waarop de hulpfunctie is aangebracht, wordt voor 'accucapaciteit in kilowattuur' nul gerekend; c. c. in het geval van overige emissieloze bouwwerktuigen en hulpfuncties, op basis van de netto investeringskosten verminderd met de netto referentiekosten, waarbij ten hoogste twee verwisselbare batterijpakketten tot de subsidiabele meerkosten worden gerekend en de kosten voor extra verwisselbare uitrustingsstukken zijn uitgesloten, behalve uitrustingsstukken die alleen geschikt zijn voor de elektrische variant van het bouwwerktuig of de hulpfunctie; d. d. in het geval een emissieloos bouwwerktuig gebruik maakt van verwisselbare batterijpakketten, door ten hoogste twee verwisselbare batterijpakketten tot de subsidiabele meerkosten te rekenen.
3.
De subsidie bedraagt per emissieloos bouwvoertuig en bouwvoertuig met mono-fuel waterstofverbrandingsmotor:
a. a. bij grote ondernemingen 11,1% van de verkoopprijs van het bakwagenchassis exclusief opbouw tot een maximum van € 43.900; b. b. bij kleine of middelgrote onderneming 21% van de verkoopprijs van het bakwagenchassis exclusief opbouw tot een maximum van € 83.200.
4.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie als bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, nummers A2.2 en A2.7, tot een bedrag van ten hoogste € 300.000:
a. a. voor een grote onderneming € 60 per kWh opslag; b. b. voor een kleine of middelgrote onderneming € 85 per kWh opslag.
5.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie voor bouwmachines als bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, nummer A2.13, tot een bedrag van ten hoogste € 300.000:
a. a. voor een grote onderneming 20% van de investeringskosten met een maximum van:
1°.
€ 1.500 per DC laadstation met een vermogen vanaf 20 kW;
2°.
€ 3.700 per DC laadstation met een vermogen vanaf 50 kW;
3°.
€ 6.600 per DC laadstation met een vermogen vanaf 100 kW of tweemaal 50 kW;
4°.
€ 9.200 per DC laadstation met een vermogen vanaf 150 kW of tweemaal 75 kW;
5°.
€ 11.700 per DC laadstation met een vermogen vanaf 220 kW of tweemaal 110 kW;
6°.
€ 14.000 per DC laadstation met een vermogen vanaf 350 kW of tweemaal 175 kW;
7°.
€ 33.000 per DC laadstation met een vermogen vanaf 550 kW of tweemaal 275 kW.
1°. 1°. € 1.500 per DC laadstation met een vermogen vanaf 20 kW; 2°. 2°. € 3.700 per DC laadstation met een vermogen vanaf 50 kW; 3°. 3°. € 6.600 per DC laadstation met een vermogen vanaf 100 kW of tweemaal 50 kW; 4°. 4°. € 9.200 per DC laadstation met een vermogen vanaf 150 kW of tweemaal 75 kW; 5°. 5°. € 11.700 per DC laadstation met een vermogen vanaf 220 kW of tweemaal 110 kW; 6°. 6°. € 14.000 per DC laadstation met een vermogen vanaf 350 kW of tweemaal 175 kW; 7°. 7°. € 33.000 per DC laadstation met een vermogen vanaf 550 kW of tweemaal 275 kW. b. b. voor een kleine of middelgrote onderneming 40% van de investeringskosten met een maximum van:
1°.
€ 2.900 per DC laadstation met een vermogen vanaf 20 kW;
2°.
€ 7.300 per DC laadstation met een vermogen vanaf 50 kW;
3°.
€ 13.500 per DC laadstation met een vermogen vanaf 100 kW of tweemaal 50 kW;
4°.
€ 18.300 per DC laadstation met een vermogen vanaf 150 kW of tweemaal 75 kW;
5°.
€ 23.300 per DC laadstation met een vermogen vanaf 220 kW of tweemaal 110 kW;
6°.
€ 27.900 per DC laadstation met een vermogen vanaf 350 kW of tweemaal 175 kW;
7°.
€ 66.000 per DC laadstation met een vermogen vanaf 550 kW of tweemaal 275 kW.
1°. 1°. € 2.900 per DC laadstation met een vermogen vanaf 20 kW; 2°. 2°. € 7.300 per DC laadstation met een vermogen vanaf 50 kW; 3°. 3°. € 13.500 per DC laadstation met een vermogen vanaf 100 kW of tweemaal 50 kW; 4°. 4°. € 18.300 per DC laadstation met een vermogen vanaf 150 kW of tweemaal 75 kW; 5°. 5°. € 23.300 per DC laadstation met een vermogen vanaf 220 kW of tweemaal 110 kW; 6°. 6°. € 27.900 per DC laadstation met een vermogen vanaf 350 kW of tweemaal 175 kW; 7°. 7°. € 66.000 per DC laadstation met een vermogen vanaf 550 kW of tweemaal 275 kW.
6. Indien reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie subsidie of een andere tegemoetkoming is verstrekt voor de aanschaf van de bouwmachine wordt het bedrag dat door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie is verstrekt in mindering gebracht op de subsidie waarvoor de aanvrager krachtens deze regeling in aanmerking komt.
7. Indien de berekeningswijze van het subsidiebedrag tot een hoger bedrag leidt dan voorgeschreven in de artikelen 36, 36bis en 36ter van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, zowel ten aanzien van de in aanmerking komende kosten als het maximale percentage, wordt het subsidiebedrag overeenkomstig deze artikelen verlaagd.
Artikel 2.3
1.
Het subsidieplafond bedraagt:
a. a. voor 2022:
1°.
€ 23.500.000 voor bouwwerktuigen en hulpfuncties als bedoeld in de begripsomschrijving van ‘bouwmachine’, artikel 1.1, onderdelen a en b;
2°.
€ 1.670.000 voor bouwvoertuigen als bedoeld in de begripsomschrijving van ‘bouwmachine’, artikel 1.1, onderdeel c.
1°. 1°. € 23.500.000 voor bouwwerktuigen en hulpfuncties als bedoeld in de begripsomschrijving van ‘bouwmachine’, artikel 1.1, onderdelen a en b; 2°. 2°. € 1.670.000 voor bouwvoertuigen als bedoeld in de begripsomschrijving van ‘bouwmachine’, artikel 1.1, onderdeel c. b. b. voor 2023: € 42.000.000 voor bouwwerktuigen, hulpfuncties en bouwvoertuigen als bedoeld in de begripsomschrijving van bouwmachine, in artikel 1.1, onderdelen a, b en c. c. c. voor 2024: € 36.000.000 voor bouwwerktuigen, hulpfuncties en bouwvoertuigen als bedoeld in de begripsomschrijving van bouwmachine in artikel 1.1, onderdelen a, b en c. d. d. voor 2025:
1°.
€ 28.000.000 voor bouwwerktuigen, hulpfuncties en bouwvoertuigen als bedoeld in de begripsomschrijving van bouwmachine in artikel 1.1, onderdelen a, b en c, met uitzondering van de codes A2.2, A2.3, A2.7, A2.12 en A2.13, tenzij het subsidieplafond in het eerste lid, onderdeel d, onder 2°. bereikt is;
2°.
€ 20.000.000 voor bouwmachines met de codes A2.2, A2.3, A2.7, A2.12 en A2.13.
1°. 1°. € 28.000.000 voor bouwwerktuigen, hulpfuncties en bouwvoertuigen als bedoeld in de begripsomschrijving van bouwmachine in artikel 1.1, onderdelen a, b en c, met uitzondering van de codes A2.2, A2.3, A2.7, A2.12 en A2.13, tenzij het subsidieplafond in het eerste lid, onderdeel d, onder 2°. bereikt is; 2°. 2°. € 20.000.000 voor bouwmachines met de codes A2.2, A2.3, A2.7, A2.12 en A2.13. e. e. voor 2026:
1°.
€ 25.000.000 voor bouwwerktuigen, hulpfuncties en bouwvoertuigen als bedoeld in de begripsomschrijving van bouwmachine in artikel 1.1, onderdelen a, b en c, met uitzondering van de codes A2.2, A2.3, A2.7, A2.12 en A2.13;
2°.
€ 25.000.000 voor bouwmachines met de codes A2.2, A2.3, A2.7, A2.12 en A2.13.
1°. 1°. € 25.000.000 voor bouwwerktuigen, hulpfuncties en bouwvoertuigen als bedoeld in de begripsomschrijving van bouwmachine in artikel 1.1, onderdelen a, b en c, met uitzondering van de codes A2.2, A2.3, A2.7, A2.12 en A2.13; 2°. 2°. € 25.000.000 voor bouwmachines met de codes A2.2, A2.3, A2.7, A2.12 en A2.13.
2. Indien een of beide subsidieplafonds, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, na 1 juni 2026 ontoereikend zijn om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, kunnen de bedragen worden aangevuld met de onaangesproken middelen van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel e, onder 1° of 2°, artikel 3.3, eerste lid, onderdeel e, of artikel 4.3, eerste lid, onderdeel e.
3. Indien het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, onder 1°, na 1 juni 2026 ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, kan het bedrag worden aangevuld met de onaangesproken middelen van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, tot ten hoogste het bedrag dat is bestemd voor verwisselbare batterijpakketten behorende bij een emissieloos bouwwerktuig als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel d.
4. Indien na 1 juni 2026 budget voor subsidieaanvragen op grond van hoofdstuk 2 deels onaangesproken is gebleven, kan dit budget gebruikt worden voor aanvragen op grond van hoofdstuk 3 of hoofdstuk 4.
Artikel 2.4
1. De Minister kent de in de betreffende subsidieperiode beschikbare gelden voor subsidies op grond van dit hoofdstuk toe, overeenkomstig artikel 8, lid 3 van het Kaderbesluit, op volgorde van ontvangst van de volledige aanvragen.
2. Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag voldoet aan deze wettelijke voorschriften als datum van ontvangst.
3. Indien de Minister op de dag waarop het subsidieplafond is bereikt, meerdere volledige aanvragen om subsidieverlening heeft ontvangen, stelt hij de onderlinge rangschikking vast door middel van loting.
Artikel 2.5
1. Een aanvrager dient bij de Minister een aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk in door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
2. Als tijdstip van indiening van een aanvraag geldt de datum van ontvangst van de volledige aanvraag.
3.
Een aanvraag tot subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk kan worden ingediend in de volgende perioden:
a. a. in 2022 voor:
1°.
bouwwerktuigen en hulpfuncties als bedoeld in de begripsomschrijving van ‘bouwmachine’, artikel 1.1, onderdelen a en b, van 9 mei 2022, 9.00 uur tot en met 30 december 2022, 12.00 uur;
2°.
bouwvoertuigen als bedoeld in de begripsomschrijving van ‘bouwmachine’ artikel 1.1, onderdeel c, van 9 mei 2022, 9.00 uur tot en met 29 juli 2022;
1°. 1°. bouwwerktuigen en hulpfuncties als bedoeld in de begripsomschrijving van ‘bouwmachine’, artikel 1.1, onderdelen a en b, van 9 mei 2022, 9.00 uur tot en met 30 december 2022, 12.00 uur; 2°. 2°. bouwvoertuigen als bedoeld in de begripsomschrijving van ‘bouwmachine’ artikel 1.1, onderdeel c, van 9 mei 2022, 9.00 uur tot en met 29 juli 2022; b. b. in 2023 van 9 mei 2023, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2023, 12.00 uur; c. c. in 2024 van 5 maart 2024, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2024, 12.00 uur; d. d. in 2025 van 4 maart 2025, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2025, 12.00 uur; e. e. in 2026 van 3 maart 2026, 9.00 uur tot en met 30 oktober 2026, 17.00 uur.
4.
Bij de aanvraag tot verlening van de subsidie op grond van dit hoofdstuk worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:
a. a. naam en adres van de aanvrager; b. b. contactpersoon met contactgegevens van de aanvrager; c. c. nummer Kamer van Koophandel; d. d. BSN-nummer van de aanvrager indien een onderneming door een natuurlijk persoon wordt gedreven; e. e. het IBAN-nummer van een bankrekening die op naam staat van de aanvrager; f. f. de overeenkomst voor de aanschaf die:
1°.
die ten tijde van de aanvraag om subsidieverlening geen onherroepelijke verplichting mag bevatten, en
2°.
waarin tenminste zijn vermeld het merk, type, de handelsbenaming en, indien van toepassing, tenminste de volgende technische specificaties van de emissieloze bouwmachine: accucapaciteit in kilowattuur, continu elektrisch motorvermogen in kilowatt en vermogen van de brandstofcel in kilowatt;
1°. 1°. die ten tijde van de aanvraag om subsidieverlening geen onherroepelijke verplichting mag bevatten, en 2°. 2°. waarin tenminste zijn vermeld het merk, type, de handelsbenaming en, indien van toepassing, tenminste de volgende technische specificaties van de emissieloze bouwmachine: accucapaciteit in kilowattuur, continu elektrisch motorvermogen in kilowatt en vermogen van de brandstofcel in kilowatt; g. g. indien het een bouwmachine, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel c, betreft, een bewijs van minder dan drie maanden oud waaruit blijkt wat de netto referentiekosten zijn; h. h. de code of codes verbonden aan de Standaard Bedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek van de aanvrager op het moment van de aanvraag; i. i. de aanduiding van de subsidieregeling en de hoogte van het bedrag van eventuele reeds aangevraagde of ontvangen subsidies of andere tegemoetkomingen van andere bestuursorganen of de Europese Commissie voor de aanschaf van de bouwmachine; j. j. een getekende verklaring dat de bouwmachine gedurende de instandhoudingstermijn, bedoeld in artikel 2.11, derde lid, hoofdzakelijk zal worden ingezet ten behoeve van de bouwsector in Nederland; k. k. indien de aanvraag een aggregaat op waterstof of waterstofdrager als bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, nummer A2.3, of een mobiele waterstof tankvoorziening, als bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, nummer A2.14 betreft, een bewijs dat voor het gebruiken van waterstof of waterstofdrager voor het aggregaat wordt voldaan aan artikel 2 nummers 102 quater respectievelijk quinquies van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; l. l. indien de aanvraag een batterijpakket voor off-grid stroomvoorziening vanaf 50 kWh op een bouwlocatie als bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, nummer A2.7 betreft, een bewijs dat voor het opladen van het batterijpakket, niet behorend tot een bouwwerktuig, wordt voldaan aan artikel 2 nummers 102 quater respectievelijk quinquies van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; m. m. indien de aanvraag een bouwwerktuig of hulpfunctie betreft die werkt op waterstof of waterstofdrager, uitgezonderd een aggregaat op waterstof of waterstofdrager als bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, nummer A2.3, een bewijs dat wordt voldaan aan artikel 36 eerste lid ter van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 2.6
De Minister beslist in elk geval afwijzend op een aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk, indien:
a. a. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. het een aanvrager betreft, tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening; c. c. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; d. d. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; e. e. de energie voor de aandrijving van de bouwmachine wordt geleverd door een batterijpakket dat lood bevat; f. f. de onderneming ten tijde van de aanvraag niet staat geregistreerd als onderneming in de bouwsector op basis van de Standaard Bedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek; g. g. de schriftelijke overeenkomst of overeenkomsten ten behoeve van de maatregelen bedoeld in artikel 2.1 ten tijde van indiening van de aanvraag reeds is of zijn gesloten en geen contractuele mogelijkheid meer biedt om de overeenkomst rechtsgeldig te kunnen ontbinden; h. h. de hulpfunctie geen gebruikstoestand kent waarbij de verbrandingsmotor automatisch wordt afgeschakeld als de elektromotor van de hulpfunctie wordt gebruikt, en het batterijpakket niet met een stekker oplaadbaar is; i. i. de bouwmachine niet in de handel is gebracht met inachtneming van de voorschriften die bij of krachtens hoofdstuk 3 van het Warenwetbesluit machines zijn gesteld of de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid, bedoeld in artikel 26a van de Spoorwegwet; j. j. de hulpfunctie niet wordt gemonteerd op een voertuig met tenminste milieuklasse Euro VI of bouwwerktuig met ten minste milieuklasse fase V; k. k. er al een subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteit met betrekking tot dezelfde bouwmachine; l. l. de aanvraag niet voldoet aan de in de regeling gestelde regels.
Artikel 2.7
De beschikking op een subsidieaanvraag wordt gegeven binnen 13 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen 13 weken kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met diezelfde termijn worden verlengd.
Artikel 2.8
De Minister verstrekt ambtshalve, gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening, een voorschot van 70%.
Artikel 2.9
1. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt uiterlijk 12 maanden na de datum van verlening van de subsidie ingediend.
2. De aanvrager kan bij RVO een verzoek doen tot uitstel van maximaal 12 maanden van de indiening van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, indien hij kan aantonen dat de levertijd van de emissieloze bouwmachine langer is dan de periode genoemd in het eerste lid.
3. Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt op grond van dit hoofdstuk ingediend door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
4.
Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:
a. a. bijbehorende factuur, waarop het kenteken of serienummer vermeld staat, en het betaalbewijs van de bouwmachine; b. b. indien van toepassing, het kenteken van de gesubsidieerde bouwmachine; c. c. foto’s van de aangeschafte bouwmachine, inclusief kenteken of serienummer.
Artikel 2.10
Betalingen vinden plaats op een bankrekening die op naam staat van de aanvrager. Het resterende bedrag, na betaling van het voorschot, wordt gelijktijdig met de beschikking tot subsidievaststelling verstrekt.
Artikel 2.11
1.
De subsidieontvanger die een subsidie ontvangt op grond van dit hoofdstuk is overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van het Kaderbesluit verplicht:
a. a. onverwijld schriftelijk mededeling aan de Minister te doen van gewijzigde omstandigheden of wijziging van zijn gegevens die van belang zijn in verband met de subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk; b. b. om op verzoek van de Minister alle gevraagde medewerking te verlenen aan de uitvoering van de verplichtingen die zijn gesteld in deze regeling en de beschikkingen; c. c. om op verzoek van de Minister alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door de Minister ter zake van de toepassing en de effecten van deze regeling ingesteld evaluatieonderzoek, die de Minister redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoering van dat evaluatieonderzoek.
2. Zodra het redelijkerwijs aannemelijk is dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie op grond van dit hoofdstuk verbonden verplichtingen wordt of zal worden voldaan, doet de subsidieontvanger hiervan onverwijld mededeling aan de Minister.
3. De subsidieontvanger heeft gedurende 48 maanden na vaststelling van de subsidie de gesubsidieerde bouwmachine, zonder overdracht aan derden, in eigendom, en gebruikt deze hoofdzakelijk in de bouwsector. Gedurende 48 maanden na de vaststelling van de subsidie toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de bouwmachine hoofdzakelijk in Nederland en hoofdzakelijk in de bouwsector is ingezet.
4.
De subsidieontvanger is verplicht:
a. a. de bouwmachines met een kentekenbewijs waarvoor subsidie is verstrekt op zijn naam te stellen; b. b. indien van toepassing, er zorg voor te dragen dat de bouwmachine gedurende 48 maanden vanaf de eerste datum van inschrijving en tenaamstelling op zijn naam is gesteld, of bij operational leasing, een verstrekkingsvoorbehoud in het kentekenregister is geplaatst; c. c. de overeenkomst tot aanschaf te overleggen.
5. De subsidieontvanger is verplicht medewerking te verlenen aan controles die kunnen worden verricht door de Minister om te onderzoeken of door de subsidieontvanger aan de verplichtingen uit dit hoofdstuk is of wordt voldaan.
6. De subsidieontvanger beschikt, indien van toepassing, over een geldig keuringsbewijs als bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en is verplicht deze op verzoek van de Minister te overleggen.
7. De Minister kan bij de beschikking tot verlening of vaststelling van de subsidie op grond van dit hoofdstuk nadere verplichtingen opleggen.
Artikel 2.12
1. Indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 2.11 kan de Minister, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:49 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, besluiten de vaststelling van de subsidie te wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terug te vorderen.
2. Het terug te vorderen bedrag wordt bepaald door de subsidie te verminderen met 1/48e van het verstrekte subsidiebedrag vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichtingen, genoemd in artikel 2.11. derde lid, inzake de verplichting om de bouwmachine in eigendom te houden en hoofdzakelijk te gebruiken in de bouwsector in Nederland.
Hoofdstuk 3. Retrofitsubsidie
Artikel 3.1
De Minister kan, overeenkomstig het bepaalde bij dit hoofdstuk en artikel 1.3, aan een aanvrager subsidie verstrekken voor:
a. a. de ombouw van een bouwwerktuig, die beschikt over een motor met een vermogen groter of gelijk aan 19 kW en kleiner dan 56 kW waarvoor de fase V emissienorm, bedoeld in de bijlage bij de NRMM-verordening, geldt, tot een emissiearm bouwwerktuig door installatie van een SCR-katalysator die leidt tot een bouwwerktuig die voldoet aan de limietwaarden voor NO_x uit Tabel 1 in bijlage 3 van deze regeling; b. b. de ombouw van een bouwwerktuig, die beschikt over een motor met een vermogen groter of gelijk aan 56 kW en kleiner of gelijk aan 560 kW waarvoor de fase II, fase III A of fase III B emissienormen, bedoeld in de bijlage bij de NRMM-verordening, gelden, tot een emissiearm bouwwerktuig door installatie van een SCR-katalysator, die leidt tot een bouwwerktuig dat voldoet aan de voor dat bouwwerktuig geldende fase V-emissienormen voor NO_x, bedoeld in de bijlage bij de NRMM-verordening; c. c. de ombouw van een bouwwerktuig met een motorvermogen groter dan 560 kW tot emissiearm bouwwerktuig door installatie van een SCR-katalysator, die leidt tot een bouwwerktuig dat voldoet aan de limietwaarden voor NO_x uit Tabel 1 in bijlage 3 van deze regeling; d. d. de ombouw van een in gebruik zijnd bouwwerktuig of hulpfunctie tot emissieloos bouwwerktuig of hulpfunctie door inbouw en installatie van een elektrische aandrijfmotor met een brandstofcel of een niet loodhoudend batterijpakket; e. e. aanschaf en installatie van een nieuwe mono-fuel waterstofverbrandingsmotor vanaf 130 kW die voldoet aan emissienorm fase V als bedoeld in de NRMM-Verordening, of de aanschaf en installatie van een nieuwe mono-fuel waterstofverbrandingsmotor die op basis van die verordening als gelijkwaardig is erkend, voor een in gebruik zijnd bouwwerktuig met een verbrandingsmotor tot en met 560 kW met emissienorm fase IIIB of ouder, of met een ongereguleerde verbrandingsmotor vanaf 560 kW; f. f. de aanschaf en installatie van een nieuwe verbrandingsmotor die aantoonbaar tenminste 25% van zijn energie haalt uit waterstof of ammonia en voldoet aan de IMO MARPOL Tier III emissienorm in een in gebruik zijnd zeegaand bouwvaartuig; g. g. de ombouw van een bestaande verbrandingsmotor op een zeegaand bouwvaartuig zodat deze aantoonbaar tenminste 25% van zijn energie haalt uit waterstof of ammonia en voldoet aan de IMO MARPOL Tier III emissienorm; h. h. de aanschaf en inbouw van een elektrische installatie op een zeegaand bouwvaartuig waardoor het vaartuig gebruik kan maken van stroom vanaf de wal en het aantoonbaar tenminste 25% van de energie op deze wijze verkrijgt.
Artikel 3.2
1.
De subsidie bedraagt:
a. a. per bouwwerktuig of hulpfunctie, als bedoeld in artikel 3.1, onderdelen a tot en met g, ten hoogste een percentage van de kosten van de maatregelen, tot een bedrag van ten hoogste € 300.000, waarbij dit percentage 30% voor kleine en middelgrote ondernemingen en 25% voor grote ondernemingen is; b. b. voor de maatregel, bedoeld in artikel 3.1, onderdeel h, ten aanzien van een zeegaand bouwvaartuig ten hoogste 30% van de kosten van de maatregel tot een bedrag van ten hoogste € 300.000; c. c. in afwijking van de onderdelen a en b bedraagt het maximale subsidiebedrag voor een emissieloos bouwwerktuig, emissieloze hulpfunctie of elektrische installatie op een zeegaand bouwvaartuig met een continu elektrisch motorvermogen groter of gelijk aan 300 kW ten hoogste € 500.000; d. d. in het geval van ombouw naar een emissieloos bouwwerktuig dat gebruik maakt van verwisselbare batterijpakketten wordt ten hoogste één verwisselbaar batterijpakket tot de netto investeringskosten gerekend, waarbij de subsidie voor aanvullende verwisselbare batterijpakketten als bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, nummer A2.7 bedraagt:
a.
voor een grote onderneming € 60 per kWh opslag;
b.
voor een kleine of middelgrote onderneming € 85 per kWh opslag.
a. a. voor een grote onderneming € 60 per kWh opslag; b. b. voor een kleine of middelgrote onderneming € 85 per kWh opslag.
2. De kosten per bouwwerktuig, hulpfunctie of zeegaand bouwvaartuig, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald op basis van de netto investeringskosten die onder artikel 3.1 subsidiabel zijn.
3. De steunintensiteit wordt per maatregel op een zeegaand bouwvaartuig met 15 procentpunten verhoogd voor subsidie aan een kleine of middelgrote onderneming.
4. Artikel 2.2, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.3
1.
Het subsidieplafond voor de maatregelen, bedoeld in artikel 3.1 bedraagt:
a. a. voor 2022: € 7.000.000; b. b. voor 2023: € 14.000.000; c. c. voor 2024: € 10.000.000; d. d. voor 2025: € 7.000.000; e. e. voor 2026: € 3.000.000.
2. Indien het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, na 1 juni 2026 ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, kan het bedrag worden aangevuld met de onaangesproken middelen gereserveerd op grond van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, of artikel 4.3, eerste lid, onderdeel e.
3. Indien na 1 juni 2026 budget voor subsidieaanvragen op grond van hoofdstuk 3 deels onaangesproken is gebleven, kan dit budget gebruikt worden voor aanvragen op grond van hoofdstuk 2 of hoofdstuk 4.
Artikel 3.4
1. De Minister verdeelt de in de betreffende subsidieperiode beschikbare gelden op volgorde van ontvangst van de volledige aanvragen voor subsidies op grond van dit hoofdstuk.
2. Artikel 2.4, tweede en derde lid, is van toepassing.
Artikel 3.5
1. Een aanvraag tot subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk kan worden ingediend door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
2.
Als tijdstip van indiening van een aanvraag geldt de datum van ontvangst van de volledige aanvraag, ingediend bij de Minister in de volgende perioden:
a. a. in 2022 9 mei 2022, 9.00 uur tot en met 30 december 2022, 12.00 uur; b. b. in 2023 van 9 mei 2023, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2023, 12.00 uur; c. c. in 2024 van 5 maart 2024, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2024, 12.00 uur; d. d. in 2025 van 4 maart 2025, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2025, 12.00 uur; e. e. in 2026 van 3 maart 2026, 9.00 uur tot en met 30 oktober 2026, 17.00 uur.
3.
Bij de aanvraag tot verlening van de subsidie op grond van dit hoofdstuk worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:
a. a. naam en adres van de aanvrager; b. b. contactpersoon met contactgegevens van de aanvrager; c. c. nummer van de Kamer van Koophandel; d. d. BSN-nummer van de aanvrager indien een onderneming door een natuurlijke persoon wordt gedreven; e. e. het IBAN-nummer van een bankrekening die op naam staat van de aanvrager; f. f. de code of codes verbonden aan de Standaard Bedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek van de aanvrager op het moment van de aanvraag; g. g. een verklaring dat het bouwwerktuig gedurende de instandhoudingstermijn, bedoeld in artikel 3.11, vierde en vijfde lid, hoofdzakelijk wordt ingezet in de bouwsector; h. h. de schriftelijke overeenkomst of overeenkomsten ten behoeve van het uitvoeren van de maatregelen, bedoeld in artikel 3.1, ten tijde van de indiening van de aanvraag reeds is of zijn gesloten die ten tijde van de aanvraag om subsidieverlening geen onherroepelijke verplichtingen mag bevatten; i. i. indien het een zeegaand bouwvaartuig betreft, een afschrift van een certificaat, bedoeld in de artikelen 4 tot en met 6 van het Schepenbesluit 2004, waarmee kan worden aangetoond dat het zeegaand bouwvaartuig werkzaamheden mag uitvoeren in de Nederlandse exclusieve economische zone; j. j. indien er een typegoedkeuring is uitgevoerd van de SCR-katalysator, het betreffende bewijsstuk; k. k. indien de aanvraag de inbouw van een brandstofcel in een in gebruik zijnd bouwwerktuig of hulpfunctie betreft en als het hermotorisering van een in gebruik zijnd bouwwerktuig of hulpfunctie met een mono-fuel waterstofverbrandingsmotor betreft, een bewijs dat wordt voldaan aan artikel 36, eerste lid, ter van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; l. l. als onderdeel van de overeenkomst van de maatregelen, bedoeld in artikel 3.1, tenminste de volgende technische specificaties, indien van toepassing: merk, type, de handelsbenaming en motorvermogen van het bestaande bouwwerktuig, en accucapaciteit in kilowattuur, continu elektrisch motorvermogen in kilowatt, vermogen van de brandstofcel in kilowatt of vermogen van de nieuwe fase V of IMO MARPOL Tier III motor; m. m. indien het hermotorisering van een in gebruik zijnd bouwwerktuig, hulpfunctie of bouwvaartuig betreft, het typegoedkeuringsbewijs respectievelijk het internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging door motoren van de nieuwe motor; n. n. als onderdeel van de overeenkomst van de maatregelen, bedoeld in artikel 3.1, tenminste de volgende technische specificaties, indien van toepassing: merk, type, de handelsbenaming en motorvermogen van het bestaande bouwwerktuig, en accucapaciteit in kilowattuur, continu elektrisch motorvermogen in kilowatt, vermogen van de brandstofcel in kilowatt of vermogen van de nieuwe fase V mono-fuel waterstofverbrandingsmotor of IMO MARPOL Tier III motor die tenminste 25% van zijn energie haalt uit waterstof of ammonia; o. o. foto’s van het huidige bouwwerktuig of zeegaand bouwvaartuig, inclusief kenteken of serienummer, in de situatie voor de retrofit, waarop de onderdelen zichtbaar zijn waarop de retrofit wordt toegepast.
Artikel 3.6
Met toepassing van de in artikel 12 van het Kaderbesluit vermelde afwijzingsgronden, wordt de subsidie in ieder geval afgewezen, indien:
a. a. er al een subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteit met betrekking tot hetzelfde bouwwerktuig; b. b. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; c. c. het een aanvrager betreft, tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; d. d. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; e. e. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; f. f. de aanvraag betrekking heeft op hetgeen bedoeld is in artikel 3.1, onderdeel d, de energie voor de aandrijving wordt geleverd door een batterijpakket dat lood bevat; g. g. de aanvrager niet staat geregistreerd als onderneming in de bouwsector op basis van de Standaard Bedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek; h. h. de schriftelijke overeenkomst of overeenkomsten ten behoeve van de maatregelen, bedoeld in artikel 3.1, ten tijde van indiening van de aanvraag reeds is of zijn gesloten en geen contractuele mogelijkheid meer biedt om de overeenkomst rechtsgeldig te kunnen ontbinden; i. i. een typegoedkeuring van het nabehandelingssysteem ontbreekt zoals voorgeschreven in bijlage 3; j. j. de aanvrager op grond van Europees recht al verplicht is om een maatregel zoals beschreven in artikel 3.1 uit te voeren; k. k. het bouwwerktuig niet in de handel is gebracht met inachtneming van de voorschriften die bij of krachtens hoofdstuk 3 van het Warenwetbesluit machines zijn gesteld of zonder EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid als bedoeld in artikel 26a van de Spoorwegwet; of l. l. de aanvraag niet voldoet aan de in de regeling gestelde regels; m. m. de hulpfunctie geen gebruikstoestand kent waarbij de verbrandingsmotor automatisch wordt afgeschakeld als de elektromotor van de hulpfunctie wordt gebruikt en het batterijpakket niet met een stekker oplaadbaar is; n. n. de hulpfunctie niet is gemonteerd op een voertuig met ten minste milieuklasse Euro VI of bouwwerktuig met ten minste milieuklasse fase V.
Artikel 3.7
De beschikking op een aanvraag wordt gegeven binnen 13 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen 13 weken kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met diezelfde termijn worden verlengd.
Artikel 3.8
De Minister verstrekt ambtshalve, gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening, een voorschot van 70%.
Artikel 3.9
1. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt uiterlijk ingediend tot 8 maanden na de datum van verlening van de subsidie.
2. De aanvrager kan bij RVO een verzoek doen tot uitstel van maximaal 4 maanden van de indiening van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, indien hij kan aantonen dat de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 3.1, is vertraagd.
3. Een aanvraag tot subsidievaststelling op grond van dit hoofdstuk wordt ingediend door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
4. De subsidiabele kosten worden gestaafd met bewijsstukken die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
5.
Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:
a. a. bijbehorende factuur, waarop het kenteken of serienummer vermeld staat, en het betaalbewijs aangaande maatregelen als bedoeld in artikel 3.1; b. b. indien van toepassing, het kenteken van het gesubsidieerde omgebouwde bouwwerktuig; c. c. indien bij de aanvraag subsidieverlening voor een maatregel als bedoeld in artikel 3.1, onderdelen a, b en c, geen rapport typegoedkeuring aanwezig was, een enkelstuksgoedkeuring afgegeven door een gecertificeerd meetbedrijf overeenkomstig ISO 9001, 9003,17020, 17025, VCA, NEN 14001 of daaraan gelijk, zoals voorgeschreven is in bijlage 3; d. d. een verklaring dat het aangepaste bouwwerktuig in de handel is gebracht of in gebruik genomen met inachtneming van de voorschriften die bij of krachtens hoofdstuk 3 van het Warenwetbesluit machines zijn gesteld of met EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid als bedoeld in artikel 26a van de Spoorwegwet; e. e. foto’s van het huidige bouwwerktuig, hulpfunctie of zeegaand bouwwerktuig, inclusief kenteken of serienummer, in de situatie na de retrofit, waarop de onderdelen zichtbaar zijn waarop de retrofit zijn toegepast.
Artikel 3.10
Betalingen vinden plaats op een bankrekening die op naam staat van de aanvrager. Het resterende bedrag, na betaling van het voorschot, wordt gelijktijdig met de beschikking tot subsidievaststelling betaald.
Artikel 3.11
1.
De subsidieontvanger die een subsidie ontvangt op grond van dit hoofdstuk is overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van het Kaderbesluit verplicht:
a. a. onverwijld schriftelijk mededeling aan de Minister te doen van gewijzigde omstandigheden of wijziging van zijn gegevens die van belang zijn in verband met de subsidieverstrekking op grond van op grond van dit hoofdstuk; b. b. om op verzoek van de Minister alle gevraagde medewerking te verlenen aan de uitvoering van de verplichtingen die zijn gesteld in deze regeling en de beschikkingen; c. c. om op verzoek van de Minister alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door de Minister ter zake van de toepassing en de effecten van deze regeling ingesteld evaluatieonderzoek, die de Minister redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoering van dat evaluatieonderzoek.
2. De subsidieontvanger is verplicht, voor het bouwwerktuig dat met een retrofit-nabehandelingsysteem is uitgerust, om gedurende de instandhoudingstermijn jaarlijks, uiterlijk 2 maanden na een volledig jaar nadat de maatregel in gebruik is genomen, het verbruik van ureumoplossing, die overeenkomstig ISO 22241 is vervaardigd, te rapporteren.
3. Op verzoek van de Minister werkt de subsidieontvanger mee aan de monitoring van emissies van het gesubsidieerde bouwwerktuig of zeegaand bouwvaartuig overeenkomstig bijlage 3 gedurende 48 maanden na vaststelling van de subsidie.
4. De subsidieontvanger heeft gedurende 48 maanden na vaststelling van de gesubsidieerde ombouw van het bouwwerktuig, zonder overdracht aan derden, in eigendom, en gebruikt deze hoofdzakelijk in de bouwsector. Gedurende 48 maanden na de vaststelling van de subsidie toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat het bouwwerktuig hoofdzakelijk in Nederland en hoofdzakelijk in de bouwsector is ingezet.
5. De subsidieontvanger heeft gedurende 48 maanden na vaststelling van de subsidie het zeegaand bouwvaartuig, zonder overdracht aan derden, in eigendom. Gedurende 48 maanden na de vaststelling van de subsidie van het zeegaand bouwvaartuig toont de subsidieontvanger jaarlijks, uiterlijk 2 maanden na een volledig jaar nadat de maatregel in gebruik is genomen, met het Supplytime Charter Agreement of logboek het aantal dagen aan dat het vaartuig werkzaamheden heeft verricht in de Nederlandse exclusieve economische zone. De eis is ten minste gemiddeld 60 dagen per jaar gedurende de eerste 48 maanden na vaststelling van de subsidie.
6. De Minister kan bij de beschikking tot verlening of vaststelling van de subsidie op grond van dit hoofdstuk nadere verplichtingen opleggen.
Artikel 3.12
1. Indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.11 kan de Minister, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:49 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, besluiten de vaststelling van de subsidie te wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terug te vorderen.
2. Het terug te vorderen bedrag wordt bepaald door de subsidie te verminderen met 1/48e van het verstrekte subsidiebedrag vermenigvuldigd met het aantal volledige maanden waarin niet is voldaan aan de verplichtingen, genoemd in artikel 3.11, vierde en vijfde lid, inzake de verplichting om het bouwwerktuig in eigendom te houden en hoofdzakelijk te gebruiken in de bouwsector in Nederland.
Hoofdstuk 4. Innovatiesubsidie
Artikel 4.1
De Minister kan subsidie verstrekken voor activiteiten die in Nederland worden uitgevoerd en bijdragen aan het realiseren van de doelstelling van de regeling als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel c, in de vorm van:
a. a. een project experimentele ontwikkeling dat bijdraagt aan het versnellen van de ontwikkeling van emissieloze bouwmachines of bouwmachines met mono-fuel waterstofverbrandingsmotor in de pre-commerciële fase, de uitrol of het gebruik van infrastructuur voor alternatieve energiedragers voor emissieloze bouwmachines of oplaadsystemen voor het laden al dan niet ontladen van accu’s van emissieloze bouwmachines met uitzondering van de energieopwekking ten behoeve van het opladen; b. b. een project haalbaarheidsstudie aangaande de haalbaarheid van een project experimentele ontwikkeling als bedoeld in onderdeel a.
Artikel 4.2
1.
De maximale duur van projecten waarvoor subsidie kan worden verstrekt is:
a. a. bij een project experimentele ontwikkeling: 2 jaar; b. b. bij een project haalbaarheidsstudie: 6 maanden.
2. De aanvrager kan een verzoek doen tot verlenging van de maximale duur van een project, bedoeld in het eerste lid, van ten hoogste de helft van de oorspronkelijke looptijd, indien hij kan aantonen dat dit project vanwege overmacht is vertraagd.
Artikel 4.3
1.
Het subsidieplafond bedraagt:
a. a. in 2022:
1°.
voor projecten experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, € 9.000.000;
2°.
voor projecten haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, € 1.000.000.
1°. 1°. voor projecten experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, € 9.000.000; 2°. 2°. voor projecten haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, € 1.000.000. b. b. in 2023:
1°.
voor projecten experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, € 9.000.000;
2°.
Voor projecten haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, € 1.000.000.
1°. 1°. voor projecten experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, € 9.000.000; 2°. 2°. Voor projecten haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, € 1.000.000. c. c. in 2024:
1°.
voor projecten experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, € 9.000.000;
2°.
Voor projecten haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, € 1.000.000.
1°. 1°. voor projecten experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, € 9.000.000; 2°. 2°. Voor projecten haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, € 1.000.000. d. d. in 2025:
1°.
voor projecten experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, € 9.000.000;
2°.
Voor projecten haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, € 1.000.000.
1°. 1°. voor projecten experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, € 9.000.000; 2°. 2°. Voor projecten haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, € 1.000.000. e. e. in 2026:
1°.
voor projecten experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, € 11.000.000;
2°.
Voor projecten haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, € 1.000.000.
1°. 1°. voor projecten experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel a, € 11.000.000; 2°. 2°. Voor projecten haalbaarheidsstudies als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel b, € 1.000.000.
2. Indien een of beide subsidieplafonds, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, na 1 juni 2026 ontoereikend zijn om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, kunnen de bedragen worden aangevuld met de onaangesproken middelen gereserveerd op grond van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel e, onder 1°, artikel 3.3, eerste lid, onderdeel e, of artikel 4.3, eerste lid, onderdeel e, onder 1° of 2°.
3. Indien na 1 juni 2026 budget voor subsidieaanvragen op grond van hoofdstuk 4 deels onaangesproken is gebleven, kan dit gebruikt worden voor aanvragen op grond van hoofdstuk 2 of hoofdstuk 3.
4. Indien een goedgekeurde aanvraag voor een project haalbaarheidsstudie of een project experimentele ontwikkeling betrekking heeft op laadinfrastructuur kan budget van artikel 2.3, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, worden ingezet voor aanvragen onder hoofdstuk 4 van deze regeling ter hoogte van het aangevraagde bedrag.
Artikel 4.4
1.
Een aanvraag tot subsidieverlening voor een project haalbaarheidsstudie kan worden ingediend bij de Minister in de volgende perioden:
a. a. in 2022 van 9 mei 2022, 9.00 uur tot en met 30 december 2022, 12.00 uur; b. b. in 2023 van 9 mei 2023, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2023, 12.00 uur; c. c. in 2024 van 5 maart 2024, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2024 12.00 uur; d. d. in 2025 van 4 maart 2025, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2025, 17.00 uur; e. e. in 2026 van 3 maart 2026, 9.00 uur tot en met 30 oktober 2026, 17.00 uur.
2.
Een aanvraag tot subsidieverlening voor een project experimentele ontwikkeling kan worden ingediend bij de Minister in de volgende perioden:
a. a. in 2022 van 31 mei 2022 tot en met 31 augustus 2022, 17.00 uur; b. b. in 2023 van 9 mei 2023 tot en met 6 september 2023, 17.00 uur; c. c. in 2024 van 5 maart 2024 tot en met 29 augustus 2024, 17.00 uur; d. d. in 2025 van 4 maart 2025 tot en met 28 augustus 2025, 17.00 uur; e. e. in 2026 van 12 mei 2026, 9.00 tot en met 30 oktober 2026, 17.00 uur.
Artikel 4.5
1. Bij een project experimentele ontwikkeling en een project haalbaarheidsstudie kan, in afwijking van artikel 1.1, een aanvraag voor subsidie op grond van dit hoofdstuk, worden ingediend door een onderneming met een vestiging in Nederland die in staat is de experimentele ontwikkeling, die onderwerp is van het project, uit te voeren waarbij het mogelijk is in een samenwerkingsverband van die ondernemingen of een niet-gouvernementele organisatie of een publiek-gefinancierde onderzoeksorganisatie uit te voeren, waarbij een van de daaraan deelnemende ondernemingen door het samenwerkingsverband is aangewezen als penvoerder.
2. Op aanvragen van een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, zijn artikel 1 en 26 Kaderbesluit subsidies I en M van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.6
1. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier dat wordt geplaatst op de website van RVO.
2.
Met overeenkomstige toepassing van artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit bevat een aanvraag in ieder geval:
a. a. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. de gegevens, bedoeld in bijlage III van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, indien het een aanvraag tot subsidieverlening betreft van meer dan € 100.000,-; c. c. een onderbouwing van de wijze waarop het eigen aandeel in de projectkosten door de deelnemers van het samenwerkingsverband wordt gefinancierd, indien een aanvraag door een onderneming wordt ingediend; d. d. een onderbouwing dat de experimentele ontwikkeling die onderwerp is van het haalbaarheidsproject, door de aanvrager uitgevoerd kan worden; e. e. een onderbouwing van de wijze waarop het eigen aandeel in de projectkosten door de deelnemers van het samenwerkingsverband wordt gefinancierd, indien een aanvraag namens de deelnemers van een samenwerkingsverband wordt ingediend.
Artikel 4.7
1. Voor een project haalbaarheidsstudie vindt de subsidieverdeling plaats op volgorde van binnenkomst van volledige aanvragen.
2. Voor een project experimentele ontwikkeling vindt de subsidieverdeling plaats op volgorde van binnenkomst van volledige aanvragen die tenminste 70 punten hebben behaald volgens de beoordelingscriteria en maximale puntentoedeling zoals vastgelegd in bijlage 2 bij deze regeling.
3. Indien de Minister op de dag waarop het subsidieplafond voor projecten experimentele ontwikkeling is bereikt, meerdere volledige aanvragen om subsidieverlening heeft ontvangen, vindt de subsidieverdeling plaats aan de hand van een rangschikking, overeenkomstig artikel 4.8.
4. Indien op de dag waarop het subsidieplafond voor projecten experimentele ontwikkeling is bereikt, twee of meer aanvragen op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.
5. In afwijking van het eerste lid en tweede lid vindt, indien een gevraagde subsidie niet geheel doch voor ten minste 70 procent kan worden verstrekt omdat het subsidieplafond, bedoeld in 4.3, bijna is bereikt, overleg plaats met de aanvrager over het al dan niet geven van een beschikking houdende een afwijking van het subsidiebedrag dat is aangevraagd.
6. Aan de aanvrager van een subsidie voor een project experimentele ontwikkeling worden maximaal twee subsidies verstrekt per aanvraagperiode.
7. Aan de aanvrager van een subsidie voor een project haalbaarheidsstudie worden maximaal drie subsidies verstrekt per aanvraagperiode.
8. Op aanvragen als bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.4, tweede en derde lid, van toepassing.
Artikel 4.8
1. De aanvragen voor projecten experimentele ontwikkeling worden beoordeeld en indien nodig gerangschikt, zoals vastgelegd in bijlage 2 bij deze regeling.
2. Bij de beoordeling worden punten toegekend, met een maximum van 100 punten per aanvraag.
Artikel 4.9
Een subsidieaanvraag wordt, met toepassing van het bepaalde in artikel 12 van het Kaderbesluit, in ieder geval afgewezen indien:
a. a. er al een subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk voor hetzelfde project; b. b. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening die de maximale steunintensiteit overschrijdt; c. c. er sprake is van een onderneming of organisatie, bedoeld in artikel 4.5, in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; d. d. de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor dat project is ingediend en het stimulerend effect als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening daardoor ontbreekt; e. e. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling in de Algemene groepsvrijstellingsverordening; f. f. een project experimentele ontwikkeling minder dan 70 punten heeft behaald volgens de beoordelingscriteria en maximale puntentoedeling zoals vastgelegd in bijlage 2 bij deze regeling; g. g. voor een projectaanvraag niet kan worden aangetoond dat er overleg is geweest of gedurende het project zal zijn over toelating met de Rijksdienst voor het Wegverkeer of Inspectie Leefomgeving en Transport, indien toelating tot weg, spoor of water essentieel is voor het project; h. h. de aanvrager van een project haalbaarheidsstudie niet in staat wordt geacht om de resultaten daarvan zelf in een project experimentele ontwikkeling voort te zetten; i. i. in geval van een project haalbaarheidsstudie de subsidiabele projectkosten voor meer dan 25% bestaan uit testkosten ter beantwoording van haalbaarheidsvragen; of j. j. de aanvraag niet voldoet aan de in de regeling gestelde regels.
Artikel 4.10
De beschikking op een aanvraag wordt gegeven binnen 13 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen 13 weken kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met diezelfde termijn worden verlengd.
Artikel 4.11
1.
Het maximale subsidiepercentage en het maximale subsidiebedrag bedragen:
a. a. bij een project experimentele ontwikkeling: 25% van de in aanmerking komende kosten voor emissieloze bouwmachines en infrastructuur voor emissieloze bouwmachines voor alternatieve energiedragers of oplaadsystemen voor het laden al dan niet ontladen van accu’s van emissieloze bouwmachines met uitzondering van de energieopwekking ten behoeve van het opladen, en maximaal € 1.500.000; b. b. bij een project haalbaarheidsstudie: 50% van de in aanmerking komende kosten voor de haalbaarheidsstudie, en maximaal € 50.000.
2. Binnen de kaders van artikel 25, zesde lid onder a, en zevende lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt de steunintensiteit met 10 procentpunten verhoogd voor subsidie aan middelgrote of kleine ondernemingen.
3.
Conform artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt de steunintensiteit met 15 procentpunten verhoogd, indien:
a. a. de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software; b. b. er sprake is van samenwerking tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kleine of middelgrote onderneming is, waarbij geen van de ondernemingen meer dan 70 procent van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening neemt; c. c. er sprake is van samenwerking tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren.
Artikel 4.12
1.
Als subsidiabele kosten komen uitsluitend in aanmerking:
a. a. bij een project experimentele ontwikkeling: de kosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. bij een project haalbaarheidsstudie: de kosten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Algemene groepsvrijstellingsordening.
2.
Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven kunnen worden gehanteerd:
a. a. een berekening op basis van integrale kostensystematiek; b. b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of c. c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten.
3. De subsidiabele kosten worden gestaafd met bewijsstukken die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 4.13
1. Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.
2. De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.
Artikel 4.14
1. Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 4.12, tweede lid, onderdeel b, worden de directe loonkosten per uur vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.
2.
De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:
a. a. een vaste opslag voor indirecte kosten van 50 procent van de loonkosten; b. b. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; en c. c. aan derden betaalde kosten.
3. Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 60,– per uur.
Artikel 4.15
1. Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 4.12, tweede lid, onderdeel c, wordt een uurtarief gehanteerd van € 60,– per uur.
2.
De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:
a. a. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; en b. b. aan derden betaalde kosten.
Artikel 4.16
1. De Minister verstrekt ambtshalve, gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening, voorschotten van 90 procent van het totaal verleende bedrag.
2.
Bij subsidies op grond van dit hoofdstuk van meer dan € 200.000,– of waarvan de projectduur een jaar of meer is, geldt dat het eerste voorschot ambtshalve wordt verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening of binnen twee weken na de in het projectplan aangegeven startdatum, en:
a. a. de daaropvolgende voorschotten ambtshalve worden verstrekt binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober; en b. b. met in achtneming van het eerste lid, het voorschot wordt berekend door het totale voorschotbedrag te delen door het aantal kwartalen in de periode waarover de subsidie is verleend.
3. De voorschotverstrekking, bedoeld in het tweede lid, wordt opgeschort zolang de rapportage, bedoeld in artikel 4.17, in strijd met dat artikel, niet is ontvangen.
Artikel 4.17
1. De subsidieontvanger dient door middel van een jaarlijkse voortgangsrapportage tijdens de looptijd van het project en een eindrapport met een openbaar gedeelte verslag te doen van de mate waarin het project heeft bijgedragen aan de doelen van deze regeling zoals opgenomen in artikel 1.2, onderdeel c, en 4.1.
2.
In het verslag, bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval opgenomen:
a. a. de mate waarin technologische belemmeringen zijn opgelost; b. b. de mate waarin organisatorische belemmeringen zijn opgelost; c. c. de mate waarin wet- en regelgeving als belemmerend is ervaren; d. d. de invloed die het project heeft gehad op energieverbruik, emissies, kostprijs en toepasbaarheid van de innovatieve techniek ten opzichte van het conventionele alternatief waarvoor deze in de plaats komt.
3. De artikelen 17, 18, 19, eerste en tweede lid, en 21 van het Kaderbesluit zijn van toepassing.
Artikel 4.18
1. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt, onverminderd artikel 4.2, uiterlijk ingediend tot 4 maanden nadat het project is voltooid.
2. Een aanvraag tot subsidievaststelling op grond van dit hoofdstuk wordt ingediend door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
3. Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt in ieder geval het eindrapport verstrekt en overige verplichte verantwoording krachtens artikel 4.17, alsmede een overzicht van de gerealiseerde kosten en een toelichting op afwijkingen ten opzichte van de begroting, het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden en het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage.
4.
De subsidieontvanger voegt bij de aanvraag tot subsidievaststelling voor een subsidie van € 125.000 of meer:
a. a. een financiële verantwoording; b. b. indien de gemaakte kosten 10% of meer afwijken van de onderbouwde begrotingspost van de aanvraag: een toelichting daarop; en c. c. een controleverklaring.
Artikel 4.19
Betalingen van de Minister vinden plaats op een bankrekening die op naam staat van de aanvrager of, in het geval van een samenwerkingsverband, op naam staat van de penvoerder. Het resterende bedrag, na betaling van het voorschot, wordt gelijktijdig met de beschikking tot subsidievaststelling verstrekt.
Artikel 4.20
Indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 4.18 kan de Minister, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:49 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, besluiten de vaststelling van de subsidie te wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terug te vorderen.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 5.1
1.
De Minister houdt ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidie een registratie bij waarin wordt vastgelegd:
a. a. het opleggen van een boete aan een subsidieontvanger op grond van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door de Minister verstrekte subsidies; b. b. het lager vaststellen van de subsidie op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen van de subsidieverlening op grond van artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht en het intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen van de subsidievaststelling op grond van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht, indien de subsidieontvanger een verwijt kan worden gemaakt van de lagere vaststelling, intrekking of wijziging als hiervoor bedoeld; c. c. de aard van de gedragingen die tot maatregelen als bedoeld in onderdelen a en b hebben geleid en, in geval van maatregelen als bedoeld in onderdeel b, het subsidiebedrag dat daarmee is gemoeid; d. d. de naam- en adresgegevens van de subsidieontvanger jegens wie de maatregelen als bedoeld in de onderdelen a en b, worden getroffen.
2. De registratie kan worden geraadpleegd door daartoe door de Minister aangewezen ambtenaren die zich bezighouden met het verstrekken van subsidies door de Minister.
3. De registratie van gegevens vindt plaats voor de duur van drie jaar na de datum van registratie, waarna de betreffende gegevens uit de registratie worden verwijderd.
4. Indien blijkt dat een aanvrager in de in het eerste lid bedoelde registratie is opgenomen kan de Minister aan de geregistreerde gegevens gevolgtrekkingen verbinden bij de beoordeling van de aanvraag, de in het kader van de subsidieverstrekking op te leggen verplichtingen en de controle op de naleving van die verplichtingen.
Artikel 5.2
De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.
Artikel 5.2
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel.
Artikel 5.3
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 9 mei 2022.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de voor die datum aangevraagde subsidies.
Bijlage 1. Lijst van bouwmachines en zeegaande bouwvaartuigen, behorende bij
Hier wordt in een lijst aangegeven welke machines in deze regeling onder de definitie van bouwmachine of zeegaand bouwvaartuig vallen, en daarmee in aanmerking komen voor aanschaf- of retrofitsubsidie, mits de aanvragen voldoen aan alle andere in de regeling vermelde eisen.
^1 Subsidiabel zijn uitsluitend aanvullende verwisselbare batterijpakketten ingediend bij een aanvraag voor ombouw naar een emissieloos bouwwerktuig dat gebruik maakt van verwisselbare batterijpakketten volgens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel d.
Bijlage 2. Beoordelingscriteria projecten experimentele ontwikkeling en maximale puntentoedeling, behorende bij
In deze bijlage zijn de beoordelingscriteria en maximale puntentoedeling opgenomen. Er zijn daarbij twee typen projecten te onderscheiden, namelijk projecten gericht op technische ontwikkeling en projecten gericht op het opdoen van praktijkervaring. Voor deze projecten geldt een aparte puntentoedeling in de tabel hieronder. Bij beide projecttypen gaat het om een project experimentele ontwikkeling.