40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap | BWBR0050805 | ministeriele-regeling | geldend | 2025-02-28 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0050805 | Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap |
Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- activiteitenplan: activiteitenplan als bedoeld in artikel 10;
- beoordelingskader: beoordelingskader als bedoeld in de bijlage;
- hoger onderwijsinstelling: hogeschool of universiteit als bedoeld in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- organisatie: hoger onderwijsinstelling, studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- penvoerder van de regiegroep: penvoerder als bedoeld in artikel 4, eerste lid;
- penvoerder van een samenwerkingsverband: penvoerder als bedoeld in artikel 4, derde lid;
- programmaplan: programmaplan als bedoeld in artikel 8 van het Instellingsbesluit Regiegroep Sociale Veiligheid in Hoger Onderwijs en Wetenschap;
- promovendi-organisatie: rechtspersoon die de belangen van promovendi vertegenwoordigt en die voor ten minste drie jaar financiële middelen ontvangt van een hoger onderwijsinstelling, de minister of een gemeente;
- regiegroep: Regiegroep Sociale Veiligheid in Hoger Onderwijs en Wetenschap als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Regiegroep Sociale Veiligheid in Hoger Onderwijs en Wetenschap;
- studentenorganisatie: rechtspersoon waarbinnen studenten georganiseerd zijn en die voor ten minste drie jaar financiële middelen ontvangt van een hoger onderwijsinstelling, de minister of een gemeente;
- werknemersorganisatie: rechtspersoon die de belangen van werknemers vertegenwoordigt en die voor ten minste drie jaar financiële middelen ontvangt van een hoger onderwijsinstelling, de minister of een gemeente.
Artikel 2
Deze regeling geldt in aanvulling op de kaderregeling.
Artikel 3
1. De minister kan aan de penvoerder van de regiegroep subsidie verstrekken voor activiteiten met als doel de stimulering van de ontwikkeling van kennis, kunde of vaardigheden over sociale veiligheid binnen hoger onderwijsinstellingen of studentenorganisaties of de uitwisseling hiervan ten behoeve van het faciliteren van de verbetering van de sociale veiligheid binnen hoger onderwijsinstellingen of studentenorganisaties.
2. De minister kan aan een organisatie of aan de penvoerder van een samenwerkingsverband subsidie verstrekken voor activiteiten met als doel de versterking van de sociale veiligheid binnen een hoger onderwijsinstelling of studentenorganisatie.
Artikel 4
1. De penvoerder van de regiegroep is de organisatie met rechtspersoonlijkheid die de subsidieaanvragen indient voor activiteiten van de regiegroep als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2. Op de penvoerder van de regiegroep rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke organisatie feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
3. Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, die worden uitgevoerd door een samenwerkingsverband van organisaties, wordt ingediend door één deelnemende organisatie die optreedt als penvoerder van het samenwerkingsverband.
4. Op de penvoerder van een samenwerkingsverband rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke organisatie feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
Artikel 5
1.
Voor de subsidieverstrekking op grond van deze regeling is voor:
a. a. de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in de kalenderjaren 2025 tot en met 2027 jaarlijks een bedrag van € 2.250.000 beschikbaar; b. b. de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, in de kalenderjaren 2025 tot en met 2027 jaarlijks een bedrag van € 2.250.000 beschikbaar.
2. Indien na afloop van de aanvraagperiode van een kalenderjaar, bedoeld in artikel 8, tweede lid, blijkt dat het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet volledig wordt verstrekt in dat jaar, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van dat jaar.
Artikel 6
De minister beslist op de subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aan de hand van de beoordelingscriteria die zijn uitgewerkt in het beoordelingskader.
Artikel 7
1. De minister beslist op een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aan de hand van de beoordelingscriteria die zijn uitgewerkt in het beoordelingskader.
2.
Indien het beschikbare budget, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, ontoereikend is voor toekenning van alle als voldoende beoordeelde aanvragen, verdeelt de minister dit budget als volgt over deze aanvragen:
a. a. eerst wordt subsidie toegekend aan de aanvraag van een samenwerkingsverband van organisaties met de hoogste score; b. b. vervolgens wordt subsidie toegekend aan de aanvraag van een studentenorganisatie met de hoogste score; c. c. vervolgens wordt subsidie toegekend aan de aanvraag van een promovendi-organisatie met de hoogste score; d. d. vervolgens wordt subsidie toegekend aan de aanvraag van een werknemersorganisatie met de hoogste score; e. e. vervolgens wordt subsidie toegekend aan de aanvraag van een hoger onderwijsinstelling met de hoogste score; f. f. vervolgens wordt subsidie toegekend aan de aanvragen met de hoogste score, ongeacht het soort organisatie, totdat het resterende budget volledig is besteed.
3. In het geval dat meerdere subsidieaanvragen binnen een categorie als bedoeld in het tweede lid een gelijke score hebben, worden die subsidieaanvragen gerangschikt op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen.
Artikel 8
1. De penvoerder van de regiegroep kan subsidie aanvragen tot en met 2 maart 2025 23.59 uur.
2.
De penvoerder van de regiegroep, een organisatie of een penvoerder van een samenwerkingsverband kan subsidie aanvragen in de volgende perioden:
a. a. van 16 juni 2025 09.00 uur tot en met 3 augustus 2025 23.59 uur; b. b. van 16 maart 2026 09.00 uur tot en met 16 april 2026 13.00 uur; c. c. van 12 januari 2027 09.00 uur tot en met 12 februari 2027 13.00 uur.
3. Aanvragen die worden ingediend buiten de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden afgewezen.
Artikel 9
1.
Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bestaat uit:
a. a. een activiteitenplan; b. b. een begroting; c. c. indien voor de uitvoering van een activiteit de medewerking van één of meer organisaties noodzakelijk is, een intentieverklaring van de desbetreffende organisaties waaruit blijkt dat zij bereid zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van een activiteit; en d. d. een verklaring dat de kosten voor een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet uit anderen hoofde zijn of worden vergoed.
2.
Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, bestaat uit:
a. a. een activiteitenplan; b. b. een begroting; en c. c. een verklaring dat de kosten voor een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet uit anderen hoofde zijn of worden vergoed.
3.
Indien de subsidieaanvrager een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, bestaat een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tevens uit:
a. a. een document waaruit blijkt dat deze rechtspersoon voor ten minste drie jaar financiële middelen ontvangt van hoger onderwijsinstelling, de minister of een gemeente; b. b. indien de aanvraag wordt gedaan door een promovendi-organisatie of werknemersorganisatie, een document waaruit blijkt dat deze rechtspersoon de belangen vertegenwoordigt van promovendi, onderscheidenlijk werknemers; c. c. indien de aanvraag wordt gedaan door een studentenorganisatie, een document waaruit blijkt dat binnen deze rechtspersoon studenten zijn georganiseerd; en d. d. het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.
4.
In het geval van een samenwerkingsverband van organisaties bestaat een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tevens uit:
a. a. een samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemende organisaties en de penvoerder van het samenwerkingsverband, die uiterlijk bij de start van de activiteiten aanvangt en ten minste geldig is tot en met 1 november 2028. In deze samenwerkingsovereenkomst is in elk geval een beschrijving opgenomen van:
1°.
de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemende organisaties; en
2°.
indien een deelnemende organisatie, niet zijnde de subsidieaanvrager, een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en
1°. 1°. de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemende organisaties; en 2°. 2°. indien een deelnemende organisatie, niet zijnde de subsidieaanvrager, een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en b. b. indien een deelnemende organisatie een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, de documenten, bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met c.
5. Op het tweede en vierde lid zijn de artikelen 3.4 en 3.5 van de kaderregeling van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
1. De subsidieaanvrager omschrijft in het activiteitenplan per activiteit hoe deze activiteit bijdraagt aan het doel of een realisatiedoelstelling uit het programmaplan en hoe de voortgang van de activiteit wordt gemonitord.
2. De beschrijving in het activiteitenplan bestaat in totaal uit ten hoogste 4.000 woorden.
3.
Voor het overzicht van de geraamde kosten in de begroting, bedoeld in artikel 3.5 van de kaderregeling, kan voor zover het de personeelskosten betreft worden gekozen uit vier functies met een vast integraal uurtarief inclusief opslag voor overhead en administratie, maar exclusief de belasting over de toegevoegde waarde:
a. a. secretarieel of administratief medewerker € 70; b. b. projectmedewerker € 95; c. c. projectleider, docent of onderzoeker € 120; d. d. (associate) practor, lector, of hoogleraar € 141.
Artikel 11
1. De subsidie wordt aangevraagd met het aanvraagformulier dat is bekendgemaakt op de website www.dus-i.nl.
2. Voor de verklaringen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen c en d, de verklaring, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, en de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a, wordt gebruik gemaakt van de formats die bekend zijn gemaakt op de website www.dus-i.nl.
3. De minister deelt de activiteitenplannen en begrotingen, bedoeld in artikel 9, met de regiegroep ten behoeve van de voorbereiding van de besluitvorming.
Artikel 12
De subsidieverstrekking kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, voor zover:
a. a. de totale subsidie van een subsidieaanvraag van de regiegroep, een hoger onderwijsinstelling of een samenwerkingsverband van organisaties minder dan € 10.000 bedraagt; b. b. de totale subsidie van een subsidieaanvraag van een organisatie die geen hoger onderwijsinstelling is minder dan € 5.000 bedraagt; c. c. de totale subsidie van een subsidieaanvraag van een organisatie of een samenwerkingsverband van organisaties meer dan € 450.000 bedraagt; d. d. het activiteitenplan op een onderdeel als onvoldoende is beoordeeld op grond van het beoordelingskader; e. e. de kosten van een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, reeds uit anderen hoofde zijn of worden vergoed; f. f. de kosten van een activiteit niet in redelijke verhouding staan tot de beoogde resultaten; g. g. onvoldoende is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het uitvoeren van een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd.
Artikel 13
Een subsidie aan een hoger onderwijsinstelling die minder dan € 25.000 bedraagt, wordt direct vastgesteld. Een andere subsidie wordt, in voorkomend geval in afwijking van artikel 9.1, vierde lid, onderdeel a, van de kaderregeling, verleend.
Artikel 14
1. De activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, zijn uiterlijk op 31 december 2027 uitgevoerd.
2. De toegankelijkheid van activiteiten of de resultaten ervan is kosteloos en de verspreiding van de resultaten geschiedt zonder winstoogmerk.
3. Met het oog op de rapportageverplichtingen van de regiegroep, zendt de organisatie of de penvoerder van een samenwerkingsverband de verantwoording eveneens in geanonimiseerde vorm aan de penvoerder van de regiegroep en, indien van toepassing, tevens het activiteitenverslag, het overzicht van de bestedingen of het overzicht van de voortgang van de activiteiten.
4. Indien een subsidie voor meer dan twaalf maanden wordt verleend en de subsidiabele kosten meer dan € 125.000 bedragen, zendt de subsidieontvanger die geen hoger onderwijsinstelling is, halverwege de subsidieperiode een overzicht van de bestedingen van de subsidie aan de minister.
5. Indien een subsidie voor meer dan twaalf maanden wordt verleend en de subsidiabele kosten meer dan € 25.000 bedragen, zendt de subsidieontvanger halverwege de subsidieperiode een overzicht van de voortgang van de activiteiten aan de minister.
Artikel 15
Indien de subsidie van een subsidieontvanger die geen hoger onderwijsinstelling is:
a. a. minder dan € 25.000 bedraagt, is ten aanzien van de verantwoording van de subsidie artikel 7.4 van de kaderregeling van toepassing; b. b. ten minste € 25.000, maar minder dan € 125.000 bedraagt, is ten aanzien van de verantwoording van de subsidie artikel 7.6 van de kaderregeling van toepassing; of c. c. ten minste € 125.000 bedraagt, is ten aanzien van de verantwoording en vaststelling van de subsidie artikel 7.8 van de kaderregeling van toepassing.
Artikel 16
1. Indien aan de verplichtingen van de subsidie is voldaan, kan een hoger onderwijsinstelling al dan niet in de hoedanigheid van penvoerder van een samenwerkingsverband, het niet aangewende deel van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, besteden aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
2. De verantwoording van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van een hoger onderwijsinstelling al dan niet in de hoedanigheid van een penvoerder van een samenwerkingsverband, geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1.
Artikel 17
1. De minister betaalt het subsidiebedrag van een subsidie aan een hoger onderwijsinstelling die minder dan € 25.000 bedraagt, ineens.
2.
Bij een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid, verstrekt de minister een voorschot van 100% dat:
a. a. ineens wordt uitbetaald als de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt; b. b. in termijnen wordt uitbetaald als de subsidie meer dan € 25.000 bedraagt.
Artikel 18
1. De minister stelt een subsidie aan een hoger onderwijsinstelling die minder dan € 25.000 bedraagt, direct vast.
2. De minister stelt een subsidie aan een hoger onderwijsinstelling die ten minste € 25.000 bedraagt, ambtshalve vast binnen 22 weken na de ontvangst van de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de activiteitenperiode.
3. De minister stelt een subsidie aan een organisatie die geen hoger onderwijsinstelling is die minder dan € 25.000 bedraagt, ambtshalve vast binnen 22 weken na de datum waarop deze activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.
4. Voor een subsidie aan een organisatie die geen hoger onderwijsinstelling is en die ten minste € 25.000 bedraagt, doet de organisatie een aanvraag om vaststelling binnen 22 weken na de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. De minister stelt de subsidie vast binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag.
5. De organisatie toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.
Artikel 19
Wijzigt het Instellingbesluit Regiegroep Sociale Veiligheid in Hoger Onderwijs en Wetenschap.
Artikel 20
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt op 1 januari 2029.
Artikel 21
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap.