40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling Vios po en vo | BWBR0035147 | ministeriele-regeling | geldend | 2014-06-04 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0035147 | Subsidieregeling Vios po en vo |
Subsidieregeling Vios po en vo
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*Minister:*
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, de Minister van Economische Zaken;
b. b.
*instelling:*
1.
school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
2.
instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaraan een lerarenopleiding wordt verzorgd;
3.
instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 3°, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waaraan voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving wordt verzorgd;
-
-
school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
-
-
-
instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaraan een lerarenopleiding wordt verzorgd;
-
-
-
instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 3°, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waaraan voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving wordt verzorgd;
-
c. c.
*internationalisering:*
het ontwikkelen van een open houding, kennis en vaardigheden van leerlingen en leraren om te kunnen leven, leren en werken in een internationale context;
d. d.
*schooljaar:*
tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;
e. e.
*vvto:*
vroeg vreemde talen onderwijs in het primair onderwijs;
f. f.
*tto:*
tweetalig onderwijs in het voortgezet onderwijs;
g. g.
*tpo:*
tweetalig primair onderwijs.
Artikel 2
De directeur van de Stichting EP-Nuffic is bevoegd om namens de Minister vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling besluiten te nemen en bezwaren af te handelen voor zover die strekken tot uitvoering van deze subsidieregeling. Hij is daarbij tevens bevoegd tot het treffen van een ondermandaatregeling.
Artikel 3
1. De Minister kan aan het bevoegd gezag van een instelling subsidie verstrekken voor de verankering van internationalisering in het schoolbeleid. Voor scholen in het primair onderwijs die nog niet zijn gestart met internationalisering kan subsidie worden verstrekt voor de introductie ervan in het schoolbeleid.
2.
De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op:
a. a. Leerlingenmobiliteit: Samenwerking of uitwisseling van leerlingen met een buitenlandse partnerinstelling, mits dit onderdeel is van de verankering van internationalisering in het curriculum. Dit betekent dat de mobiliteit in dienst moet staan van het internationaliserende karakter van het curriculum, zoals bijvoorbeeld bij tweetalig onderwijs. b. b. Lerarenmobiliteit: Nascholing in het buitenland van leraren, schoolleiders en lerarenopleiders. c. c. Stages: Onderwijskundige stages in het buitenland van studenten aan de initiële lerarenopleiding zoals genoemd in artikel 1, onderdeel b, onder 2°, niet zijnde extranei, mits deze een onderzoekscomponent bevat. d. d. Curriculum: Invoering van vvto, tto, Elos – grensverleggend onderwijs, International Primary Curriculum of soortgelijk internationaliserend onderwijsconcept in het schoolcurriculum; invoering van Engels, Duits of Frans als deelvoertaal in het primair onderwijs met een maximum van 15% van de onderwijstijd; samenwerking en afstemming in het kader van internationalisering tussen onderwijsinstellingen uit verschillende onderwijslagen ten behoeve van doorlopende leerlijnen. e. e. Nieuwe initiatieven: Nieuwe initiatieven die de verankering van internationalisering in het schoolbeleid bevorderen.
3. Het eventueel niet voor de activiteiten aangewende deel van de subsidie kan, mits de activiteiten volledig zijn uitgevoerd, worden besteed aan andere activiteiten van de instelling waarvoor bekostiging wordt verstrekt. De activiteiten moeten uiterlijk zijn uitgevoerd voor 1 augustus 2017.
Artikel 4
1. Het subsidieplafond voor het schooljaar 2014–2015 bedraagt € 2.250.000 en voor de schooljaren 2015–2016 en 2016–2017 onderscheidenlijk € 1.500.000.
2. Naast het subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid geldt voor het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving voor de schooljaren 2014–2015, 2015–2016 en 2016–2017 een subsidieplafond van jaarlijks € 4.000 voor de lerarenopleidingen en € 74.000 voor het groen vmbo bij Agrarische Opleidings Centra (AOC’s) en bij de afdelingen groen van desbetreffende scholengemeenschappen.
Artikel 5
1. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.
2. Aanvragen die betrekking hebben op het schooljaar 2016–2017 kunnen worden ingediend tot 1 april 2017, met dien verstande dat aanvragen die voor 15 april 2016 worden ingediend worden geacht te zijn ingediend op 14 april 2016. Mochten alle voor 15 april 2016 ingediende aanvragen tezamen het beschikbare budget te boven gaan, dan kan de Minister nadere regels stellen.
3. Een aanvraag wordt voorafgaand aan de te subsidiëren activiteit ingediend met gebruikmaking van het toepasselijke aanvraagformulier zoals gepubliceerd op de website van EP-Nuffic (www.epnuffic.nl).
4. Voor aanvragen waarbij de te subsidiëren activiteiten betrekking hebben op het curriculum, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, geldt dat de aanvraag ingediend moet zijn voor 1 juli voorafgaand aan het schooljaar waar de aanvraag betrekking op heeft.
Artikel 6
1. Een beschikking tot subsidieverstrekking wordt gegeven binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag. De subsidie wordt direct vastgesteld.
2.
Subsidie wordt verstrekt indien is voldaan aan de volgende kwaliteitscriteria:
a. a. Algemeen
1.
Voor scholen in het primair onderwijs die willen starten met internationalisering geldt dat zij dienen aan te geven op welke wijze die internationalisering ook in de toekomst verankerd gaat worden.
2.
Internationalisering is verankerd in het schoolbeleid, bijvoorbeeld door opname in schoolplan, het opstellen van een beleidsplan internationalisering of het toerusten van een coördinator of commissie internationalisering.
3.
Er is een naar verwachting heldere leeropbrengst van de voorgestelde mobiliteit of curriculumontwikkeling en de verduurzaming ervan.
-
-
Voor scholen in het primair onderwijs die willen starten met internationalisering geldt dat zij dienen aan te geven op welke wijze die internationalisering ook in de toekomst verankerd gaat worden.
-
-
-
Internationalisering is verankerd in het schoolbeleid, bijvoorbeeld door opname in schoolplan, het opstellen van een beleidsplan internationalisering of het toerusten van een coördinator of commissie internationalisering.
-
-
-
Er is een naar verwachting heldere leeropbrengst van de voorgestelde mobiliteit of curriculumontwikkeling en de verduurzaming ervan.
-
b. b. Specifiek voor mobiliteit (leerlingen, leraren, leraren in opleiding):
1.
Onderwijskundige invulling.
2.
Leerlingenmobiliteit moet onderdeel zijn van verankering van internationalisering in het curriculum. Dit betekent dat de mobiliteit in dienst moet staan van het internationaliserende karakter van het curriculum, zoals tto.
3.
Relevantie van de mobiliteit voor het onderwijs van de instelling (leeropbrengst moet binnen de school verspreid worden). Relevantie van het thema en/of land binnen het internationaliseringsbeleid van de school.
4.
Centraal stellen van internationaal contact van de leerlingen onderling.
5.
Samenwerking tussen de Nederlandse en buitenlandse scholen (onderwijskundige en organisatorische input van beide scholen).
6.
Disseminatie van de leeropbrengst in het scholenveld.
-
-
Onderwijskundige invulling.
-
-
-
Leerlingenmobiliteit moet onderdeel zijn van verankering van internationalisering in het curriculum. Dit betekent dat de mobiliteit in dienst moet staan van het internationaliserende karakter van het curriculum, zoals tto.
-
-
-
Relevantie van de mobiliteit voor het onderwijs van de instelling (leeropbrengst moet binnen de school verspreid worden). Relevantie van het thema en/of land binnen het internationaliseringsbeleid van de school.
-
-
-
Centraal stellen van internationaal contact van de leerlingen onderling.
-
-
-
Samenwerking tussen de Nederlandse en buitenlandse scholen (onderwijskundige en organisatorische input van beide scholen).
-
-
-
Disseminatie van de leeropbrengst in het scholenveld.
-
c. c. Specifiek voor curriculumontwikkeling:
1.
School toont aan ook zelf te investeren op basis van een beleidsplan of plan van aanpak.
-
-
School toont aan ook zelf te investeren op basis van een beleidsplan of plan van aanpak.
-
3.
Voorts wordt subsidie slechts verstrekt indien:
a. a. de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet reeds via het subsidieprogramma Erasmus+ worden gesubsidieerd; b. b. toekenning niet leidt tot overschrijding van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 4; c. c. bij leerlingenmobiliteit deze mobiliteit in dienst staat van het internationaliserend karakter van het curriculum; d. d. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingen- en lerarenmobiliteit en studentenstages niet het Nederlandse curriculum volgt; e. e. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingen- en lerarenmobiliteit en studentenstages zich niet bevindt op Bonaire, Saba of St. Eustatius; f. f. de buitenlandse partnerinstelling bij leerlingenmobiliteit en studentenstages geen commerciële instelling is; g. g. de buitenlandse partnerinstelling bij lerarenmobiliteit een leercomponent biedt; h. h. bij mobiliteit van leerlingen, leraren en leraren in opleiding de financiële bijdrage van de instelling minimaal 20% bedraagt van de totaal begrote kosten; i. i. bij aanvragen waarbij de te subsidiëren activiteiten betrekking hebben op het curriculum niet reeds in drie voorafgaande jaren subsidie is ontvangen op grond van deze regeling of de voorgaande Subsidieregeling Bios po en vo; j. j. bij vvto gestreefd wordt naar het behalen van het kwaliteitskeurmerk vvto en de school dit toelicht in het activiteitenverslag; k. k. de activiteiten in het kader van tto en vvto plaatsvinden binnen de reguliere lesuren; l. l. bij een subsidieaanvraag vvto en tto, zoals bedoeld in artikel 3.2.d, moet 50% van de subsidie bestemd zijn voor (na)scholing van leraren; m. m. de activiteiten geen betrekking hebben op tpo.
Artikel 7
Om spreiding van middelen te waarborgen, geldt een maximaal te verstrekken subsidiebedrag per instelling per schooljaar. De berekening van de maximale subsidie wordt in eerste aanleg getoetst op het niveau van de vestiging, aan de hand van het 6-cijferig Brinnummer van de instelling.
Vervolgens wordt getoetst hoeveel subsidie de instelling als geheel ontvangt, door middel van een maximum voor het 4-cijferig Brin-nummer. De Minister hanteert de volgende maximale subsidies per onderdeel van de regeling:
Artikel 8
De betaling van het gehele subsidiebedrag vindt plaats binnen 2 maanden nadat de subsidie is verleend.
Artikel 9
1. Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de subsidie vastgesteld en verstrekt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag. De minister betaalt het subsidiebedrag ineens. Indien de activiteiten volledig zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.
2. Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, wordt de subsidie vastgesteld en verstrekt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag. De minister betaalt het subsidiebedrag ineens. Indien de activiteiten volledig zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G1. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.
Artikel 10
1. Met het oog op evaluatie van de subsidie verstrekt de subsidieontvanger een activiteitenverslag, dat een overzicht bevat van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten.
2. Het activiteitenverslag wordt binnen twee maanden na afloop van de datum waarop de activiteiten moeten zijn uitgevoerd, gezonden aan: EP-Nuffic.
3. Voor het model van het activiteitenverslag dient gebruik te worden gemaakt van het toepasselijke formulier zoals dit gepubliceerd staat op de website van EP-Nuffic (www.epnuffic.nl).
Artikel 11
1. De subsidieontvanger werkt mee aan door of op verzoek van de Minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de Minister inlichtingen te verschaffen. Tevens werkt de subsidieontvanger op verzoek van de Minister mee aan kennisdisseminatie en effectmeting.
2. De subsidieontvanger informeert de Minister onverwijld schriftelijk indien de activiteiten niet of niet geheel worden gestart, aanzienlijk zijn vertraagd, gedeeltelijk zijn uitgevoerd of voortijdig worden beëindigd.
Artikel 12
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2018, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft voor zover het betreft besluiten die voor de vervaldatum zijn genomen.
Artikel 13
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Vios po en vo.