rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-vsv-en-bbl-voor-onderwijsinstellingen-2006/BWBR0019785
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling VSV en BBL voor onderwijsinstellingen 2006 BWBR0019785 ministeriele-regeling geldend 2006-04-30 https://wetten.overheid.nl/BWBR0019785 Subsidieregeling VSV en BBL voor onderwijsinstellingen 2006

Subsidieregeling VSV en BBL voor onderwijsinstellingen 2006

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; b. b. WEB: de Wet educatie en beroepsonderwijs; c. c. instelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 en 1.3.3 of een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van de WEB; d. d. kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven: een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.5.1 van de WEB; e. e. aanvrager: de rechtspersoon waarvan een instelling of een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven uitgaat, die een project aanvraagt; f. f. startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de WEB of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 respectievelijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 2

De minister verstrekt op aanvraag projectsubsidie aan aanvragers van projecten met betrekking tot de volgende onderwerpen:

a. a. bestrijding van het voortijdig schoolverlaten; b. b. versterking van de beroepsbegeleidende leerweg.

Artikel 3

1. Subsidie op grond van deze regeling wordt verstrekt tot een bedrag van in totaal maximaal € 45 miljoen.

2.

Voor toekenning van aanvullende middelen op grond van deze regeling is:

a. a. voor het onderwerp genoemd in artikel 2, onderdeel a, 80,5% van de middelen, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar, en b. b. voor het onderwerp genoemd in artikel 2, onderdeel b, 19,5% van de middelen, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar.

3. Indien het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onvoldoende is om alle aanvragen te honoreren, wordt het bedrag dat aan projecten wordt verstrekt per project naar evenredigheid verlaagd.

4. Een bedrag ten hoogste van € 5 miljoen is beschikbaar voor de uitvoering van deze regeling door de minister. Indien het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, niet volledig wordt toegewezen, wordt het resterende deel van dat bedrag toegevoegd aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4

1. Projecten bestrijding voortijdig schoolverlaten hebben ten doel dat deelnemers aan het project gedurende de hele looptijd van het project onderwijs gericht op een startkwalificatie volgen, blijkend uit de deelnemersadministratie, dan wel gedurende de looptijd van het project een startkwalificatie behalen.

2. Projecten versterking beroepsbegeleidend onderwijs hebben ten doel dat deelnemers aan het project een beroepspraktijkvormingsplaats verwerven, blijkend uit een beroepspraktijkvormingsovereenkomst, en tenminste één deelkwalificatie behalen.

Artikel 5

1. De subsidie bedraagt, behoudens het tweede en derde lid, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, doch niet meer dan het in de beschikking tot subsidieverstrekking vermelde maximumbedrag.

2. Indien uit de deelnemersadministratie blijk dat het aantal geregistreerde deelnemers aan een project lager is dan het in de subsidieaanvraag geschatte aantal deelnemers, wordt de subsidie naar rato verlaagd.

3.

Indien ten aanzien van minder dan 60% van het bij de start van het project geregistreerde aantal deelnemers de beoogde prestaties van het project, als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, zijn gerealiseerd, wordt het bedrag, berekend op grond van het eerste lid, verlaagd met onderstaand percentage tenzij de subsidiabele kosten van het project met eenzelfde percentage zijn gedaald ten opzichte van de begrote kosten:

a. a. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 50% of meer maar minder dan 60% van de deelnemers: met 10%; b. b. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 40% of meer maar minder dan 50% van de deelnemers: met 20%; c. c. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 30% of meer maar minder dan 40% van de deelnemers: met 30%; d. d. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 20% of meer maar minder dan 30% van de deelnemers: met 50%; e. e. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van 10% of meer maar minder dan 20% van de deelnemers: met 70%; f. f. bij realisatie van de doelstelling ten aanzien van minder dan 10% van de deelnemers: met 100%.

4. Indien door omstandigheden van macro-economische aard de beoogde prestaties van een project niet zijn gehaald, kan de minister besluiten om het derde lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten.

Artikel 6

1. Projecten starten met ingang van 1 augustus 2006.

2.

Een project bestrijding voortijdig schoolverlaten is gericht op deelnemers:

a. a. die de leeftijd van 23 jaren nog niet hebben bereikt, b. b. voor wie naar het oordeel van de instelling een verhoogd risico van voortijdig schoolverlaten bestaat indien voor hen geen extra activiteiten worden ondernomen, c. c. die aan een instelling zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder a of b, van de WEB in de beroepsopleidende leerweg, d. d. die niet in het bezit zijn van een diploma op ten minste het niveau van een startkwalificatie, e. e. die door de instelling zijn geregistreerd als deelnemer aan het project voortijdig schoolverlaten en aangemeld bij een contactgemeente als bedoeld in artikel 8.3.2, derde lid, van de WEB.

3.

Een project versterking beroepsbegeleidende leerweg is gericht op deelnemers die:

a. a. naar het oordeel van de aanvrager extra ondersteuningsactiviteiten nodig hebben om aan de beroepsbegeleidende leerweg te kunnen deelnemen, b. b. aan een instelling zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder a of b, van de WEB in de beroepsbegeleidende leerweg, c. c. niet in het bezit zijn van tenminste een startkwalificatie, en d. d. door de instelling zijn geregistreerd als deelnemer aan het project versterking beroepsbegeleidende leerweg.

4. Een project versterking beroepsbegeleidende leerweg kan uitsluitend worden uitgevoerd door een instelling en een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven gezamenlijk.

5. Een project heeft een looptijd van ten hoogste 1 jaar. De minister kan, in afwijking van de vorige volzin, een langere looptijd van een project vaststellen.

6. De projectorganisatie is zo ingericht dat aannemelijk is dat met de uit te voeren activiteiten het beoogde doel van het project haalbaar is.

7. De kosten van het project staan in een redelijke verhouding tot de daarvan te verwachten resultaten.

8. Geen subsidie wordt verstrekt ten behoeve van deelnemers die woonachtig zijn in de provincie Flevoland respectievelijk aan instellingen die zijn gevestigd in de provincie Flevoland.

9. In bijlage 1 bij deze regeling is een limitatieve opsomming gegeven van de themas waaraan de subsidie kan worden besteed.

Artikel 7

1. Een aanvrager die een project wil uitvoeren, dient uiterlijk op 10 mei 2006 een subsidieaanvraag in met gebruikmaking van de door de minister beschikbaar gestelde elektronische formats en formulieren. Een aanvraag die na 10 mei 2006 bij de minister wordt ingediend, wordt niet in behandeling genomen.

2.

De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een projectbeschrijving. In de projectbeschrijving zijn tenminste opgenomen:

a. a. de beoogde prestatie van het project; b. b. de begrote kosten; c. c. een schatting van het aantal deelnemers bij de start van het project; d. d. een inhoudelijke beschrijving van het project, alsmede een beschrijving van de extra activiteiten die in het kader van het project in aanvulling op de reguliere opleiding hebben plaatsgevonden, waarbij een relatie wordt gelegd tussen de te ondernemen activiteiten en de begrote kosten; e. e. een beschrijving van de projectorganisatie; f. f. indien van toepassing de partners uit de verschillende sectoren met wie het project is opgezet.

3. De aanvraag van een project beroepsbegeleidend onderwijs bevat een samenwerkingsovereenkomst tussen de aanvrager en een andere partij, dan wel partijen, indien twee of meer kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven bij de aanvraag betrokken zijn. De samenwerkingsovereenkomst bevat tenminste de taken van de partijen met betrekking tot het project en afspraken over de verdeling van het subsidiebedrag. De samenwerkingsovereenkomst dient door de partijen te zijn ondertekend.

4. De aanvraag wordt in behandeling genomen nadat de aanvrager alle krachtens deze regeling gevraagde gegevens ter beschikking heeft gesteld.

5. Uiterlijk op 1 november 2006 meldt de aanvrager aan de minister het aantal deelnemers dat bij de aanvang aan het project is geregistreerd bij de instelling, zoals blijkt uit de deelnemersadministratie. Indien de aanvrager het aantal deelnemers, bedoeld in de eerste volzin, niet uiterlijk 1 november 2006 aan de minister heeft gemeld, wordt de aanvraag tot subsidieverlening op die grond afgewezen.

6. De minister beslist uiterlijk 15 december 2006 op de subsidieaanvraag.

Artikel 8

Een aanvraag om subsidie wordt toegewezen indien de subsidieaanvraag en het project voldoen aan de bij deze regeling gestelde voorwaarden rekening houdend met artikel 3.

Artikel 9

In de beschikking tot subsidieverlening wordt het maximum van het bedrag van de subsidieverlening bepaald. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de voorbereidings-, uitvoerings- en beheerskosten van het project, zoals door de aanvrager geraamd in zijn subsidieaanvraag en van het aantal deelnemers, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden vastgesteld, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht kunnen worden voor de uitvoering van het project.

Artikel 10

Een voorschot van 80% van het bij de beslissing, bedoeld in artikel 7, zesde lid, bepaalde maximale subsidiebedrag, wordt uiterlijk in december 2006 betaald aan de aanvrager.

Artikel 11

1. De aanvrager houdt een inzichtelijke en controleerbare deelnemersadministratie en een financiële administratie met betrekking tot het project en een administratie van de ontvangen en te ontvangen subsidie per deelnemer bij of doet zodanige administratie bijhouden.

2. De deelnemersadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde deelnemersprestaties, bedoeld in artikel 4.

3. De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten en in de integrale financiering van het project, uitgesplitst naar subsidie op grond van deze regeling en cofinanciering. De cofinanciering betreft uitsluitend de reguliere bekostiging van de instelling op grond van de WEB.

4. De administratie is zo ingericht dat deze voldoende mogelijkheden biedt voor een goede accountantscontrole op de juiste naleving van de subsidievoorwaarden.

5. Bij de vastlegging van de gegevens worden in ieder geval de eisen in acht genomen die in bijlage 2 bij dit besluit ter zake worden gesteld alsmede de eisen die zijn opgenomen in het Handboek CFI voor uitvoerders VSV en BBL, dat als bijlage 5 bij deze regeling is gevoegd, en wordt gebruik gemaakt van het door de minister daarvoor ter beschikking gestelde computerprogramma.

6. De aanvrager draagt zorg dat alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project bewaard blijven tot uiterlijk 1 januari 2015.

7. De aanvrager zal aan door de minister daartoe aangewezen personen desgevraagd inzage in of informatie uit deze administratie geven of doen geven. Tevens zal hij de voornoemde personen desgevraagd informatie verschaffen of doen verschaffen over de voortgang van het voor subsidie in aanmerking gebrachte project.

Artikel 12

Indien er tussentijds bijzondere omstandigheden optreden die de voortgang van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de aanspraak op subsidie, doet de aanvrager hiervan onverwijld mededeling aan de minister.

Artikel 13

1. Een aanvrager dient uiterlijk 30 september 2007 een aanvraag tot subsidievaststelling in door overlegging van een eindrapportage die een beschrijving geeft van de realisatie van het project in relatie tot de projectbeschrijving, bedoeld in artikel 7, tweede lid. In de eindrapportage wordt tevens aangegeven welke extra activiteiten er in aanvulling op de reguliere opleiding hebben plaatsgevonden, waarbij tevens een relatie wordt gelegd tussen de gerealiseerde activiteiten en de gedeclareerde kosten.

2. De eindrapportage, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling deel uit maakt, wordt ingediend met gebruikmaking van het door de minister daarvoor ter beschikking gestelde formulier en is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, overeenkomstig een van de in bijlage 3 bij deze regeling bedoelde modellen.

3. De accountantsverklaring bevat een oordeel over de naleving van de subsidievoorwaarden door de subsidieontvanger.

4. De minister kan nadere verplichtingen opleggen in verband met de inrichting van de accountantsverklaring.

5. De subsidieontvanger bedingt bij de accountant, dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig het controleprotocol, neergelegd in bijlage 4 bij deze regeling.

6. De subsidievaststelling vindt uiterlijk 1 mei 2008 plaats.

7. Indien de aanvrager de aanvraag tot subsidievaststelling niet heeft ingediend op de datum, bedoeld in het eerste lid, stelt de minister voor een door hem te bepalen datum de aanvrager in de gelegenheid deze aanvraag alsnog in te dienen. Indien de minister de aanvraag, bedoeld in de vorige volzin, niet binnen de door hem gestelde termijn heeft ontvangen, stelt hij de subsidie vast op nihil.

Artikel 14

Een aanvrager verleent op verzoek van de minister medewerking aan de totstandkoming van een gegevensverzameling ten behoeve van de door derden te verrichten evaluaties en zorgt ervoor dat ook onderaanvragers en deelnemers aan projecten daaraan medewerking verlenen.

Artikel 15

1. Een aanvrager verleent alle medewerking aan toezicht op de naleving door of namens de minister.

2. Een aanvrager zorgt ervoor dat eenzelfde medewerking aan toezicht op de naleving wordt verleend door derden die bij het project betrokken zijn.

3. Bij het uitvoeren van toezicht is het bepaalde in hoofdstuk 5, Afdeling 2, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16

De administratieve vastlegging van het project geschiedt conform de eisen die zijn opgenomen in het Handboek CFI voor uitvoerders VSV en BBL, dat als bijlage 5 bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 17

Artikel 18 van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen 20002006 vervalt.

Artikel 18

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin deze regeling is bekend gemaakt en werkt terug tot en met 1 april 2006.

Artikel 19

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling VSV en BBL voor onderwijsinstellingen 2006.

Bijlage 1. Themas, bedoeld in

Bijlage 2. Eisen met betrekking tot vast te leggen gegevens per project onder vermelding van het door de minister toegekend projectnummer

Deze opsomming is niet limitatief. Voor nadere details omtrent de vast te leggen gegevens per project wordt verwezen naar het Handboek voor uitvoerders 2006. (bijlage 5)

Bijlage 3. Modellen voor de accountantsverklaring

Er zijn drie modellen voor een accountantsverklaring. Bij een goedkeurende accountantsverklaring wordt model A gehanteerd. Indien bij de controle van de eindrapportage onjuistheden zijn geconstateerd die niet op afdoende wijze zijn gecorrigeerd kan de accountant geen goedkeurende verklaring verstrekken. In dergelijke gevallen dient de accountant een afkeurend oordeel te geven, volgens model B. Indien bij de controle van de eindrapportage onzekerheden van materieel belang zijn blijven bestaan die niet noodzakelijkerwijs hadden moeten leiden tot een correctie van de declaratie (bijvoorbeeld bij onduidelijkheid over de juiste interpretatie van subsidievoorwaarden) en die daardoor niet hoefden te leiden tot het geven van een afkeurende verklaring kan de accountant evenmin een goedkeurende verklaring verstrekken. In dergelijke gevallen dient de accountant een verklaring met beperking te geven, volgens model C.

Bijlage 4. Controleprotocol behorende bij de subsidieregeling VSV en BBL voor onderwijsinstellingen 2006

Bijlage 5

Ligt ter inzage bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.