rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-regeling-cofinanciering-projecten-dienstverlening-werkzoekenden-en-pr/BWBR0038055
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt BWBR0038055 ministeriele-regeling geldend 2016-07-15 https://wetten.overheid.nl/BWBR0038055 Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt

Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • activiteiten: werkzaamheden die tot realisatie van de doelen van het project leiden;

  • algemene opleiding: interne of externe opleiding, niet zijnde bedrijfsspecifieke training, met als oogmerk de leerling vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren, die leidt tot een erkend diploma of een erkend certificaat;

  • ander beroep: ander beroep dan het beroep dat de werkzoekende werknemer of WW-gerechtigde voorheen uitoefende, voor zover dit beroep wordt uitgeoefend bij een andere werkgever, en in het geval van een WW-gerechtigde, bij een andere werkgever dan de werkgever waarbij de werkloosheid is ontstaan;

  • arbeidsmarktregio: arbeidsmarktregio die is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

  • arbeidsorganisatie: iedere organisatorische eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent;

  • cofinanciering: het deel van de kosten in de begroting van het project dat op grond van deze regeling wordt gesubsidieerd;

  • externe kosten: kosten die in rekening worden gebracht door derden voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten;

  • kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

  • minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; a. O&O-fonds: Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, opgericht:

        a.
        in een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst, of
    
    
        b.
        voor 1 januari 2016 en waarvan het bestuur paritair is samengesteld door partijen die een collectieve arbeidsovereenkomst hebben gesloten en die aangesloten zijn bij een centrale werkgeversorganisatie respectievelijk werknemersorganisatie als bedoeld in bijlage 3 respectievelijk bijlage 4 bij deze regeling;
    

a. a. in een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst, of b. b. voor 1 januari 2016 en waarvan het bestuur paritair is samengesteld door partijen die een collectieve arbeidsovereenkomst hebben gesloten en die aangesloten zijn bij een centrale werkgeversorganisatie respectievelijk werknemersorganisatie als bedoeld in bijlage 3 respectievelijk bijlage 4 bij deze regeling;

  • project dienstverlening: project gericht op dienstverlening aan werkzoekende werknemers of WW-gerechtigden, die op het moment van aanvang van de activiteiten korter dan zes maanden een WW-uitkering ontvangen, met als doel het realiseren van betere en effectievere individuele dienstverlening gericht op de overgang van werk naar werk of van werkloosheid naar werk;
  • project samenwerking en regie arbeidsmarkt: project gericht op samenwerking tussen sectorale arbeidsmarktpartijen of sectorale en regionale arbeidsmarktpartijen met als doel het verbeteren van de samenwerking en het gezamenlijk vormgeven van het arbeidsmarktbeleid in een arbeidsmarktregio;
  • samenwerkingsverband: samenwerkingsverband bestaande uit ten minste twee arbeidsorganisaties, waarvan ten minste een O&O-fonds, een werkgeversorganisatie of een werknemersorganisatie;
  • scholing: een algemene opleiding om de vakspecifieke beroepsvaardigheden binnen een beroep te actualiseren of een algemene opleiding, die benodigd is om de werkzoekende werknemer of WW-gerechtigde in staat te stellen om een ander beroep uit te oefenen en de opleiding daartoe een adequaat middel is;
  • sector: sector die is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling;
  • werkgeversorganisatie: centrale werkgeversorganisatie als bedoeld in bijlage 3 bij deze regeling dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers of een stichting die werkzaam is ten behoeve van werkgevers, die is aangesloten bij een centrale werkgeversorganisatie als bedoeld in bijlage 3 bij deze regeling;
  • werknemersorganisatie: centrale werknemersorganisatie als bedoeld in bijlage 4 bij deze regeling dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers of een stichting die werkzaam is ten behoeve van werknemers, die is aangesloten bij een centrale werknemersorganisatie als bedoeld in bijlage 4 bij deze regeling;
  • werkzoekende werknemer: natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die op grond van een arbeidsovereenkomst, dan wel een aanstelling in openbare dienst, arbeid verricht als werknemer en werk zoekt als werknemer of zich richt op het worden van een zelfstandige zonder personeel;
  • WW-gerechtigde: persoon die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidswet;
  • UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 2

1. De artikelen 3.1, 6.1 en 7.1 van de kaderregeling zijn niet van toepassing.

2. Voor zover nodig in afwijking van de kaderregeling worden de indirecte kosten door de minister vastgesteld op 15 procent van de kosten, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdelen a, b en c. Over deze kosten hoeft geen rekening en verantwoording te worden afgelegd.

Artikel 3

De minister kan overeenkomstig deze regeling op aanvraag subsidie verstrekken voor de cofinanciering van projecten dienstverlening en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt.

Artikel 4

1. De minister stelt € 37.500.000 beschikbaar voor de cofinanciering van projecten dienstverlening en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt, welk bedrag wordt onderverdeeld in door de minister vast te stellen aanvraagtijdvakken met voor de aanvraagtijdvakken afzonderlijk vast te stellen subsidieplafonds per type project.

2. De mogelijkheid tot het indienen van een subsidieaanvraag bestaat slechts gedurende de door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken.

Artikel 5

1. Het eerste aanvraagtijdvak loopt vanaf 15 juli 2016 tot en met 30 september 2016.

2.

Het subsidieplafond voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in het eerste lid, bedraagt:

a. a. voor projecten dienstverlening: € 10.800.000; b. b. voor projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt: € 4.200.000.

3. Na het in het eerste lid genoemde aanvraagtijdvak volgt nog een tweede aanvraagtijdvak. De minister doet vooraf in de Staatscourant mededeling van het openen van het tweede aanvraagtijdvak met per type project een vermelding van het subsidieplafond voor dat aanvraagtijdvak.

Artikel 6

1. De minister verdeelt het beschikbare bedrag per type project per aanvraagtijdvak in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag volledig is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.

2. Alleen een volledige subsidieaanvraag wordt in behandeling genomen. Van een volledige subsidieaanvraag is sprake wanneer wordt voldaan aan de specifieke eisen, genoemd in artikel 9, alsmede aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3.3 van de kaderregeling.

Artikel 7

Vervallen

Paragraaf 2. Subsidieverlening

Artikel 8

1. Het aangevraagde subsidiebedrag bedraagt ten minste € 125.000 en ten hoogste € 2.000.000.

2. De subsidieaanvraag wordt gedaan middels een namens de minister verstrekt elektronisch aanvraagformulier.

3. Door het indienen van een subsidieaanvraag stemt de subsidieaanvrager er mee in dat het subsidiedossier met uitzondering van persoonsgegevens openbaar wordt gemaakt.

Artikel 9

1.

Bij de subsidieaanvraag wordt in ieder geval aangegeven:

a. a. of het een aanvraag betreft voor een project dienstverlening of een project samenwerking en regie arbeidsmarkt; b. b. waarom de activiteiten verondersteld worden doelmatig en doeltreffend te zijn; c. c. op welke wijze de activiteiten aanvullend zijn op soortgelijke werkzaamheden die worden uitgevoerd door UWV, gemeenten, de subsidieaanvrager of, indien sprake is van een samenwerkingsverband, een andere partij die onderdeel is van het samenwerkingsverband; en d. d. op welke wijze de activiteiten met UWV en gemeenten zijn afgestemd.

2. Indien sprake is van een samenwerkingsverband verstrekt de subsidieaanvrager bij de subsidieaanvraag een samenwerkingsovereenkomst die in ieder geval is ondertekend door alle partijen die onderdeel zijn van het samenwerkingsverband en waarin een schriftelijke machtiging is opgenomen waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager gemachtigd is het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

3. De subsidieaanvrager stelt een uittreksel van de Kamer van Koophandel beschikbaar, waaruit blijkt wie tekenbevoegd is en, bij het optreden van een tekenbevoegde die niet als zodanig is aangemerkt in het uittreksel, een machtiging tot diens tekenbevoegdheid.

4. De subsidieaanvraag wordt niet in behandeling genomen als de subsidieaanvrager in hetzelfde aanvraagtijdvak reeds meerdere aanvragen heeft ingediend voor het type project waarvoor de aanvraag is ingediend, en die aanvragen op grond van deze regeling geheel of gedeeltelijk zijn toegekend en gezamenlijk een subsidiebedrag van ten minste € 4.000.000 belopen.

5. Indien een aanvraag wordt ingediend door een stichting die werkzaam is ten behoeve van werkgevers of ten behoeve van werknemers, wordt bij de aanvraag een document gevoegd dat is ondertekend door een centrale werkgevers- of werknemersorganisatie als bedoeld in bijlage 3 of 4 waarbij deze stichting is aangesloten.

Artikel 10

1. De minister besluit binnen 13 weken na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag.

2. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de datum waarop de subsidiabele activiteiten uiterlijk zijn verricht. Voor beschikkingen waarvoor de aanvraag is ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, ligt deze datum niet na 31 december 2018. Voor beschikkingen waarbij de aanvraag is ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, maar waarbij de beschikking tot subsidieverlening is gegeven op of na 1 juli 2017, ligt deze datum niet na 30 juni 2019. Voor beschikkingen waarbij de aanvraag is ingediend in het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5, derde lid, ligt deze datum niet na 30 juni 2019.

3. Aan de beschikking tot subsidieverlening kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.

Artikel 11

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening in ieder geval geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien:

a. a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen; b. b. voor de activiteiten waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, reeds aanspraak bestaat op subsidie uit anderen hoofde; c. c. de beoogde activiteiten en resultaten onvoldoende objectief meetbaar zijn geformuleerd; d. d. onvoldoende is aangetoond dat de activiteiten aanvullend zijn op soortgelijke werkzaamheden die worden uitgevoerd door UWV, gemeenten, de subsidieaanvrager of, indien sprake is van een samenwerkingsverband, een andere partij die onderdeel is van het samenwerkingsverband; e. e. onvoldoende is aangetoond dat de activiteiten met UWV en gemeenten zijn afgestemd; f. f. de kosten voor de activiteiten niet in redelijke verhouding staan tot de beoogde resultaten; g. g. onvoldoende is aangetoond hoe de activiteiten gefinancierd worden; h. h. onvoldoende is aangetoond dat cofinanciering noodzakelijk is voor het uitvoeren van de activiteiten waarvoor cofinanciering is aangevraagd; i. i. onvoldoende zekerheid bestaat over de eigen financiering van de kosten van de activiteiten en indirecte kosten; j. j. de eigen financiering van de subsidiabele activiteiten voor meer dan 50 procent bestaat uit een bijdrage van provincies of gemeenten; of k. k. voor dezelfde arbeidsmarktregio of sector reeds voldoende aanvragen voor het type project, waarvoor de subsidieaanvraag is ingediend, geheel of gedeeltelijk zijn toegekend.

Paragraaf 3. Project dienstverlening

Artikel 12

Subsidie voor een project dienstverlening kan worden aangevraagd door:

a. a. een O&O-fonds; b. b. een werkgeversorganisatie; c. c. een werknemersorganisatie; of d. d. een O&O-fonds, werkgeversorganisatie of werknemersorganisatie, welke deel uitmaakt van een samenwerkingsverband.

Artikel 13

1.

De minister kan binnen de doelstellingen van een project dienstverlening subsidie verstrekken voor:

a. a. activiteiten die gericht zijn op het bieden van ondersteuning bij ontslag en de aanvraag van een WW-uitkering aan met ontslag bedreigde werknemers als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; b. b. activiteiten die gericht zijn op het bieden van ondersteuning bij de oriëntatie op loopbaan- of werkmogelijkheden aan werkzoekende werknemers of WW-gerechtigden die op het moment van aanvang van de activiteiten korter dan zes maanden een WW-uitkering ontvangen; of c. c. activiteiten die gericht zijn op het bieden van scholing aan werkzoekende werknemers of WW-gerechtigden die op het moment van aanvang van de activiteiten korter dan zes maanden een WW-uitkering ontvangen.

2. De minister kan tevens subsidie verstrekken voor activiteiten als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met c, voor zover hieraan niet meer dan 25 procent van de subsidiabele kosten wordt besteed.

Paragraaf 4. Project samenwerking en regie arbeidsmarkt

Artikel 14

Subsidie voor een project samenwerking en regie arbeidsmarkt kan worden aangevraagd door een O&O-fonds, werkgeversorganisatie of werknemersorganisatie, welke deel uitmaakt van een samenwerkingsverband.

Artikel 15

1.

De minister kan binnen de doelstellingen van een project samenwerking en regie arbeidsmarkt subsidie verstrekken voor:

a. a. activiteiten die gericht zijn op het ontwikkelen van samenwerkingsverbanden tussen sectorale arbeidsmarktpartijen of sectorale en regionale arbeidsmarktpartijen in een arbeidsmarktregio; b. b. activiteiten die gericht zijn op het binnen het samenwerkingsverband verzamelen en uitwisselen van arbeidsmarktinformatie; of c. c. activiteiten die gericht zijn op het ontwikkelen van gezamenlijk arbeidsmarktbeleid op regionaal of bovenregionaal niveau.

2. De minister kan tevens subsidie verstrekken voor activiteiten als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met c, voor zover hieraan niet meer dan 25 procent van de subsidiabele kosten wordt besteed.

Paragraaf 5. Subsidiabele kosten

Artikel 16

1.

Voor subsidie komen in aanmerking:

a. a. loonkosten voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend uurtarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een percentage van 32 procent van dit brutoloon, en waarbij bij de bepaling van de loonkosten per uur een norm wordt gehanteerd van 1.720 uur bij een dienstverband van 40 uur per week of het maximaal aantal werkbare uren gebaseerd op afspraken in de betreffende cao; b. b. vergoedingen of verstrekkingen aan de vrijwilliger, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor zover het gezamenlijke bedrag van de vergoedingen en verstrekkingen niet meer bedraagt dan de aldaar genoemde bedragen; c. c. externe kosten; en d. d. een toeslag van 15 procent op de kosten, bedoeld in de onderdelen a, b en c.

2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn door of op verzoek van de subsidieontvanger daadwerkelijk gemaakt en betaald, ten laste van het project gebleven en rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen.

3. Alleen kosten als bedoeld in het eerste lid die zijn gemaakt vanaf het moment dat het aanvraagtijdvak waarin de subsidieaanvraag is ingediend, is geopend, komen voor subsidie in aanmerking.

Artikel 17

Niet voor subsidie komen in aanmerking:

a. a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van de activiteiten; b. b. kosten die naar het oordeel van de minister qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties; c. c. kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen; d. d. kosten van activiteiten die de mededinging ongunstig kunnen beïnvloeden; e. e. externe kosten, indien:

      1°.
      geen transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden; of
    
    
      2°.
      niet ten minste drie offertes zijn aangevraagd, indien deze kosten meer bedragen dan € 50.000; en

1°. 1°. geen transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden; of 2°. 2°. niet ten minste drie offertes zijn aangevraagd, indien deze kosten meer bedragen dan € 50.000; en f. f. in rekening gebrachte btw, tenzij de subsidieontvanger niet btw-plichtig is.

Paragraaf 6. Verplichting van de subsidieontvanger ten aanzien van de uitvoering van een project

Artikel 18

De subsidieontvanger start binnen zes maanden na het verlenen van de subsidie met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten.

Paragraaf 7. Subsidieverstrekking en verantwoording

Artikel 19

De subsidie bedraagt 60 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

Artikel 20

Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen of voorschotten kan de subsidieontvanger aansprakelijk worden gesteld voor de met de terugvordering verband houdende kosten. Tevens kan in dat geval overgegaan worden tot het berekenen van de wettelijke rente.

Artikel 21

1. Na verlening van de subsidie kan een voorschot van 10 procent van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag worden verstrekt.

2. Iedere periode van zes maanden na verlening van het eerste voorschot, kan op basis van het in de subsidiebeschikking bepaalde tijdpad een tussentijds voorschot worden verstrekt, tot een maximum van 80 procent van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag.

3.

De subsidieontvanger doet binnen twee maanden na afloop van de periode van zes maanden waarvoor een voorschot is verleend melding aan de minister, als:

a. a. de subsidiabele kosten in die periode 75 procent of minder bedragen dan de in de subsidiebeschikking vermelde subsidiabele kosten voor die periode; en b. b. de voorschotten per periode van twaalf maanden gemiddeld € 200.000 of meer bedragen.

4.

Een voorschot kan slechts worden toegekend, indien:

a. a. de subsidieaanvrager op het aanvraagformulier, bedoeld in artikel 8, tweede lid, heeft aangegeven een voorschot te willen ontvangen; b. b. de subsidieaanvrager een liquiditeitsprognose heeft overgelegd; en c. c. de subsidieaanvrager of, indien sprake is van een samenwerkingsverband, een of meerdere andere partijen die onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband, zich garant heeft of hebben gesteld voor ten minste 80 procent van het aangevraagde subsidiebedrag.

Artikel 22

1. De administratie van de subsidieontvanger is voor controle beschikbaar op één locatie.

2. De administratie bevat een overzicht van de KvK-nummers van alle entiteiten die deelnemen aan het project, onder vermelding van de subsidiabele activiteiten waaraan is deelgenomen.

3. Bij een project dienstverlening of een project samenwerking en regie arbeidsmarkt waarbij activiteiten als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met c, worden verricht, bevat de administratie de deelnemers per activiteit inclusief een burgerservicenummer.

Artikel 23

1. De aanvraag tot vaststelling van een subsidie wordt gedaan middels een namens de minister verstrekt elektronisch formulier.

2. Bij een project dienstverlening of een project samenwerking en regie arbeidsmarkt waarbij activiteiten als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met c, worden verricht, legt de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling van een subsidie het burgerservicenummer van de deelnemers aan het project over.

Paragraaf 8. Overige en slotbepalingen

Artikel 24

De minister draagt zorg voor de evaluatie van de uitvoering van de projecten op grond van deze regeling en de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan.

Artikel 25

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 juli 2016 en vervalt met ingang van 1 juli 2019.

2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals die luidde op 30 juni 2019, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van deze regeling.

Artikel 26

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling cofinanciering projecten dienstverlening werkzoekenden en projecten samenwerking en regie arbeidsmarkt.

Bijlage 1. bij

Bijlage 2. bij

Indeling naar sector

Bijlage 3. bij

Vereniging VNO-NCW

Koninklijke Vereniging MKB-Nederland

Vereniging Land- en Tuinbouworganisatie Nederland

VSO werkgevers

Bijlage 4. bij

Vereniging FNV

Vereniging CNV

Vereniging VCP