rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-regeling-mobiele-communicatie-politie/BWBR0010754
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke regeling mobiele communicatie politie BWBR0010754 ministeriele-regeling geldend 1999-10-17 https://wetten.overheid.nl/BWBR0010754 Tijdelijke regeling mobiele communicatie politie

Tijdelijke regeling mobiele communicatie politie

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

2. In deze regeling wordt mede verstaan onder de korpsbeheerder: de Minister van Justitie, voor zover het betreft het Korps landelijke politiediensten.

Paragraaf 2. Overleg, samenwerking en afstemming

Artikel 2

1. De uitvoerend beheerder en de door de korpsbeheerders aan te wijzen contactfunctionarissen voeren periodiek overleg over het functioneren van de mobiele communicatie bij de politiekorpsen.

2. Het bedoeld overleg vindt plaats op uitnodiging van de uitvoerend beheerder op diens initiatief dan wel na een verzoek van een korpsbeheerder.

Artikel 3

De politiekorpsen gebruiken de in de bij deze regeling behorende bijlage 1 opgenomen landelijke standaards op het terrein van de mobiele communicatie.

Paragraaf 3. Frequentiebeheer en gebruik van frequenties

Artikel 4

1. De ministers stellen een verdeling van de radiofrequenties over de politiekorpsen vast.

2. Voorwaarde voor toewijzing van frequenties zijn de technische en gebruiksvoorschriften die in de bij deze regeling behorende bijlage 2 zijn opgenomen.

Artikel 5

1. Het politiekorps heeft een gebruiksrecht van de door de ministers toegewezen frequenties.

2. Het politiekorps gebruikt de toegewezen frequenties uitsluitend voor de uitvoering van de politietaak.

3. Het gebruik van de toegewezen frequenties vindt plaats overeenkomstig de voorschriften, bedoeld in artikel 4, tweede lid.

4. De korpsbeheerder is ervoor verantwoordelijk dat de toegewezen frequenties conform de voorschriften, bedoeld in artikel 4, tweede lid, worden gebruikt.

Artikel 6

1. De uitvoerend beheerder ziet toe op de naleving van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde voorschriften.

2. De uitvoerend beheerder handelt storingen af die samenhangen met het gebruik van toegewezen frequenties.

3. De uitvoerend beheerder waarschuwt schriftelijk, ter verzekering van het goed functioneren van de mobiele communicatievoorzieningen, de desbetreffende korpsbeheerder, indien een politiekorps niet meer voldoet aan de in artikel 4, tweede lid, bedoelde voorschriften.

4. De korpsbeheerder draagt ervoor zorg dat binnen vier weken na de in het derde lid bedoelde waarschuwing, alsnog wordt voldaan aan de in artikel 4, tweede lid, bedoelde voorschriften. Zodra weer wordt voldaan aan de voorschriften, stelt de korpsbeheerder de uitvoerend beheerder daarvan op de hoogte.

5. De uitvoerend beheerder informeert de ministers indien een politiekorps vier weken na de in het derde lid bedoelde waarschuwing nog niet voldoet aan de in artikel 4, tweede lid, bedoelde voorschriften.

Paragraaf 4. Bovenregionale infrastructuur

Artikel 7

1. Het beheer van door de ministers reeds aangewezen en nog aan te wijzen bovenregionale mobiele communicatievoorzieningen voor de politiekorpsen berust bij de uitvoerend beheerder.

2. De uitvoerend beheerder treedt namens de ministers op als naamgevings- en coderingsautoriteit voor alle communicatieprotocollen die in gebruik zijn bij de door de ministers aangewezen bovenregionale mobiele communicatiesystemen en stelt als zodanig de naam- en coderingsplannen op, voert deze uit en beheert ze.

Artikel 8

1. De uitvoerend beheerder wijst functionarissen aan en schakelt, indien hij dit nodig acht, derden in voor het verrichten van werkzaamheden die verband houden met de door de ministers aangewezen mobiele communicatievoorzieningen.

2. Het bezoek van bedoelde functionarissen of derden aan een politiekorps, wordt vooraf door de uitvoerend beheerder aangekondigd.

3. Bij de uitoefening van hun taak dragen de door de uitvoerend beheerder aangewezen functionarissen of ingeschakelde derden een legitimatiebewijs bij zich.

4. Als legitimatiebewijs gelden een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, of een rijbewijs.

5. De door de uitvoerend beheerder aangewezen functionarissen of ingeschakelde derden tonen hun legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.

6. De door de uitvoerend beheerder aangewezen functionarissen of ingeschakelde derden zijn in het bezit van een schriftelijke werkopdracht van de uitvoerend beheerder.

Artikel 9

De korpsbeheerder draagt ervoor zorg dat aan door de uitvoerend beheerder aangewezen functionarissen of ingeschakelde derden, alle medewerking wordt verleend die voor de werkzaamheden die verband houden met de instandhouding van de door de ministers aangewezen bovenregionale communicatievoorzieningen, noodzakelijk is.

Artikel 10

1. Het gebruik van de bovenregionale mobiele communicatievoorzieningen vindt plaats overeenkomstig de in de bij deze regeling behorende bijlage 3 opgenomen gebruiksvoorschriften die door de uitvoerend beheerder worden onderhouden en aan de gebruikers ter beschikking gesteld.

2. De uitvoerend beheerder waarschuwt schriftelijk, ter verzekering van het goed functioneren van de bovenregionale mobiele communicatievoorziening, de desbetreffende korpsbeheerder, indien een politiekorps zich niet houdt aan de in het eerste lid bedoelde gebruiksvoorschriften.

3. De korpsbeheerder draagt ervoor zorg dat binnen vier weken na de waarschuwing, bedoeld in het tweede lid, alsnog wordt voldaan aan de gebruiksvoorschriften. Zodra weer wordt voldaan aan de gebruiksvoorschriften, stelt de korpsbeheerder de uitvoerend beheerder daarvan op de hoogte.

4. De uitvoerend beheerder informeert de ministers indien een politiekorps vier weken na de in het tweede lid bedoelde waarschuwing nog steeds niet voldoet aan de gebruiksvoorschriften.

Artikel 11

1. Er is een Interim Landelijk Mobilofoonnet ten behoeve van bovenregionale mobiele communicatie door de politiekorpsen en de Koninklijke Marechaussee.

2. Andere organisaties en instanties kunnen van het Interim Landelijk Mobilofoonnet gebruik maken indien de ministers, na overleg met de Minister van Verkeer en Waterstaat, daarvoor toestemming verlenen.

3. De toestemming, bedoeld in het tweede lid, wordt alleen verleend aan organisaties en instanties die zijn belast met het behartigen van de veiligheid van de staat of de handhaving van de rechtsorde.

4. De korpsbeheerder kan toestemming verlenen tot het onder zijn verantwoordelijkheid gebruiken van zijn toegang tot het Interim Landelijk Mobilofoonnet, indien hij dit voor de uitoefening van zijn politietaak noodzakelijk acht.

5. Toestemming tot het gebruik van het Interim Landelijk Mobilofoonnet, als bedoeld in het tweede en vierde lid, wordt gemeld aan de uitvoerend beheerder. Deze houdt een administratie van deze meldingen bij.

Artikel 12

1. De korpsbeheerder zorgt dat in zijn korps de mogelijkheid om van het Interim Landelijk Mobilofoonnet gebruik te maken in voertuigen die worden gebruikt voor bovenregionaal verkeer, in stand gehouden wordt.

2. De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat in minimaal één van de meldkamers een aansluiting op het Interim Landelijk Mobilofoonnet beschikbaar is.

Artikel 13

Behoudens in geval van opzet of grove schuld, zijn de uitvoerend beheerder en de politiekorpsen jegens elkaar niet aansprakelijk voor schade voortvloeiend uit of verband houdend met het gebruik van de door de ministers aangewezen mobiele communicatievoorzieningen.

Paragraaf 5. Beveiliging

Artikel 14

Op mobiele communicatievoorzieningen en de informatie die via deze communicatiemiddelen wordt getransporteeerd, is de Regeling informatiebeveiliging politie van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15

1. De ministers stellen een beveiligingsplan vast voor landelijke infrastructurele voorzieningen voor mobiele communicatie politie, voor zover deze voorzieningen onder hun beheer staan. Zij doen dit volgens de voorschiften in de Regeling informatiebeveiliging politie.

2. De ministers maken in het kader van de opstelling van het beveiligingsplan afspraken met de korpsbeheerders.

Artikel 16

Tot het beveiligingsbeleid is vastgelegd in een beleidsdocument en tot uitvoering wordt gebracht, treft de korpsbeheerder maatregelen die ten doel hebben een minimum-niveau aan beveiliging van mobiele communicatie te verzekeren.

Paragraaf 6. Slotbepalingen

Artikel 17

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 18

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling mobiele communicatie politie.