40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke regeling realisatiestimulans | BWBR0051707 | ministeriele-regeling | geldend | 2026-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0051707 | Tijdelijke regeling realisatiestimulans |
Tijdelijke regeling realisatiestimulans
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
a. betaalbare woning:
a.
* sociale huurwoning:* huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag;
b.
* huurwoningen voor middenhuur:* huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste:
1°.
het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte;
2°.
het onder i bedoelde bedrag met inbegrip van een vermeerdering als bedoeld in artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte, indien het gaat om een huurwoning als bedoeld in die leden;
c.
* betaalbare koopwoning:* koopwoning met een koopprijs vrij op naam bij eerste verkoop van ten hoogste de bovengrens, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014; of
d.
een gebouw bestaande uit onzelfstandige woonruimten.
a. a.
* sociale huurwoning:* huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag;
b. b.
* huurwoningen voor middenhuur:* huurwoning met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste:
1°.
het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte;
2°.
het onder i bedoelde bedrag met inbegrip van een vermeerdering als bedoeld in artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte, indien het gaat om een huurwoning als bedoeld in die leden;
1°. 1°. het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte; 2°. 2°. het onder i bedoelde bedrag met inbegrip van een vermeerdering als bedoeld in artikel 8a, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte, indien het gaat om een huurwoning als bedoeld in die leden; c. c.
* betaalbare koopwoning:* koopwoning met een koopprijs vrij op naam bij eerste verkoop van ten hoogste de bovengrens, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014; of
d. d. een gebouw bestaande uit onzelfstandige woonruimten.
-
college: college van burgemeester en wethouders.
-
NPLV-gebied: elk van de gebieden opgesomd in bijlage 1 en 2 bij deze regeling. a. Minister: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
*start van de bouwwerkzaamheden:* a. * bij nieuwbouw en flexwoningen:* Het begin van bouwactiviteiten van een toegestaan bouwwerk waarover het bevoegd gezag is geïnformeerd of waarvan de feitelijke bouw is aangevangen door minimaal de aanleg van de fundering (waartoe niet het bouwrijp maken van een terrein wordt gerekend). Als start van bouwwerkzaamheden geldt: I. het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het bouwwerk; óf II. indien de funderingswerkzaamheden (met name heiwerk) plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond, dan de start van het heiwerk ten behoeve van het bouwwerk; of III. het boren c.q. slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige bouwwerk bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een Warmte- en Koudeopslaginstallatie; en als start van bouwwerkzaamheden geldt niet: i. het plaatsen van één of meerdere bouwketen; ii. het plaatsen van containers ten behoeve van opslag van materialen; iii. het inrichten en/of omheinen en/of uitzetten van het bouwterrein; iv. het slaan van de ‘officiële’ eerste heipaal, tenzij deze paal echt als eerste wordt geslagen; v. het slaan van een eventueel noodzakelijke damwand; vi. het slopen van eventueel nog bestaande opstallen; vii. het ontgraven van de grond ten behoeve van bijvoorbeeld saneringswerkzaamheden of de grondwaterhuishouding; viii. het bouwrijp maken van het terrein. b. * bij verbouw:* toegestane verbouwactiviteiten van een ter plaatse toegestaan bestaand bouwwerk, waarbij sprake is van minimaal constructieve maatregelen aan het bestaande bouwwerk en/of de toevoeging van vierkante meters ruimten met woonfunctie, waaronder in ieder geval transformatie, splitsen en optoppen. Als ‘aanvang verbouw gebouw’ geldt: i. het toevoegen/aanpassen van een nieuwe draagstructuur; ii. het aanleggen/aanpassen van een additionele nutsvoorziening; iii. het toevoegen van ontsluitingsroutes in het gebouw; iv. bij optoppen betreft het startmoment het plaatsen van een woning op het dak of het aanbrengen van constructieve voorzieningen; v. bij transformatie betreft het startmoment de eerste bouwkundige verbouwhandeling die voortkomt uit de onderliggende omgevingsvergunning; of vi. bij splitsen betreft het startmoment het realiseren van gescheiden toegangen tot de woningen, het plaatsen van woningscheidende wanden of het realiseren van fysiek gescheiden nutsvoorzieningen.
a. a.
* bij nieuwbouw en flexwoningen:* Het begin van bouwactiviteiten van een toegestaan bouwwerk waarover het bevoegd gezag is geïnformeerd of waarvan de feitelijke bouw is aangevangen door minimaal de aanleg van de fundering (waartoe niet het bouwrijp maken van een terrein wordt gerekend). Als start van bouwwerkzaamheden geldt:
I.
het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het bouwwerk; óf
II.
indien de funderingswerkzaamheden (met name heiwerk) plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond, dan de start van het heiwerk ten behoeve van het bouwwerk; of
III.
het boren c.q. slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige bouwwerk bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een Warmte- en Koudeopslaginstallatie; en
als start van bouwwerkzaamheden geldt niet:
i.
het plaatsen van één of meerdere bouwketen;
ii.
het plaatsen van containers ten behoeve van opslag van materialen;
iii.
het inrichten en/of omheinen en/of uitzetten van het bouwterrein;
iv.
het slaan van de ‘officiële’ eerste heipaal, tenzij deze paal echt als eerste wordt geslagen;
v.
het slaan van een eventueel noodzakelijke damwand;
vi.
het slopen van eventueel nog bestaande opstallen;
vii.
het ontgraven van de grond ten behoeve van bijvoorbeeld saneringswerkzaamheden of de grondwaterhuishouding;
viii.
het bouwrijp maken van het terrein.
I. I. het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het bouwwerk; óf II. II. indien de funderingswerkzaamheden (met name heiwerk) plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond, dan de start van het heiwerk ten behoeve van het bouwwerk; of III. III. het boren c.q. slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige bouwwerk bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een Warmte- en Koudeopslaginstallatie; en i. i. het plaatsen van één of meerdere bouwketen; ii. ii. het plaatsen van containers ten behoeve van opslag van materialen; iii. iii. het inrichten en/of omheinen en/of uitzetten van het bouwterrein; iv. iv. het slaan van de ‘officiële’ eerste heipaal, tenzij deze paal echt als eerste wordt geslagen; v. v. het slaan van een eventueel noodzakelijke damwand; vi. vi. het slopen van eventueel nog bestaande opstallen; vii. vii. het ontgraven van de grond ten behoeve van bijvoorbeeld saneringswerkzaamheden of de grondwaterhuishouding; viii. viii. het bouwrijp maken van het terrein. b. b.
* bij verbouw:* toegestane verbouwactiviteiten van een ter plaatse toegestaan bestaand bouwwerk, waarbij sprake is van minimaal constructieve maatregelen aan het bestaande bouwwerk en/of de toevoeging van vierkante meters ruimten met woonfunctie, waaronder in ieder geval transformatie, splitsen en optoppen. Als ‘aanvang verbouw gebouw’ geldt:
i.
het toevoegen/aanpassen van een nieuwe draagstructuur;
ii.
het aanleggen/aanpassen van een additionele nutsvoorziening;
iii.
het toevoegen van ontsluitingsroutes in het gebouw;
iv.
bij optoppen betreft het startmoment het plaatsen van een woning op het dak of het aanbrengen van constructieve voorzieningen;
v.
bij transformatie betreft het startmoment de eerste bouwkundige verbouwhandeling die voortkomt uit de onderliggende omgevingsvergunning; of
vi.
bij splitsen betreft het startmoment het realiseren van gescheiden toegangen tot de woningen, het plaatsen van woningscheidende wanden of het realiseren van fysiek gescheiden nutsvoorzieningen.
i. i. het toevoegen/aanpassen van een nieuwe draagstructuur; ii. ii. het aanleggen/aanpassen van een additionele nutsvoorziening; iii. iii. het toevoegen van ontsluitingsroutes in het gebouw; iv. iv. bij optoppen betreft het startmoment het plaatsen van een woning op het dak of het aanbrengen van constructieve voorzieningen; v. v. bij transformatie betreft het startmoment de eerste bouwkundige verbouwhandeling die voortkomt uit de onderliggende omgevingsvergunning; of vi. vi. bij splitsen betreft het startmoment het realiseren van gescheiden toegangen tot de woningen, het plaatsen van woningscheidende wanden of het realiseren van fysiek gescheiden nutsvoorzieningen.
- woning: een zelfstandige woonruimte, een gebouw bestaande uit onzelfstandige woonruimten, of een woonwagen.
Hoofdstuk 2. Realisatiestimulans per betaalbare woning
Artikel 2.1
1. De minister verstrekt een specifieke uitkering aan een gemeente op basis van het aantal door nieuwbouw of verbouw te realiseren betaalbare woningen indien er sprake is van de start van bouwwerkzaamheden ten behoeve van deze woningen.
2. De minister verstrekt uitsluitend een uitkering aan een gemeente op basis van het aantal woningen waarvan de start van de bouwwerkzaamheden heeft plaatsgevonden tussen 1 januari 2025 en 31 december 2029.
3.
De minister verstrekt geen uitkering indien voor een door nieuwbouw of verbouw te realiseren betaalbare woning een uitkering is verleend, op basis van:
a. a. het Besluit Woningbouwimpuls 2020 tot 1 januari 2026; b. b. de Meerjarige regeling specifieke uitkeringen voor huisvesting aandachtsgroepen; c. c. de Meerjarige stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen 2023; d. d. de Regeling specifieke uitkering startbouwimpuls; e. e. de Regeling specifieke uitkering tweede tranche voor huisvesting aandachtsgroepen; f. f. de Regeling specifieke uitkering vergunninghouders; of g. g. de Stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen.
Artikel 2.2
1. De hoogte van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, bedraagt per betaalbare woning € 7.000,– exclusief btw.
2. In afwijking van het eerste lid kan de minister de hoogte van de specifieke uitkeringen in een jaar aanpassen op basis van een verdeling naar rato op basis van het aantal betaalbare woningen bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, per gemeente van het beschikbare uitkeringsplafond als dat onvoldoende is om alle in aanmerking komende gevallen volledig te honoreren.
3. In afwijking van het eerste lid kan de hoogte van de specifieke uitkering per betaalbare woning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, per gemeente met maximaal 33 procent verlaagd worden indien de gemeentelijke woningbouwprogrammering van die gemeente leidt tot een evidente overschrijding van de nationale of regionale betaalbaarheidsdoelstellingen met betrekking tot woningbouwprogrammering.
Artikel 2.3
In totaal is ten hoogste € 1.486.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen op basis van artikel 2.1.
Artikel 2.4
1. Het college zendt jaarlijks aan de minister informatie over de start van bouwwerkzaamheden ten behoeve van het aantal betaalbare woningen als bedoeld in artikel 2.1, in het voorafgaande jaar in de gemeente.
2. Op basis van de informatie, bedoeld in het eerste lid, stelt de minister de specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, per gemeente vast.
3. De minister stelt het besluit, bedoeld in het tweede lid, uiterlijk vast op 31 december van het jaar na het jaar waarin de start van de bouwwerkzaamheden van de betreffende betaalbare woningen per gemeente hebben plaatsgevonden.
4.
Het besluit, bedoeld in het tweede lid, vermeldt in elk geval:
a. a. het totale bedrag van de specifieke uitkering; en b. b. het moment van uitbetaling van de specifieke uitkering.
5. Indien het college constateert dat ten opzichte van de door haar verstrekte informatie bedoeld in het eerste lid, over een kalenderjaar meer of minder betaalbare woningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, moeten worden opgegeven, kan het dit in de informatieverstrekking in het daaropvolgende jaar aangeven en kan dit worden verrekend door de minister.
Hoofdstuk 3. Opslagen
Paragraaf 3.1. Openbare ruimte en collectieve maatschappelijke voorzieningen NPLV-gebieden
Artikel 3.1
1. De minister verstrekt een specifieke uitkering aan een gemeente voor de financiering van activiteiten ter verbetering van bovenplanse openbare ruimte en collectieve maatschappelijke voorzieningen in een NPLV-gebied welke plaatsvinden tussen 1 januari 2025 en 31 december 2029.
2.
De activiteiten bedoeld in het eerste lid zijn in ieder geval activiteiten gericht op:
a. a. de inrichting van de openbare ruimte die een samenhang heeft met de woningbouw; b. b. het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid van de leefomgeving in het NPLV-gebied; of c. c. het realiseren of herstructureren van collectieve maatschappelijke voorzieningen om de leefbaarheid van het NPLV-gebied te bevorderen en de veiligheid te vergroten en die een samenhang hebben met de woningbouw in het NPLV-gebied.
3. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor btw die is verschuldigd over kosten voor zover het bedrag van de btw in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds.
Artikel 3.2
1. De reservering van het bedrag voor de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, is per gemeente inclusief btw vastgesteld en opgenomen in bijlage 1.
2. In afwijking van het eerste lid kan de hoogte van de specifieke uitkeringen in dat jaar aangepast worden op basis van een verdeling naar rato van het beschikbare uitkeringsplafond op basis van de gemaakte kosten aan activiteiten als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, als het uitkeringsplafond onvoldoende is om alle in aanmerking komende gevallen volledig te honoreren.
Artikel 3.3
In totaal is ten hoogste € 180.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen op basis van artikel 3.1.
Artikel 3.4
1. Het college zendt in het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de minister informatie over de activiteiten als genoemd in artikel 3.1, eerste lid.
2. Op basis van de informatie, bedoeld in het eerste lid, stelt de minister de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, per gemeente vast.
3. De minister stelt het besluit over de toekenning van specifieke uitkeringen uiterlijk vast op 31 december in het jaar na het jaar waarin de kosten zijn gemaakt ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid per gemeente hebben plaatsgevonden.
4. Indien het college constateert dat ten opzichte van de door haar verstrekte informatie bedoeld in het eerste lid, over een kalenderjaar meer of minder is uitgegeven aan de activiteiten als genoemd in artikel 3.1, eerste lid, kan het dit in de informatieverstrekking in het daaropvolgende jaar aangeven en kan dit worden verrekend door de minister.
Paragraaf 3.2. Ambtelijke capaciteit voor woningbouw in NPLV-gebieden
Artikel 3.5
1. De minister verstrekt een specifieke uitkering aan een gemeente voor de financiering van capaciteitsondersteuning voor de uitvoering van de woningbouwopgave in een NPLV-gebied welke plaatsvinden tussen 1 januari 2025 en 31 december 2029.
2. Dit betreft in ieder geval de capaciteitsondersteuning die noodzakelijk is voor de uitvoering van de in artikel 3.1, eerste lid, genoemde activiteiten.
3. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor btw die is verschuldigd over kosten voor zover het bedrag van de btw in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds.
Artikel 3.6
1. De reservering van het bedrag voor de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, is per gemeente inclusief btw vastgesteld en opgenomen in bijlage 2.
2. In afwijking van het eerste lid kan de hoogte van de specifieke uitkeringen in dat jaar aangepast worden op basis van een verdeling naar rato van het beschikbare uitkeringsplafond op basis van de gemaakte kosten aan capaciteitsondersteuning als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, als het uitkeringsplafond onvoldoende is om alle in aanmerking komende gevallen volledig te honoreren.
Artikel 3.7
In totaal is ten hoogste € 50.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen op basis van artikel 3.5.
Artikel 3.8
1. Het college zendt in het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de minister informatie over de capaciteitsondersteuning bedoeld in artikel 3.5, eerste lid.
2. Op basis van de informatie, bedoeld in het eerste lid, stelt de minister de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, per gemeente vast.
3. De minister stelt het besluit over de toekenning van specifieke uitkeringen uiterlijk vast op 31 december in het jaar na het jaar waarin de kosten zijn gemaakt voor de capaciteitsondersteuning bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, per gemeente.
4. Indien het college constateert dat ten opzichte van de door haar verstrekte informatie bedoeld in het eerste lid, over een kalenderjaar meer of minder is uitgegeven aan capaciteitsondersteuning als genoemd in artikel 3.5, eerste lid, kan het dit in de informatieverstrekking in het daaropvolgende jaar aangeven en kan dit worden verrekend door de minister.
Hoofdstuk 4. Overige en slotbepalingen
Artikel 4.1
1. Het college informeert de minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering aan de gemeente is verstrekt.
2. Het college verleent op verzoek van de minister medewerking en verstrekt informatie ten behoeve van de voortgang en evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze regeling.
Artikel 4.2
1. Het college legt verantwoording af over de specifieke uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
2. Als blijkt dat de uitkering onrechtmatig is verleend, niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel of het onrechtmatig verleende deel door Onze Minister worden teruggevorderd.
Artikel 4.3
De minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze regeling aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.
Artikel 4.4
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 en vervalt met ingang van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.
Artikel 4.5
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling realisatiestimulans