rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-regeling-specifieke-uitkering-mobiliteitspakketten-ten-behoeve-van-wo/BWBR0049400
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw BWBR0049400 ministeriele-regeling geldend 2024-11-18 https://wetten.overheid.nl/BWBR0049400 Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw

Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • betaalbare woning: betaalbare woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020;
  • bijlage: bijlage bij deze regeling;
  • grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties: Amsterdam Havenstad, MRA West, MRA Oost, Rotterdam Oostflank, Den Haag CID-Binckhorst, Oude Lijn Leiden-Dordrecht, Utrecht Groot Merwede, Eindhoven Internationale Knoop XL, de Brabantse stedenrij, Groningen Suikerunieterrein, Groningen Stadshavens, Foodvalley, Spoorzone Arnhem-Oost, Nijmegen Stationsgebied, Nijmegen Kanaalzone, Zwolle Spoorzone en Amersfoort Spoor- en A1-zone;
  • mobiliteitshub: mobiliteitsmaatregel die fungeert als begin-, eind- of overstappunt van een reis en waar verschillende typen vervoer en hun infrastructuur samenkomen;
  • mobiliteitsmaatregel: infrastructuur, maatregel of voorziening als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds;
  • ontvanger: gemeente of openbaar lichaam aan wie een specifieke uitkering is verleend;
  • openbaar lichaam: openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 2

Deze regeling heeft tot doel om gemeenten en openbare lichamen in staat te stellen mobiliteitsmaatregelen te realiseren zodat op de grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties woningbouw kan plaatsvinden.

Artikel 3

1. De minister kan op aanvraag van een gemeente of een openbaar lichaam, genoemd in de bijlage, een specifieke uitkering verlenen voor de realisatie van mobiliteitsmaatregelen, genoemd in de bijlage, bij een woningbouwlocatie, genoemd in de bijlage.

2. Het bedrag van de specifieke uitkering vermeerderd met de compensabele btw-component is ten hoogste het in de bijlage bij die woningbouwlocatie genoemde maximale bedrag op basis van prijspeil 2022.

3.

De aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

a. a. een kaart met een geografische afbakening van de woningbouwlocatie; b. b. een omschrijving van de te realiseren mobiliteitsmaatregelen en het daarbij behorende type mobiliteitsmaatregel; c. c. een gespecificeerde begroting die een overzicht bevat van:

        1°.
         de kosten van de realisatie van de mobiliteitsmaatregel of mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie;
      
      
        2°.
        de ten behoeve van de mobiliteitsmaatregelen op basis van het Besluit Woningbouwimpuls 2020 verleende specifieke uitkeringen en eventuele andere ten behoeve van de mobiliteitsmaatregelen door het Rijk verleende bijdragen;
      
      
        3°.
        indien een mobiliteitsmaatregel een mobiliteitshub behelst de bij oplevering verwachte netto-opbrengsten van de mobiliteitshub gelet op de voorziene exploitatiekosten en -inkomsten;
      
      
        4°.
         het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie;
      
      
        5°.
        de bijdrage van decentrale overheden in het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie;
      
      
        6°.
        de gevraagde rijksbijdrage per woningbouwlocatie;
      
      
        7°.
         het percentage van de gevraagde rijksbijdrage per woningbouwlocatie in het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie;

1°. 1°. de kosten van de realisatie van de mobiliteitsmaatregel of mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie; 2°. 2°. de ten behoeve van de mobiliteitsmaatregelen op basis van het Besluit Woningbouwimpuls 2020 verleende specifieke uitkeringen en eventuele andere ten behoeve van de mobiliteitsmaatregelen door het Rijk verleende bijdragen; 3°. 3°. indien een mobiliteitsmaatregel een mobiliteitshub behelst de bij oplevering verwachte netto-opbrengsten van de mobiliteitshub gelet op de voorziene exploitatiekosten en -inkomsten; 4°. 4°. het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie; 5°. 5°. de bijdrage van decentrale overheden in het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie; 6°. 6°. de gevraagde rijksbijdrage per woningbouwlocatie; 7°. 7°. het percentage van de gevraagde rijksbijdrage per woningbouwlocatie in het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie; d. d. het totaal aantal te realiseren woningen en het aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie; e. e. een tijdplanning van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie en van de realisatie van de daarbij horende mobiliteitsmaatregelen; en f. f. het bankrekeningnummer waarop het bedrag dient te worden gestort, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat.

4. Een aanvraag kan tot uiterlijk twee maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal aanvraagformulier.

Artikel 4

Het uitkeringsplafond bedraagt € 1.049.060.000 op basis van prijspeil 2022.

Artikel 5

1. Voor een specifieke uitkering komen in aanmerking de kosten voor de realisatie van mobiliteitsmaatregelen, genoemd in de bijlage, bij een woningbouwlocatie, genoemd in de bijlage.

2.

Voor een specifieke uitkering komen niet in aanmerking:

a. a. kosten waarvoor door het Rijk reeds een andere specifieke uitkering of subsidie is verstrekt; b. b. omzetbelasting voor zover deze in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds; c. c. kosten gemaakt voorafgaand aan 1 juli 2023; d. d. kosten van beheer en onderhoud van de mobiliteitsmaatregelen; e. e. andere kosten dan de kosten genoemd in het eerste lid.

3. Indien een mobiliteitsmaatregel een mobiliteitshub behelst worden de verwachte netto-opbrengsten van een mobiliteitshub gelet op de voorziene exploitatiekosten en -inkomsten in mindering gebracht op de kosten van de mobiliteitshub die voor een specifieke uitkering in aanmerking komen.

Artikel 6

1. De minister besluit op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst.

2.

Een besluit tot verlening van een specifieke uitkering vermeldt in ieder geval:

a. a. de mobiliteitsmaatregel of mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie waarvoor een specifieke uitkering wordt verleend; b. b. het bedrag van de specifieke uitkering per mobiliteitsmaatregel en in totaal; c. c. het voorschot en de wijze van uitkering, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid; d. d. het bedrag dat betrekking heeft op de compensabele btw-component en wordt toegevoegd aan het BTW-compensatiefonds; e. e. de wijze waarop het bedrag van de specifieke uitkering is bepaald; f. f. het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie; g. g. het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie; h. h. het totaal aantal te realiseren woningen en het aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie.

3. De bedragen genoemd in het tweede lid, onderdeel b, zijn de bedragen op basis van prijspeil 2022.

Artikel 7

De minister beslist geheel of gedeeltelijk afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde voorschriften; b. b. het aantal op de woningbouwlocatie te realiseren woningen lager is dan het bij die woningbouwlocatie in de bijlage genoemde aantal; c. c. indien het aantal op de woningbouwlocatie te realiseren betaalbare woningen minder is dan 50% van het totaal, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 9, negende lid; d. d. indien naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat dat de aanvrager de realisatie van de betreffende mobiliteitsmaatregelen kan financieren; of e. e. indien naar het oordeel van de minister op het moment van indiening van de aanvraag niet aannemelijk is dat zal worden voldaan aan een van de verplichtingen genoemd in artikel 9, derde en vierde lid.

Artikel 8

1. Het maximale bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, alsmede de bedragen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, worden jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen, voor zover die bedragen op die datum nog niet als voorschot zijn uitgekeerd.

2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden tevens geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen zoals deze op 1 oktober 2023 zou hebben plaatsgehad, indien deze regeling voor die datum in werking zou zijn getreden.

Artikel 9

1. De ontvanger realiseert de mobiliteitsmaatregel of mobiliteitsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.

2. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de mobiliteitsmaatregelen waarvoor de specifieke uitkering is verleend.

3. De ontvanger start de realisatie van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie uiterlijk 31 december 2030.

4. De ontvanger rondt de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie af uiterlijk 31 december 2035.

5. Op het moment dat de woningen op de woningbouwlocatie zijn gerealiseerd bedraagt het aantal op de woningbouwlocatie gerealiseerde betaalbare woningen ten minste 50% van het totaal van de op de woningbouwlocatie gerealiseerde woningen.

6.

De ontvanger doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:

a. a. de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen bij de woningbouwlocatie niet, niet tijdig, of niet geheel zal worden afgerond; b. b. de realisatie van de woningen of van de laatst te realiseren woning op de woningbouwlocatie niet, niet tijdig of niet geheel zal worden gestart; c. c. het in het besluit tot verlening van de specifieke uitkering genoemde totaal aantal te realiseren woningen of het genoemde aantal te realiseren betaalbare woningen op de woningbouwlocatie niet of niet geheel zal worden gerealiseerd; d. d. niet aan andere bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen wordt voldaan.

7. De ontvanger verstrekt, onverminderd het zesde lid, jaarlijks uiterlijk op 1 juli beleidsinformatie over de beheersing van de risicos en de voortgang van de voorbereidingen en de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen waarvoor een specifieke uitkering is verleend alsmede van de realisatie van de woningen op de woningbouwlocatie.

8. De ontvanger verleent op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking aan een evaluatieonderzoek als bedoeld in artikel 14.

9. De minister kan nadere voorschriften aan de specifieke uitkering verbinden, waarbij in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het vijfde lid.

Artikel 10

1. De minister verleent bij een besluit tot verlening van een specifieke uitkering een voorschot ter hoogte van het totaalbedrag van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b.

2. Een voorschot als bedoeld in het eerste lid wordt met ingang van 2024 in jaarlijkse termijnen uitgekeerd, waarbij met uitzondering van de eerste termijn de jaarlijks termijnen € 25 miljoen bedragen totdat het volledige voorschot is uitgekeerd.

3. In het geval het voorschot als bedoeld in het eerste lid meer dan € 100 miljoen bedraagt, wordt, in afwijking van het tweede lid, het voorschot met ingang van 2024 in vijf jaarlijkse termijnen uitgekeerd, waarbij de eerste vier termijnen € 25 miljoen bedragen.

3. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, en de termijnen, bedoeld in het tweede lid en derde lid, worden voor zover deze nog niet zijn uitgekeerd jaarlijks op 1 oktober geïndexeerd overeenkomstig de door de Minister van Financiën uitgekeerde Index Bruto Overheidsinvesteringen.

4. De minister kan de uitkering van het voorschot geheel of gedeeltelijk opschorten indien niet wordt voldaan aan de bij deze regeling of bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering gestelde verplichtingen.

Artikel 11

1. De minister kan het besluit tot verlening van de specifieke uitkering op aanvraag van de ontvanger wijzigen. De minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

2.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op:

a. a. een situatie als bedoeld in artikel 9, zesde lid; of b. b. een wijziging van een mobiliteitsmaatregel waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt.

3. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 9, zesde lid, kan de minister, mits er sprake is van bijzondere omstandigheden, bij een besluit tot wijziging van het besluit tot verlening van een specifieke uitkering bepalen dat de realisatie van de woningen op de betreffende woningbouwlocatie of de realisatie van de mobiliteitsmaatregelen uiterlijk wordt gestart of afgerond op een ander moment dan genoemd in artikel 9, derde en vierde lid.

4. Een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan afwijken van een mobiliteitsmaatregel, genoemd in de bijlage, mits dezelfde woningbouwlocatie wordt ontsloten en de mobiliteitsmaatregel eenzelfde type mobiliteitsmaatregel is als waarvoor eerder de specifieke uitkering is verleend. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel b, kan uiterlijk worden ingediend tot de start van de realisatie van de mobiliteitsmaatregel waarop het oorspronkelijke besluit ziet.

5. In geval dat een aanvraag als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op de woningbouwlocatie Amsterdam Zuidoost of Amersfoort Spoor- en A1-zone kan een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, afwijken van het type mobiliteitsmaatregel, genoemd in de bijlage. De tweede volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

6. Het bedrag van een gewijzigde specifieke uitkering is niet hoger dan het bedrag van de oorspronkelijke specifiek uitkering.

7. Het percentage van het bedrag van de specifieke uitkering in het voorziene resterende financiële tekort per woningbouwlocatie is in het gewijzigde besluit niet hoger dan in het oorspronkelijke besluit.

Artikel 12

De verantwoording van de ontvanger over de besteding van de specifieke uitkering vindt plaats op de wijze die is bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 13

1. De minister stelt de specifieke uitkering ambtshalve vast uiterlijk 31 december van het jaar waarop de laatste verantwoording overeenkomstig artikel 12 heeft plaatsgevonden.

2. De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 12, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 9, derde tot en met vijfde en negende lid, of artikel 11, derde lid. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per mobiliteitsmaatregel.

3.

Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:

a. a. het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering; b. b. het uitgekeerde voorschot; c. c. indien van toepassing, het terug te vorderen bedrag.

4. In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke mobiliteitsmaatregel de vaststelling ziet.

5. De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan de bij of krachtens deze regeling gestelde verplichtingen.

6. Indien uit de verantwoording blijkt dat het resterende financiële tekort per woningbouwlocatie lager is dan het voorziene resterende financiële tekort, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel f, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel g, van het resterende financiële tekort.

Artikel 13a

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing daarvan gelet op het belang bedoeld in artikel 2 zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 14

In afwijking van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht publiceert de minister uiterlijk 1 september 2031 en 1 september 2036 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 15

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de kalendermaand na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 30 september 2036, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verstrekt.

Artikel 16

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw.

Bijlage . bij de Tijdelijke regeling specifieke uitkering mobiliteitspakketten ten behoeve van woningbouw