40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke rio-regeling | BWBR0015233 | ministeriele-regeling | geldend | 2003-06-22 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0015233 | Tijdelijke rio-regeling |
Tijdelijke rio-regeling
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*indicatiebesluit:* een besluit als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
b. b.
*indicatieorgaan:* een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
c. c.
*de Minister:* de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
d. d.
*uitkering:* een uitkering als bedoeld in artikel 2;
e. e.
*zorgvrager:* degene ten behoeve van wie een indicatiebesluit is aangevraagd.
Artikel 2
1. De Minister kan een in bijlage 1 genoemde gemeente voor de periode van 1 april 2003 tot en met 31 december 2003 een uitkering verstrekken ten behoeve van aanvullende financiering van het indicatieorgaan in wiens werkgebied zij ligt.
2.
De uitkering wordt verstrekt voor de volgende activiteiten van het indicatieorgaan:
a. a. het door middel van inzet van extra personeel of apparatuur voorkomen dat de invoering van indicatie naar functiegerichte zorgaanspraken tot langere wachtlijsten of langere beslistermijnen leidt; b. b. het indiceren van personen met een psychiatrische aandoening.
3. Voor de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde activiteiten wordt een uitkering verstrekt van ten hoogste het in bijlage 1 bij deze regeling voor de betrokken gemeente in de tweede kolom bepaalde bedrag.
4.
Voor de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde activiteiten wordt per gegeven indicatiebesluit een van de volgende bedragen uitgekeerd:
a. a. indien de aanvraag conform artikel 9, eerste lid, van het Zorgindicatiebesluit door een team van deskundigen is onderzocht maar geen advies is gegeven door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 9a van het Zorgindicatiebesluit: € 373; b. b. indien de zorgvrager of zijn wettelijk vertegenwoordiger voor een persoonlijk vraaggesprek moest worden bezocht, maar de aanvraag niet door een team van deskundigen hoefde te worden onderzocht: € 125; c. c. indien na het in behandeling nemen van de aanvraag informatie van derden, niet zijnde de zorgvrager, zijn wettelijke vertegenwoordiger of de rechtspersoon, bedoeld in artikel 9a van het Zorgindicatiebesluit, over de zorgvrager moest worden bestudeerd, maar noch een bezoek aan hem of zijn wettelijk vertegenwoordiger noodzakelijk was, noch een onderzoek door een team van deskundigen: € 75; d. d. in alle andere gevallen: € 30.
5. In afwijking van het vierde lid wordt geen bedrag verstrekt, indien het indicatieorgaan het nemen van het indicatiebesluit heeft gemandateerd aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 9a van het Zorgindicatiebesluit.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de uitkering mede verstrekt voor door het indicatieorgaan in het eerste kwartaal van 2003 onder eigen verantwoordelijkheid gegeven indicatieadviezen met betrekking tot langdurig zorgafhankelijken in de geestelijke gezondheidszorg. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
1. De uitkering wordt slechts verstrekt indien de gemeente deze voor 15 juli 2003 bij de Minister heeft aangevraagd.
2. Aan een gemeente die de uitkering tijdig heeft aangevraagd, verstrekt de Minister voor 1 augustus 2003 een voorschot ter hoogte van de som van de in bijlage 1, tweede en derde kolom, achter de desbetreffende gemeente genoemde bedragen.
3. De Minister geeft uiterlijk 15 augustus 2003 een beschikking omtrent verlening van de uitkering.
Artikel 4
1. Uiterlijk 1 september 2003 rapporteert een gemeente waaraan een uitkering is verleend de Minister hoeveel indicatiebesluiten als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen a, b, c respectievelijk d, in de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 augustus 2003 gegeven zijn.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde rapportage daartoe aanleiding geeft, verstrekt de Minister voor 1 oktober 2003 aan gemeenten die hieraan naar verwachting behoefte zullen hebben, een tweede voorschot voor de kosten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b.
Artikel 5
1.
Voor 1 maart 2004 legt een gemeente waaraan een uitkering is verleend, de Minister een verantwoording over waaruit blijkt:
a. a. in hoeverre de uitkering, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, tot en met 31 december 2003 is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is bestemd; b. b. hoeveel indicatiebesluiten als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdelen a, b, c respectievelijk d, in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 gegeven zijn en welke bedragen dientengevolge aan het indicatieorgaan betaald zijn of nog betaald zullen worden.
2. De verantwoording gaat vergezeld van een verslag waarin inzicht wordt gegeven in de aard, duur en omvang van de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a.
3. Indien de gemeente vaststelling van een uitkering van meer dan € 125 000 wenst, is de verantwoording voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4. De Minister kan voorwaarden stellen aan de inrichting van de verantwoording, het verslag en de verklaring.
Artikel 6
1. Een gemeente kan de bevoegdheid tot het verstrekken van uitkeringen aan indicatieorganen mandateren aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van het Zorgindicatiebesluit.
2. Een gemeente kan het opstellen van de rapportage, bedoeld in artikel 4, en van de verantwoording en het verslag, bedoeld in artikel 5, opdragen aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van het Zorgindicatiebesluit.
Artikel 7
1. De Minister stelt de uitkering vast binnen vier maanden na ontvangst van de verantwoording, doch voor 1 juli 2004.
2. Artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
3. De uitkering wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 2, derde en vierde lid.
4.
De uitkering kan in afwijking van het tweede lid lager worden vastgesteld indien:
a. a. niet is voldaan aan de aan de uitkering verbonden verplichtingen of voorwaarden; b. b. de uitkering niet of niet geheel is besteed aan de activiteiten, bedoeld in artikel 2; c. c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid.
5. Indien de verantwoording niet tijdig wordt ingediend, wordt de uitkering ambtshalve vastgesteld.
6. Te veel verstrekte voorschotten worden teruggevorderd.
Artikel 8
1. De gemeente waaraan een uitkering of een voorschot is verstrekt, verstrekt aan de door de Minister aangewezen ambtenaren of andere personen op hun verzoek alle bescheiden en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak.
2. Ook anderszins wordt zoveel mogelijk medewerking verleend teneinde de door Onze Minister aangewezen ambtenaren of andere personen in staat te stellen hun taak op een juiste wijze te vervullen.
3. De gemeente waaraan een uitkering of een voorschot is verstrekt, deelt de Minister omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beschikking met betrekking tot de uitkering onverwijld mede.
Artikel 9
De regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2005, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft op grond van deze regeling verstrekte uitkeringen of voorschotten.
Artikel 10
De regeling kan worden aangehaald als de Tijdelijke rio-regeling.