40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke subsidieregeling Belvedere | BWBR0011605 | ministeriele-regeling | geldend | 2000-09-07 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0011605 | Tijdelijke subsidieregeling Belvedere |
Tijdelijke subsidieregeling Belvedere
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
1. Subsidie voor een project, als bedoeld in artikel 1 wordt verstrekt met toepassing van deze regeling.
2. De minister kan, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van deze regeling afwijken, mits de beschikking waarbij een subsidie wordt verleend, de afwijking uitdrukkelijk vermeldt.
Artikel 3
1. Een project, als bedoeld in artikel 1 komt voor een subsidie in aanmerking, indien het naar het oordeel van de minister in voldoende mate bijdraagt aan het sterker richtinggevend laten zijn van de cultuurhistorie bij de ruimtelijke inrichting van Nederland.
2.
Een project draagt bij aan het in het eerste lid bedoelde doel, indien:
a. a. het project is gericht op een integrale benadering van dan wel een integrale visie op de cultuurhistorie; b. b. in het project sprake is van een koppeling tussen behoud en benutting van cultuurhistorische kwaliteit enerzijds en het creëren van nieuwe kwaliteit bij toekomstige ruimtelijke inrichtingsprocessen anderzijds; c. c. het project innovatief is en is gericht op voorbeeldwerking; d. d. in het project sprake is van betrokkenheid en inzet van overheid, particuliere organisaties en marktpartijen; e. e. het project bijdraagt aan een evenwichtige geografische en thematische spreiding van de te subsidiëren projecten over Nederland; f. f. indien het een regionaal of een lokaal project betreft: het project is gericht op de karakteristieken, de beleidskansen en de geldende beleidsstrategie van de Belvederegebieden; g. g. indien het een project Nieuwe Hollandse Waterlinie betreft: het project bijdraagt aan de integrale inrichtingsopgave van het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie door het creëren van voorbeeldwerking, het organiseren van communicatie en voorlichting en het stimuleren van duurzame functies.
Artikel 4
1.
Het subsidieplafond voor het jaar 2001 bedraagt voor:
a. a. themagerichte projecten: f 1 miljoen; b. b. regionale projecten: f 5 miljoen; c. c. lokale projecten: f 1,2 miljoen; d. d. stedelijke projecten: f 0,8 miljoen; e. e. projecten Nieuwe Hollandse Waterlinie: f 0,6 miljoen; f. f. kennisprojecten: f 0,6 miljoen; g. g. experimentele projecten: f 0,3 miljoen.
2. Indien een of meer van de subsidieplafonds, genoemd in het eerste lid, niet worden bereikt, kan de minister het resterende bedrag toevoegen aan een of meer van de overige subsidieplafonds.
Artikel 5
Geen subsidie wordt verleend:
a. a. voor projecten waarvan het op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, berekende subsidiebedrag lager is dan f 20.000,-; b. b. aan landbouwondernemingen; c. c. voorzover het aan de subsidieaanvrager te verlenen subsidiebedrag vermeerderd met het bedrag van subsidies die hem uit anderen hoofde worden verleend, voor een periode van drie jaar hoger is dan f 220.000,- en hij met winstoogmerk aan het economisch verkeer deelneemt.
Artikel 6
1. Een projectsubsidie bestaat uit een bedrag ten behoeve van een project, uitgevoerd overeenkomstig een goedgekeurd projectplan.
2. Het subsidiebedrag bestaat uit maximaal 75% van het totale begrote bedrag volgens het goedgekeurde projectplan.
3. Voor een themagericht project, een lokaal project, een stedelijk project, een project Nieuwe Hollandse Waterlinie, een kennisproject of een experimenteel project wordt maximaal f 150.000,- subsidie verleend.
4. Voor een regionaal project wordt maximaal f 500.000,- subsidie verleend.
Artikel 7
1. In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen wordt een aanvraag ingediend vóór 12 juni 2001.
2. Aanvragen worden ingediend bij het agentschap Centrale Financiën Instellingen, FTO/TPK (Belvedere), van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, postbus 606, 2700 ML Zoetermeer.
3. Een aanvraag wordt ingediend op een aanvraagformulier volgens het model dat is opgenomen in de bijlage die bij deze regeling behoort.
Artikel 8
1. Voor 1 november 2001 beslist de minister in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op de ingediende aanvragen.
2. Voordat de minister een beslissing neemt, laat hij zich over de ingediende aanvragen adviseren door de Adviescommissie, bedoeld in artikel 9.
Artikel 9
1. Er is een Adviescommissie Belvedere.
2. De Adviescommissie heeft tot taak de minister te adviseren of een aanvraag die op grond van deze regeling wordt ingediend, voor subsidie in aanmerking komt.
3. Indien een subsidieplafond, als genoemd in artikel 4, zou worden overschreden door verstrekking van subsidie voor alle, naar het oordeel van de Adviescommissie daarvoor in aanmerking komende aanvragen, adviseert de Adviescommissie bovendien op basis van de criteria van artikel 3, tweede lid, in welke volgorde die aanvragen voor toekenning in aanmerking komen.
Artikel 10
1. De Adviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, waaronder de voorzitter, van wie uit hoofde van hun deskundigheid een nuttige bijdrage aan de werkzaamheden van de Adviescommissie kan worden verwacht.
2. De voorzitter en de leden maken geen deel uit van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, of Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en zijn overigens niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de minister, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, of de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
3. De minister, in overeenstemming met de andere ministers genoemd in het tweede lid, benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de leden.
Artikel 11
1. Indien een lid van de Adviescommissie uit andere hoofde op enigerlei wijze betrokken is bij een aanvraag, neemt hij geen deel aan de beraadslagingen en advisering over die aanvraag door de Adviescommissie.
2. In het advies geeft de Adviescommissie de overwegingen weer die aan het advies ten grondslag liggen.
3. De Adviescommissie verstrekt aan de minister desgevraagd de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
4. De Adviescommissie kan zich doen bijstaan door andere personen, voorzover dat voor de vervulling van haar taak nodig is.
Artikel 12
De minister, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij dragen gezamenlijk zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van het secretariaat van de Adviescommissie en voor de kosten van de Adviescommissie.
Artikel 13
De rapportage omtrent de naleving van de subsidiebepalingen, bedoeld in artikel 36 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen, geschiedt overeenkomstig het als bijlage II bij deze regeling gevoegde Controleprotocol Projectsubsidies en met gebruikmaking van de in bijlage III bij deze regeling opgenomen modelaccountantsverklaring.
Artikel 14
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 15
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling Belvedere.
Bijlage I. Belvederesteden
Artikel
Appingedam
Groningen
Artikel
Bolsward
Dokkum
Franeker
Harlingen
Hindelopen
Leeuwarden
Sloten
Workum
IJlst
Sneek
Stavoren
Artikel
Assen
Artikel
Blokzijl
Deventer
Gramsbergen
Hasselt
Kampen
Oldenzaal
Ootmarsum
Vollenhove
Zwolle
Artikel
Arnhem
Batenburg
Bredevoort
Bronkhorst
Buren
Culemborg
Doesburg
Elburg
Harderwijk
Hattem
Nijmegen
Tiel
Zaltbommel
Zutphen
Artikel
Amersfoort
Oudewater
Utrecht
Wijk bij Duurstede
IJsselstein
Artikel
Alkmaar
Amsterdam
Edam
Enkhuizen
Haarlem
Hilversum
Hoorn
Medemblik
Monnickendam
Muiden
Naarden
Weesp
Zaanstad
Artikel
Ameide
Den Briel
Den Haag
Delft
Dordrecht
Geervliet
Goedereede
Gorinchem
Gouda
Heenvliet
Leiden
Maassluis
Middelharnis
Nieuwpoort
Rotterdam
Schiedam
Schoonhoven
Vianen
Voorburg
Artikel
Aardenburg
Domburg
St.-Anna ter Muiden
Brouwershaven
Goes
Hulst
St.-Maartensdijk
Middelburg
Tholen
Veere
Vlissingen
Zierikzee
Artikel
Bergen op Zoom
Breda
's-Hertogenbosch
Eindhoven
Grave
Geertruidenberg
Heusden
Megen
Oisterwijk
Ravenstein
Tilburg
Willemstad
Woudrichem
Artikel
Heerlen
Maastricht
Roermond
Sittard
Thorn
Valkenburg
Artikel 2
In het eerste lid van artikel 2 wordt tot uitdrukking gebracht dat de eveneens op het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen gebaseerde Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen niet van toepassing is. Zie ook artikel 3 van die regeling. Met name het uitgangspunt van gezamenlijkheid, zowel voor wat betreft de besluitvorming, als voor wat betreft de financiering, en het tijdelijke karakter rechtvaardigen in het onderhavige geval een `eigen' regeling.
Het tweede lid is ontleend aan artikel 2 van de hiervoor vermelde regeling.
Artikel 3
In het eerste lid van artikel 3 wordt in algemene zin aangegeven wat de bedoeling is van de onderhavige subsidieregeling. Zie ook het algemene deel van deze toelichting. Van belang daarbij is de algemene notie dat de regeling geen cultuurhistorische subsidieregeling pur sang is, maar bestemd is voor ruimtelijke inrichtingsvraagstukken waarbij cultuurhistorie een rol speelt.
In het tweede lid van artikel 3 wordt die bedoeling nader uitgewerkt. Elke aanvraag dient op enigerlei wijze (meer of minder) aan alle gestelde eisen te voldoen. De eisen zijn willekeurig, dat wil zeggen niet in volgorde van belangrijkheid, opgesomd. De mate waarin aan de eisen wordt voldaan, is van belang voor de vraag of de minister van oordeel is dat de aanvraag voldoende bijdraagt aan het doel van de regeling en is voorts van belang bij dreigende overschrijding van een subsidieplafond. In die situatie vallen de aanvragen die het minst aan de eisen voldoen, bij gebrek aan middelen af.
Uiteraard wordt geen subsidie verstrekt voor activiteiten die het reguliere werkterrein van de rijksoverheid of de lagere overheden betreffen. De subsidieregeling betreft een extra impuls. Subsidiëring van `reguliere' taken zou derhalve niet bijdragen tot het beoogde doel van deze regeling (zie in dat verband ook artikel 4, derde lid, onder a, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen). Subsidie wordt evenmin verstrekt indien onvoldoende aannemelijk is dat voor het project voldoende financiële middelen beschikbaar komen (artikel 4, derde lid, onder c, van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen).
-
Onderdeel a
Projecten dienen een integraal karakter te hebben. Hierbij gaat het om een integrale benadering vanuit de drie cultuurhistorische disciplines: archeologisch, historisch-(steden)bouwkundig en historisch-landschappelijk. Een project hoeft niet noodzakelijkerwijze op alle drie de disciplines te zijn gericht, maar er dient wel sprake te zijn van een integrale visie vanuit de cultuurhistorie. -
Projecten dienen een integraal karakter te hebben. Hierbij gaat het om een integrale benadering vanuit de drie cultuurhistorische disciplines: archeologisch, historisch-(steden)bouwkundig en historisch-landschappelijk. Een project hoeft niet noodzakelijkerwijze op alle drie de disciplines te zijn gericht, maar er dient wel sprake te zijn van een integrale visie vanuit de cultuurhistorie.
-
Onderdeel b Aandacht voor cultuurhistorie betekent een terugblik in het verleden; ruimtelijke inrichting vraagt een blik op de toekomst. Bij de beoordeling van de projecten wordt expliciet gekeken naar de wijze waarop deze aspecten aan elkaar worden gekoppeld.
-
Onderdeel c De extra impuls die met deze regeling wordt beoogd, richt zich niet op bestaande werkwijzen, maar is juist gericht op een vernieuwende aanpak. Projecten dienen om die reden zicht te bieden op nieuwe mogelijkheden en nieuwe ideeën over de omgang met cultuurhistorie binnen de ruimtelijke ordening. Projecten leveren belangwekkende informatie op. In de aanvraag dienen om die reden voldoende waarborgen te worden geboden voor verspreiding van de in het project te ontwikkelen kennis of inzichten.
-
Onderdeel d Behoud van het onroerend cultureel erfgoed is alleen mogelijk, indien tegelijkertijd zorg wordt gedragen voor voldoende ruimtelijke en economische `dragers' en door het cultuurhistorisch belang te koppelen aan andere belangen. Dit impliceert dat duurzaam behoud van het cultureel erfgoed niet een zorg voor de rijksoverheid alleen is, maar gestalte krijgt door gerichte samenwerking met andere overheden, marktpartijen, maatschappelijke organisaties en andere instellingen. Betrokkenheid van particuliere organisaties, profit en non-profit, is daarom bij de gebiedsgerichte ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit van groot belang. Het rijk verwacht van de initiatiefnemers van de gebiedsgerichte aanpak dat zij particuliere organisaties vroegtijdig en volwaardig betrekken bij deze projecten.
-
Onderdeel e Bij de toewijzing van de projecten wordt rekening gehouden met geografische en thematische spreiding. Concentratie van middelen in een bepaald deel van Nederland of bestemd voor een bepaald onderwerp of thema is niet gewenst. Het beperkte budget kan breed worden ingezet door in Belvederegebieden en -steden zoveel mogelijk verschillende stimulerende activiteiten te financieren. Indien diverse projecten in een bepaalde streek worden uitgevoerd of een bepaald onderwerp betreffen, kunnen daarom omwille van de spreiding van het budget over een zo breed mogelijk (beleids)terrein projecten worden afgewezen.
-
Onderdeel f In de bijlage van de nota Belvedere worden de cultuurhistorische kwaliteit, de beleidskansen en voorgestelde beleidsstrategieën beschreven per Belvederegebied. Naarmate een project dichter aansluit bij hetgeen daar is beschreven, bestaat er meer kans dat de aanvraag wordt toegewezen. Deze eis geldt alleen voor de regionale en lokale projecten.
Artikel 4
Voor de verdeling van de beschikbare middelen in het jaar 2000 geldt een tenderprocedure, waarbij in geval van dreigende overschrijding van een subsidieplafond de meest geschikte aanvragen voor subsidie in aanmerking komen, oftewel de aanvragen die in hogere mate dan andere aanvragen voldoen aan de criteria van artikel 3, tweede lid.
Artikel 5
Ter voorkoming van versnippering van het bestaande budget is in artikel 5 een drempelbedrag geïntroduceerd.
Artikel 6
In het tweede lid is een maximum subsidiepercentage opgenomen, aangezien het gewenst is, dat ook andere partijen bij de projecten worden betrokken. Deze betrokkenheid moet onder meer blijken uit een financiële bijdrage.
Vanwege het beperkte budget en het karakter van een extra impuls is daarnaast een maximum subsidiebedrag per project vastgesteld. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen de categorie regionale projecten en de overige categorieën, omdat de verwachting is dat binnen de geselecteerde Belvederegebieden meerdere regionale projecten worden geïnitieerd.
Artikel 7
De termijn van het eerste lid moet worden beschouwd als een `fatale' termijn. Aanvragen die na dat tijdstip zullen worden ingediend, zullen in beginsel niet in behandeling worden genomen. Die strikte benadering is noodzakelijk in verband met de subsidieplafonds en de daarmee verband houdende tenderprocedure.
De strekking van het derde lid is, de behandeling van aanvragen soepeler te laten verlopen. Uiteraard zal worden onderzocht of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op juiste wijze door de aanvrager zijn gekwalificeerd.
Artikel 8
In het eerste lid van artikel 8 komt het interdepartementale karakter van `Belvedere' tot uitdrukking.
Inherent aan de voorgestelde tenderprocedure is, dat gelijktijdig wordt beslist op de ingediende aanvragen. Dat dient vóór 1 januari 2001 te gebeuren, omdat het wenselijk is dat het beschikbare budget nog in het jaar 2000 zal worden verplicht. De hiervoor weergegeven tenderprocedure vloeit voort uit artikel 5b van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen.
Artikel
Teneinde de ingediende aanvragen op een zorgvuldige wijze te beoordelen is een adviescommissie in het leven geroepen, die vanuit de specifieke deskundigheden van de leden zullen adviseren omtrent de te nemen subsidiebeslissingen. De commissie heeft een niet-ambtelijk karakter. De werkzaamheden van de adviescommissie dienen - in verband met de beslistermijn van1 januari 2001 - in het jaar 2000 te zijn afgerond.