rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-subsidieregeling-energiebesparing-huishoudens-met-lage-inkomens-2006/BWBR0019800
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke subsidieregeling energiebesparing huishoudens met lage inkomens 2006 BWBR0019800 ministeriele-regeling geldend 2006-04-30 https://wetten.overheid.nl/BWBR0019800 Tijdelijke subsidieregeling energiebesparing huishoudens met lage inkomens 2006

Tijdelijke subsidieregeling energiebesparing huishoudens met lage inkomens 2006

Artikel 1

1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; b. b. doelgroep: in Nederland wonende zelfstandige huishoudens die een besteedbaar huishoudensinkomen genieten in het eerste of tweede inkomensdeciel, bepaald aan de hand van het Regionaal Inkomensonderzoek 2004 van het Centraal Bureau voor de Statistiek, niet zijnde rechtspersonen.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan onder inkomensdeciel: groep van 10% van het totale aantal Nederlandse inkomens, uitgaande van een rangschikking van deze inkomens van laag naar hoog en verdeling daarvan in tien groepen van 10%.

Artikel 2

De minister kan subsidie verstrekken voor door de subsidieaanvrager uit te voeren projecten die beogen om de doelgroep te adviseren over en te ondersteunen bij energiebesparing binnen het huishouden, het treffen van eenvoudige energiebesparende voorzieningen daarbij inbegrepen.

Artikel 3

1. Bij de subsidieverlening worden aanvragen gelijktijdig beoordeeld op basis van de geschiktheid van de projecten om bij te dragen aan de doelstelling van deze regeling. De minister verdeelt het voor een bepaald jaar beschikbaar gestelde subsidiebedrag in de volgorde van geschiktheid.

2.

De mate waarin een project geschikt is om bij te dragen aan de doelstelling van deze regeling wordt bepaald aan de hand van:

a. a. de slaagkans van het project; b. b. het belang van het project voor de vermindering van de uitstoot van CO_2; c. c. de mate waarin aannemelijk is dat met het project een zo groot mogelijk deel van de doelgroep wordt bereikt, met dien verstande dat aannemelijk dient te zijn dat ten minste 50% van het totaal aantal huishoudens dat met het project wordt bereikt behoort tot de doelgroep; d. d. de mate waarin binnen het project aandacht wordt besteed aan een gezond en veilig binnenklimaat; e. e. de mate waarin en de wijze waarop wordt samengewerkt met andere partijen; f. f. de mate waarin in het project evenwichtig aandacht wordt besteed aan het verstrekken van adviezen over energiebesparing, het bevorderen van het treffen van eenvoudige energiebesparende voorzieningen en het ondersteunen van de doelgroep bij deelname aan andere regelingen gericht op energiebesparing; g. g. de kosteneffectiviteit van het project, uitgedrukt in ton vermindering van de uitstoot van CO_2 die naar verwachting per euro aangevraagde subsidie zal worden gerealiseerd; h. h. de mate waarin de aanvrager of andere betrokken partijen, niet zijnde de doelgroep, zelf de kosten van het project dragen; i. i. de mate waarin het project een innovatief karakter heeft.

Artikel 4

1.

Als subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de subsidieaanvrager in de bij de subsidieverlening vermelde periode gemaakte en betaalde:

a. a. loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van de betrokken medewerkers, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige betrekking, gedeeld door 1600, met een maximum uurloon van € 110, inclusief BTW; b. b. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen; c. c. kosten van aanschaf van eenvoudige energiebesparende voorzieningen; d. d. aan derden verschuldigde kosten ter zake van door hen verleende diensten; e. e. reis- en verblijfkosten, tot een maximum van 10% van de kosten van het project; f. f. algemene kosten, tot een maximum van 40% van de loonkosten, bedoeld onder a; g. g. kosten van de in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, bedoelde controle, tot een maximum van acht uren en een maximum uurtarief van € 110, inclusief omzetbelasting.

2. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, kan de minister daarvoor een redelijk bedrag vaststellen, dat als subsidiabele kosten mede in aanmerking wordt genomen.

3. Kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

4. Kosten van de verkrijging of het gebruik van meubilair, hulpmiddelen of apparatuur voor kantoorinrichting of kantoorinventaris zijn geen subsidiabele kosten.

Artikel 5

1.

Onverminderd artikel 6 van het Besluit milieusubsidies wordt de hoogte van de subsidie bepaald met inachtneming van:

a. a. het gedeelte van de projectkosten dat door de aanvrager of andere betrokken partijen, niet zijnde de doelgroep, zelf wordt gedragen; b. b. de mate waarin ter zake van het project een andere subsidie of vermindering van belasting kan worden verkregen en c. c. de mate waarin de aanvrager of andere betrokken partijen, niet zijnde de doelgroep, een eigen belang bij de uitvoering van het project heeft, respectievelijk hebben, te bepalen aan de hand van de door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecontroleerde geschatte waarde van profijt ten gevolge van goodwill en omzetstijging, in verband met welke controle, met inachtneming van het in bijlage I opgenomen protocol, een verklaring wordt opgesteld die bij de aanvraag tot subsidieverlening wordt gevoegd.

2. De subsidie per project bedraagt niet meer dan de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 250.000,.

Artikel 6

Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2006 bedraagt € 2.000.000,.

Artikel 7

1. Een project dient aan te vangen na de datum van de beschikking tot subsidieverlening en te zijn afgerond uiterlijk twee jaar na die datum.

2. De subsidieontvanger kan de minister onder opgave van redenen verzoeken hem van de in het eerste lid bedoelde termijn ontheffing te verlenen. Een ontheffing kan uitsluitend worden verleend indien sprake is van omstandigheden die voor de subsidieontvanger ten tijde van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening redelijkerwijs niet voorzienbaar waren.

Artikel 8

1. Een aanvraag tot subsidieverlening kan met ingang van 1 mei 2006 tot 1 augustus 2006 worden ingediend. De aanvraag kan worden ingediend door natuurlijke personen of rechtspersonen.

2. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt gericht aan de minister en ingediend bij SenterNovem. De aanvraag wordt ingericht overeenkomstig het daarvoor in bijlage II opgenomen model.

Artikel 9

De tussentijdse rapportage, bedoeld in artikel 13 van het Besluit milieusubsidies, wordt ingediend telkens na verloop van één jaar, gerekend vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening. De tussentijdse rapportage wordt ingericht overeenkomstig het daarvoor in bijlage III opgenomen model.

Artikel 10

1. De in artikel 14, eerste lid, van het Besluit milieusubsidies genoemde termijnen voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling gaan in na het tijdstip waarop het project met inachtneming van artikel 7, eerste of tweede lid, is voltooid.

2. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt gericht aan de minister en ingediend bij SenterNovem. De aanvraag wordt ingericht overeenkomstig het daarvoor in bijlage IV opgenomen model.

3. Indien ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit milieusubsidies bij de aanvraag tot subsidievaststelling een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt gevoegd, wordt deze verklaring opgesteld met inachtneming van het daarvoor in bijlage V opgenomen protocol.

Artikel 11

1. Er is een Adviescommissie Tender energiebesparing huishoudens met lage inkomens, die tot taak heeft de minister te adviseren over aanvragen tot subsidieverlening.

2. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vier en ten hoogste acht andere leden.

3. De voorzitter en de leden worden benoemd door de minister voor een termijn van ten hoogste vier jaar. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

4. De commissie stelt haar werkwijze vast.

5. Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op een aanvraag.

6. De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.

7. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

8. In het secretariaat van de commissie wordt voorzien door SenterNovem.

9. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij SenterNovem. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeslagen in het archief van SenterNovem.

Artikel 12

1.

Als personen als bedoeld in artikel 15.14 van de Wet milieubeheer worden aangewezen:

a. a. de inspecteur-generaal en de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio en de onder hen ressorterende ambtenaren, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen; b. b. de directeur van de sector Energie en Klimaat van SenterNovem en de onder hem ressorterende functionarissen, voorzover het vorderen van inlichtingen van de subsidieaanvrager binnen hun functieomschrijving valt.

2. Als personen als bedoeld in artikel 15.15 van de Wet milieubeheer worden aangewezen de directeur van de sector Energie en Klimaat van SenterNovem en de onder hem ressorterende functionarissen, voorzover het houden van toezicht op de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen binnen hun functieomschrijving valt.

Artikel 13

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2009, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidie die voor die datum is verleend.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling energiebesparing huishoudens met lage inkomens 2006.

Bijlage I. Prognose profijtverklaring inzake de Tijdelijke subsidieregeling energiebesparing huishoudens met lage inkomens 2006

Bijlage II. Tijdelijke subsidieregeling energiebesparing huishoudens met lage inkomens 2006

Bijlage III. Tijdelijke subsidieregeling energiebesparing huishoudens met lage inkomens 2006

Bijlage IV. Tijdelijke subsidieregeling energiebesparing huishoudens met lage inkomens 2006

Bijlage V. Controleprotocol accountantsverklaring inzake de Tijdelijke subsidieregeling energiebesparing huishoudens met lage inkomens 2006