rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-subsidieregeling-jeugdhulpverlening/BWBR0004256
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening BWBR0004256 ministeriele-regeling geldend 1988-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0004256 Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening

Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening

Hoofdstuk I. Algemeen

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij deze regeling bepaalde wordt verstaan onder:

Artikel 2

Een voorziening komt slechts voor subsidie in aanmerking indien de uitvoerder:

a. a. een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is, zijn zetel heeft in Nederland en noch direct noch indirect beoogt winst te maken; b. b. aannemelijk heeft gemaakt dat hem met inbegrip van het subsidie, voldoende financiële middelen ter beschikking zullen staan om de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren; c. c. een zodanige werkwijze toepast dat redelijkerwijs mag worden verwacht dat de doelen waarvoor het subsidie wordt verleend kunnen worden bereikt; d. d. ook overigens voldoet aan het in deze regeling bepaalde.

Artikel 3

1. Subsidie wordt slechts verleend indien de voorziening voldoet aan de eisen die met betrekking tot de kwaliteit ten aanzien van de desbetreffende categorie van voorzieningen zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

2. Subsidie wordt ten behoeve van een jeugdige slechts verleend indien degene die op grond van het Bijdragebesluit jeugdhulpverlening bijdrageplichtig is, zich heeft verbonden tot het betalen van een met toepassing van dat besluit berekende bijdrage, tenzij ontheffing is verleend van de voorwaarde een ondertekend ouderbijdrageformulier in te zenden.

3. Subsidie wordt ten behoeve van een minderjarige jeugdige niet verleend indien diens wettelijke vertegenwoordiger schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de hulpverlening, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.

4. Indien het betreft hulpverlening in een voorziening van residentiële hulpverlening aan een jeugdige die door een raad voor de kinderbescherming daar is geplaatst ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van de ouderlijke macht of van de voogdij, wordt het subsidie gedurende ten hoogste drie maanden verstrekt.

Artikel 4

Subsidie wordt slechts verleend voorzover de wetgever de nodige gelden heeft toegestaan.

Hoofdstuk II. Grondslag voor de vaststelling van het exploitatiesubsidie

Artikel 5

1. Het subsidie ten behoeve van een voorziening, behorend tot een categorie opgenomen in onderdeel A van de bij deze regeling behorende bijlage 2 bestaat, onverminderd het bepaalde in artikel 12 uit het bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal subsidiabel gestelde eenheden als omschreven in die bijlage met het voor de desbetreffende eenheid overeenkomstig die bijlage vastgestelde normbedrag.

2. Ten aanzien van voorzieningen, behorend tot een categorie opgenomen in onderdeel B van de bij deze regeling behorende bijlage 2, bestaat, onverminderd het bepaalde in artikel 12 het subsidie uit de som van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten van huisvesting tot een door de minister vastgesteld maximum en een bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal subsidiabel gestelde eenheden als omschreven in die bijlage met het voor de desbetreffende eenheid overeenkomstig die bijlage vastgestelde normbedrag.

3. De minister kan in bijzondere gevallen bepalen dat het subsidie in afwijking van het eerste en tweede lid wordt verleend in de werkelijk gemaakte subsidiabel gestelde kosten tot een daarbij aan te geven maximum. Daarbij kan worden bepaald op welke wijze er voor welke doeleinden aan te wijzen vermogensbestanddelen bij de vaststelling van het subsidie in aanmerking worden genomen.

Artikel 6

1. Het subsidie wordt vóór 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar, waarop de aanvrage betrekking heeft, door de uitvoerder bij de minister aangevraagd door indiening van een begroting van baten en lasten met toelichting en een beleidsplan volgens een door de minister vast te stellen model.

2. De begroting geeft inzicht in aard, omvang, baten en lasten van de voorziening en van de totale baten en lasten van de uitvoerder. Zij is gebaseerd op de beslissing, bedoeld in artikel 7, met betrekking tot het lopende kalenderjaar, waarbij rekening wordt gehouden met de door de minister aangekondigde algemene of specifieke beleidswijzigingen.

3. Het beleidsplan geeft inzicht in de activiteiten die de voorziening in het desbetreffende jaar voornemens is te verrichten en bevat een globale beschrijving van de te hanteren werkwijze.

4.

Indien voor een voorziening voor de eerste maal subsidie wordt aangevraagd dient de uitvoerder, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, vóór 1 april van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft bij de minister in:

a. a. een gewaarmerkt afschrift van de oprichtingsakte of de statuten; b. b. een bewijs van inschrijving van de uitvoerder in het desbetreffende openbare register van de Kamer van Koophandel; c. c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de aanvrager.

5. Wijzigingen in de in het vierde lid, onder a en b, bedoelde gegevens worden terstond aan de minister overgelegd.

Artikel 7

1. De beslissing op een aanvraag wordt vóór 1 januari van het jaar waarvoor het subsidie is aangevraagd schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld.

2. De beslissing vermeldt het ten behoeve van de voorziening maximaal beschikbare subsidie voor het desbetreffende kalenderjaar.

3. In de gevallen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, vermeldt de beslissing bovendien de taak en functie waarvoor subsidie wordt verleend, het werkgebied, het aantal subsidiabel gestelde eenheden en in voorkomende gevallen de maximaal subsidiabel gestelde kosten van huisvesting.

Artikel 8

1. Op het subsidie kunnen voorschotten worden verleend. Een op het subsidie verleend voorschot wordt slechts besteed voor kosten die direct verband houden met de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor het subsidie wordt verleend.

2. Uit subsidiëring ontstane reserves worden slechts besteed voor kosten die direct verband houden met de uitvoering van activiteiten die bijdragen tot de realisering van de doelstelling van de voorziening waarvoor deze wordt gesubsidieerd, en die niet bestreden kunnen worden uit het voor het desbetreffende jaar toegezegde subsidie.

Artikel 9

1. Vóór 1 april van het jaar volgend op dat waarvoor een subsidie is toegezegd, zendt de uitvoerder aan de minister een jaarrekening en een verslag van de werkzaamheden over het voorafgaande jaar in volgens een door de minister vast te stellen model

2. Onder jaarrekening worden verstaan de balans en de exploitatierekening, alsmede de toelichting op deze stukken.

3. De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten op het einde van het boekjaar weer. De historische aanschafprijzen van onroerende goederen en overige duurzame goederen, alsmede de kosten van verbouwing van deze goederen worden in de toelichting op de balans opgenomen. De afschrijvingen, bestemmingsgiften en ontvangen subsidies met betrekking tot deze posten komen in de toelichting op de balans tot uitdrukking. Jaarlijks wordt voor groot onderhoud niet meer gereserveerd dan 3% van het subsidie van het desbetreffende jaar. De reserve groot onderhoud gaat een maximum van 15% van het subsidie van het desbetreffende jaar niet te boven. Subsidie-overschotten worden als risicoreserve in de balans opgenomen.

4. De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het resultaat van het boekjaar en zijn afleiding uit de posten van baten en lasten weer. Op onroerende goederen, verbouwing, inventarisgoederen en overige duurzame activa met een historische aanschaffingsprijs van meer dan duizend gulden wordt afgeschreven volgens de lineaire methode. De afschrijving is gebaseerd op de historische aanschaffingsprijs, nadat daarop ontvangen bestemmingsgiften en investeringssubsidies in mindering zijn gebracht. De afschrijving wordt voor onroerende goederen gespreid over veertig jaren, voor verbouwingen en overige duurzame activa over tien jaren en voor inventarisgoederen en vervoermiddelen over vijf jaren.

5. Bij de samenstelling van de jaarrekening wordt een bestendige gedragslijn gevolgd. De jaarrekening sluit aan op de ingediende begroting. Bij iedere post van de jaarrekening wordt zoveel mogelijk het bedrag van het voorafgaande boekjaar vermeld. In de toelichting worden de waarderingsgrondslagen van actief- en passiefposten vermeld. De jaarrekening bevat tevens bezettings- en plaatsingsgegevens.

Artikel 10

1. De jaarrekening is voorzien van een verklaring van getrouwheid als bedoeld in artikel 70a van de Wet op de Registeraccountants (Stb. 1962, 258).

2. Indien de voor een boekjaar begrote exploitatielasten minder dan f 600 000 bedragen en het totaal van de toegezegde subsidies met betrekking tot dat jaar minder dan f 300 000 bedraagt, kan worden volstaan met een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder e, van de Wet op de Accountants-administratieconsulenten. (Stb. 1972, 748)

3. De registeraccountant en de accountants-administratieconsulent rapporteren tevens omtrent de naleving van de voorschriften die aan het verlenen van het subsidie zijn verbonden.

4. Indien de voor het boekjaar begrote exploitatielasten minder dan f 100 000 bedragen en het totaal van de toegezegde subsidies met betrekking tot dat jaar minder dan f 50 000 bedraagt, zijn het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing.

Artikel 11

Het verslag van de werkzaamheden geeft een duidelijk inzicht in de aard en de omvang van de werkzaamheden die in het desbetreffende boekjaar zijn verricht. De verrichte werkzaamheden worden vergeleken met de voorgenomen werkzaamheden die in de begroting en het beleidsplan tot uitdrukking zijn gebracht.

Artikel 12

1. Na ontvangst van de bescheiden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt het subsidie, met inachtneming van beslissingen als bedoeld in artikel 7, vastgesteld overeenkomstig artikel 5 en schriftelijk aan de uitvoerder medegedeeld.

2. In de gevallen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, en artikel 20, eerste lid kan het niet uitgegeven gedeelte van het subsidie worden toegevoegd aan de risicoreserve. Het maximum van deze uit subsidie ontstane reserve, mag 5% van subsidie voor het desbetreffende jaar tot een bedrag van f 500 000 niet te boven gaan.

3.

Bij de vaststelling van het subsidie worden bij een onderbezetting van meer dan 10% de variabele kosten voortvloeiend uit die onderbezetting in mindering gebracht. De variabele kosten voortvloeiend uit onderbezetting worden gesteld op een percentage van het subsidie, dit percentage wordt gesteld op:

capaciteit × 50% , met een maximum
100

van 50% van het subsidie.

4. Indien blijkt dat voorschotten zijn besteed in strijd met deze regeling, wordt het subsidie verminderd met het desbetreffende bedrag.

5. Indien blijkt dat het subsidie tengevolge van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens is vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan wanneer het zou zijn vastgesteld op grond van juiste en volledige gegevens wordt het subsidie opnieuw vastgesteld.

6. De uitvoerder stort teveel ontvangen voorschotten of subsidie terstond terug, tenzij verrekening op andere wijze geschiedt.

Artikel 13

Een beslissing tot beëindiging of vermindering van het subsidie, anders dan in verband met beleidswijzigingen, wordt slechts genomen nadat de uitvoerder in de gelegenheid is gesteld terzake te worden gehoord.

Hoofdstuk IIa. Subsidie jongeren bouwen voor jongeren

Artikel 13a

Ten behoeve van een voorziening kan een investeringssubsidie worden verleend in de kosten van de bouw of verbouw van een accommodatie, volgens het in dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 13b

Een subsidie als bedoeld in artikel 13a wordt slechts verleend indien:

a. a. de bij de bouw of verbouw werkzame arbeidskrachten ten minste voor de helft bestaan uit voordien werkloze jongeren beneden de leeftijd van 25 jaar; b. b. bij de aanstelling van werkloze jongeren voorrang wordt verleend aan jongeren met een kwetsbare arbeidsmarktpositie, waartoe worden gerekend:

      1.
      jongeren met een onafgemaakte opleiding in het voortgezet onderwijs;
    
    
      2.
      jongeren uit etnische minderheden;
    
    
      3.
      laaggeschoolde meisjes;
    
    
      4.
      jongeren die hebben deelgenomen aan het jeugdwerkgarantieplan;
    1. jongeren met een onafgemaakte opleiding in het voortgezet onderwijs;
      
    1. jongeren uit etnische minderheden;
      
    1. laaggeschoolde meisjes;
      
    1. jongeren die hebben deelgenomen aan het jeugdwerkgarantieplan;
      

c. c. de selectie van de werkloze jongeren geschiedt met inschakeling van de Gewestelijke Arbeidsbureaus; d. d. met de werkloze jongeren een leerovereenkomst wordt aangegaan als bedoeld in artikel 7 van de Wet op het leerlingwezen; e. e. het werk wordt uitgevoerd na openbare aanbesteding; f. f. de desbetreffende accommodatie doorlopend ter beschikking staan van de voorziening; g. g. wanneer het een gehuurde accommodatie betreft, de huurovereenkomst op het moment van subsidieverlening een resterende looptijd heeft van ten minste vijf jaar.

Artikel 13c

1. Het subsidie bedoeld in artikel 13a, bestaat uit de kosten van de bouw of verbouw. Tot de kosten van verbouw worden tevens gerekend de aanschaffingskosten van de te verbouwen accommodatie.

2. Op de kosten van de bouw of verbouw wordt dat deel van het eigen vermogen van de uitvoerder van de voorziening in mindering gebracht, dat redelijkerwijs kan worden besteed aan de bestrijding van de kosten.

Artikel 13d

1. Een accommodatie ten behoeve waarvan een subsidie als bedoeld in artikel 13a is verleend, wordt gedurende 5 jaar niet aan zijn bestemming onttrokken.

2. Een subsidie als bedoeld in artikel 13a, die meer bedraagt dan f 150 000 wordt slechts verleend indien de accommodatie eigendom is van de uitvoerder.

3. Indien een uitvoerder aan wie een subsidie als bedoeld in het tweede lid is verleend, de desbetreffende accommodatie aan zijn bestemming onttrekt is hij aan het rijk, tot het bedrag van het subsidie als bedoeld in artikel 13a, een vergoeding verschuldigd overeenkomstig artikel 15, tweede lid.

4. Een uitvoerder aan wie een subsidie als bedoeld in het tweede lid is verleend, verleent tot het bedrag van het subsidie bedoeld in artikel 13a, ten behoeve van het rijk een hypotheek op de desbetreffende accommodatie, tot zekerheid van de betaling van een ingevolge het derde lid en een ingevolge artikel 15 verschuldigde vergoeding.

Artikel 13e

1. De minister doet jaarlijks voor 1 juli voorafgaand aan het jaar waarop de aanvragen betrekking hebben mededeling in de Staatscourant van de beleidsuitgangspunten, die bij de beoordeling van aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13a, voor het daaropvolgende jaar zullen worden gehanteerd.

2. Een subsidie als bedoeld in artikel 13a, wordt bij de minister aangevraagd vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. De aanvraag omvat een globaal plan van de bouw of verbouw en een kostenraming.

3. De minister beslist, de begeleidingscommissie gehoord, vóór 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft over de subsidiabiliteit van het bouw- of verbouwproject.

4. Een uitvoerder wiens bouw- of verbouwproject subsidiabel is verklaard zendt vóór 1 april een uitgewerkt plan van de bouw of verbouw en een uitgewerkte kostenraming aan de minister.

5. Op een subsidie-aanvraag wordt door de minister vóór 1 juni van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft beslist. De beslissing wordt schriftelijk aan de uitvoerder medegedeeld. Zij vermeldt het subsidiebedrag.

Artikel 13f

De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van de subsidieverlening als bedoeld in artikel 13a, van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III. Administratieve bepalingen

Artikel 14

1. De administratie wordt op overzichtelijke wijze gevoerd en geeft een juist, volledig en actueel beeld van het functioneren van de voorziening.

2. Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar.

3. Voor alle ontvangsten en uitgaven zijn deugdelijke bewijsstukken aanwezig, waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen en verrichte diensten blijken.

4. De administratie wordt gedurende een termijn van tien jaar bewaard.

Artikel 15

1. Indien de subsidiëring heeft bijgedragen tot het verwerven van eigendommen of anderszins tot de vorming van vermogen, is de uitvoerder aan het Rijk een door de minister vast te stellen vergoeding verschuldigd bij vervreemding van eigendommen, bij beëindiging van de activiteiten, bij beëindiging van de subsidiëring en bij ontbinding van de uitvoerder. In voorkomende gevallen doet hij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister.

2.

Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt.

Indien het onroerend goed betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.

3. Indien de activiteiten van de uitvoerder met toestemming van de minister door een andere uitvoerder worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die andere uitvoerder in eigendom worden overgedragen, is de uitvoerder ter zake in afwijking van het eerste lid geen vergoeding verschuldigd.

Artikel 16

1. Een uitvoerder verzekert zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegenover derden voor een som van één miljoen gulden per gebeurtenis en per geval.

2. Een uitvoerder verzekert zijn onroerende goederen tegen brandschade naar herbouwwaarde en zijn roerende goederen tegen brandschade en diefstal.

Hoofdstuk IV. Bepalingen met betrekking tot de plaatsing

Artikel 17

1. Hulpverlening in een voorziening van residentiële, hulpverlening, met uitzondering van de medische kindertehuizen en de voorzieningen opgenomen in de bij deze regeling behorende lijst A, vindt slechts plaats, indien een erkende ambulante instelling niet langer dan twee maanden tevoren heeft vastgesteld dat die hulpverlening voor de betrokken jeugdige aangewezen is te achten. De hulpverlening geschiedt slechts gedurende de termijn, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de erkenningsregeling.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voortzetting van de hulpverlening aan de jeugdige na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn.

3. Het eerste en het tweede lid is niet van toepassing, indien het betreft hulpverlening aan een jeugdige ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening als bedoeld in het eerste lid, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.

4. In acute noodsituaties is het eerste lid niet van toepassing.

5. Hulpverlening in gevallen als bedoeld in het vierde lid geschiedt voor ten hoogste veertien dagen. Van de aanvang van de hulpverlening wordt, indien deze niet plaatsvond door tussenkomst van een erkende ambulante instelling, zo spoedig mogelijk onder opgave van redenen mededeling gedaan aan een erkende ambulante instelling. Van een zodanige plaatsing wordt onmiddellijk mededeling gedaan aan de minister.

Artikel 18

1. Een uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid, zendt tijdig vóór het verstrijken van de door de erkende ambulante instelling vastgestelde termijn, alsmede indien hij voornemens is de hulpverlening binnen die termijn te beëindigen, aan de erkende ambulante instelling door wiens tussenkomst de jeugdige is opgenomen, een beschrijving van de verleende hulp, onder vermelding van de resultaten ervan. De uitvoerder geeft daarbij gemotiveerd aan, of en zo ja, waarom hij voortzetting van de hulpverlening bij hem noodzakelijk acht.

2. Beëindiging van hulpverlening ten aanzien waarvan artikel 17, eerste of tweede lid, is toegepast vindt plaats uiterlijk twee weken nadat de erkende ambulante instelling heeft vastgesteld dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, voortzetting van de hulpverlening voor de jeugdige niet aangewezen is.

3. Indien een uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid, voornemens is de hulpverlening te beëindigen, anders dan na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de erkenningsregeling, doet hij hiervan tijdig mededeling aan de erkende ambulante instelling die tot (her)plaatsing heeft geïndiceerd. Deze mededeling gaat vergezeld van een beschrijving van de verleende hulp, onder vermelding van de resultaten daarvan. De uitvoerder geeft daarbij gemotiveerd aan of hij verdere hulpverlening voor de jeugdige noodzakelijk acht en zo ja in welke vorm.

4. Van beëindiging van de hulpverlening wordt door de uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid mededeling gedaan aan de erkende ambulante instelling die tot (her)plaatsing heeft geindiceerd.

Artikel 18a

Van de aanvang en de beëindiging van hulpverlening in een voorziening van residentiële hulpverlening wordt door de desbetreffende uitvoerder onmiddellijk mededeling gedaan aan de minister, door toezending van volledig ingevulde door de minister vastgestelde formulieren.

Artikel 19

Een uitvoerder van een voorziening van residentiële hulpverlening verleent op verzoek van degene die voor de plaatsing verantwoordelijk is, aan een jeugdige ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die tot plaatsing bij een voorziening van residentiële hulpverlening strekt of die haar noodzakelijk maakt, de desbetreffende hulp, tenzij hij voor de jeugdige geen plaats heeft.

Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20

1. Voorzover in bijlage 2 ten aanzien van een categorie van voorzieningen geen eenheden zijn omschreven en normbedragen zijn vastgesteld, wordt het subsidie in afwijking van artikel 5 vastgesteld op basis van het voor 1987 beschikbaar gestelde subsidie, gecorrigeerd in verband met algemene of bijzondere beleidswijzigingen.

2.

Indien het bedrag van een overeenkomstig artikel 5, eerste en tweede lid, vastgesteld subsidie voor een voorziening hoger onderscheidenlijk lager is dan het bedrag van het subsidie voor het jaar dat aan de eerste toepassing van artikel 5, eerste lid en tweede lid, voorafging, wordt het subsidie:

a. a. voor het eerste jaar verhoogd onderscheidenlijk verlaagd met 33^1/_3% van het verschil tussen de bedoelde bedragen; b. b. voor het tweede jaar verhoogd onderscheidenlijk verlaagd met 66^2/_3% van het verschil tussen de bedoelde bedragen.

3. In afwijking van artikel 5 en van het eerste lid wordt het subsidie voor het jaar 1989 ten behoeve van medische kindertehuizen en medische kleuterdagverblijven vastgesteld overeenkomstig de richtlijnen, zoals deze op 31 december 1988 op grond van de Wet tarieven gezondheidszorg gelden, eventueel gecorrigeerd in verband met algemene beleidswijzigingen.

Artikel 21

Aan ambtenaren van de Directie Jeugdbeleid en van de Accountantsdienst van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, alsmede aan andere door de minister aan te wijzen ambtenaren, worden door de uitvoerder alle inlichtingen verschaft, die nodig zijn voor een juiste vervulling van hun taak en voor een juiste uitvoering van deze regeling.

Artikel 22

De minister kan van deze regeling afwijken, indien daar dringende redenen voor zijn en stringente toepassing van deze regeling naar zijn oordeel tot kennelijke onbillijkheden zou leiden.

Artikel 23

Ten aanzien van een jeugdige die op 31 december 1987 in een voorziening van residentiële hulpverlening is geplaatst, is artikel 17, eerste lid, tot de dag waarop de plaatsing wordt beeindigd doch uiterlijk tot 1 januari 1990 niet van toepassing.

Artikel 24

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1988 en kan worden aangehaald als Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening.

Bijlage 1. Eisen met betrekking tot voorzieningen van residentiële hulpverlening

Bijlage 2. Onderdeel A

I Dagcentra voor schoolgaande jeugd

I Algemeen

De bedrijfseconomische minimumcapaciteit is vastgesteld op 10 plaatsen d.w.z. dat voor deze 10 plaatsen een vaste norm geldt ad. f 402 085 per jaar.

Voor elke plaats boven de 10 worden variabele kosten toegekend ad. f 28 518 per jaar. Voor elke plaats minder dan 10 worden de variabele kosten ad. f 28 518 per jaar in mindering gebracht of wordt per plaats een korting toegepast op de vaste norm van 10% per jaar. Indien de voorziening is gehuisvest in huurpanden, zal een korting plaatsvinden op de post onderhoudskosten gebouwen van 50%.

2.1 De normering van de personele kosten

De berekening van de in de norm opgenomen personele kosten is geschied op basis van een toegerekende standaardformatie per plaats per jaar.

De dagcentra hebben de mogelijkheid om verschuivingen in de standaardformatie aan te brengen. Binnen de standaardformatie zijn de volgende functies te onderscheiden:

2.1.1 hulpverlenende functies

2.1.2 niet-hulpverlenende functies

2.1.3 directiefunctionarissen

2.1.1 Voor wat betreft de hulpverlenende functies is de standaardformatie per verzorgingsjaar:

2.1.2 Voor wat betreft de niet-hulpverlenende functies is de standaardformatie per verzorgingsjaar:

2.1.3 Voor wat betreft de directiefunctionarissen is de standaardformatie:

Bijlage 3. Melding aanvang/beëindiging residentiële plaatsing als bedoeld in