40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026 | BWBR0052305 | ministeriele-regeling | geldend | 2026-02-20 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0052305 | Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026 |
Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- experimentele ontwikkeling: ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- grote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- Human Capital-activiteiten: activiteiten als bedoeld in bijlage 2;
- industrieel onderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- DS-JMDP: Digitale Samenwerking-Joint Maritime Digital Platform als bedoeld in bijlage 2;
- Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;
- kleine onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- Maritiem Masterplan: samengevat Maritiem Masterplan zoals opgenomen in bijlage 1;
- middelgrote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- Nederlandse onderneming: onderneming die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een hoofdvestiging of nevenvestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen k en l, van de Handelsregisterwet 2007, in Nederland;
- O&D-project: Onderzoek- en Demonstratieproject; samenhangend geheel van activiteiten van ontwerp, ontwikkeling, demonstratie en monitoring van een technologie aan boord van het schip, bestaande uit experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met industrieel onderzoek, door ten minste twee ondernemingen en daarnaast eventueel bestaande uit niet-economisch industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door één of meer onderzoeksorganisaties dat onafhankelijk wordt uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht, gericht op het verduurzamen en versterken van de maritieme sector;
- O&O&I-steunkader: Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414);
- onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader;
- RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Artikel 2
Deze regeling heeft als doel het stimuleren van onderzoek naar en demonstraties van duurzame energielijnen teneinde de maritieme sector te verduurzamen en te versterken.
Artikel 3
1. De minister kan aan een aanvrager subsidie verstrekken voor een O&D-project.
2. Een O&D-project bevat een samenhangend geheel van activiteiten die passen binnen de doelstellingen en kaders van het Maritiem Masterplan en valt onder een van de volgende energielijnen, als genoemd in bijlage 1.
3. Een O&D-project bestaat uit een fase ontwerpen en ontwikkelen en een fase demonstreren en monitoren.
Artikel 4
1. Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door een samenwerkingsverband.
2. De penvoerder van een samenwerkingsverband is een Nederlandse onderneming.
3. Een samenwerkingsverband bevat ten minste twee niet aan elkaar verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening.
4. Binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening verstrekt de aanvrager een overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld.
Artikel 5
1. Als subsidiabele kosten komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a tot en met e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
2. Onder artikel 25, derde lid, onderdeel e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening vallen ook meerkosten van brandstof voor methanol, waterstof, ammoniak en bio-ethanol, en kosten om voor de demonstratie noodzakelijke infrastructuur aan te leggen, voor zover die kosten rechtstreeks uit het project voortvloeien.
3.
Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven worden gehanteerd:
a. a. een berekening op basis van integrale kostensystematiek; b. b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of c. c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten.
Artikel 6
1. Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.
2. De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.
Artikel 7
1. Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, worden de directe loonkosten per uur vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.
2.
De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:
a. a. een vaste opslag voor indirecte kosten van 50 procent van de loonkosten; b. b. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; en c. c. aan derden betaalde kosten.
3. Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 80,– per uur.
Artikel 8
1. Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, wordt een uurtarief gehanteerd van € 80,– per uur.
2.
De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:
a. a. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; en b. b. aan derden betaalde kosten.
Artikel 9
1.
De subsidie bedraagt ten hoogste:
a. a. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek door een onderneming; b. b. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling door een onderneming; c. c. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economisch industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.
2.
De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, worden verhoogd met:
a. a. 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen; b. b. 15 procentpunten, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
3. Van de totaal verleende subsidie aan het project bestaat ten hoogste 15% uit subsidiëring van meerkosten methanol, waterstof, ammoniak en bio-ethanol en ten hoogste 10% uit subsidiëring van kosten om de voor demonstratie noodzakelijke infrastructuur aan te leggen.
4. Van de totaal verleende subsidie aan het project bestaat ten hoogste 20% uit niet-economisch industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.
5. De subsidie bedraagt ten hoogste € 8 miljoen per project.
6. De subsidie bedraagt per onderneming, of per groep verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening, ten hoogste 80% van de totaal verleende subsidie aan het project.
7. Ten minste 50% van de subsidiabele kosten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband wordt gemaakt door Nederlandse ondernemingen.
8. De subsidiabele kosten bedragen niet minder dan € 25.000,– per deelnemer aan het samenwerkingsverband.
Artikel 10
1.
Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2026 in totaal ten hoogste € 33,6 miljoen, met als specifiek subsidieplafond:
a. a. voor O&D-projecten waarvan de totaal aangevraagde subsidie minder dan € 4 miljoen bedraagt: € 12 miljoen; b. b. voor O&D-projecten waarvan de totaal aangevraagde subsidie € 4 miljoen of meer bedraagt: € 21,6 miljoen.
2. De minister verdeelt het beschikbare bedrag op basis van de volgorde van rangschikking van de aanvragen.
3. Indien twee of meer aanvragen op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen, wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.
4. Indien het beschikbare bedrag voor een van de in het eerste lid genoemde onderdelen na toepassing van het tweede lid niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag indien mogelijk toegekend aan het eerstvolgende project in de rangschikking binnen het andere onderdeel.
5. Er wordt slechts aan één project dat valt binnen de energielijnen ammoniak of bio-ethanol, bedoeld in bijlage 1, subsidie verleend.
Artikel 11
1.
De minister kent aan een O&D-project een hoger aantal punten toe naarmate:
a. a. het project meer toevoegt aan de huidige stand van de techniek; b. b. de aanpak voor het bewijzen van de effectiviteit en betrouwbaarheid van het energiesysteem beter is; c. c. de opschaalbaarheid en het verdienvermogen voor de strategische deelmarkten groter is; d. d. de ketensamenwerking en Nederlandse betrokkenheid groter is; e. e. de bijdrage van het project aan de samenwerking binnen het Maritiem Masterplan hoger is conform de beoordelingscriteria in bijlage 2, door:
i.
de bijdrage aan het DS-JMDP; en
ii.
de bijdrage aan human capital-activiteiten.
i. i. de bijdrage aan het DS-JMDP; en ii. ii. de bijdrage aan human capital-activiteiten.
2. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 20 punten toe.
Artikel 12
1. Er is een Adviescommissie O&D-projecten 2026, die tot taak heeft de minister te adviseren omtrent de rangschikking en toekenning van punten op basis van de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 11.
2. De commissie bestaat uit ten minste 3 en ten hoogste 5 leden.
3. De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste één jaar benoemd.
Artikel 13
De aanvraag voor subsidieverlening kan worden ingediend van 19 mei 2026, 9.00 uur tot en met 3 november 2026, 17.00 uur.
Artikel 14
1. Een aanvraag om subsidie heeft betrekking op één energielijn.
2. Een aanvrager dient de aanvraag bij de minister in door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
3.
Onverminderd artikel 10 van het Kaderbesluit bevat de aanvraag ten minste:
a. a. een projectplan, door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO; b. b. een gespecificeerde begroting, die een goed inzicht geeft in de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO; c. c. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 15
Onverminderd de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien:
a. a. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. b. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; c. c. de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor dat project is ingediend; d. d. er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij door dezelfde lidstaat toegekende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; e. e. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling van de algemene groepsvrijstellingsverordening; f. f. het aantal bij rangschikking toegekende punten in totaal minder is dan 70; g. g. het aantal bij rangschikking toegekende punten aan een van de criteria genoemd in artikel 11, eerste lid, onderdelen a tot en met d, minder is dan 10; h. h. het aantal bij rangschikking toegekende punten aan een van de subonderdelen genoemd in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, minder is dan 5; i. i. de subsidiabele kosten minder dan € 500.000,– per O&D-project bedragen; of j. j. al subsidie is verstrekt voor hetzelfde project op grond van de Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan.
Artikel 16
Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van de nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot verlening van een subsidie vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de Wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.
Artikel 17
1. Met de uitvoering van een O&D-project wordt gestart binnen 6 maanden na de subsidieverlening.
2. De maximale looptijd van het project is 6 jaar, waarvan maximaal 3 jaar voor de fase ontwerpen en ontwikkelen, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid.
3. Het O&D-project is uiterlijk op 31 juli 2033 afgerond.
Artikel 18
1.
Indien in het O&D-project niet-economisch industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie wordt verricht:
a. a. wordt voorafgaand aan de start van het O&D-project een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de deelnemers aan het O&D-project over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten; b. b. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie:
i.
uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking, als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van het O&O&I-steunkader, met ondernemingen; en
ii.
in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en
i. i. uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking, als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van het O&O&I-steunkader, met ondernemingen; en ii. ii. in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en c. c. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat:
i.
de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim kunnen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend;
ii.
uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of
iii.
het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.
i. i. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim kunnen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend; ii. ii. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of iii. iii. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.
2. Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel iii, in mindering worden gebracht.
3.
De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel iii, stemt overeen met de marktprijs indien:
a. a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure; b. b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs; c. c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding om, rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of d. d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen.
4. De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding.
Artikel 19
1. Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteiten.
2. De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het O&D-project jaarlijks een voortgangsrapportage over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan.
3. De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan na afloop van het project openbaar in een verslag dat naar het oordeel van de minister van voldoende kwaliteit is.
4. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
5. De informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld formulier dat wordt geplaatst op de website van RVO.
Artikel 20
1.
De minister verstrekt ambtshalve een voorschot, verdeeld over de volgende termijnen:
a. a. ten hoogste 15% bij de indiening van de samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 4, vierde lid; b. b. ten hoogste 50% op het moment dat de energielijn zoals die ingebouwd gaat worden op de werf arriveert; c. c. ten hoogste 15% bij de start van de monitoring.
2. De minister verstrekt het resterende bedrag bij de vaststelling van de subsidie.
Artikel 21
1. De aanvrager dient bij de minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.
2.
Onverminderd artikel 24 van het Kaderbesluit worden bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in elk geval de volgende gegevens verstrekt:
a. a. een omschrijving van de projectresultaten van het O&D-project; b. b. op welke wijze het O&D-project heeft bijgedragen aan het doel, bedoeld in artikel 2, en de energielijnen, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Artikel 22
De subsidie voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 3, bevat voor zover een O&D-project betrekking heeft op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 23
De minister publiceert uiterlijk op 1 februari 2031 een tussentijds verslag en uiterlijk op 31 december 2033 een eindverslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.
Artikel 24
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 februari 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.
Artikel 25
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026.