rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-subsidieregeling-maritieme-innovatie/BWBR0022143
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie BWBR0022143 ministeriele-regeling geldend 2007-06-30 https://wetten.overheid.nl/BWBR0022143 Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie

Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie

Paragraaf 1

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. MIB: de Maritime Innovation Board, het college van deskundigen uit de maritieme sector ten behoeve van het stimuleren van de innovatie in de zeescheepvaart, dat tevens een adviesrol heeft als bedoeld in de artikelen 3, tweede lid en 14, tweede lid; b. b. adviescommissie: de adviescommissie maritieme innovatie, bedoeld in artikel 9; c. c. zeescheepvaartonderneming: een in een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat gevestigde onderneming, waarvan de hoofdactiviteiten bestaan uit het transport van goederen of personen over zee; d. d. project: een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit:

      1°.
      industrieel onderzoek of preconcurrentiële ontwikkeling, of een combinatie van beide,
    
    
      2°.
      een haalbaarheidsstudie, of
    
    
      3°.
      kennisoverdracht;

1°. 1°. industrieel onderzoek of preconcurrentiële ontwikkeling, of een combinatie van beide, 2°. 2°. een haalbaarheidsstudie, of 3°. 3°. kennisoverdracht; e. e. industrieel onderzoek: het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen, competenties of diensten of om bestaande producten, processen, competenties of diensten aanmerkelijk te verbeteren; f. f. preconcurrentiële ontwikkeling: het omzetten van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schemas of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten; g. g. haalbaarheidsstudie: het tot stand brengen van een schriftelijk rapport, inhoudende een systematisch opgezette en afgeronde analyse, alsmede een inschatting van de technische en economische mogelijkheden van industrieel onderzoek of preconcurrentiële ontwikkeling; h. h. kennisoverdracht: het zonder commerciële doeleinden overdragen van kennis en informatie aan de zeescheepvaartsector; i. i. klein project: een project waarvan de subsidiabele kosten minder dan € 50.000 bedragen; j. j. groot project: een project waarvan de subsidiabele kosten € 50.000 of meer bedragen; k. k. kennisinstelling:

      1°.
      een in onderdeel a of b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs;
    
    
      2°.
      een andere dan in de onder 1° bedoelde onderzoeksinstelling die geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid is gefinancierd en die activiteiten verricht met als doel het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis;
    
    
      3°.
      een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs;
    
    
      4°.
      een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis;
    
    
      5°.
      een andere entiteit die door de Minister is aangewezen als kennisinstelling;

1°. 1°. een in onderdeel a of b van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs; 2°. 2°. een andere dan in de onder 1° bedoelde onderzoeksinstelling die geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid is gefinancierd en die activiteiten verricht met als doel het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis; 3°. 3°. een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde openbare instelling voor hoger onderwijs; 4°. 4°. een geheel of gedeeltelijk door een andere staat gefinancierde onderzoeksinstelling die activiteiten verricht met als doel het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis; 5°. 5°. een andere entiteit die door de Minister is aangewezen als kennisinstelling; l. l. samenwerkingsverband: samenwerkingsverband bestaande uit twee of meer zeescheepvaartondernemingen; m. m. penvoerder: door de in een samenwerkingsverband verenigde ondernemingen aangewezen rechtspersoon die namens dit samenwerkingsverband optreedt.

Artikel 2

1. De Minister kan op aanvraag subsidie verlenen aan een zeescheepvaartonderneming of aan een penvoerder ten behoeve van zijn samenwerkingsverband voor een project dat binnen de themas duurzaamheid, veiligheid of logistieke efficiëntie in de zeescheepvaart valt en gericht is op innovatie.

2. Een groot project heeft tevens betrekking op een onderwerp als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

Artikel 3

1. Voor grote projecten bepaalt de Minister jaarlijks voor welke onderwerpen binnen de themas, bedoeld in artikel 2, een subsidieaanvraag ingediend kan worden. Deze onderwerpen worden in de Staatscourant bekend gemaakt.

2. De MIB adviseert de Minister over de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, door middel van een door de MIB opgestelde strategische onderzoeksagenda.

Artikel 4

Indien ter zake van het project of een deel daarvan al eerder subsidie is verleend, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verleend dat de som van de subsidies niet groter is dan het bedrag dat op grond van deze regeling kan worden verleend.

Paragraaf 2

Artikel 5

1. De Minister stelt jaarlijks het subsidieplafond voor kleine en voor grote projecten vast en maakt dit bekend in de Staatscourant.

2. De Minister kan jaarlijks het subsidieplafond voor grote projecten verhogen met de tot 1 november van dat jaar onbenut gebleven middelen voor kleine projecten.

Artikel 6

1.

Subsidiabele projectkosten zijn uitsluitend:

a. a. de volgende noodzakelijke, rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de aanvrager na indiening van de subsidieaanvraag gemaakte kosten:

        1°.
        loonkosten van direct bij het project betrokken personeel uitgaande van een uurloon zoals weergegeven in de loonstaat ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011; het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
      
      
        2°.
        kosten van aanschaf van benodigde materialen en hulpmiddelen gebaseerd op historische aanschafprijzen;
      
      
        3°.
        kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur, die niet geheel voor het project zijn aangeschaft;
      
      
        4°.
        afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip gebruikelijke boekhoudkundige praktijk en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000;
      
      
        5°.
        kosten van machines en apparatuur, die geheel voor het project zijn aangeschaft;
      
      
        6°.
        aan derden verschuldigde kosten en kosten van gebruik van apparatuur bij kennisinstellingen en ondernemers;
      
      
        7°.
        kosten van octrooiaanvraag;
      
      
        8°.
        omzetbelasting indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen;

1°. 1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel uitgaande van een uurloon zoals weergegeven in de loonstaat ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011; het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar; 2°. 2°. kosten van aanschaf van benodigde materialen en hulpmiddelen gebaseerd op historische aanschafprijzen; 3°. 3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur, die niet geheel voor het project zijn aangeschaft; 4°. 4°. afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip gebruikelijke boekhoudkundige praktijk en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000; 5°. 5°. kosten van machines en apparatuur, die geheel voor het project zijn aangeschaft; 6°. 6°. aan derden verschuldigde kosten en kosten van gebruik van apparatuur bij kennisinstellingen en ondernemers; 7°. 7°. kosten van octrooiaanvraag; 8°. 8°. omzetbelasting indien de subsidieaanvrager de omzetbelasting niet kan verrekenen; b. b. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 25 procent van de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° bedoelde loonkosten.

2. De subsidieaanvrager kan bij de subsidieaanvraag een verzoek indienen om de berekening van de loonkosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en de algemene kosten te mogen vervangen door een in zijn organisatie gebruikelijke, controleerbare methodiek. Dat verzoek gaat vergezeld van het gebruikte kostenmodel, de berekeningswijze daarvan en een goedkeurende accountantsverklaring.

Artikel 7

De subsidie bedraagt:

a. a. voor een haalbaarheidsstudie maximaal 50 procent van de subsidiabele projectkosten; b. b. voor kennisoverdracht maximaal 80 procent van de subsidiabele projectkosten; c. c. voor industrieel onderzoek maximaal 50 procent van de subsidiabele projectkosten; d. d. voor preconcurrentiële ontwikkeling maximaal 25 procent van de subsidiabele projectkosten; e. e. voor een project dat bestaat uit zowel industrieel onderzoek als preconcurrentiële ontwikkeling maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten voor zover de werkzaamheden bestaan uit industrieel onderzoek en maximaal 25 procent voor zover de werkzaamheden bestaan uit preconcurrentiële ontwikkeling.

Artikel 8

De in artikel 7, onderdelen c tot en met e, genoemde maximumpercentages kunnen worden verhoogd met:

a. a. maximaal tien procent van de subsidiabele projectkosten, als het gaat om een aanvrager die een kleine of middelgrote onderneming is als bedoeld in verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10); b. b. maximaal vijftien procent van de subsidiabele projectkosten indien het project aansluit bij de doelstellingen van een project of een specifiek programma dat is opgesteld ingevolge het communautaire kaderprogramma op het gebied van onderzoek, technische ontwikkeling en demonstratie (PbEG L 400).

Paragraaf 3

Artikel 9

1. Er is een adviescommissie maritieme innovatie.

2. De adviescommissie bestaat uit vier leden, waaronder een voorzitter, die deskundig zijn op het terrein van de zeescheepvaart. Zij zijn niet werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

3. De leden worden door de Minister voor een termijn van ten hoogste vier jaren benoemd. De leden zijn een keer herbenoembaar.

4. De leden van de adviescommissie nemen niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien zij een persoonlijk belang hebben bij de ingediende aanvraag.

5. De adviescommissie stelt een reglement van orde op dat instemming van de Minister behoeft.

6. De Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de adviescommissie bij te wonen.

7. De adviescommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Het jaarverslag wordt aan de Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

8. De bescheiden van de adviescommissie worden na beëindiging van haar werkzaamheden opgeborgen in het archief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Paragraaf 4

Artikel 10

1. De aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend bij Agentschap NL, met gebruikmaking van het formulier dat daartoe verkrijgbaar is gesteld bij Agentschap NL.

2. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een begroting, alsmede van de andere in het formulier bedoelde bescheiden en gegevens.

Artikel 11

De Minister stelt voor grote projecten jaarlijks vast vanaf welke datum de aanvraag kan worden ingediend en op welke datum de aanvraag uiterlijk moet zijn ontvangen en doet daarvan mededeling in de Staatscourant. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is gesteld om de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvulling is ontvangen als datum van ontvangst van de aanvraag.

Artikel 12

Een aanvraag voor een klein project moet uiterlijk 31 oktober van het desbetreffende jaar zijn ontvangen. In 2011 moet de aanvraag uiterlijk op 31 maart zijn ontvangen.

Artikel 13

De aanvraag wordt geweigerd indien:

a. a. het een klein project betreft dat niet past binnen een thema, als bedoeld in artikel 2; b. b. het een groot project betreft dat geen betrekking heeft op een van de onderwerpen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, voor het desbetreffende jaar; c. c. de Minister het niet aannemelijk acht dat het project op 1 juli 2012 is afgerond.

Paragraaf 5

Artikel 14

1. De Minister wint over de ingediende aanvragen tot subsidieverlening voor grote projecten advies in van de MIB en van de adviescommissie.

2. De MIB brengt binnen twee weken na dagtekening van het verzoek om advies schriftelijk advies uit aan de Minister over de mate waarin het project kan rekenen op draagvlak binnen de Nederlandse zeescheepvaartsector.

3. De adviescommissie brengt binnen een termijn van zes weken na dagtekening van het verzoek om advies schriftelijk advies uit aan de Minister.

Artikel 15

1.

De adviescommissie geeft aan de Minister een negatief advies:

a. a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het project; b. b. indien blijkt dat het project niet op draagvlak binnen de Nederlandse zeescheepvaartsector kan rekenen.

2.

De aanvragen die na de toets, bedoeld in het eerste lid, positief zijn beoordeeld worden in een rangorde geplaatst. Daarbij worden de aanvragen beoordeeld naar de mate waarin de voorgestelde projecten voldoen aan de volgende, in gewicht afnemende, criteria:

a. a. het innovatief karakter of een wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande technologie; b. b. de verspreiding van de verworven kennis in de zeescheepvaartsector; c. c. een toepassingsgerichte vertaling van kennis naar nieuwe toepassingen en de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten in de zeescheepvaartsector; d. d. het maatschappelijk voordeel dat met de kennis kan worden behaald.

Paragraaf 6

Artikel 16

De Minister beoordeelt of een klein project waarvoor een aanvraag is ingediend:

a. a. een innovatief karakter heeft; b. b. economisch of technisch perspectief heeft op de toepassing op praktijkschaal; en c. c. een uitstralingseffect kan hebben voor toepassing door andere zeescheepvaartondernemingen.

Artikel 17

De Minister beoordeelt de aanvragen tot subsidieverlening voor kleine projecten in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat indien de aanvraag aanvulling behoeft de datum waarop de aanvraag is aangevuld, geldt als de datum van ontvangst.

Paragraaf 7

Artikel 18

1. De Minister stelt voor grote projecten de rangorde vast en gaat op basis hiervan over tot het verlenen van de subsidies.

2. Indien het subsidiebedrag dat verleend kan worden aan de subsidieaanvrager wiens aanvraag als eerste in de rangorde is geplaatst lager is dan het subsidieplafond, bedoeld in artikel 5, verleent de Minister dat subsidiebedrag.

3. Indien aan de aanvrager van de volgende aanvraag een subsidiebedrag verleend kan worden dat lager is dan het bedrag dat na de beslissing op de eerste aanvraag resteert, verleent de Minister ook aan die aanvrager dat subsidiebedrag, en zo vervolgens.

4. Indien in de rangorde een aanvraag aan de orde is, waarop een hoger bedrag kan worden verleend dan het bedrag dat van het subsidieplafond resteert, wordt het subsidiebedrag bepaald gelijk aan dat bedrag.

5. De Minister wijst de resterende aanvragen af.

Artikel 19

1. De Minister beslist over een aanvraag tot subsidieverlening voor een groot project binnen dertien weken na afloop van de in artikel 11 bedoelde periode.

2. De Minister beslist over een aanvraag tot subsidieverlening voor een klein project binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag voor een subsidie.

Paragraaf 8

Artikel 20

Aan de subsidieverlening zijn de in de artikelen 21 tot en met 25 opgenomen verplichtingen verbonden.

Artikel 21

1. De subsidieontvanger voert het project uit in overeenstemming met het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het project uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip.

2. De subsidieontvanger kan een schriftelijk verzoek tot wijziging van de verleningsbeschikking indienen bij de Minister ten behoeve van het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project. De Minister kan voorwaarden aan de wijziging verbinden.

3. De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling aan de Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surséance van betaling, tot faillietverklaring of van andere omstandigheden, die voor de subsidieverlening van belang kunnen zijn.

Artikel 22

1. De subsidieontvanger voert het project uit in Nederland.

2. De Minister kan ontheffing verlenen van het eerste lid.

3. Aan een ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden.

Artikel 23

1. De subsidieontvanger brengt na afloop van de helft van de periode waarin het project wordt uitgevoerd rekenende vanaf de dag dat de subsidie is verleend, een schriftelijk verslag uit over de uitvoering en de bereikte resultaten van het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering en die resultaten met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.

2. Indien de totale periode waarvoor subsidie is verleend langer dan twee jaar is, brengt de subsidieontvanger een verslag als bedoeld in het eerste lid uit, uiterlijk een jaar na de dag waarop de subsidie is verleend.

Artikel 24

1. De subsidieontvanger maakt de resultaten van het project op hoofdlijnen openbaar.

2. De subsidieontvanger stelt derden op verzoek in de gelegenheid nader van de resultaten van het project kennis te nemen. De subsidieontvanger vraagt hiervoor een marktconform bedrag.

3. Indien er op de resultaten een eigendomsrecht rust, mag de subsidieontvanger deze tot twee jaar na afloop van het project niet overdragen aan derden, tenzij een ontheffing is verkregen van de Minister.

Artikel 25

De subsidieontvanger voert een administratie waaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle in artikel 6, eerste lid, genoemde projectkosten kunnen worden afgelezen. Ten aanzien van de verantwoording van de loonkosten is een urenverantwoording per werknemer aanwezig.

Paragraaf 9

Artikel 26

1.

De subsidieontvanger dient binnen dertien weken na het in artikel 21, eerste lid, bedoelde tijdstip bij de Minister een verzoek tot vaststelling van de subsidie in met gebruikmaking van het formulier dat verkrijgbaar is gesteld bij Agentschap NL. Het verzoek gaat vergezeld van:

a. a. de gegevens, bedoeld in dit formulier; b. b. een afschrift van de publicatie, bedoeld in artikel 24, eerste lid; c. c. een schriftelijk eindverslag over de uitvoering en bereikte resultaten van het project; d. d. een financieel eindverslag.

2. Indien de subsidie voor een project € 100.000 of meer bedraagt gaat het financieel eindverslag vergezeld van een goedkeurende verklaring van de accountant. Het financiële eindverslag en de accountantsverklaring worden opgesteld in overeenstemming met het als bijlage van deze regeling opgenomen model controleprotocol subsidies.

Artikel 27

1. De Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie.

2. Indien de beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt de Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Paragraaf 10

Artikel 28

De Minister verstrekt een voorschot tot ten hoogste 80 procent van het te verlenen subsidiebedrag.

Paragraaf 11

Artikel 29

De Minister stelt voor afloop van deze regeling een evaluatierapport op.

Artikel 30

Met het toezicht op de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen zijn belast de taakmanagers, het hoofd en het plaatsvervangend hoofd van de afdeling Interne Controle van Agentschap NL.

Artikel 31

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt vier jaar na het tijdstip van inwerkingtreding, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op voordien verstrekte subsidie.

Artikel 32

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling maritieme innovatie.

Bijlage . als bedoeld in