rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-subsidieregeling-onderzoek-interventies-ter-uitbreiding-arbeidstijd/BWBR0050406
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke subsidieregeling onderzoek interventies ter uitbreiding arbeidstijd BWBR0050406 ministeriele-regeling geldend 2025-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0050406 Tijdelijke subsidieregeling onderzoek interventies ter uitbreiding arbeidstijd

Tijdelijke subsidieregeling onderzoek interventies ter uitbreiding arbeidstijd

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aanvraagtijdvak: een door de Minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ingediend;

  • aanvrager: een organisatievorm, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, die de subsidie aanvraagt op basis van deze regeling, of in het geval van een samenwerkingsverband, de hoofdaanvrager;

  • activiteit: een activiteit als bedoeld in artikel 2.2;

  • bevoegd gezag van een school: het bevoegd gezag van een uit s Rijks kas bekostigde school, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;

  • brancheorganisatie: een organisatie die de belangen behartigt van leden die tot eenzelfde branche behoren;

  • brutoloon: bruto jaarsalaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten;

  • btw: omzetbelasting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968;

  • deelnemende organisaties: organisaties bij welke de activiteiten worden uitgevoerd met een minimum van vijftig werknemers per organisatie, waarbij eventuele verschillende vestigingen onderdeel zijn van de deelnemende organisatie en geen aparte deelnemende organisaties;

  • deeltijdwerknemer: een werknemer van wie de werktijd korter is dan een arbeidsduur welke gemiddeld vijfendertig werkuren per week omvat;

  • hoofdaanvrager: een organisatie als bedoeld in artikel 2.10, vijfde lid;

  • interventiepartner: een organisatie, niet zijnde de kennisinstelling, die activiteiten uitvoert binnen de deelnemende organisaties, volgens de door de kennisinstelling voorgeschreven wetenschappelijk methode;

  • Kaderregeling subsidies: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

  • kennisinstelling: Universiteit Utrecht;

  • Minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; a. O&O-fonds: een stichting of vereniging die als doel heeft het optimaliseren van de werking van de arbeidsmarkt en die:

        a.
        is opgericht bij een bij de Minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;
    
    
        b.
        paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer arbeidsorganisaties, waarbij in ieder geval bij een arbeidsorganisatie ten minste 500 werknemers werkzaam zijn, alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties; of
    
    
        c.
        paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer werkgeversorganisaties alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties;
    

a. a. is opgericht bij een bij de Minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst; b. b. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer arbeidsorganisaties, waarbij in ieder geval bij een arbeidsorganisatie ten minste 500 werknemers werkzaam zijn, alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties; of c. c. paritair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van een of meer werkgeversorganisaties alsmede vertegenwoordigers van een of meer werknemersorganisaties;

  • onderzoekslocatie: een of meerdere vestigingen van een deelnemende organisatie met een groep deelnemers;
  • samenwerkingsverband: een samenwerking tussen partijen genoemd in artikel 2.10, tweede lid;
  • *sector kinderopvang: * de sectoren met sbi-code 88.91 en 88.99;
  • sector onderwijs: de sectoren met sbi-codes 85.2 en 85.3;
  • sector zorg en welzijn: de sectoren met sbi-codes 86, 87 en 88.1;
  • subsidieontvanger: het samenwerkingsverband of de aanvrager waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling;
  • voltijdwerknemer: een werknemer van wie de werktijd gelijk is aan dan wel langer is dan een arbeidsduur welke gemiddeld vijfendertig werkuren per week omvat;
  • werkgeversorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers, die krachtens haar statuten de belangenbehartiging van werkgevers beoogt;
  • werknemer: een werknemer in dienst van een deelnemende organisatie;
  • werknemersorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, die krachtens haar statuten de belangenbehartiging van werknemers beoogt.

Artikel 1.2

1. Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van deze regeling is de Kaderregeling subsidies van toepassing, met uitzondering van de artikelen 3.1 en 7.1.

2. De formulieren, modellen en formats waarnaar in deze regeling wordt verwezen, zijn door de Minister elektronisch beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Hoofdstuk 2. Onderzoeksactiviteiten

Artikel 2.1

Het doel van deze regeling is dat aanvragers of samenwerkingsverbanden worden gestimuleerd tot het uitvoeren van activiteiten in het kader van wetenschappelijk onderzoek, in alle sectoren van de arbeidsmarkt en in het bijzonder in de sectoren zorg en welzijn, onderwijs en kinderopvang, gericht op:

a. a. het wegnemen van drempels bij uitbreiding van het aantal te werken uren voor deeltijdwerknemers; b. b. contractuitbreiding en cultuurverandering in de maatschappij, inclusief concrete handvatten hoe deze in de praktijk kunnen worden gebracht; en c. c. het bevorderen van een maatschappelijke beweging en kennisontwikkeling gericht op het stimuleren van meer uren werken.

Artikel 2.2

1.

De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten die passen bij het doel van deze regeling en bedoeld zijn voor deeltijdwerknemers in de sectoren zorg en welzijn, onderwijs en kinderopvang:

a. a. de activiteit genaamd alternatieve roostersessies, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt wat op maat gemaakte alternatieve roostering betekent; b. b. de activiteit genaamd herstructureren van taken, waarbij een andere verdeling van werkzaamheden wordt uitgeprobeerd; c. c. de activiteit genaamd het goede gesprek, waarin leidinggevende en werknemers wordt geleerd hoe zij gesprekken over contractuitbreiding op een goede manier kunnen voeren; d. d. de activiteit genaamd combinatiebanen, waarbij met de werknemer wordt onderzocht hoe het huidige werk met andere functies, rollen of taken kan worden gecombineerd om zo meer uren te kunnen werken; e. e. de activiteit genaamd mantelzorgvriendelijke organisaties, waarbij binnen organisaties informatie wordt verspreid over regelingen en mogelijkheden in het kader van mantelzorg.

2.

De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten die passen bij het doel van deze regeling en bedoeld zijn voor voltijd- en deeltijdwerknemers in alle sectoren op de arbeidsmarkt:

a. a. de activiteit genaamd oudervriendelijke organisaties, voor het stimuleren van een oudervriendelijke organisatie, waarbij gendernormen worden geadresseerd binnen organisaties; b. b. de activiteit genaamd financiële inzichten, inhoudende het wegnemen van misverstanden rond marginale druk, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt wat voor de werknemer de financiële gevolgen zijn van meer of minder werken.

3. De activiteiten worden in samenwerking met de kennisinstelling uitgevoerd op basis van de samenwerkingsovereenkomst overeenkomstig het daartoe verstrekte format op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

4. Voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, geldt dat per aanvraag een tot tien deelnemende organisaties uit dezelfde sector deelnemen en het onderzoek op tien onderzoekslocaties wordt uitgevoerd.

5. Voor de activiteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geldt dat per aanvraag een tot tien deelnemende organisaties deelnemen en het onderzoek op tien onderzoekslocaties wordt uitgevoerd.

6. Voor de activiteit, bedoeld in het tweede lid, onder b, geldt dat per aanvraag een tot twintig deelnemende organisaties deelnemen en het onderzoek op twintig onderzoekslocaties wordt uitgevoerd.

7. Per aanvraag geldt, voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, en het tweede lid, onderdeel a, een minimumaantal deelnemers van 250, waarvan 130 werknemers deelnemen aan de activiteit en 120 deelnemen als controlegroep. Voor de activiteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, geldt een minimumaantal deelnemers van 500, waarvan 260 werknemers deelnemen aan de activiteit en 240 deelnemen als controlegroep. Indien het aantal deelnemers hoger ligt dan het minimumaantal, worden de groepen volgens dezelfde verhouding ingedeeld.

Artikel 2.3

1.

Voor de subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:

a. a. directe loonkosten van de werknemers die zich in de organisatie van de aanvrager of een van de partijen in het samenwerkingsverband bezighouden met de uitvoering van de activiteit, op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend tarief op basis van het brutoloon van die personen vermeerderd met een opslag van 32% naar rato van de individuele gerealiseerde uren en uitgaande van 1.565 werkbare uren op jaarbasis bij een 40-urig voltijds dienstverband. Bij een afwijkend voltijds dienstverband kunnen de werkbare uren naar rato worden bijgesteld; b. b. externe kosten voor een interventiepartner tot een bedrag van € 65.000 voor de activiteit bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b, en € 210.000 voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, mits sprake is van marktconformiteit als bedoeld in het vierde of vijfde lid; c. c. externe kosten voor HR-ondersteuning voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, tot een bedrag van € 100.000, mits sprake is van marktconformiteit als bedoeld in het vierde lid; d. d. een toeslag van 15% op de kosten, bedoeld in onderdelen a en b. De kosten waarover de toeslag wordt berekend zijn gemaximeerd tot een bedrag van € 65.000 voor de activiteit bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b, en € 210.000 voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a; e. e. een forfaitair bedrag ter dekking van de kosten van een accountantsproduct ter hoogte van € 7.500, indien deze verplicht is op grond van artikel 2.14, derde lid, onderdeel b; en f. f. in rekening gebrachte btw, voor zover deze kosten niet verrekend kunnen worden en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op het BTW-compensatiefonds, genoemd in artikel 2 van de Wet op het BTW-compensatiefonds.

2. De aanvrager kan in plaats van de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, € 10.000 per deelnemende organisatie ontvangen tot een bedrag van € 100.000. De subsidieontvanger is verplicht deze subsidie door te betalen aan de deelnemende organisaties.

3. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn daadwerkelijk gemaakt en betaald, waarbij de kosten ten laste van de activiteit zijn gebleven en rechtstreeks aan de uitvoering van de activiteit zijn toe te rekenen.

4.

Voor externe kosten wordt de marktconformiteit van de kosten bepaald door:

a. a. een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld door de aanvrager, indien de opdrachtwaarde onder de nationale aanbestedingsdrempel blijft en de in het project opgenomen kosten meer bedragen dan € 50.000; of b. b. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure.

5. Een uurtarief van een interventiepartner wordt geacht marktconform te zijn, indien het uurtarief van de interventiepartner maximaal € 135 exclusief btw bedraagt of het uurtarief op maximaal dat bedrag is bepaald. Dit lid is niet van toepassing indien de Aanbestedingswet 2012 op de subsidieontvanger van toepassing is.

6.

Werkzaamheden ten behoeve van de activiteiten zijn uitsluitend subsidiabel op basis van directe loonkosten, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien deze zijn uitgevoerd door:

a. a. een organisatie die, direct of indirect, is vertegenwoordigd in het bestuur van de aanvrager, in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband of een begunstigde; b. b. een organisatie waarin één of meer van dezelfde partijen in het bestuur zijn vertegenwoordigd, die tegelijkertijd ook:

        1°.
        in het bestuur van de aanvrager zijn vertegenwoordigd;
      
      
        2°.
        in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd; of
      
      
        3°.
        in het bestuur van een begunstigde zijn vertegenwoordigd;

1°. 1°. in het bestuur van de aanvrager zijn vertegenwoordigd; 2°. 2°. in het bestuur van een partij in het samenwerkingsverband zijn vertegenwoordigd; of 3°. 3°. in het bestuur van een begunstigde zijn vertegenwoordigd; c. c. een organisatie waarin een persoon een financieel belang heeft of in het bestuur zit van die organisatie, en die persoon ook werkzaam is voor:

        1°.
        de aanvrager;
      
      
        2°.
        een partij uit het samenwerkingsverband; of
      
      
        3°.
        een begunstigde;

1°. 1°. de aanvrager; 2°. 2°. een partij uit het samenwerkingsverband; of 3°. 3°. een begunstigde; d. d. een organisatie waarin de aanvrager, een partij uit het samenwerkingsverband, of een begunstigde, direct of indirect invloed kan uitoefenen of een financieel belang heeft; of e. e. een organisatie waarin zich een belangenconflict voordoet of kan voordoen als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang, waarmee de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van een financiële actor of andere persoon die bij de uitvoering van het project betrokken is, in gevaar is of in gevaar kan worden gebracht.

7. Het zesde lid is niet van toepassing op deelnemende organisaties.

Artikel 2.4

Niet voor subsidie komen in aanmerking:

a. a. onredelijk en niet noodzakelijk gemaakte kosten ter uitvoering van de activiteit of een onderdeel daarvan; b. b. kosten van de activiteit die niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is; c. c. kosten gemaakt buiten de projectperiode; d. d. kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege; e. e. opleidings- en scholingskosten; f. f. kosten voor verbruiksgoederen; g. g. loonverletkosten, zijnde de loonkosten van werknemers voor niet-werkbare uren als gevolg van deelname aan een subsidiabele activiteit; en h. h. externe kosten waarvoor geen factuur en betaalbewijs kan worden overgelegd.

Artikel 2.5

1. De Minister stelt in het kalenderjaar 2025 in totaal een bedrag beschikbaar van € 6.600.000, waarvan € 1.050.000 beschikbaar is voor ieder van de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, en € 300.000 beschikbaar is voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b.

2. Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, bedraagt het subsidiebedrag ten minste € 25.000 en ten hoogste € 350.000 per aanvraag, waarvan maximaal € 100.000 voor de kosten van HR-ondersteuning.

3. Voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b, bedraagt het subsidiebedrag ten minste € 25.000 en ten hoogste € 75.000 per aanvraag.

4. Voor iedere activiteit wordt een aparte aanvraag ingediend.

5. Per sector wordt maximaal één aanvraag per activiteit, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel a tot en met e, toegewezen.

6. In afwijking van het vijfde lid, kan per sector meer dan één aanvraag per activiteit worden toegewezen, indien het beschikbare bedrag, bedoeld in het tweede en derde lid, voor een activiteit niet volledig wordt benut. Het resterende bedrag wordt in die gevallen aangewend voor de eerstvolgende volledige aanvraag voor een activiteit in een andere sector.

Artikel 2.6

1. Het eerste aanvraagtijdvak loopt van maandag 13 januari 2025 9:00 uur tot en met vrijdag 14 februari 2025 17:00 uur.

2. Het tweede aanvraagtijdvak loopt van maandag 2 juni 2025 9:00 uur tot en met vrijdag 20 juni 2025 17:00 uur.

3. Het derde aanvraagtijdvak loopt van maandag 24 november 2025 9:00 uur tot en met vrijdag 5 december 2025 17:00 uur.

Artikel 2.7

1. De activiteiten starten uiterlijk drie maanden na de datum van de subsidieverlening, met uitzondering van de activiteiten in de sector onderwijs. Deze starten uiterlijk in de maand februari volgend op de datum van de subsidieverlening.

2. De projectperiode van een activiteitenplan start op de dag waarop het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2.6, opengaat waarin de subsidieaanvraag wordt ingediend. De projectperiode eindigt op de dag waarop de looptijd, bedoeld in het derde en vierde lid, eindigt.

3. De activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c en e, en tweede lid, onderdeel b, hebben een looptijd van minimaal zeventien weken en maximaal 52 weken, gerekend vanaf de startdatum van de activiteit.

4. De activiteiten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel a, b en d, en tweede lid, onderdeel a, hebben een looptijd van minimaal 26 weken en maximaal 52 weken, gerekend vanaf de startdatum van de activiteit.

Artikel 2.8

1.

De subsidieaanvraag wordt ingediend door middel van een elektronisch aanvraagformulier ondertekend door een daartoe bevoegd functionaris van de aanvrager. Onderdeel van de aanvraag is in ieder geval:

a. a. een activiteitenplan dat, in aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling subsidies, voldoet aan de eisen die worden gesteld in bijlage I bij deze regeling; b. b. het bedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd; c. c. een beschrijving waarom de subsidie in de gevraagde omvang noodzakelijk is voor de activiteit waarvoor subsidie is aangevraagd; d. d. de verwachte startdatum van de activiteit, de verwachte einddatum van de activiteit en een planning van de te ondernemen stappen ten aanzien van de activiteit zoals in het activiteitenplan verwoord; e. e. een onderbouwde begroting van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

2. De subsidieaanvraag gaat vergezeld met de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het artikel 2.2, derde lid, en, indien van toepassing, de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in 2.10, vierde lid.

3. Voor zover de aanvrager of het samenwerkingsverband naast de activiteit waarvoor op grond van deze regeling subsidie is aangevraagd een of meer activiteiten als bedoeld in deze regeling beoogt uit te voeren op basis van een andere subsidie of daarvoor een andere financiële bijdrage heeft gevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van het aangevraagde bedrag en de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.

4. Door het indienen van een aanvraag stemt de aanvrager of het samenwerkingsverband ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar kan worden gemaakt.

Artikel 2.9

1. De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen.

2. Indien bij overschrijding van het toepasselijke subsidieplafond blijkt dat het tijdstip van ontvangst van de aanvragen op de desbetreffende dag niet is vast te stellen, zal van de op die dag ontvangen aanvragen de volgorde van ontvangst door middel van loting worden vastgesteld.

Artikel 2.10

1. Werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties, O&O-fondsen, brancheorganisaties of het bevoegd gezag van een school kunnen een aanvraag indienen.

2. Werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties, O&O-fondsen of brancheorganisaties kunnen in een samenwerkingsverband een aanvraag indienen.

3. Aanvragers of de partijen in het samenwerkingsverband bestaan ten tijde van de subsidieaanvraag ten minste twee jaar. Hiervan wordt afgeweken indien de aanvrager of de partij in het samenwerkingsverband een onderwijsregio betreft.

4. De samenwerking in een samenwerkingsverband wordt vastgelegd in een door alle partijen van het samenwerkingsverband ondertekende samenwerkingsovereenkomst overeenkomstig een door de Minister vastgesteld model, waarin een hoofdaanvrager wordt aangewezen, die wordt gemachtigd het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen met betrekking tot deze regeling.

5. De hoofdaanvrager is een werkgeversorganisatie, een werknemersorganisatie, een O&O-fonds, dan wel een brancheorganisatie die deel uitmaakt van het samenwerkingsverband.

6. Betalingen van subsidie en voorschotten daarop aan de hoofdaanvrager gelden als betalingen aan het samenwerkingsverband.

Artikel 2.11

1. De Minister besluit binnen 13 weken na sluiting van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2.6, op de in dat tijdvak ingediende subsidieaanvragen.

2. De subsidie wordt verleend aan de aanvrager.

3. Aan de subsidieverlening kunnen nadere verplichtingen worden gesteld.

4. Bij de subsidieverlening wordt een eerste voorschot van 20% van het subsidiebedrag verleend.

5. Na 16 weken na ontvangst van het eerste voorschot wordt een tweede voorschot van 40% van het subsidiebedrag verleend.

Artikel 2.12

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wijst de Minister een aanvraag tot verlening van subsidie geheel of gedeeltelijk af, indien:

a. a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen; b. b. de subsidieaanvraag niet binnen het aanvraagtijdvak is ingediend; c. c. een activiteit niet uitvoerbaar is wegens strijd met wet- en regelgeving; d. d. de subsidiabele kosten niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen prestaties en de daarvan te verwachten resultaten; e. e. de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat een subsidieplafond als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, in een aanvraagtijdvak wordt overschreden; f. f. dezelfde subsidiabele kosten reeds uit hoofde van deze of een andere regeling worden gefinancierd.

Artikel 2.13

1.

Voor de aanvrager geldt dat deze:

a. a. indien de verleende subsidie tussen de € 25.000 tot € 125.000 bedraagt: een inzichtelijke en controleerbare administratie bijhoudt met betrekking tot de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is verleend en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten; b. b. indien de verleende subsidie € 125.000 of meer bedraagt: binnen drie maanden na ontvangst van de beschikking tot subsidieverlening een kopie van de opdrachtbevestiging of een andere schriftelijke mededeling overlegt, waarin de toepassing en naleving van de administratievoorschriften door de controlerend accountant wordt bevestigd.

2. De administratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde onderdelen van de activiteit.

3.

De administratie geeft inzicht in de gemaakte subsidiabele kosten en uitgaven die aan een activiteit worden toegerekend. De administratie bevat in ieder geval:

a. a. voor externe kosten: de opdrachtbevestiging, facturen, betaalbewijzen en, indien van toepassing, de offertes; b. b. voor directe loonkosten: een onderbouwing van bestede uren en de berekeningen van uurtarieven; en c. c. voor zowel externe kosten als directe loonkosten: de gerealiseerde prestaties.

4. De administratie bevat een bijlage met een overzicht van de deelnemende organisaties aan de activiteit, de interventiepartner en, indien van toepassing, alle partijen in het samenwerkingsverband, voorzien van de door de Kamer van Koophandel toegekende unieke nummers aan een onderneming of maatschappelijke activiteit in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007.

5. De volledige administratie is te allen tijde voor controle beschikbaar op één voor de aanvrager vrij toegankelijke locatie.

6. De aanvrager verstrekt desgevraagd inzage in of informatie uit de administratie aan de Minister.

Artikel 2.14

1. De aanvrager dient binnen 22 weken na afloop van de projectperiode door middel van een elektronisch formulier een verzoek tot vaststelling van de subsidie in bij de Minister.

2. Een verzoek tot vaststelling van een subsidie omvat, indien sprake is van een verleende subsidie van € 25.000 of meer, maar minder dan € 125.000, een verklaring inzake werkelijke kosten.

3.

Een verzoek tot vaststelling van de subsidie omvat, indien sprake is van een verleende subsidie van meer dan € 125.000:

a. a. een activiteitenverslag, een financieel verslag met daarin overzicht van de kosten per activiteit; en b. b. een accountantsproduct, overeenkomstig een door de Minister vastgesteld model met inachtneming van een door de Minister vastgesteld accountantsprotocol.

4. Een verzoek tot vaststelling van de subsidie omvat een verklaring van de kennisinstelling, overeenkomstig een door de Minister vastgesteld model, dat de aanvrager of het samenwerkingsverband bij de uitvoering van de subsidiabele activiteiten de door de kennisinstelling gestelde wetenschappelijke randvoorwaarden heeft toegepast.

5. Het subsidiebedrag kan op nihil worden vastgesteld, of naar evenredigheid worden verlaagd als naar het oordeel van de Minister geen gronden aanwezig zijn om de subsidie op nihil vast te stellen indien het vereiste minimumaantal werknemers dat aan de activiteit deelneemt niet is behaald.

6. Indien de aanvrager niet voldoet aan dit artikel kan de beschikking tot subsidieverlening geheel worden ingetrokken.

7. Indien het subsidiebedrag wordt verlaagd dan wel de subsidieverlening wordt ingetrokken, worden onverschuldigd betaalde voorschotten teruggevorderd.

Artikel 2.15

1.

Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht kan de beschikking tot subsidieverlening geheel worden ingetrokken indien:

a. a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten; of b. b. de subsidieontvanger niet meer beschikt over de benodigde operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

2. De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de Minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

3. Indien de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de aanvrager teruggevorderd.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 3.1

1. De Minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.

2. De aanvrager of het samenwerkingsverband werkt mee aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de Minister. De aanvrager verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, onderzoeksbestanden, gegevens en bescheiden.

Artikel 3.1a

De subsidieregeling, zoals hij luidde op 14 februari 2025, blijft van toepassing op subsidies die zijn verstrekt op basis van het eerste aanvraagtijdvak.

Artikel 3.2

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2025.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat de regeling zoals die luidde voorafgaand aan de datum met ingang waarvan deze regeling vervalt van toepassing blijft op de dan lopende afwikkeling van besluiten en ingestelde gerechtelijke procedures op grond van deze regeling.

Artikel 3.3

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling onderzoek interventies ter uitbreiding arbeidstijd.

Bijlage I. behorend bij

Het activiteitenplan is de beschrijving van de geplande activiteiten ter uitvoering van de door u gekozen activiteit (interventie). Ieder activiteitenplan bevat minimaal de zeven onderdelen, zoals opgenomen in deze bijlage. In de basis geldt voor elke interventie hetzelfde activiteitenplan waar aanvullende of afwijkende voorwaarden gelden voor een specifieke interventie is dat hieronder aangegeven. Voor het opstellen van het activiteitenplan is een format beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Verplichte activiteiten ter uitvoering van een interventie:

Bijlage II. Samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in

Vervallen