40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke subsidieregeling plusvoorzieningen overbelaste jongeren | BWBR0026422 | ministeriele-regeling | geldend | 2009-09-23 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0026422 | Tijdelijke subsidieregeling plusvoorzieningen overbelaste jongeren |
Tijdelijke subsidieregeling plusvoorzieningen overbelaste jongeren
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. b.
*uitvoeringsregeling:*
Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten;
c. c.
*RMC-contactgemeente:* contactgemeente als bedoeld in artikel 8.3.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 118h, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
d. d.
*RMC-regio:* regio als bedoeld in artikel 29 van de uitvoeringsregeling;
e. e.
*onderwijsinstelling:* regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede school voor voortgezet onderwijs, met uitzondering van een school voor praktijkonderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
f. f.
*convenant:* per RMC-regio tussen 1 december 2007 en 31 juli 2008 tussen de minister, de RMC-contactgemeente en onderwijsinstellingen gesloten convenant inzake het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters in de schooljaren 2007–2008 tot en met 2010–2011;
g. g.
*schooljaar:* tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daaropvolgende jaar;
h. h.
*leerling:* de leerling van het derde of het vierde leerjaar van het voorbereidend beroepsonderwijs die voor bekostiging wordt meegeteld op grond van artikel 7 van het Bekostigingsbesluit W.V.O. of artikel 2.3.2 van het Uitvoeringsbesluit WEB of de deelnemer aan een opleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs die voor bekostiging wordt meegeteld op grond van artikel 2.2.3 van het Uitvoeringsbesluit WEB;
i. i.
*armoedeprobleemcumulatiegebied:* gebied als bedoeld in de armoedemonitor 2005 van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek;
j. j.
*apc-leerling:* leerling die woonachtig is in een postcodegebied dat valt in een armoedeprobleemcumulatiegebied;
k. k.
*plusvoorziening:* een voorziening ten behoeve van de onderwijsinstellingen in een RMC-regio, die bestaat uit een gecombineerd programma van onderwijs leidend naar het behalen van een startkwalificatie, zorg, hulpverlening en waar nodig arbeidstoeleiding, dat wordt aangeboden aan jongeren van 12 tot 23 jaar, die zodanig ernstige problemen ondervinden op het gebied van financiën, gezondheid, huisvesting, sociale omgeving of maatschappelijk functioneren dat zij de onderwijsinstelling zonder diploma dreigen te verlaten;
l. l.
*contactschool:* een contactschool als bedoeld in artikel 18 van de uitvoeringsregeling, dan wel een andere door de RMC-contactgemeente aan de minister vóór 1 oktober 2009 voorgestelde contactschool;
m. m.
*beheerskosten:* kosten die voor de subsidieontvanger voortvloeien uit het optreden als contactschool.
Artikel 2
De minister kan voor de schooljaren 2009–2010 en 2010–2011 aan het bevoegd gezag van een contactschool subsidie verstrekken voor het opzetten en verder ontwikkelen van een of meer plusvoorzieningen.
Paragraaf 2. Hoogte van de subsidie
Artikel 3
Het subsidieplafond bedraagt € 59.500.000.
Artikel 4
1. Het bedrag van de subsidie voor een contactschool voor de schooljaren 2009–2010 en 2010–2011 is een voor de betreffende RMC-regio evenredig gedeelte van het bedrag, genoemd in artikel 3, en wordt berekend naar rato van het aandeel van de onderwijsinstellingen in de RMC-regio in het landelijke totaal van apc-leerlingen die op 1 oktober 2007 zijn ingeschreven aan een onderwijsinstelling en die op die datum de leeftijd van 22 jaar nog niet hebben bereikt.
2. Bij de berekening van het aantal leerlingen maakt de minister gebruik van de gegevens, bedoeld in artikel 4b.2.3, eerste lid, onderdeel e, van het Uitvoeringsbesluit WEB en artikel 5, eerste lid, onder b, van het Besluit gebruik persoonsgebonden nummers WVO.
3. Indien het subsidieplafond niet wordt bereikt, kan de minister het niet verleende bedrag geheel of gedeeltelijk verdelen over alle aanvragers volgens de berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5
In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de met inachtneming van artikel 4 verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieontvangers en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.
Paragraaf 3. Indiening aanvraag, beslissing en betaling
Artikel 6
1. Het bevoegd gezag van de contactschool dient de subsidieaanvraag voor de schooljaren 2009–2010 en 2010–2011 op een zodanig tijdstip in dat deze uiterlijk op 15 oktober 2009 is ontvangen door de minister. Aanvragen die na deze datum worden ontvangen, worden afgewezen.
2. Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door inzending van een volledig ingevuld formulier dat als bijlage A bij deze regeling is opgenomen.
3. De minister beslist uiterlijk in november 2009 op de aanvragen, bedoeld in het eerste lid.
4. De bevoorschotting vindt verspreid over het schooljaar plaats en wordt in het besluit tot subsidieverlening bekend gemaakt.
Paragraaf 4. Aan de subsidie verbonden verplichtingen
Artikel 7
1. De subsidie wordt uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt.
2. De subsidie wordt vóór 1 januari 2012 besteed.
3.
De beheerskosten bedragen niet meer dan:
a. a. € 5.000, indien het subsidiebedrag lager is dan € 100.000; b. b. € 10.000, indien het subsidiebedrag hoger is dan of gelijk is aan € 100.000 maar lager is dan € 500.000; c. c. € 15.000, indien het subsidiebedrag hoger is dan of gelijk is aan € 500.000 maar lager is dan € 1.000.000; of d. d. € 20.000, indien het subsidiebedrag hoger is dan of gelijk is aan € 1.000.000.
Artikel 8
1. De plusvoorziening wordt zodanig ingericht dat de leerlingen voor wie de plusvoorziening is bedoeld, hiervan optimaal kunnen profiteren.
2. De inrichting van de plusvoorziening is gericht op continuïteit van de voorziening na afloop van het schooljaar 2010–2011.
3. Het plan van aanpak voor de plusvoorziening wordt afgestemd met en ter instemming voorgelegd aan de RMC-contactgemeente.
Artikel 9
1. De subsidieontvanger zorgt ervoor, dat de onderwijsinstellingen in een RMC-regio die een convenant hebben gesloten, ten behoeve van het opzetten en verder ontwikkelen van een of meer plusvoorzieningen voor de desbetreffende RMC-regio met elkaar samenwerken op basis van een samenwerkingsovereenkomst.
2.
In de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval geregeld:
a. a. welke onderwijsinstellingen in de RMC-regio aan de plusvoorziening voor de betreffende RMC-regio deelnemen; b. b. welke onderwijsinstelling optreedt als contactschool; c. c. welk deel van de subsidie voor de plusvoorziening is bestemd voor beheerskosten van de contactschool; en d. d. hoe de subsidie voor het overige wordt besteed en verantwoord.
3. De subsidieontvanger zorgt ervoor dat een onderwijsinstelling die geen convenant heeft ondertekend, maar wel aan de plusvoorziening voor de betreffende regio wenst deel te nemen, in de gelegenheid wordt gesteld samen te werken op de wijze bedoeld in het eerste lid.
Artikel 9a
1. Onderwijsinstellingen in een RMC-regio kunnen voor wat betreft het opzetten en verder ontwikkelen van een plusvoorziening besluiten samen te werken met onderwijsinstellingen in een andere RMC-regio.
2.
Indien als gevolg van de samenwerking, bedoeld in het eerste lid, subsidiebedragen worden besteed in de andere RMC-regio dan de RMC-regio die op grond van artikel 4 aanspraak maakt op de subsidie, geschiedt dit slechts onder de volgende voorwaarden:
a. a. de samenwerking wordt geregeld in de samenwerkingsovereenkomsten van de samenwerkende onderwijsinstellingen in de RMC-regio’s; b. b. de samenwerkende RMC-regio’s hebben dezelfde contactschool; c. c. de contactschool verantwoordt de besteding van de middelen per RMC-regio afzonderlijk in de jaarverslaggeving; d. d. de contactgemeenten van de RMC-regio’s stemmen in met de samenwerking tussen de RMC-regio’s en met de besteding van het subsidiebedrag in de betreffende RMC-regio; e. e. elke regio dient afzonderlijk een plan van aanpak in, bedoeld in artikel 10; en f. f. in het plan van aanpak wordt tevens de hoogte van het subsidiebedrag aangegeven dat wordt besteed op grond van de samenwerking, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10
1. Uiterlijk op 1 maart 2010 dient de subsidieontvanger bij de minister een plan van aanpak in, waarin een omschrijving wordt gegeven van de plusvoorziening die in de RMC-regio wordt opgezet dan wel verder ontwikkeld en waaruit de instemming van de RMC-contactgemeente met het plan blijkt. Het plan van aanpak gaat vergezeld van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 9.
2.
Het plan van aanpak, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste de volgende onderdelen:
a. a. naam en contactgegevens van de contactschool en de contactgemeente en de naam van de RMC-regio; b. b. de specifieke doelstelling van de desbetreffende plusvoorziening in kwalitatieve en kwantitatieve zin; c. c. een omschrijving van de doelgroep van de desbetreffende plusvoorziening, in het bijzonder de aard van de problematiek waarmee zij te maken heeft, de omvang en de onderwijsachtergrond van deze doelgroep; d. d. een omschrijving van het gecombineerde aanbod, in de zin van onderwijs, zorg- en hulpverlening en eventueel arbeidstoeleiding, dat deze doelgroep wordt aangeboden in algemene zin; e. e. de partijen waarmee wordt samengewerkt in de plusvoorziening; f. f. de planning en de begroting van de desbetreffende plusvoorziening; g. g. de wijze waarop monitoring en evaluatie van de desbetreffende plusvoorziening wordt vormgegeven; h. h. een stappenplan voor de structurele voortzetting van de desbetreffende plusvoorziening na 2011.
3. Uiterlijk op 1 september 2010 dient de subsidieontvanger bij de minister een tussenrapportage in waarin de stand van zaken van de uitvoering van de plusvoorziening wordt beschreven.
4. Uiterlijk op 1 juli 2012 dient de subsidieontvanger bij de minister een eindrapportage in, waarin een beschrijving wordt gegeven van de resultaten van de plusvoorziening en de wijze waarop in de continuïteit van de plusvoorziening wordt voorzien.
5. De rapportages, bedoeld in het derde en vierde lid, worden ingericht volgens het format dat daartoe als bijlagen B en C bij deze regeling is opgenomen.
Artikel 11
De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, behorende bij de richtlijn RJ 660, alinea 212, zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving, van de contactschool. De verwerking van niet-bestede middelen geschiedt in de jaarrekening van het laatste jaar van besteding. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie.
Artikel 12
De contactschool doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging of intrekking van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.
Paragraaf 5. Intrekking en terugvordering
Artikel 13
1. Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverlening ingetrokken, indien de betrokken RMC-contactgemeente niet heeft ingestemd met het plan van aanpak, bedoeld in artikel 10 eerste en tweede lid.
2. Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverlening ingetrokken, indien het plan van aanpak niet kan leiden tot het doel dat met deze regeling wordt beoogd.
Paragraaf 6. Overige bepalingen
Artikel 14
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 15
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling plusvoorzieningen overbelaste jongeren.