40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke subsidieregeling samenwerkingsverbanden binnenvaart | BWBR0007802 | ministeriele-regeling | geldend | 1996-01-05 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0007802 | Tijdelijke subsidieregeling samenwerkingsverbanden binnenvaart |
Tijdelijke subsidieregeling samenwerkingsverbanden binnenvaart
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Artikel 2
1. De Minister kan in het belang van de oprichting van samenwerkingsverbanden gedurende een periode van ten hoogste drie jaar subsidie verlenen aan een samenwerkingsverband dat voldoet aan het bepaalde in deze regeling, in de door hem als doelmatig vastgestelde personele, huisvestings- en materiële kosten (aanloopkosten) en de kosten die hij doelmatig acht voor het functioneren van het samenwerkingsverband, teneinde daarmee bij te dragen aan de wezenlijke verbetering van de samenwerking van de individuele binnenvaartondernemers.
2. De aanloopkosten, bedoeld in het eerste lid, betreffen de uitgaven van het samenwerkingsverband die ontstaan als gevolg van personele uitgaven aan de acquisiteur en het kantoorpersoneel, de huisvestingskosten van het samenwerkingsverband en de materiële kosten, alle voor zover verband houdende met de werkzaamheden als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, 3°.
Artikel 3
1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten, bedoeld in artikel 2, doch niet meer dan f 500.000,- per samenwerkingsverband.
2. Het totale subsidiebedrag dat op basis van deze regeling beschikbaar is, bedraagt f 7.000.000,-.
Paragraaf 2. Aanvraag om subsidie
Artikel 4
1.
Bij de aanvraag om subsidie verstrekt de aanvrager aan de Minister:
a. a. een ondernemingsplan, waarin in ieder geval is opgenomen:
1º
de doelstelling van het samenwerkingsverband,
2º
een omschrijving van de activiteiten van het samenwerkingsverband,
3º
een meerjarenbegroting betreffende ten minste drie jaar, waarin in ieder geval opgenomen een specificatie van de verwachte omzet, van de aanloopkosten en van het verwachte resultaat, en
4º
een omschrijving van de organisatie-structuur;
1º 1º de doelstelling van het samenwerkingsverband, 2º 2º een omschrijving van de activiteiten van het samenwerkingsverband, 3º 3º een meerjarenbegroting betreffende ten minste drie jaar, waarin in ieder geval opgenomen een specificatie van de verwachte omzet, van de aanloopkosten en van het verwachte resultaat, en 4º 4º een omschrijving van de organisatie-structuur; b. b. een authentiek afschrift van de oprichtingsakte dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd; c. c. het bewijs van inschrijving in een openbaar register van de Kamer van Koophandel en Fabrieken; en d. d. een verklaring van de aangeslotenen bij het samenwerkingsverband dat zij gedurende de looptijd van de subsidie gezamenlijk een bedrag inbrengen dat ten minste gelijk is aan de verleende subsidie.
2. Indien een aanvraag niet volledig is, stelt de Minister de aanvrager in de gelegenheid om binnen vier weken de aanvraag aan te vullen. Indien na deze termijn de aanvraag niet volledig is, besluit de Minister de aanvraag niet te behandelen.
3. De Minister kan naast de in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden andere gegevens en bescheiden verlangen.
Paragraaf 3. Beslissing op de aanvraag
Artikel 5
1. De Minister beslist op de aanvragen binnen vier weken na het tijdstip van binnenkomst en in volgorde van binnenkomst. Als tijdstip van binnenkomst wordt aangemerkt het tijdstip dat de aanvraag volledig is in de zin van artikel 4, tweede of derde lid.
2. De Minister kan alvorens op een aanvraag te beslissen, binnen een door hem gestelde termijn nadere gegevens verlangen. Artikel 4, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
De Minister houdt een beslissing tot verlening van subsidie aan, zolang op een verzoek tot surséance van betaling of faillissement van het samenwer-kingsverband de rechter niet onherroepelijk heeft beslist.
Artikel 7
De Minister wijst de aanvraag om subsidie in ieder geval af, voor zover:
a. a. door inwilliging de bedragen, bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, zouden worden overschreden; b. b. niet is voldaan aan deze regeling; c. c. de activiteiten naar het oordeel van de Minister niet of niet geheel zullen plaatsvinden; d. d. de aanvrager niet heeft aangetoond dat hem met inbegrip van de aangevraagde subsidie voldoende gelden ter beschikking zullen staan om de voorgenomen activiteiten uit te voeren; e. e. de subsidie naar het oordeel van de Minister geen wezenlijke bijdrage zou leveren aan het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid; f. f. de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid; of g. g. het samenwerkingsverband naar het oordeel van de Minister overigens niet levensvatbaar is.
Artikel 8
1. In de beschikking tot subsidieverlening vermeldt de Minister in ieder geval de hoogte van de subsidie, de periode waarop deze betrekking heeft, waaronder de vaststelling van de subsidiejaren, alsmede de wijze en het tijdstip van betaling.
2. De Minister kan aan de verlening van subsidie nadere voorschriften verbinden.
Paragraaf 4. Voorschotbetaling van de subsidie
Artikel 9
1. De subsidie wordt bevoorschot in drie jaarlijkse termijnen van respectievelijk 40%, 40% en 10% van het verleende subsidiebedrag.
2. De eerste termijn wordt betaald binnen vier weken nadat de subsidie is verleend.
3. De tweede en derde termijn worden betaald medio het tweede subsidiejaar onderscheidenlijk medio het derde subsidiejaar van het samenwerkingsverband.
4.
Van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid kan de Minister afwijken:
a. a. indien uit de in artikel 10, onderdeel a, bedoelde verslagen blijkt dat de werkelijke omzet in een subsidiejaar meer dan 25% achterblijft bij de conform het ondernemingsplan verwachte omzet; b. b. bij de subsidieverlening: indien daartoe naar zijn oordeel budgettaire overwegingen van het Rijk aanleiding geven.
5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, past het samenwerkingsverband het ondernemingsplan ten genoegen van de Minister aan binnen een door hem te stellen termijn.
Paragraaf 5. Verplichtingen van het samenwerkingsverband
Artikel 10
Het samenwerkingsverband:
a. a. legt binnen zes weken na afloop van ieder subsidiejaar aan de Minister over een financieel jaarverslag, waaronder de realisering van de verklaring, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, alsmede een verslag van de daadwerkelijke voortgang van de werkzaamheden van het samenwerkingsverband; b. b. legt, onverminderd onderdeel a, binnen zes weken na afloop van de periode waarop de bijdrage betrekking heeft aan de Minister over een financiële verantwoording betreffende de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, voorzien van een accountantsverklaring omtrent de getrouwheid, opgesteld conform een door de Minister vastgesteld controleprotocol; c. c. voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan; d. d. bewaart de administratie en de daartoe behorende bescheiden gedurende tien jaar; e. e. toont op verzoek van de Minister de administratie en de daartoe behorende bescheiden op één adres; f. f. neemt andere aanwijzingen van de Minister in acht ter zake van de administratie; g. g. verleent op verzoek van de Minister medewerking aan het verrichten van onderzoek naar de besteding van de subsidie en houdt de bewijsstukken daartoe ter beschikking; h. h. stelt de Minister onverwijld op de hoogte van wijzigingen in de organisatie waaronder het aantal deelnemers, en de bedrijfsvoering; en i. i. doet onverwijld aan de Minister mededeling van de indiening van een verzoek om surséance van betaling of van faillissement.
Paragraaf 6. Vaststelling van de subsidie
Artikel 11
1. De Minister stelt de subsidie vast binnen zes weken nadat is voldaan aan artikel 10, onderdeel a, betreffende het derde subsidiejaar, en onderdeel b.
2. De Minister kan de vaststelling aanhouden zolang op een verzoek tot surséance van betaling of faillissement van de aanvrager niet onherroepelijk door de rechter is beslist.
Paragraaf 7. Eindafrekening van de subsidie
Artikel 12
Binnen vier weken na de vaststelling van de subsidie wordt deze betaald onder verrekening van de betaalde voorschotten.
Paragraaf 8. Beëindiging van de organisatie
Artikel 13
Het samenwerkingsverband kan met toestemming van de Minister worden beëindigd. Aan deze toestemming kan de Minister nadere voorschriften verbinden.
Paragraaf 9. Gehele of gedeeltelijke intrekking van de subsidie
Artikel 14
1.
In ieder geval kan de Minister de subsidie geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. a. de activiteiten met het oog waarop subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of naar het oordeel van de Minister niet zullen plaatsvinden; b. b. de subsidie naar het oordeel van de Minister geen wezenlijke bijdrage meer zou leveren aan het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 2; c. c. het samenwerkingsverband niet heeft voldaan aan het bepaalde in deze regeling; d. d. de subsidie is verleend op basis van zodanig onjuiste of onvolledige informatie, dat een andere beslissing op de aanvraag zou zijn genomen, indien de juiste gegevens waren verstrekt; e. e. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten; of f. f. de aanvrager onherroepelijk failliet is verklaard.
2. De reeds betaalde subsidie is bij gehele of gedeeltelijke intrekking terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar.
Paragraaf 10. Toezicht
Artikel 15
1. De Minister wijst toezichthouders aan, die bevoegd zijn inlichtingen te verlangen en inzage te verlangen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
2. Zij zijn bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, zijn zij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel gedurende korte tijd mee te nemen tegen een bewijs van ontvangst.
Artikel 16
1. De door de Minister aangewezen toezichthouders zijn bevoegd elke plaats te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
2. Zij zijn bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hen zijn aangewezen, voor zover dit voor het doel van het betreden redelijkerwijs noodzakelijk is.
Paragraaf 11. Evaluatiebepaling
Artikel 17
De Minister stelt in 2000 een verslag vast over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.
Paragraaf 12. Slotbepalingen
Artikel 18
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. De Minister geeft voor het laatst in 1998 aan § 3 toepassing.
Artikel 19
Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling samenwerkingsverbanden binnenvaart.