40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 | BWBR0002517 | ministeriele-regeling | geldend | 2009-12-17 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0002517 | Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 |
Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965
Artikel 1
Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 4, tweede lid, 4c, vierde lid, 4e, 4f, 9 en 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965.
Artikel 1a
1. Voor de toepassing van de artikelen 4, tweede lid, en 10, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.
2. Voor de toepassing van artikel 10, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als in dat lid bedoelde staat aangewezen: elke staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarmee Nederland in lijn met de internationale standaard op het gebied van informatie-uitwisseling gegevens kan uitwisselen.
Artikel 1aa
1.
Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van de inkoop, of in een of meer van de zeven daaraan voorafgaande jaren onder algemene titel vermogen heeft verkregen in het kader van een juridische fusie:
a. a. worden voor de toepassing van artikel 4c, eerste lid, aanhef, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de inkopen van aandelen die door de verdwijnende rechtspersoon volgens artikel 4c van die wet zijn gedaan in het jaar van inkoop voor het fusietijdstip en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht te zijn gedaan door de inhoudingsplichtige; b. b. wordt voor de toepassing van artikel 4c, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 het contante dividend dat door de verdwijnende vennootschap is uitgekeerd in het jaar van inkoop voor het fusietijdstip en in de zeven daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht te zijn uitgekeerd door de inhoudingsplichtige.
2.
Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van inkoop of in een of meer van de zeven daaraan voorafgaande kalenderjaren onder algemene titel vermogen heeft verkregen in het kader van een juridische splitsing:
a. a. worden, voor de toepassing van artikel 4c, eerste lid, aanhef, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de inkopen van aandelen die door de splitsende rechtspersoon volgens artikel 4c van die wet zijn gedaan in het jaar van inkoop voor het splitsingstijdstip en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht voor een evenredig gedeelte te zijn gedaan door de inhoudingsplichtige en worden in geval van een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, deze inkopen door de splitsende rechtspersoon in dezelfde mate geacht te zijn verminderd; b. b. wordt voor de toepassing van artikel 4c, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 het contante dividend dat door de splitsende rechtspersoon is uitgekeerd in het jaar van inkoop voor het splitsingstijdstip en in de zeven daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht in die jaren voor een evenredig gedeelte te zijn uitgekeerd door de inhoudingsplichtige en wordt in geval van een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, het contante dividend dat door de splitsende rechtspersoon is uitgekeerd, geacht in dezelfde mate te zijn verminderd.
3.
Indien een inhoudingsplichtige die aandelen inkoopt, in het jaar van de inkoop of in de zeven voorafgaande jaren in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vermogen heeft verkregen van een rechtspersoon (overdrager):
a. a. worden, voor de toepassing van artikel 4c, eerste lid, aanhef, van de Wet op de dividendbelasting 1965 de inkopen van aandelen die door de overdrager volgens artikel 4c van die wet zijn gedaan in het jaar van inkoop voor het overgangstijdstip en in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht voor een evenredig gedeelte te zijn gedaan door de inhoudingsplichtige en worden deze inkopen door de overdrager waarvan het vermogen wordt verkregen, geacht in dezelfde mate te zijn verminderd; b. b. wordt voor de toepassing van artikel 4c, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 het contante dividend dat door de overdrager is uitgekeerd in het jaar van inkoop voor het overgangstijdstip en in de zeven daaraan voorafgaande kalenderjaren, geacht voor een evenredig gedeelte te zijn uitgekeerd door de inhoudingsplichtige en wordt het contante dividend dat door de overdrager is uitgekeerd, geacht in dezelfde mate te zijn verminderd.
4. De vorige leden zijn niet van toepassing indien, in geval van een juridische fusie, een juridische splitsing of een bedrijfsfusie in de zin van artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het nominaal gestorte kapitaal in respectievelijk de verdwijnende rechtspersoon, de splitsende rechtspersoon of de overdrager, in het jaar van inkoop of in de vier daaraan voorafgaande kalenderjaren is vergroot anders dan in situaties als genoemd in artikel 4c, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de dividendbelasting 1965.
5.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een evenredig gedeelte verstaan:
a. a. voor de toepassing van het tweede lid: een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding op het splitsingstijdstip tussen de waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon die overgaan op de inhoudingsplichtige en de waarde in het economische verkeer van het gehele vermogen van de splitsende rechtspersoon; b. b. voor de toepassing van het derde lid: een gedeelte dat evenredig is aan de verhouding op het overgangstijdstip tussen de waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen van de overdrager die worden verkregen door de inhoudingsplichtige en de waarde in het economische verkeer van het gehele vermogen van de overdrager.
6. De correctie met een inflatiebijstelling, bedoeld in artikel 4c, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965, vindt plaats door het bedrag van het uitgekeerde dividend in een voorafgaand kalenderjaar te vermenigvuldigen met het produkt van de tabelcorrectiefactoren, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van het op dat jaar volgende jaar tot en met het jaar waarin de inkoop plaatsvindt.
Artikel 1ab
Op grond van artikel 4e van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat hij met betrekking tot dat dividend een verzoek zal doen om toepassing van artikel 4.12a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 1ac
Op grond van artikel 4f van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat met betrekking tot dat dividend sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de Invorderingswet 1990.
Artikel 1b
De in artikel 9, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 bedoelde dividendnota houdt in:
a. a. de naam en het adres van degene die de dividendnota uitreikt; b. b. de naam en het adres van de rechthebbende; c. c. de dag waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld; d. d. de omschrijving en het bedrag van de opbrengst; e. e. de ingehouden belasting over de totale in de dividendnota begrepen opbrengst.
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
1. Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 januari 1966.
2. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965.
Bijlage
Vervallen
Bijlage A
Vervallen
Bijlage B
Vervallen