rijk/ministeriele-regeling/uitvoeringsregeling-bouwstoffenbesluit/BWBR0009345
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit BWBR0009345 ministeriele-regeling geldend 2005-11-19 https://wetten.overheid.nl/BWBR0009345 Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit

Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit

Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen

Artikel 1.1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

2. Waar in het besluit of in deze regeling wordt verwezen naar een NEN, ontwerp-NEN, NVN of ontwerp-NVN, wordt van die norm de uitgave bedoeld, die is aangegeven in bijlage A.

Hoofdstuk 2. De bepaling of een materiaal een bouwstof is

Artikel 2.1

De bepaling van de totaalgehalten aan silicium, calcium en aluminium in een materiaal dat is bestemd om in een werk te worden gebruikt, ter bepaling of dat materiaal als bouwstof kan worden aangemerkt, vindt als volgt plaats:

a. a. de monsterneming vindt zodanig plaats dat het monster representatief is voor het te onderzoeken materiaal, voor de monsternemingsstrategie geldt het bepaalde in bijlage B. b. b. de ontsluiting van het monster alsmede de analyse van silicium, calcium en aluminium in het monster worden uitgevoerd overeenkomstig ASTM D 3682-91 (uitgave van de American Society for Testing and Materials, 1991), met dien verstande dat de berekening van de massa's van genoemde stoffen in afwijking van de paragrafen 9.5, 10.5 en 12.5 van ASTM D 3682-91, plaats vindt overeenkomstig bijlage B.

Hoofdstuk 3. De bepaling of een bouwstof een vormgegeven bouwstof is

Paragraaf 3.1. Volume van de kleinste eenheid

Artikel 3.1.1

De bepaling van het volume van de kleinste eenheid van een bouwstof vindt plaats op basis van de afmetingen dan wel door middel van een zeefproef.

Artikel 3.1.2

1.

De bepaling op basis van de afmetingen vindt als volgt plaats:

a. a. het volume wordt bepaald uit de daarvoor kenmerkende afmetingen van de bouwstof zoals lengte, breedte, hoogte en straal; b. b. volumina van holten en gaten in het oppervlak van de eenheid worden in mindering gebracht; c. c. afmetingen worden in hele centimeters bepaald en afgerond naar beneden.

2.

Indien het overeenkomstig het eerste lid berekende volume kleiner is dan 100 cm³, maar groter is dan 50 cm³, dient het volume nader te worden bepaald door onderdompeling van het element in water op de wijze zoals aangegeven in NEN 5186. Voor de finale berekening van het volume wordt dan als formule gehanteerd:

V = 1000 * m _2 - m_1
f (3.1)

waarbij:

V = volume van het element, in m³
m _1 = de schijnbare massa onder water bedoeld in NEN 5186 van het element, in g
m _2 = de massa van het vochtige proefstuk, in g
f = de dichtheid van water, in kg/m³, bij de beproevingstemperatuur van het waterbad.

Artikel 3.1.3

1.

De bepaling door middel van een zeefproef vindt als volgt plaats:

a. a. de monsterneming vindt plaats overeenkomstig ontwerp-NEN 7300; b. b. voor de monsternemingsstrategie geldt het bepaalde in bijlage C.

2.

Een bouwstof wordt op grond van de resultaten van een bepaling van de korrelverdeling door middel van een zeefproef aangemerkt als bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste 50 cm⁳, indien het korrelverdelingsdiagram van een monster van die bouwstof, vastgesteld door zeving volgens NEN 5181, voldoet aan onderstaande waarden:

op zeef massapercentage (m/m) op zeef
NEN 5181 - 90 mm ten minste 10%
NEN 5181 - 63 mm ten minste 40%
NEN 2560 - C 45 mm ten minste 65%
NEN 2560 - C 31,5 mm ten minste 90%
NEN 2560 - C 16 mm ten minste 95%

waarin:

a. a. ⁲ en C de in de betreffende NEN gehanteerde symbolen zijn voor de aard van de zeven met vierkante maasopeningen, en b. b. na de symbolen de lengte van de zijden van de openingen aangegeven is.

Paragraaf 3.2. Duurzame vormvastheid

Artikel 3.2.1

Een bouwstof wordt als niet-duurzaam vormvast aangemerkt indien:

a. a. die bouwstof in de betreffende toepassing volgens de in bijlage D opgenomen lijst als niet-duurzaam vormvast is aangemerkt, of b. b. die bouwstof weliswaar volgens de in bijlage D opgenomen lijst niet als niet-duurzaam vormvast wordt aangemerkt, maar in een diffusieproef, uitgevoerd overeenkomstig bijlage E, gedurende 64 dagen meer massaverlies vertoont dan:

      1500 g/m² voor lichtgebonden steenmengsels voor wegfunderingen, beproefd direct na een verhardingstijd van 28 dagen, of 500 g/m² voor lichtgebonden steenmengsels, beproefd direct na een verhardingstijd van 91 dagen (verharding bij 20 ± 1°C en bij een relatieve vochtigheid van tenminste 90%), dan wel
    
    
      30 g/m² voor andere materialen.
  • 1500 g/m² voor lichtgebonden steenmengsels voor wegfunderingen, beproefd direct na een verhardingstijd van 28 dagen, of 500 g/m² voor lichtgebonden steenmengsels, beproefd direct na een verhardingstijd van 91 dagen (verharding bij 20 ± 1°C en bij een relatieve vochtigheid van tenminste 90%), dan wel
  • 30 g/m² voor andere materialen.

Hoofdstuk 4. De bepaling van de samenstelling van schone grond, bedoeld in

Artikel 4.1

1. De bepaling van de samenstelling van schone grond bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het besluit vindt plaats overeenkomstig bijlage F, hoofdstuk 1. Voorzover daarbij geen gebruik kan worden gemaakt van de in bijlage A aangegeven normen of van de VPRs wordt de bepaling van de samenstelling van grond overeenkomstig bijlage G uitgevoerd. De bepaling van de samenstelling van schone grond mag in afwijking van bijlage F, hoofdstuk 1, ook plaatsvinden met behulp van een steekproefopzet en daarbij behorende toetsing zoals beschreven in bijlage J van deze regeling.

2.

Gevallen als bedoeld in artikel 5, derde lid, onder a, van het besluit zijn:

a. a. het gebruiken van schone grond in een werk waarbij de totale hoeveelheid niet meer dan 50 m^3 bedraagt; b. b. het gebruiken van schone grond in een werk dat niet anders omvat dan de bouw van een particuliere woning, danwel van een bedrijfspand van vergelijkbare omvang.

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 7. De bepaling van de samenstelling en immissie in de bodem, als gevolg van de emissie uit categorie 1- en categorie 2- bouwstoffen en uit bijzondere categorie bouwstoffen

Paragraaf 7.1. Bepaling samenstelling en uitloging

Artikel 7.1.1

De bepaling van de samenstelling, of de uitloging van een bouwstof, bedoeld in artikel 9 van het besluit, vindt plaats overeenkomstig bijlage F, hoofdstuk 1. Voorzover daarbij geen gebruik kan worden gemaakt van de in bijlage A aangegeven normen of van de VPR's wordt de bepaling van de samenstelling van grond overeenkomstig bijlage G uitgevoerd. Indien blijkt dat de vormgegeven bouwstof diffusiebepaald is, geldt het bepaalde in §7.5.2, in alle andere gevallen geldt het bepaalde in §7.5.3.

De bepaling van de samenstelling of de uitloging mag in afwijking van bijlage F, hoofdstuk 1, ook plaatsvinden met behulp van een steekproefopzet en daarbij behorende toetsing zoals beschreven in bijlage 4 van deze regeling.

De bepaling van de samenstelling, of de uitloging van een bouwstof, bedoeld in artikel 9 van het besluit, vindt plaats overeenkomstig bijlage F, hoofdstuk 1. Voor zover daarbij geen gebruik kan worden gemaakt van de in bijlage A aangegeven normen of van de VPRs wordt de bepaling van de samenstelling van grond overeenkomstig bijlage G uitgevoerd. Indien blijkt dat de vormgegeven bouwstof diffusiebepaald is, geldt het bepaalde in §7.5.2, in alle andere gevallen geldt het bepaalde in §7.5.3. De bepaling van de samenstelling of de uitloging mag in afwijking van bijlage F, hoofdstuk 1, ook plaatsvinden met behulp van een steekproefopzet en daarbij behorende toetsing zoals beschreven in bijlage J van deze regeling.

Paragraaf 7.2. t/m 7.4

Paragraaf 7.5. Berekening van de immissie

Paragraaf 7.5.1. Diffusiebepaaldheid

Artikel 7.5.1.1

1. De bepaling of de uitloging van een anorganische stof uit een vormgegeven bouwstof diffusie-bepaald is, vindt plaats door onderzoek van de bouwstof volgens NEN 7345, onderdelen 8.4 en 9.3.

2. De uitloging wordt ook als diffusie-bepaald aangemerkt, indien bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat van de in NEN 7345 genoemde inerte stoffen en van alle anorganische stoffen, genoemd in bijlage 2 van het besluit, geen andere afgifte dan door afspoeling plaatsvindt.

Paragraaf 7.5.2. Vormgegeven bouwstoffen waarvan de uitloging diffussiebepaald is

Artikel 7.5.2.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 7.5.2.2

1. Voor de anorganische stoffen waarvoor in NEN 7345, onderdeel 9.3, wordt verwezen naar onderdeel 9.4 van die NEN, is E_64c gelijk aan ε_64, bepaald volgens onderdeel 9.5 van NEN 7345.

2. Voor de anorganische stoffen waarvoor in NEN 7345, onderdeel 9.3, wordt verwezen naar onderdeel 9.7 van die NEN, wordt de E_τ gelijk gesteld aan ε_τ, bepaald volgens bijlage D van NEN 7345.

3. Voor de anorganische stoffen waarvan overeenkomstig NEN 7345, onderdeel 9.3, wordt bepaald dat de uitloging afspoelingsbepaald is, wordt de E_τ gelijk gesteld aan ε_τ, bepaald volgens bijlage D.2.2 van NEN 7345.

Artikel 7.5.2.3

1. De dikte van een toegepaste vormgegeven bouwstof wordt bepaald voor elk deel van de constructie waarin het materiaal op een eenvormige wijze wordt toegepast.

2. Van elk deel wordt de gemiddelde dikte bepaald, zoals aangebracht in het werk. De dunste lagen in de constructie worden gesteld op 0,10 m.

3. De hoogte wordt steeds berekend over oppervlakken van niet meer dan 10³ m².

4. De dikte wordt gemeten loodrecht op het oppervlak van de grootste vlakke of gebogen zijde van het materiaal die door regen-, oppervlakte- of grondwater kan worden bevochtigd.

5. De dikte wordt uitgedrukt in m, afgerond op twee decimalen na de komma, en bedraagt minimaal 0,10 m.

Artikel 7.5.2.4

1.

De factor fv wordt voor SO4, Cl en Br bepaald met de volgende formule:

fv = 2 , 4 * fbev * fiso (7.1)

2.

De factor f_v wordt voor de overige anorganische stoffen van bijlage 2 van het besluit bepaald met de formule:

fv = 15 fbev * fiso (7.2)

Artikel 7.5.2.5

1. a. a. Indien de uitloging is berekend volgens artikel 7.5.2.2, eerste lid, wordt de immissie van de anorganische stoffen in de bodem als gevolg van de emissie van een vormgegeven bouwstof waarvan de uitloging diffusiebepaald is, berekend met de volgende formule:

                *Ib. V* = 
            
            
              
                E64d*
                *ftemp* * *fv*
            
            
              
                **(7.3)**

b. b. Indien er snelle uitputting of geringe uitloogbaarheid wordt verwacht mag ook gebruik worden gemaakt van de volgende formule:

                *Ib. V* = 
            
            
              
                Ubes*
                *p* * *d*
            
            
              
                **(7.4)**

2.

Indien de uitloging is berekend volgens artikel 7.5.2.2, tweede of derde lid, wordt de in het eerste lid bedoelde immissie als volgt berekend:

a. a. voor SO4, Cl en Br wordt de immissie berekend met de volgende formule:

                *Ib. V* = 
            
            
              
                ET*
                *f*
                _temp * *√fbev * fiso*
            
            
              
                **(7.5)**

b. b. voor de overige anorganische stoffen van bijlage 1 van het besluit wordt de immissie berekend met de volgende formule:

                *Ib. V* = 
            
            
              
                ET*
                *f*
                _temp * 15/24 * *√fbev * fiso*
            
            
              
                **(7.6)**
              
            
          
        
      
    
    waarbij T = 365 voor de berekening van de emissie van SO4, Cl en Br, en _Τ = 36500 voor de overige anorganische stoffen, genoemd in bijlage 2 van het besluit.

Artikel 7.5.2.6

In de diffusieproef, die nodig is om E_64d te bepalen, wordt de diffusie-coëfficiënt van de proefstukken bepaald uitsluitend aan de hand van de oppervlakken van de bouwstof zoals die in de betreffende toepassing van die bouwstof worden toegepast.

Artikel 7.5.2.7

Bouwstoffen die worden gevormd door verharding van een mengsel van diverse grondstoffen en bindmiddelen, worden in de diffusieproef niet eerder dan 28 dagen na verharding onderzocht.

Paragraaf 7.5.3. Niet-vormgegeven bouwstoffen en vormgegeven bouwstoffen waarvan de uitloging niet-diffusiebepaald is

Artikel 7.5.3.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

A: correctie voor de uitloging van een bouwstof in het laboratorium en de uitloging in de praktijk in mg/kg, waarvan de waarde is af te lezen uit de tabel in artikel 7.5.3.2;

κ: constante, die een maat is voor de snelheid van uitloging, waarvan de waarde is af te lezen uit de tabel in artikel 7.5.3.2;

E _L/S=10: cumulatieve uitloging van een bouwstof door percolatie tot L/S=10, bepaald in het laboratorium volgens NEN 7340 en berekend volgens NEN 7373, hoofdstuk 9, uitgedrukt in mg/kg. Indien in één of meer eluaatfracties de gemeten waarde lager is dan de bepalingsgrens, bepaald volgens NEN 7320, wordt de ondergrens van de cumulatieve uitloging berekend volgens NEN 7373;

E_L/S=y: cumulatieve uitloging van een bouwstof door percolatie zoals beschreven bij E_ L/S=10 maar waarbij door slechte doorlatendheid van het materiaal in een periode van ten hoogste 28 dagen een geringere hoeveelheid percolaat wordt verkregen zodat y kleiner is dan 10, maar groter dan 2 of gelijk aan 2;

h: hoogte waarin de bouwstof in het werk wordt aangebracht;

f _ext.n: factor voor extrapolatie van de uitloging van niet-vormgegeven bouwstoffen en vormgegeven bouwstoffen waarvan de uitloging niet-diffussiebepaald is, bij een kort durende laboratoriumproef naar de uitloging over 100 jaar, voor toepassingen met isolatiemaatregelen en zonder isolatiemaatregelen;

e: grondtal voor de natuurlijke logaritme, zijnde 2, 718281828;

N _i: effectieve infiltratie in mm/jaar;

t: tijd in jaren;

I _b.N: berekende immissie van een niet-vormgegeven bouwstof in de bodem als gevolg van het gebruik ervan in mg/m^2.100j.

Artikel 7.5.3.2

Voor de bepaling van de termen a en κ wordt de volgende tabel gehanteerd:

Artikel 7.5.3.3

1. De hoogte van een toegepaste niet-vormgegeven bouwstof wordt bepaald voor elk deel van een werk waarin het materiaal op een eenvormige wijze wordt toegepast.

2. Van elk deel wordt de gemiddelde hoogte bepaald, zoals aangebracht in het werk. De dunste lagen in de constructie worden gesteld op 0,20 m.

3. De hoogte wordt berekend over aaneensluitende hoeveelheden materiaal over een oppervlak van niet meer dan 2.000 m^2.

4. Indien verschillende lagen van eenzelfde soort materiaal boven elkaar worden aangebracht, al of niet gescheiden door lagen van een ander materiaal, is h gelijk aan de som van de aangebrachte hoogtes van eerstbedoeld materiaal.

5. Indien voor de verschillende lagen als bedoeld in het vierde lid verschillende waarden voor E_L/S=10 zijn vastgesteld, geldt de hoogste van deze waarden voor de berekening van de immissie.

6. De hoogte wordt bepaald loodrecht op het aardoppervlak.

7. De kleinste in de berekening in te voeren hoogte is 0,20 m.

8. De hoogte wordt uitgedrukt in m, afgerond op twee decimalen na de komma.

Artikel 7.5.3.4

De factor voor extrapolatie van de uitloging (f_ext.n) wordt bepaald met de volgende formule:

Waarbij:

N _i: voor gebruik van categorie 1-bouwstoffen wordt gesteld op 300 mm/jaar en voor gebruik van categorie 2-bouwstoffen wordt gesteld op 6 mm/jaar;

t: voor chloride, sulfaat en bromide wordt gesteld op 1 jaar, en voor de overige stoffen wordt gesteld op 100 jaar;

1550: de standaard, in dit artikel en in artikel 7.5.3.5, in te vullen waarde voor de dichtheid van bouwstoffen in kg/m^3; voor materialen met een lage dichtheid mag hier de dichtheid van het materiaal zoals aangebracht en verdicht in het werk worden ingevuld.

Artikel 7.5.3.5

De immissie van de anorganische stoffen in de bodem als gevolg van de emissie uit een niet-vormgegeven bouwstof of een vormgegeven bouwstof waarvan de uitloging niet-diffusiebepaald is, wordt berekend met de volgende formule:

Indien de bereikte L/S-waarde kleiner is dan 10 maar groter dan 2 of gelijk aan 2, dient voorafgaand aan de berekening van de immissie, de bepaalde E_L/S=y te worden omgerekend naar E_L/S=10 met de volgende formule:

Waarbij:

y: het quotiënt van het cumulatieve volume percolaat en de massa van het materiaal dat aan uitloging is blootgesteld (uitgedrukt in l/kg).

Hoofdstuk 8. Nadere regels met betrekking tot de vaststelling van overschrijdingen van samenstellings- of immissiewaarden

Artikel 8.1

Voor de vaststelling van een overschrijding, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het besluit worden de samenstelling van de grond bepaald en de toetsing aan bijlage 2 van het besluit uitgevoerd door een instantie als bedoeld in artikel 5 van het besluit, overeenkomstig bijlage F, hoofdstuk 2. Voor zover daarbij geen gebruik kan worden gemaakt van de in bijlage A aangegeven normen of van de VPRs wordt de bepaling van de samenstelling van grond overeenkomstig bijlage G uitgevoerd.

Artikel 8.2

Voor de vaststelling van een overschrijding, als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van het besluit worden de samenstelling en uitloging van de bouwstof bepaald en de toetsing aan bijlage 2 van het besluit uitgevoerd door een instantie als bedoeld in artikel 9, eerste en vierde lid, van het besluit, overeenkomstig bijlage F, hoofdstuk 3. Voor zover daarbij geen gebruik kan worden gemaakt van de in bijlage A aangegeven normen of van de VPRs wordt de bepaling van de samenstelling van grond overeenkomstig bijlage G uitgevoerd.

Hoofdstuk 9. Isolatiemaatregelen en bijbehorende beheers- en controlemaatregelen bij het gebruik van categorie 2-bouwstoffen

Paragraaf 9.1. Maatregelen die moeten worden genomen voordat de bouwstof op of in de bodem wordt gebracht

Paragraaf 9.1.1. Het bepalen van de ontwerp-GHG

Artikel 9.1.1.1

De bepaling van de ontwerp-GHG door een deskundig bedrijf kan achterwege blijven, indien door dat bedrijf is vastgesteld dat de categorie 2-bouwstof:

a. a. na zetting van de bodem, op of boven het maaiveld zal liggen bij een grondwatertrap VII ter plaatse van het werk; b. b. na zetting van de bodem op ten minste 50 cm boven het maaiveld zal liggen, of c. c. zal worden toegepast in een gebied met duurzame voorzieningen ter beheersing van de grondwaterstand en door deze voorzieningen na zetting van de bodem op ten minste 50 cm boven de ontwerp-GHG zal liggen.

Artikel 9.1.1.2

1. Het deskundig bedrijf hanteert voor de bepaling van de ontwerp-GHG de “SC-buis-regressiemethode”, als beschreven in rapport 158 van het DLO-Staringcentrum, Wageningen, 1991.

2. Indien ter plaatse van het gebruiken van de bouwstof geen landbouwbuizen beschikbaar zijn als bedoeld in het in het eerste lid genoemde rapport, kan het deskundig bedrijf gegevens gebruiken afkomstig van andere peilbuizen, die voor de bepaling van de ontwerp-GHG volgens de in het eerste lid genoemde methode geschikt zijn.

3. Indien de methode, genoemd in het eerste lid, niet kan worden toegepast, bepaalt het deskundig bedrijf de ontwerp-GHG op de wijze als voorgeschreven bij en krachtens artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming.

Paragraaf 9.1.2. Het bepalen van de afstand van de bouwstof tot de ontwerp-GHG

Artikel 9.1.2.1

Bij het bepalen van de afstand van de bouwstof tot de ontwerp-GHG neemt het deskundig bedrijf in aanmerking:

a. a. bij de betreffende overheden verkrijgbare informatie over voorgenomen kunstmatige wijzigingen van de GHG; b. b. gegevens over de te verwachten invloed van het werk op de GHG, verkregen door eigen onderzoek door het bedrijf naar de hydrologische situatie ter plaatse van het gebruiken van de bouwstof, en c. c. gegevens over de te verwachten zetting van de bodem, daaronder begrepen gegevens over de primaire zetting en over het tijdstip waarop die zetting bereikt zal zijn.

Paragraaf 9.2. Maatregelen nadat het werk is aangelegd

Artikel 9.2.1

1. Het deskundig bedrijf bepaalt de GHG en de afstand van de bouwstof tot de GHG voor de eerste maal uiterlijk binnen één jaar nadat de bouwstof in het werk is aangebracht en vervolgens telkens na afloop van een periode van één jaar.

2.

Bij het verrichten van de bepalingen neemt het deskundig bedrijf in aanmerking:

a. a. gegevens van het meetnet van landbouwbuizen of van andere representatieve peilbuizen of gegevens, verkregen door eigen metingen, en b. b. bij de betreffende overheden verkrijgbare informatie over gerealiseerde kunstmatige wijzigingen van de GHG.

3. Het deskundig bedrijf stelt zich bij het verrichten van de bepalingen op de hoogte van voorgenomen kunstmatige wijzigingen van de GHG.

4. Bij de eerste bepalingen die worden uitgevoerd nadat de primaire zetting van de bodem is bereikt, bepaalt het deskundig bedrijf de feitelijke zetting.

Artikel 9.2.2

Degene die een categorie 2-bouwstof gebruikt, verstrekt op verzoek van het bevoegd gezag de gegevens, verkregen bij de laatste, overeenkomstig artikel 9.2.1 uitgevoerde bepalingen.

Paragraaf 9.3. Standaard-toepassingen en standaard-isolatiemaatregelen

Artikel 9.3.1

1.

Als wijzen van gebruik van categorie 2-bouwstoffen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van het besluit, worden aangewezen toepassingen van die bouwstoffen:

a. a. in uitsluitend een wegfundering of onder verhard terrein; b. b. in uitsluitend een belastingspreidende laag of in een wegfundering in combinatie met toepassing in een belastingspreidende laag; c. c. in een wegfundering in combinatie met toepassing in een constructieve ophoging of aanvulling; d. d. in een belastingspreidende laag en een constructieve ophoging of aanvulling, al dan niet in combinatie met toepassing in de wegfundering; e. e. in uitsluitend een constructieve ophoging of aanvulling; f. f. in een niet-constructieve ophoging of aanvulling, en g. g. in een spoorwegconstructie,

zoals nader omschreven in bijlage H (de richtlijn ibc-maatregelen), hoofdstuk 5. De in de eerste volzin bedoelde toepassingen worden hierna aangeduid als: de standaard-toepassingen van categorie 2-bouwstoffen.

2. Voor categorie 2-bouwstoffen die volgens de standaard-toepassingen van categorie 2-bouwstoffen worden gebruikt, worden aangewezen de isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen zoals aangegeven in bijlage H, hoofdstukken 6 en 9, onder het opschrift “standaard”.

Paragraaf 9.4. Niet-standaard-toepassingen en niet-standaard-isolatiemaatregelen

Artikel 9.4.1

Bij een voorgenomen gebruik van een categorie 2-bouwstof als bedoeld in artikel 14, zesde lid, van het besluit worden de in dat artikellid bedoelde gegevens overgelegd op de wijze die is aangegeven in bijlage I.

Hoofdstuk 10. Isolatiemaatregelen en bijbehorende beheers- en controlemaatregelen bij het gebruik van de bijzondere categorie avi-bodemas en het gebruik van bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat

Paragraaf 10.1. Bijzondere categorie avi-bodemas

Artikel 10.1.1

1. Als de bijzondere categorie avi-bodemas, bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van het besluit, wordt aangewezen avi-bodemas waarvan overeenkomstig paragraaf 7.5.3 en artikel 8.2 wordt vastgesteld dat deze één of meer van de immissiewaarden voor koper, molybdeen en antimoon zoals aangegeven in bijlage 2 van het besluit overschrijdt. Avi-bodemas die behoort tot de in de eerste volzin bedoelde categorie wordt hierna aangeduid als: bijzondere categorie avi-bodemas, en voor deze stoffen de immissiewaarden niet hoger zijn dan 4000 mg/m² in 100 jaar voor koper, 5000 mg/m² in 100 jaar voor molybdeen en 200 mg/m² in 100 jaar voor antimoon.

2.

Als wijzen van gebruik van bijzondere categorie avi-bodemas als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van het besluit, worden aangewezen toepassingen van die avi-bodemas:

a. a. in uitsluitend een constructieve ophoging of aanvulling; b. b. in een niet-constructieve ophoging of aanvulling; c. c. in uitsluitend een constructieve ophoging of aanvulling waarbij de isolerende kunststoffolie is doorgetrokken tot de wegverharding, en d. d. in een belastingspreidende laag en een constructieve ophoging of aanvulling, al dan niet in combinatie met toepassing in de wegfundering,

zoals nader omschreven in bijlage H, hoofdstuk 5. De in de eerste volzin bedoelde toepassingen worden hierna aangeduid als: de standaard-toepassingen van bijzondere categorie avi-bodemas.

3. Voor de bijzondere categorie avi-bodemas die volgens één van de standaard-toepassingen van bijzondere categorie avi-bodemas wordt gebruikt, worden aangewezen de isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen zoals aangegeven in bijlage H, hoofdstukken 7 en 9, onder het opschrift “standaard”.

4. Bij het gebruik van de bijzondere categorie avi-bodemas zijn de paragrafen 9.1 en 9.2 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 10.2. Bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat

Artikel 10.2.1

1. Als wijze van gebruik van een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van het besluit, wordt aangewezen de toepassing van die bouwstof als wegfundering, zoals nader omschreven in bijlage H, hoofdstuk 5. De in de eerste volzin bedoelde toepassing wordt hierna aangeduid als: standaard-toepassing van een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat.

2. Voor een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat die volgens de standaard-toepassing van een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat wordt gebruikt, worden aangewezen de isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen zoals aangegeven in bijlage H, hoofdstukken 8 en 9, onder het opschrift “standaard”.

3. Bij het gebruik van een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat zijn de paragrafen 9.1 en 9.2 van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 10.3. Niet-standaard toepassingen en niet standaard-isolatiemaatregelen

Artikel 10.3.1

Bij een voorgenomen gebruik van bijzondere categorie avi-bodemas of een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat als bedoeld in artikel 14, zesde lid, van het besluit worden de in dat artikellid bedoelde gegevens overgelegd op de wijze die is aangegeven in bijlage I.

Hoofdstuk 11

Hoofdstuk 12. Overige bepalingen

Paragraaf 12.1. Aanwijzing merkteken

Artikel 12.1.1

Vervallen

Paragraaf 12.2. Overzicht erkende kwaliteitsverklaringen

Artikel 12.2.1

1. Mededeling van de opstelling van het in artikel 28, eerste lid, van het besluit bedoelde overzicht wordt voor de eerste maal gedaan, niet later dan vier weken na het tijdstip waarop een voor een bouwstof afgegeven kwaliteitsverklaring is erkend.

2. Mededeling van de opstelling van een wijziging van het in artikel 28, eerste lid, van het besluit bedoelde overzicht of van een bijgesteld overzicht wordt gedaan vóór 1 april en vóór 1 oktober van elk kalenderjaar.

3. Een mededeling als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt gedaan in de Staatscourant.

Paragraaf 12.3. Termijnen voor een afwijkend regime voor bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat en voor de bijzondere categorie avibodemas

Artikel 12.3.1

1. Voor een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat is ten aanzien van de in die bouwstof aanwezige polycyclische aromaten, tot 1 januari 2001 het in artikel 7, eerste lid, van het besluit gestelde verbod niet van toepassing.

2. Ten aanzien van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat die voor 1 januari 2001 in een werk is aangebracht blijft dit verbod voor wat betreft het houden van die bouwstof in dat werk niet van toepassing tot het tijdstip waarop het deel van het werk waarvan die bouwstof deel uitmaakt, wordt verwijderd.

Artikel 12.3.2

1. Voor de bijzondere categorie avi-bodemas is tot 1 januari 2008 artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van het besluit niet van toepassing.

2. Voor de bijzondere categorie avi-bodemas die voor 1 januari 2008 in een werk is aangebracht blijft dit verbod voor wat betreft het houden van die bodemas in dat werk niet van toepassing tot het tijdstip waarop het deel van het werk waarvan die bodemas deel uitmaakt, wordt verwijderd.

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Artikel 13.1

De Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit van 6 december 1995 (Stcrt. 1995, 247) wordt ingetrokken.

Artikel 13.2

De hoofdstukken 1, 2, 4, 8 en 13 van deze regeling treden in werking met ingang van 1 februari 1998. De hoofdstukken 3, 5, 6, 7, 9, 10, 11 en 12 van deze regeling treden in werking met ingang van 1 januari 1999.

Artikel 13.3

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit.

Deze regeling zal met de toelichting in een supplement bij de Staatscourant worden geplaatst.

Bijlage A. behorende bij

In het besluit en in de Uitvoeringsregeling wordt verwezen naar de volgende normen.

Overige meetvoorschriften inzake bepaling van stoffen die in de handhavingprotocollen en op andere plaatsen in de Uitvoeringsregeling zijn genoemd.

Bijlage B. , behorende bij artikel 2.1, van de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit: Bepalen of een materiaal een bouwstof is.

De monsterneming wordt uitgevoerd volgens NEN 7300, NVN 7301, NVN 7302 of NVN 7303. In deze bijlage zijn nadere aanwijzingen gegeven ten aanzien van de toepassing van deze NEN en NVN's.

Er is geen maximale partijgrootte gedefinieerd waaruit moet worden bepaald of een materiaal een bouwstof is. Wel moet de te bemonsteren partij materiaal overeenkomstig NVN 7302 of NVN 7303 (beiden hoofdstuk 6) worden gedefinieerd. Voor statische partijen moet ook de plaats worden vastgelegd waar het materiaal aanwezig is en de ruimtelijke positionering m.b.v. x, y en z-coördinaten. Voor een materiaalstroom moet o.a. de aanvangs- en eindtijd worden bepaald evenals de transportsnelheid en de bandbelading.

Het aantal grepen dat wordt genomen is 12. Het aantal mengmonsters dat wordt onderzocht is 3. Het aantal grepen dat wordt samengevoegd in een mengmonster is gelijk aan 4.

De monsterneming kan worden uitgevoerd vanuit een statische partij of vanuit een materiaalstroom. Aanwijzingen hiervoor staan in NVN 7301, NVN 7302 of NVN 7303. “Methodisch afgesproken monsterneming” volgens hoofdstuk 7.3 van NVN 7302 is niet toegestaan.

Elke greep wordt individueel verpakt volgens NVN 7311.

Monsteropslag en -conservering worden uitgevoerd overeenkomstig NEN 7310 en NVN 7311.

Bepaal welke van de grepen per mengmonster worden samengevoegd. De mengmonsters worden, indien nodig, gedroogd bij 40°C volgens NVN 7312. Vervolgens wordt het volledig gedroogde mengmonster vermalen tot een maximale deeltjesgrootte van 250 μm. Hierbij wordt de werkwijze van hoofdstuk 7.6.3 “Verkleinen tot deeltjes kleiner dan 125 μm” van NVN 7312 toegepast. Deze verkleining vindt plaats met een kruisslagmolen, waarbij in plaats van een zeef van 125 μm een zeef van 500 μm wordt toegepast. D.m.v. roterend verdelen overeenkomstig NVN 7312, hoofdstuk 7.7.2 wordt het monster verdeeld. Eén deelmonster (van minimaal 250 gram) wordt vervolgens verder vermalen tot 250 μm.

Als het te onderzoeken materiaal bestaat uit elementen of proefstukken moeten er van elk van de elementen of proefstukken stukken van tenminste 80 gram worden afgehaald. Deze moeten vervolgens worden gemalen op bovenstaande manier. Roterend verdelen hoeft niet plaats te vinden.

Volg verder de procedure, voor zo ver van toepassing, in de ASTM-norm.

De berekeningen van de massa's van aluminium (A1), calcium (Ca) en silicium (Si) vinden plaats overeenkomstig de onderstaande methode.

In deze bijlage wordt onder ASTM-norm verstaan de ASTM-norm D 3682-91 (uitgave van de American Society for Testing and Materials, 1991).

Rond de uitkomsten boven de bepalingsgrens af volgens NPR 6598.

Van elk mengmonster wordt vervolgens het percentage aluminium, silicium, en calcium bepaald. Hiervan wordt het gemiddelde bepaald. Aan dit gemiddelde wordt getoetst of de totaalgehalten silicium, aluminium en calcium samen meer of minder is dan 10% (m/m) van het te onderzoeken materiaal.

Bijlage C. , behorende bij artikel 3.1.3, van de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit

Bijlage D. , behorende bij artikel 3.2.1, onder a, van de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit

Onderstaande lijst wordt gehanteerd ter bepaling van de duurzame vormvastheid van bouwstoffen, naast de diffusieproef "als bedoeld artikel" moet zijn "als bedoeld in artikel" 3.2.1. onder b.

Noot 1: De toetsing vindt plaats volgens de voorschriften en criteria van artikelen 52.86 81.07 en 52.87 01.05, van de Standaard RAW-bepalingen 1990 (CROW, Ede)

Bijlage E. , behorende bij artikel 3.2.1, onder b, van de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit

Bijlage F

Bijlage G. , behorende bij artikel 4.1 van de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit

Bijlage H

Bijlage I. , behorende bij

Bij de kennisgeving van een voorgenomen gebruik, bedoeld als in artikel 14, zesde lid (niet-standaard-toepassing), van een categorie 2-bouwstof, bijzondere categorie AVI-bodemas of een bouwstof met teerhoudend asfaltgranulaat worden de in het artikellid bedoelde gegevens overgelegd in de vorm van een puntsgewijze rapportage over de uitvoering van de volgende opdrachten.

Bijlage J. Steekproefopzet Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen