rijk/ministeriele-regeling/uitvoeringsregeling-gebruik-meststoffen/BWBR0023115
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen BWBR0023115 ministeriele-regeling geldend 2023-02-10 https://wetten.overheid.nl/BWBR0023115 Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen

Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. besluit: Besluit gebruik meststoffen; b. b. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; c. c. Raad: Raad voor Accreditatie te Utrecht; d. d. landbouwer: landbouwer als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet; e. e. bemester: apparaat in een mestaanwendsysteem waarmee drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib op of in de grond wordt gebracht; f. f. mestaanwendsysteem: het geheel van apparatuur en verbindingsonderdelen, uitgezonderd een tractor als deze niet onlosmakelijk deel uitmaakt van dit systeem, waarmee mest of zuiveringsslib vanuit een kelder of opslag op of in de grond wordt gebracht.

Artikel 2

1. De in artikel 1c van het besluit bedoelde bemonstering en analyse van de bodem waarop zuiveringsslib wordt gebruikt, wordt verricht in een frequentie van ten minste eenmaal per tien jaar, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

2. Het laboratorium verricht de bemonstering en de analyse van de bodem, overeenkomstig het in bijlage A opgenomen protocol en stelt een analyserapport op.

3.

Het analyserapport heeft een geldigheidsduur van ten hoogste tien jaar en bevat voor ieder bemonsterd perceel in ieder geval de volgende gegevens:

a. a. de naam en het adres van de landbouwer wiens percelen zijn bemonsterd; b. b. een kadastrale of topografische aanduiding van het perceel waarop de bemonstering werd verricht; c. c. de hoedanigheid en samenstelling van de bodem van het desbetreffende perceel; d. d. de naam van het onderzoekslaboratorium dat de analyse heeft verricht; e. e. de extractiedatum en analysedatum van het monster; en f. f. de resultaten van de analyses alsmede de daarop gebaseerde vaststelling dat de geanalyseerde stoffen de in bijlage III bij het besluit opgenomen toetsingswaarden al dan niet overschrijden.

4. De landbouwer tot wiens bedrijf het desbetreffende perceel behoort, bewaart een afschrift van het analyserapport gedurende tien jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de bemonstering en analyse van de bodem is verricht als onderdeel van de administratie, bedoeld in artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Artikel 2a

Het representatieve grondmonster, bedoeld in artikel 4b, vierde lid, van het besluit, wordt genomen, bemonsterd en geanalyseerd door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

Artikel 2b

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag tot accreditatie als bedoeld in de artikelen 2 en 2a.

Artikel 3

De in artikel 2a van het besluit bedoelde melding inzake het gebruik van compost bij wijze van eenmalige gift wordt gedaan bij de minister.

Artikel 3a

Als gewas als bedoeld in artikel 4, vierde lid, onderdeel b, onder 2°, van het besluit, worden groenbemesters aangewezen.

Artikel 3b

Als gewas als bedoeld in artikel 4, vierde lid, onderdeel c, van het besluit worden aangewezen de gewassen, genoemd in bijlage Ba.

Artikel 4

Als relatief stikstofbehoeftig gewas als bedoeld in artikel 4b, tweede lid, van het besluit worden aangewezen de gewassen die zijn vermeld in bijlage B.

Artikel 4a

1.

Als gewas als bedoeld in artikel 4b, derde lid, van het besluit wordt aangewezen:

Japanse haver; Tagetes erecta; Tagetes patula.

2. De gewassen, genoemd in het eerste lid, worden niet vernietigd in de periode tussen het moment van inzaaien in een jaar en 23 oktober van hetzelfde jaar.

3. Het gewas Japanse haver mag worden gemaaid ter voorkoming van zaadvorming.

Artikel 4b

Het aanwenden van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib op grasland gelegen op zand- of lössgrond is slechts toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van een bemester die volledig tot de grond gesloten is en waarmee drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in sleufjes in de grond wordt gebracht en indien:

a. a. de mest niet over de rand van de sleufjes komt, en b. b. de sleufjes een doorsnee van maximaal vijf centimeter hebben.

Artikel 4c

1.

Het aanwenden van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib op grasland gelegen op klei- of veengrond is slechts toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van een:

a. a. bemester die volledig tot de grond gesloten is en waarmee drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in sleufjes of kuiltjes in de grond wordt gebracht en indien:

        i.
        de mest niet over de rand van de sleufjes of kuiltjes komt;
      
      
        ii.
        de sleufjes een doorsnee van maximaal vijf centimeter hebben; en
      
      
        iii.
        de kuiltjes een doorsnee van maximaal vijf centimeter hebben en de afstand van het midden van de rij met kuiltjes tot de naastliggende rij met kuiltjes minimaal 15 centimeter is;

i. i. de mest niet over de rand van de sleufjes of kuiltjes komt; ii. ii. de sleufjes een doorsnee van maximaal vijf centimeter hebben; en iii. iii. de kuiltjes een doorsnee van maximaal vijf centimeter hebben en de afstand van het midden van de rij met kuiltjes tot de naastliggende rij met kuiltjes minimaal 15 centimeter is; b. b. mestaanwendsysteem met een bemester die volledig tot de grond gesloten is en waarmee met water verdunde drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in een verhouding van minimaal één volume-eenheid water op twee volume-eenheden drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in strookjes tussen het gras op de grond wordt gebracht en indien:

        i.
        het gras voordat de meststof op de grond wordt gebracht wordt opgetild of zijdelings weggedrukt,
      
      
        ii.
        de strookjes maximaal vijf centimeter breed zijn, en
      
      
        iii.
        de afstand van het midden van een strookje tot het midden van het naastliggende strookje minimaal 15 centimeter is.

i. i. het gras voordat de meststof op de grond wordt gebracht wordt opgetild of zijdelings weggedrukt, ii. ii. de strookjes maximaal vijf centimeter breed zijn, en iii. iii. de afstand van het midden van een strookje tot het midden van het naastliggende strookje minimaal 15 centimeter is.

2.

Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, is het gebruik van een mestaanwendsysteem als bedoeld in dat onderdeel alleen toegestaan indien de gebruiker van het perceel waarop het mestaanwendsysteem wordt toegepast:

a. a. het gebruik van dat systeem jaarlijks voorafgaand aan het eerste gebruik op een perceel van zijn bedrijf meldt aan de Minister, en b. b. desgevraagd bij controle door een toezichthouder aannemelijk kan maken dat bemesting telkens geschiedt overeenkomstig de in dat onderdeel voorgeschreven verhouding van water en drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib.

3. Bij een landbouwer die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 25a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, is onverminderd het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid het gebruik van een mestaanwendsysteem als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, op de tot het bedrijf van die landbouwer behorende oppervlakte landbouwgrond alleen toegestaan, indien de buitentemperatuur op het perceel waar de drijfmest wordt aangewend lager is dan 20° Celsius.

4. De buitentemperatuur, bedoeld in het derde lid, is de op het moment van gebruik laatst beschikbare tien-minutenwaarde van de gemeten temperatuur die het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut voor de weerstationregio waar het perceel in valt heeft uitgevaardigd in een algemeen weerbericht, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet taken meteorologie en seismologie. Indien een perceel op de grens ligt van weerstationregios geldt de laagste door de desbetreffende weerstations gemeten waarde.

5. Een weerstationregio, bedoeld in het vierde lid, is de door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut bepaalde regio waarvoor de temperatuurwaarden gelden die het in die regio gelegen weerstation van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut meet. Het kaartje met de door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut bepaalde weerstationregios is beschikbaar op de internetpagina van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (www.nvwa.nl).

6. Indien blijkt dat het weerstation van de weerstationregio waar het perceel in valt door storing of andere oorzaak geen tien-minutenwaarden beschikbaar stelt, wordt in afwijking van het vierde lid, eerste volzin, uitgegaan van de op het moment van gebruik laagste laatst beschikbare tien-minutenwaarde geldend in een aangrenzende weerstationregio.

Artikel 4d

Het aanwenden van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib op bouwland of niet-beteelde grond is slechts toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van een bemester die volledig tot de grond gesloten is en waarmee de drijfmest of het vloeibare zuiveringsslib in één werkgang en met dezelfde machine op of in de grond wordt gebracht en indien:

a. a. bij aanwenden in de grond:

      i.
      drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib uitsluitend in sleufjes in de grond wordt gebracht, waarbij de sleufjes niet breder zijn dan 5 centimeter en op niet-beteelde grond minimaal 5 centimeter diep zijn, of
    
    
      ii.
      drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib na in de grond te zijn gebracht zodanig door de grond wordt gemengd, dat de drijfmest of het vloeibare zuiveringsslib als zodanig niet meer zichtbaar is.

i. i. drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib uitsluitend in sleufjes in de grond wordt gebracht, waarbij de sleufjes niet breder zijn dan 5 centimeter en op niet-beteelde grond minimaal 5 centimeter diep zijn, of ii. ii. drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib na in de grond te zijn gebracht zodanig door de grond wordt gemengd, dat de drijfmest of het vloeibare zuiveringsslib als zodanig niet meer zichtbaar is. b. b. bij aanwenden op de grond de drijfmest of het vloeibare zuiveringsslib direct na op de grond te zijn gebracht en ondergewerkt zodanig met grond wordt afgedekt of intensief door de grond wordt gemengd, dat de drijfmest of het vloeibare zuiveringsslib als zodanig niet meer zichtbaar is.

Artikel 4e

Het aanwenden van vaste mest of steekvast zuiveringsslib op bouwland of niet-beteelde grond is slechts toegestaan indien dit in maximaal twee direct opeenvolgende werkgangen op de grond wordt gebracht en ondergewerkt, op zodanige wijze dat de vaste mest of het steekvaste slib direct na op de grond te zijn gebracht zodanig met grond wordt afgedekt of intensief door de grond wordt vermengd, dat de vaste mest of het steekvaste zuiveringsslib als zodanig niet meer zichtbaar is.

Artikel 5

1. Als gewas als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, onderdeel a, van het besluit worden aangewezen de gewassen, genoemd in bijlage C.

2. Als gewas als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, van het besluit, worden aangewezen spelt, triticale, wintergerst, winterrogge en wintertarwe.

Artikel 5a

Als gewas als bedoeld in artikel 8b, eerste lid, van het besluit worden aangewezen de gewassen, genoemd in bijlage D.

Artikel 6

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen.

Artikel 7

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.

Bijlage A. behorend bij

Bijlage B. behorende bij

Relatief stikstofbehoeftige gewassen:

Aardbei

Aardappelen

Acidanthera

Andijvie

Anemone coronaria

Augurk

Bleek- en groenselderij

Bloemkool

Boerenkool

Broccoli

Buitenbloemen

Chinese kool

Courgette

Fritillaria imperialis

Gladiool

Gras

Graszaad

Graszoden

Iris

Japanse haver

Hyacint

Karwij

Knolbegonia

Knolselderij

Knolvenkel

Koolraap

Koolrabi

Koolzaad

Krokus

Kroten

Kruiden

Laanbomen: opzetters

Landbouwstambonen

Lelie

Maïs

Meloen

Muscari

Narcis

Paksoi

Plantui, 2e jaars

Pompoen

Prei

Raapstelen

Rabarber

Rode kool

Savooiekool

Schorseneren

Sla

Spinazie

Spitskool

Spruitkool

Stam- en stokbonen

Suikerbiet

Suikermaïs

Tagetes, mits geteeld uiterlijk 16 juli

Triticale

Tulp

Vaste planten

Venkel

Voederbiet

Wintergerst

Winterrogge

Wintertarwe

Winterui

Witte kool

Zaaiui

Zomertarwe

Bijlage Ba. behorend bij

Bijlage C. behorende bij

Gewassen die op zand- en lössgronden direct aansluitend na de teelt van maïs en uiterlijk op 1 oktober worden geteeld:

gras

winterrogge

bladkool

bladrammenas

wintertarwe

wintergerst

triticale

Japanse haver

Bijlage D. behorend bij