rijk/ministeriele-regeling/uitvoeringsregeling-inlenersaansprakelijkheid/BWBR0009700
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid BWBR0009700 ministeriele-regeling geldend 1998-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0009700 Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid

Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid

Artikel 1

1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 34, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 en 16a, tiende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

2. In deze regeling wordt hierna verstaan onder:

Artikel 2

De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut verlenen hun medewerking aan het tot stand komen van een g-rekeningovereenkomst slechts op schriftelijk verzoek van de uitlener en mits die uitlener zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel dan wel, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven.

Artikel 3

De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut weigeren hun medewerking aan het tot stand komen van een g-rekeningovereenkomst indien:

a. a. met de uitlener reeds een g-rekeningovereenkomst is gesloten, tenzij deze aannemelijk maakt dat het gebruik maken van meer dan één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is; b. b. gegronde vrees bestaat dat onjuist gebruik van de g-rekening zal worden gemaakt.

Artikel 4

Het oorspronkelijke, door alle in artikel 1, tweede lid, onderdeel m, bedoelde partijen getekende, exemplaar van de g-rekeningovereenkomst wordt door de in dat onderdeel bedoelde kredietinstelling bewaard zolang de g-rekening in stand blijft, doch in ieder geval gedurende zeven jaren. De instelling verschaft de andere partijen een kopie daarvan. Met betrekking tot de eerste volzin is artikel 52, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

Een betaling die wordt verricht op een g-rekening wordt voor de toepassing van de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet slechts in aanmerking genomen voorzover:

a. a. de factuur welke de uitlener ter zake van de door hem aan de inlener geleverde prestatie of prestaties heeft doen toekomen voldoet aan de eisen welke de Wet op de omzetbelasting 1968 daaraan stelt alsmede de vermelding bevat van het tijdstip waarop de overeenkomst is gesloten ingevolge welke de uitlener de gefactureerde prestatie of prestaties heeft verricht, voorzover aanwezig tevens van het nummer of kenmerk van die overeenkomst, en van het tijdvak of de tijdvakken waarin de uitlener de gefactureerde prestatie of prestaties heeft verricht; b. b. die betaling vergezeld gaat van de vermelding van het nummer van de desbetreffende factuur, voorzover toepasselijk tevens van een ander onderscheidend op die factuur vermeld kenmerk, welk nummer, of welk nummer en aanvullend kenmerk tezamen, een uniek identificatiegegeven vormt waarmee die factuur terstond of vrijwel terstond kan worden teruggevonden in de administratie van de inlener; c. c. de administratie van de inlener voorts zodanig is ingericht en zodanig wordt gevoerd dat daarin terstond of vrijwel terstond tevens kan worden teruggevonden:

      1º.
      de overeenkomst of de inhoud daarvan, ingevolge welke de uitlener de in onderdeel a bedoelde prestatie of prestaties heeft verricht;
    
    
      2º.
      gegevens inzake de nakoming van die overeenkomst met inbegrip van, naar de eisen van het bedrijf van de inlener, een registratie van de personen die zijn ingeleend en van de dagen waarop en de uren gedurende welke die personen werkzaamheden hebben verricht in verband waarmee voor de inlener aansprakelijkheid bestaat ingevolge de artikelen 34 van de Invorderingswet en 16a van de Coördinatiewet;
    
    
      3º.
      de betalingen die in verband met de nakoming van vorenbedoelde overeenkomst zijn gedaan.

1º. 1º. de overeenkomst of de inhoud daarvan, ingevolge welke de uitlener de in onderdeel a bedoelde prestatie of prestaties heeft verricht; 2º. 2º. gegevens inzake de nakoming van die overeenkomst met inbegrip van, naar de eisen van het bedrijf van de inlener, een registratie van de personen die zijn ingeleend en van de dagen waarop en de uren gedurende welke die personen werkzaamheden hebben verricht in verband waarmee voor de inlener aansprakelijkheid bestaat ingevolge de artikelen 34 van de Invorderingswet en 16a van de Coördinatiewet; 3º. 3º. de betalingen die in verband met de nakoming van vorenbedoelde overeenkomst zijn gedaan.

Artikel 6

Indien een inlener een arbeidskracht inleent van een natuurlijke of rechtspersoon die niet de werkgever of de inhoudingsplichtige voor de loonbelasting is van deze arbeidskracht, doch die inlener niet weet of behoort te weten dat dit het geval is, worden de betalingen van die inlener op de g-rekening van die persoon voor de toepassing van de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet in aanmerking genomen als waren zij verricht op de g-rekening van de uitlener.

Artikel 7

Een betaling ten laste van het saldo van een g-rekening aan een ander dan de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut wordt niet aangemerkt als een betaling welke in mindering komt op het bedrag aan loonbelasting en - voorzover toepasselijk - omzetbelasting, onderscheidenlijk premie, waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet.

Artikel 8

1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut zijn beide bevoegd, mits handelende voor gezamenlijke rekening, over te gaan tot uitwinning van het te hunnen behoeve op het saldo van de g-rekening gevestigde pandrecht, alsmede jegens de bij een betaling ten laste van een g-rekening naar een andere g-rekening betrokken rekeninghouders dan wel andere betrokkenen actie te ondernemen wegens wanprestatie of onrechtmatige daad, of welke andere actie dan ook, teneinde de gevolgen van een onjuist gebruik van de g-rekening ongedaan te maken of te compenseren.

2.

De met toepassing van het eerste lid ontvangen gelden worden, nadat eventuele aan derden te vergoeden kosten inzake de in het eerste lid bedoelde acties hierop in mindering zijn gebracht, tussen de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut verdeeld naar rato van ieders vorderingen inzake de loon- en omzetbelasting, onderscheidenlijk premie, waarvoor aansprakelijkheid bestaat, met dien verstande dat:

a. a. de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut in daartoe aanleiding gevende gevallen een afwijkende verdeling overeen kunnen komen, en b. b. een eenmaal toegepaste verdeling kan worden herzien indien later bekend wordende gegevens redelijkerwijs tot herziening aanleiding geven.

Artikel 9

1. Indien de aansprakelijkheid zowel loonbelasting en, voorzover toepasselijk, omzetbelasting als premie betreft, is zowel de ontvanger als het Uitvoeringsinstituut bevoegd, ieder voor de uit eigen hoofde van de inlener ingevolge diens aansprakelijkheid te vorderen belasting, onderscheidenlijk premie, de inlener aansprakelijk te stellen voor ten hoogste het verschil tussen het gezamenlijke bedrag aan loonbelasting, omzetbelasting en premie waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan en het gezamenlijke bedrag van de terzake door de inlener op de g-rekening van de uitlener gestorte bedragen voorzover die bedragen ingevolge de artikelen 34, derde en vierde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde en vijfde lid, van de Coördinatiewet in mindering komen op het gezamenlijke bedrag aan loonbelasting, omzetbelasting en premie waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan, met dien verstande dat, indien zowel de ontvanger als het Uitvoeringsinstituut omtrent dezelfde tot aansprakelijkheid leidende feiten daadwerkelijk tot aansprakelijkstelling overgaat, het gezamenlijke bedrag van beide aansprakelijkstellingen niet uitgaat boven het vorenbedoelde bedrag waarvoor de inlener ten hoogste aansprakelijk kan worden gesteld.

2. Artikel 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10

1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut verlenen, in afwijking in zoverre van artikel 1, tweede lid, onderdeel l, de rekeninghouder op diens verzoek en onder door hen te stellen voorwaarden toestemming het saldo van de g-rekening geheel dan wel tot een bepaald bedrag voor andere doeleinden aan te wenden dan voor de voldoening van loonbelasting en - voorzover toepasselijk - van omzetbelasting, onderscheidenlijk van premie, voorzover aannemelijk is dat het saldo van de g-rekening uitgaat boven hetgeen door de rekeninghouder aan loon- en omzetbelasting alsmede premie vermoedelijk nog verschuldigd is of binnenkort verschuldigd zal worden.

2. De rekeninghouder richt een dergelijk verzoek (deblokkeringsverzoek) schriftelijk aan de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut.

3. Op het verzoek wordt beslist, handelende in onderlinge overeenstemming, door de ontvanger dan wel door het Uitvoeringsinstituut, al naar gelang aan welke van beide het verzoek is gericht.

4. De rekeninghouder verschaft in dit verband de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut - op de door dezen aangegeven wijze - alle gegevens en inlichtingen welke van belang kunnen zijn voor een juiste beoordeling van het deblokkeringsverzoek; wordt daaraan niet of onvoldoende voldaan, wordt het verzoek afgewezen.

5. De beslissing op het verzoek wordt aan de rekeninghouder bekendgemaakt door uitreiking of toezending van een kennisgeving terzake.

Artikel 11

1.

De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut zijn bevoegd een g-rekeningovereenkomst eenzijdig en zonder rechterlijke tussenkomst op te zeggen indien:

a. a. de betrokken rekeninghouder geen of op onjuiste wijze gebruik maakt van de g-rekening; b. b. de betrokken rekeninghouder niet of niet meer de hoedanigheid blijkt te bezitten van uitlener in de zin van de artikelen 34, eerste lid, van de Invorderingswet en 16a, eerste lid, van de Coördinatiewet, dan wel niet of niet meer blijkt te voldoen aan de voorwaarde dat hij zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel; c. c. met de rekeninghouder meer dan één g-rekeningovereenkomst is gesloten en de rekeninghouder niet aannemelijk maakt dat het door hem aanhouden van meer dan één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is; d. d. de rekeninghouder in staat van faillissement is verklaard; e. e. aan de rekeninghouder surséance van betaling is verleend.

2. De rekeninghouder en de betrokken kredietinstelling zijn, onverminderd het bepaalde in het vierde lid, bevoegd de g-rekeningovereenkomst eenzijdig, zonder rechterlijke tussenkomst en zonder opgaaf van reden op te zeggen.

3. De opzegging geschiedt schriftelijk. Zij wordt niet eerder van kracht dan nadat zij aan de overige partijen bij de g-rekeningovereenkomst is bekendgemaakt. De opzegging wordt voorts niet van kracht zolang en voorzover die opzegging een belemmering zou vormen voor de toepassing van het vierde lid.

Na opzegging van de g-rekeningovereenkomst blijft die overeenkomst niettemin van toepassing op het saldo van de desbetreffende g-rekening ten tijde van de opzegging, alsmede op hetgeen nadien op die rekening wordt gestort, een en ander voorzover daardoor geen strijdigheid ontstaat met de gevolgen die rechtens zijn verbonden aan het in staat van faillissement verklaren van de rekeninghouder of het hem verlenen van surséance van betaling.

Een betaling die wordt verricht op een rekening welke oorspronkelijk is geopend ingevolge een g-rekeningovereenkomst doch met betrekking waartoe een opzegging van die overeen- komst van kracht is geworden, wordt niet aangemerkt als een betaling welke in mindering komt op het bedrag aan loonbelasting en - voorzover toepasselijk - omzetbelasting, onderscheidenlijk premie, waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan als bedoeld in de artikelen 34, derde lid, van de Invorderingswet en 16a, vierde lid, van de Coördinatiewet, tenzij die betaling deel is gaan uitmaken van het saldo op die rekening of het gedeelte van dat saldo op die rekening waarop, ondanks die opzegging, ingevolge het vierde lid het in artikel 1, tweede lid, onderdeel l, bedoelde pandrecht is komen te rusten.

Artikel 12

Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de artikelen 16 en 17 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs in werking treden en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot loonbelasting, omzetbelasting en premie, waarvoor aansprakelijkheid is ontstaan ingevolge de artikelen 34 van de Invorderingswet en 16a van de Coördinatiewet op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling.

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid.

Bijlage . G-rekeningovereenkomst inlenersaansprakelijkheid

De ondergetekenden:

Overwegende:

Zijn overeengekomen als volgt:

Aldus overeengekomen en getekend te ....... op .......

De rekeninghouder,

De ontvanger,

voor deze,

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

voor deze,

De kredietinstelling,