rijk/ministeriele-regeling/uitvoeringsregeling-web-2007/BWBR0024795
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Uitvoeringsregeling WEB 2007 BWBR0024795 ministeriele-regeling geldend 2008-12-06 https://wetten.overheid.nl/BWBR0024795 Uitvoeringsregeling WEB 2007

Uitvoeringsregeling WEB 2007

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

b. b.

    *wet:*
    Wet educatie en beroepsonderwijs,

c. c.

    *besluit:*
    Uitvoeringsbesluit WEB.

Artikel 1.2

Deze regeling berust mede op artikel 4.2.1, eerste lid, van het besluit.

Hoofdstuk 2. Voorschriften beroepsopleidingen instituten voor doven

Artikel 2.1.1

1.

In overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de rijksbegroting die is vastgesteld voor het desbetreffende begrotingsjaar, stelt de minister jaarlijks de omvang van het beschikbare budget voor de exploitatiekosten respectievelijk voor de huisvestingskosten voor het Christelijk Instituut voor Doven Effatha en het Instituut voor Doven Sint-Michielsgestel vast, ten behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet.

Deze budgetten worden jaarlijks toegevoegd aan de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten respectievelijk de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.1.3 van het besluit.

2. De artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.7 en artikel 2.4.1 van het besluit zijn van toepassing ten aanzien van de in het eerste lid genoemde instituten.

3. De minister verhoogt de uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, tot de hoogte van het totaal van de rijksbijdragen voor 1999, berekend op grond van de artikelen 9, 14b en 14i van de Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000, zoals die luidde op 31 december 1999 en de Regeling bekostiging huisvesting BVE-sector, zoals die luidde op 31 december 1999.

4. Artikel 2.6.1 van het besluit is van toepassing.

Artikel 2.1.2

1. Het bepaalde bij of krachtens paragraaf 1 van titel 5 van hoofdstuk 2 van de wet is van overeenkomstige toepassing op de instituten, bedoeld in artikel 2.1.1.

2. Het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 5 van het besluit, alsmede de Bijlagen 1, 1c en 4 behorende bij het besluit, is van overeenkomstige toepassing op de instituten, bedoeld in artikel 2.1.1.

Artikel 2.1.3

De instituten, bedoeld in artikel 2.1.1, nemen voor de beroepsopleidingen verzorgd aan die instituten in acht hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald ten aanzien van:

a. a. de taken van de instellingen ten aanzien van het beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 1.3.5 van de wet; b. b. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6 van de wet; c. c. de contractactiviteiten, bedoeld in artikel 1.7.1 van de wet; d. d. het persoonsgebonden nummer, bedoeld in artikel 2.3.6a en artikel 2.3.6d van de wet; e. e. het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 van de wet; f. f. de voorschriften betreffende het personeel van de instellingen, bedoeld in de titels 1 en 2 van hoofdstuk 4 van de wet; g. g. de voorschriften betreffende ontneming van rechten ten aanzien van bestaand onderwijsaanbod, bedoeld in artikel 6.1.4 van de wet, ten aanzien van de ontneming van het recht op examinering van een beroepsopleiding, bedoeld in artikel 6.1.5b van de wet en ten aanzien van onthouding van rechten ten aanzien van voorgenomen onderwijs uit oogpunt van kwaliteit of niet naleving wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 6.1.6 van de wet; h. h. de voorschriften betreffende de beëindiging van registratie van beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.4 van de wet; i. i. het onderwijs en de examens betreffende het beroepsonderwijs, bedoeld in hoofdstuk 7 van de wet, met dien verstande dat bij de toepassing van:

      1.
      
        artikel 7.2.8 van de wet het bevoegd gezag van een instituut tevens met het oog op de handicap van de student nadere regels kan vaststellen ten aanzien van de beroepspraktijkvorming;
    
    
      2.
      het eerste lid van artikel 7.4.2 van de wet het bevoegd gezag van een instituut er tevens zorg voor draagt dat bij het afleggen van het examen rekening wordt gehouden met de aard van de handicap van de student;
        artikel 7.2.8 van de wet het bevoegd gezag van een instituut tevens met het oog op de handicap van de student nadere regels kan vaststellen ten aanzien van de beroepspraktijkvorming;
    1. het eerste lid van artikel 7.4.2 van de wet het bevoegd gezag van een instituut er tevens zorg voor draagt dat bij het afleggen van het examen rekening wordt gehouden met de aard van de handicap van de student;
      

j. j. de rechtsbescherming van de student, bedoeld in titel 5 van hoofdstuk 7 van de wet; k. k. de inschrijving, de vooropleidingseisen en de voorschriften inzake voortijdig schoolverlaten van hoofdstuk 8 van de wet, met dien verstande dat bij de toepassing van artikel 8.1.3, derde lid, van de wet tevens de wederzijdse rechten en verplichtingen van het instituut en de student die voortvloeien uit de specifieke handicap van de student, worden opgenomen; l. l. de opneming in het Centraal register; m. m. de voorschriften inzake bestuur en bestuursoverdracht, bedoeld in de artikelen 2.1.3, derde lid, 2.1.5 en 2.1.6 van de wet; en n. n. de hoofdstukken 10 en 11 van de wet.

Hoofdstuk 3. Voorschriften bekostiging beroepsonderwijs

Paragraaf 1. Voorschriften bekostiging

Artikel 3.1.1

1. Het bedrag ten behoeve van de huisvestingskosten, bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, van het besluit, bedraagt € 690, per leerling ingeschreven bij een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

Artikel 3.1.2

Vervallen

Artikel 3.1.2a

Vervallen

Artikel 3.1.3

Vervallen

Artikel 3.1.4

Vervallen

Paragraaf 2. Overgangsvoorschriften bekostiging

Artikel 3.2.1

Vervallen

Hoofdstuk 4. Voorschriften bekostiging educatie

Paragraaf 1. Voorschriften educatie

Artikel 4.1.1

Vervallen

Artikel 4.1.2

Vervallen

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 5.1

1.

In aanvulling op artikel 6.1.3, eerste lid, van het besluit wordt artikel 8 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector, zoals die luidde op 31 december 1999, uitsluitend betrokken bij de berekening van het bedrag voor de huisvestingskosten voor het betreffende kalenderjaar, indien:

a. a. het bevoegd gezag voor 15 februari van het betreffende jaar een aanvraag indient bij de minister voor een aanvullende vergoeding; b. b. het verzoek wordt ingediend door het bevoegd gezag van een instelling ten aanzien waarvan in 1997 een aanvraag is gehonoreerd op grond van artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector, zoals die luidde op 19 december 1997 dan wel afgewezen op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel c, van die regeling; c. c. het een aanvraag betreft in verband met de huurpenningen voor een schoolgebouw die door het bevoegd gezag verschuldigd zijn op grond van een huurovereenkomst die door het bevoegd gezag, dan wel diens rechtsvoorganger, voor 1 januari 1997 is gesloten:

        1°.
        zonder uitdrukkelijke instemming van de minister, blijkend uit een beschikking, of
      
      
        2°.
        voor een langere duur dan wel onder andere voorwaarden dan waarvoor door de minister, blijkend uit een beschikking, instemming is verleend.

1°. 1°. zonder uitdrukkelijke instemming van de minister, blijkend uit een beschikking, of 2°. 2°. voor een langere duur dan wel onder andere voorwaarden dan waarvoor door de minister, blijkend uit een beschikking, instemming is verleend.

2.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt slechts gehonoreerd indien het bevoegd gezag naar het oordeel van de minister aannemelijk heeft gemaakt dat:

a. a. dit bevoegd gezag, dan wel diens rechtsvoorganger, gelet op de eigen taak, positie en verantwoordelijkheid in redelijkheid geen verwijt te maken valt over de ontstane situatie, b. b. dit bevoegd gezag al het mogelijke in het werk stelt om de betreffende huurovereenkomst binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk te ontbinden, dan wel op te zeggen, dan wel de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen, en c. c. de onder zijn beheer staande instelling, zonder een aanvullende vergoeding, bedoeld in het eerste lid, in zodanige financiële omstandigheden komt te verkeren dat het voortbestaan van de instelling in het geding komt.

3. Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, geeft het bevoegd gezag tevens aan op welk schoolgebouw, respectievelijk welke schoolgebouwen, de door hem, dan wel diens rechtsvoorganger, gesloten huurovereenkomst betrekking heeft, alsmede het aantal vierkante meters brutovloeroppervlak en de verschuldigde huursom per jaar van dat gebouw. Het bevoegd gezag legt aan de minister een gewaarmerkt afschrift over van de desbetreffende huurovereenkomst.

4.

De minister berekent de aanvullende vergoeding volgens de formule:

Vt = O x (Ht Nt)

In deze formule wordt verstaan onder:

  • Vt: aanvullende vergoeding van het betreffende kalenderjaar;
  • O: vierkante meters brutovloeroppervlak van het gebouw waarvoor de aanvullende vergoeding wordt aangevraagd;
  • Ht: huurbedrag per vierkante meter brutovloeroppervlak van het betreffende gebouw;
  • Nt: normbedrag huurvergoeding per vierkante meter brutovloeroppervlak in het betreffende kalenderjaar, vastgesteld volgens de formule: Nt = (Lt/ L1999) x N 1999 In deze formule wordt verstaan onder:
  • Lt: landelijk beschikbare budget voor de huisvestingskosten beroepsonderwijs in het betreffende kalenderjaar;
  • L1999: landelijk beschikbare budget voor de huisvestingskosten beroepsonderwijs in 1999;
  • N1999: normbedrag huurvergoeding per vierkante meter brutovloeroppervlak in 1999, zijnde € 52,90.

5. Indien de uitkomst van het onderdeel (Ht Nt) van de formule, bedoeld in het vierde lid, negatief is, wordt het verzoek om een aanvullende vergoeding afgewezen.

Artikel 5.2

1. Voor de berekening van de rijksbijdrage van de scholen voor praktijkonderwijs en vbo binnen verticale scholengemeenschappen die van rechtswege zijn ontstaan na de omzetting op grond van artikel 12.2.4 van de wet, wordt voor wat betreft het kalenderjaar waarin die omzetting plaatsvindt, gebruik gemaakt van de berekeningswijze op grond van de artikelen 3.1.1 en 3.1.2.

2. Een besluit tot de berekening van de bekostiging van een school die van rechtswege is ontstaan na de omzetting op grond van artikel 12.2.4 van de wet, vindt voor het eerst toepassing op grond van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 2.6.3 van de wet over het kalenderjaar volgend op die omzetting.

Artikel 5.3

1. De Uitvoeringsregeling WEB wordt, met in achtneming van het tweede lid, ingetrokken.

2. De artikelen 5.3b en 5.4a van de Uitvoeringsregeling WEB vervallen met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2008. De artikelen 5.3c en 5.4b van de Uitvoeringsregeling WEB vervallen met ingang van 1 januari 2009. Artikel 5.4c van de Uitvoeringsregeling WEB vervalt met ingang van 1 januari 2010.

3. De Regeling aanwijzing bewijzen van voldoende didactische bekwaamheid in de bve-sector wordt ingetrokken.

Artikel 5.4

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze is geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 2007.

Artikel 5.5

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling WEB 2007.