rijk/ministeriele-regeling/verspreidingsregeling-vernieuwing-landelijk-gebied/BWBR0012624
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verspreidingsregeling vernieuwing landelijk gebied BWBR0012624 ministeriele-regeling geldend 2001-07-05 https://wetten.overheid.nl/BWBR0012624 Verspreidingsregeling vernieuwing landelijk gebied

Verspreidingsregeling vernieuwing landelijk gebied

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

De minister kan op aanvraag subsidie verlenen aan projecten of projectonderdelen die bijdragen aan de verspreiding van kennis over innovatiemogelijkheden, bijdragen aan de sociaal-economische versterking van het landelijk gebied, een vanuit regionaal perspectief vernieuwende activiteit inhouden en tevens passen in een of meer van de volgende categorieën:

a. a. de sociale, culturele, ecologische of recreatieve versterking van het landelijk gebied; b. b. de versterking van de sociale samenhang en samenwerking in het landelijk gebied; c. c. het ontwikkelen van nieuwe organisatievormen in het beheer van water, bos, natuur en landschap, cultureel erfgoed of recreatievoorzieningen door natuurlijke personen en rechtspersonen, of; d. d. de ontwikkeling of verbetering van streekgebonden productie, be- of verwerking van of het handelen in streekgebonden producten afkomstig uit de landbouw, bosbouw of visserij.

Artikel 3

1.

De minister kan ieder begrotingsjaar één of meer aanvraagperioden instellen. De minister kan tevens één of meer aanvraagperioden instellen voor:

  • een bepaalde regio met een specifieke problematiek betreffende de in artikel 2, onderdeel a tot en met d, genoemde categorieën, of
  • een nader te bepalen subcategorie van projecten of projectonderdelen, die aan de verspreiding van kennis over innovatiemogelijkheden, bedoeld in artikel 2, bijdragen.

2. De minister stelt per aanvraagperiode een subsidieplafond vast.

3. De minister stelt gelijktijdig met de vaststelling van een subsidieplafond het in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, bedoelde percentage vast.

4. De minister kan per aanvraagperiode afwegingscriteria vaststellen, die hij hanteert bij de beoordeling, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

5. De minister maakt besluiten als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid bekend in de Staatscourant.

Artikel 4

1. De minister kan voor projecten of projectonderdelen als bedoeld in artikel 2 een subsidie verlenen aan natuurlijke personen, privaatrechtelijke rechtspersonen, die niet zijn opgericht door of vanwege de overheid, of een openbaar nutsbedrijf.

2. Geen subsidie wordt verleend aan organisaties die overwegend zijn gericht op onderzoek, scholing, opleiding, voorlichting, advies of begeleiding.

3. Geen subsidie wordt verleend voor projecten of projectonderdelen waarmee een begin van uitvoering is gemaakt alvorens de ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd.

4. Geen subsidie wordt verleend, indien het bij de beschikking tot subsidieverlening vast te stellen subsidiebedrag niet ten minste € 9075,60 bedraagt.

Artikel 5

Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen kosten die tot maximaal drie jaren na aanvang van het project worden gemaakt voor een project of projectonderdeel.

Artikel 6

1.

Als subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen de volgende, door de aanvrager aan te tonen kosten, voorzover zij noodzakelijk zijn voor en rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het project of projectonderdeel, waarop de beschikking tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 11, betrekking heeft:

a. a.

        1º.
         loonkosten, die worden gemaakt en betaald voor het direct bij de uitvoering van de projecten of projectonderdelen betrokken personeel, berekend op basis van het brutojaarloon volgens de verzamelloonlijst van de betrokken medewerkers, exclusief volledige winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke of op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met een maximum van 1600 productieve uren per medewerker per jaar;
      
      
        2º.
         kosten, die worden gemaakt en betaald voor het inhuren van uitzendkrachten met een maximum van 1600 productieve uren per medewerker per jaar;
      
      
        3º.
        indien de aanvrager minder dan 10 werknemers heeft, de kosten die berekend op basis van de toepasselijke loonschaal worden gemaakt en betaald voor leidinggevend en toezichthoudend personeel met een maximum van 1600 productieve uren per medewerker per jaar;
      
      
        4º.
        indien de aanvrager minder dan 10 werknemers heeft, de op basis van een in redelijkheid toepasselijke loonschaal berekende kosten voor de door de aanvrager zelf verrichte arbeid met een maximum van 1600 productieve uren per jaar;

1º. 1º. loonkosten, die worden gemaakt en betaald voor het direct bij de uitvoering van de projecten of projectonderdelen betrokken personeel, berekend op basis van het brutojaarloon volgens de verzamelloonlijst van de betrokken medewerkers, exclusief volledige winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke of op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met een maximum van 1600 productieve uren per medewerker per jaar; 2º. 2º. kosten, die worden gemaakt en betaald voor het inhuren van uitzendkrachten met een maximum van 1600 productieve uren per medewerker per jaar; 3º. 3º. indien de aanvrager minder dan 10 werknemers heeft, de kosten die berekend op basis van de toepasselijke loonschaal worden gemaakt en betaald voor leidinggevend en toezichthoudend personeel met een maximum van 1600 productieve uren per medewerker per jaar; 4º. 4º. indien de aanvrager minder dan 10 werknemers heeft, de op basis van een in redelijkheid toepasselijke loonschaal berekende kosten voor de door de aanvrager zelf verrichte arbeid met een maximum van 1600 productieve uren per jaar; b. b. de gemaakte en betaalde kosten van aangeschafte machines en apparatuur, gebaseerd op de historische aanschafprijzen, of de aan de projecten of projectonderdelen toe te rekenen leasetermijnen, tot een maximum van 50% van de historische aanschafprijzen of van de in totaal verschuldigde leasetermijnen, exclusief financieringskosten en winstopslagen bij transacties met een groepsmaatschappij; c. c. de gemaakte en betaalde kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief financieringskosten en winstopslagen bij transacties met een groepsmaatschappij; d. d. de aan derden verschuldigde gemaakte en betaalde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van de bescherming van die rechten, exclusief financieringskosten en winstopslagen bij transacties met een groepsmaatschappij; e. e. de gemaakte en betaalde reis- en verblijfkosten en kosten van deelname aan symposia tot een maximum van 15% van de in onderdeel a bedoelde loonkosten; f. f. de gemaakte en betaalde kosten voor uitvoering van de activiteiten door derden.

2.

Als subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen de volgende kosten, voorzover zij noodzakelijk zijn voor en rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het project of het projectonderdeel waarop de beschikking tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 11, betrekking heeft:

a. a. een forfaitaire opslag voor de algemene kosten van 20% van de in het eerste lid, onderdeel a, subonderdelen 1 en 2, bedoelde loonkosten, indien de aanvrager 10 of meer werknemers in dienst of als uitzendkracht heeft; b. b. door de aanvrager aantoonbaar gemaakte en betaalde kosten verbonden aan het verwerven of huren van onroerende zaken, voorzover de kosten bestaan uit rentevergoedingen, overdrachtskosten, of huurtermijnen indien die kosten noodzakelijk zijn voor het aanbrengen van voorzieningen of voor inrichtingsactiviteiten, tot een maximum van 50% van de subsidie welke is verleend op grond van het eerste lid; c. c. door de aanvrager aantoonbaar gemaakte en aan derden verschuldigde en betaalde kosten voor planvorming indien deze onderdeel vormen van het project of projectonderdeel, tot een maximum van 25% van de subsidie, welke is verleend op grond van het eerste lid; d. d. door de aanvrager aantoonbaar gemaakte en betaalde kosten voor voorlichting over het project of onderdelen van het project tot een maximum van 15% van de subsidie, welke is verleend op grond van het eerste lid; e. e. door de aanvrager aantoonbaar gemaakte en aan derden verschuldigde en betaalde kosten voor het uitvoeren van haalbaarheidsonderzoeken met een door de minister nader vast te stellen percentage van de subsidie, welke is verleend op grond van het eerste lid, tot een maximum van € 45378,02.

3. Indien het project of projectonderdeel geheel of gedeeltelijk niet tot uitvoering wordt gebracht, wordt een naar het oordeel van de minister redelijke bijdrage aan de kosten voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek verstrekt.

4.

Als subsidiabele kosten worden, tot een maximum van € 11344,51 in aanmerking genomen de kosten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, ter voorbereiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 8, indien:

a. a. de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag minder dan 25 werknemers in dienst heeft; b. b. de aanvraag tot subsidieverlening is gevolgd door een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 11.

5. Verschuldigde omzetbelasting wordt als subsidiabele kosten in aanmerking genomen, indien de aanvrager omzetbelasting niet kan verrekenen met door hem af te dragen omzetbelasting.

6. Bij de beschikking tot subsidieverlening wordt een forfaitaire opslag voor onvoorziene kosten van 5% van de in het eerste, tweede en vierde lid, bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking genomen.

Artikel 7

1. De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten of zoveel minder als door de aanvrager wordt aangegeven bij de aanvraag tot subsidieverlening.

2. Indien voor de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, of een gedeelte daarvan door de minister of een ander bestuursorgaan dan de minister subsidie is of zal worden verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie op grond van deze regeling verstrekt dat de som van de subsidies niet meer bedraagt dan het in het eerste lid genoemde percentage van de subsidiabele kosten.

3. Indien voor de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, of een gedeelte daarvan door de minister of een ander bestuursorgaan dan de minister, subsidie is of zal worden verstrekt, wordt op grond van deze regeling slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat de subsidie of de som van de subsidies niet meer bedraagt dan € 100000,- indien de subsidieontvanger is aan te merken als een onderneming, die niet voldoet aan het criterium kleine of middelgrote onderneming, als bedoeld in bijlage 1 van de verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L10).

Paragraaf 3. Subsidieverlening

Artikel 8

1. De aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend bij Dienst Regelingen, op een door de minister vastgesteld formulier.

2.

Aanvragen, die worden ingediend:

a. a. buiten de opengestelde aanvraagperioden, b. b. voor projecten of projectonderdelen die worden uitgevoerd in een andere regio, dan waarvoor de aanvraagperiode is opengesteld, of, c. c. voor een andere dan de op grond van artikel 3, eerste lid, nader bepaalde subcategorie van projecten of projectonderdelen, dan waarvoor de aanvraagperiode is opengesteld, worden niet in behandeling genomen.

3.

De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van:

a. a. een projectplan, dat bestaat uit een beschrijving van de doelstellingen en achtergronden van het project, het geheel van activiteiten, waarvoor geheel of gedeeltelijk subsidie wordt aangevraagd, een tijdsplanning van de activiteiten en de wijze van uitvoering; b. b. een begroting van de kosten en een opgave van de financieringswijze van het project, en; c. c. in voorkomend geval, indien het project in een samenwerkingsverband wordt uitgevoerd, het samenwerkingscontract, met daarin tenminste een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende natuurlijke en rechtspersonen alsmede van de verdeling van de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en financiële verplichtingen tussen de verschillende deelnemers.

Artikel 9

De minister kan zich bij de beoordeling van de aanvragen laten bijstaan door hem aan te wijzen deskundigen uit of met betrekking tot de regio, bedoeld in artikel 3, eerste lid, eerste aandachtsstreepje.

Artikel 10

1.

De minister beoordeelt:

a. a. of en zo ja, in welke mate de projecten of projectonderdelen voldoen aan de criteria, gesteld in artikel 2; b. b. in welke mate de projecten of projectonderdelen voldoen aan de door de minister vastgestelde afwegingscriteria, bedoeld in artikel 3, vierde lid, en; c. c. in welke mate de aanvrager zelf bijdraagt aan de financiering van het project of projectonderdeel.

2. De minister kan een aanvraag tot subsidieverlening voor een project of projectonderdeel dat naar zijn oordeel niet of niet geheel voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 2, geheel of gedeeltelijk afwijzen.

3.

De minister stelt een rangschikking van de aanvragen op, waarbij aanvragen:

a. a. hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de minister meer voldoen aan de door de minister ingevolge artikel 3, vierde lid, vastgestelde afwegingscriteria, en; b. b. vervolgens hoger worden gerangschikt naarmate ze naar het oordeel van de minister meer voldoen aan de criteria, gesteld in artikel 2, en; c. c. vervolgens hoger worden gerangschikt naarmate de financiële bijdrage van de aanvrager aan het project of projectonderdeel, dat voor subsidie in aanmerking komt hoger is in vergelijking met de subsidiabele kosten.

Artikel 11

1. De minister beslist, gelijktijdig op de aanvragen, die in dezelfde aanvraagperiode zijn ingediend.

2. De minister geeft de beschikking tot subsidieverlening binnen vijf maanden na afloop van de aanvraagperiode waarin de aanvraag van een beschikking tot subsidieverlening is ingediend. Indien deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien.

3. De minister verstrekt subsidie tot een bedrag van ten hoogste € 453780,22 per project of projectonderdeel.

4. Indien meerdere projectonderdelen voor subsidiëring in aanmerking komen, verstrekt de minister in totaal een subsidie tot een bedrag van ten hoogste € 453780,22 voor het gehele project.

Artikel 12

De subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de financiering van het project niet toereikend zal zijn.

Artikel 13

1. Subsidies of voorschotten daarop worden verleend onder voorbehoud van goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

2. De beslissing tot verlening van een subsidie of een voorschot daarop kan worden ingetrokken of gewijzigd indien dit noodzakelijk is in verband met het verkrijgen van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor deze regeling of wegens het uitblijven daarvan.

Paragraaf 4. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 14

1. De subsidieontvanger voert het project of projectonderdeel overeenkomstig het projectplan uit en maakt uiterlijk een jaar na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening een aanvang met de uitvoering. De subsidieontvanger doet binnen 14 dagen na aanvang van het project of projectonderdeel mededeling van het moment van aanvang bij Dienst Regelingen.

2.

Wijzigingen in het projectplan zijn toegestaan mits:

a. a. deze geen wijzigingen betreffen van de doelstelling van het project en b. b. deze vooraf zijn gemeld aan Dienst Regelingen en zijn goedgekeurd door de minister. De minister deelt de subsidieontvanger mede of de wijziging van het projectplan gevolgen heeft voor de verleende subsidie of voor de bij de verlening van de subsidie vastgestelde verplichtingen.

3. Een wijziging als bedoeld in het tweede lid heeft niet tot gevolg dat de subsidie wordt vastgesteld op een hoger bedrag dan het bedrag waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening ten hoogste kan worden vastgesteld.

4.

Indien het project of projectonderdeel langer duurt dan één jaar, rapporteert de subsidieontvanger jaarlijks in de vorm van een verslag over de voortgang van de activiteiten op een door de minister te bepalen wijze. Dit verslag bestaat ten minste uit een beschrijving van:

a. a. de activiteiten die tot dan toe in het kader van het project zijn verricht, en; b. b. de mate waarin deze activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen.

5. De subsidieontvanger is verplicht de kennis die met het project of projectonderdeel wordt opgedaan, onmiddellijk na afloop van het project of projectonderdeel aan een ieder beschikbaar te stellen en daarover in het openbaar informatie te verstrekken.

6. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 6 onderscheiden subsidiabele kosten, waarbij op basis van een sluitende tijdschrijving en in aansluiting op de gemaakte loonkosten, kosten voor uitzendkrachten en kosten voor eigen arbeid een vastgestelde urenverantwoording aanwezig is.

Paragraaf 5. Subsidievaststelling

Artikel 15

1. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt binnen vier maanden na afloop van het project of projectonderdeel waarvoor de subsidie is verstrekt maar uiterlijk 3 jaar en vier maanden na aanvang van de uitvoering ingediend bij Dienst Regelingen, op een door de minister vastgesteld formulier.

2.

De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van:

a. a. een activiteitenverslag dat ten minste bestaat uit een beschrijving van:

         de mate waarin het project of projectonderdeel heeft bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen;
      
      
         de informatie over het project of projectonderdeel en een beschrijving van de kennis die met het project of projectonderdeel is opgedaan, en
      
      
         de wijze waarop de informatie over het project of projectonderdeel en de opgedane kennis openbaar is gemaakt;
  • de mate waarin het project of projectonderdeel heeft bijgedragen aan de in het projectplan omschreven doelstellingen;
  • de informatie over het project of projectonderdeel en een beschrijving van de kennis die met het project of projectonderdeel is opgedaan, en
  • de wijze waarop de informatie over het project of projectonderdeel en de opgedane kennis openbaar is gemaakt; b. b. een financieel verslag, bestaande uit een rekening en een verklaring van een accountant of een accountant-administratieconsulent als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt dat is voldaan aan de in deze regeling gestelde verplichtingen.

3. De accountant of accountant-administratieconsulent, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, controleert met inachtneming van het in de bijlage bij deze regeling opgenomen controleprotocol.

4. De minister kan de Accountantsdienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een review laten uitvoeren op de door de accountant van de aanvrager verrichte werkzaamheden.

Paragraaf 6. Voorschotten, betaling en terugvordering

Artikel 16

1. De minister kan de subsidieontvanger op aanvraag ten hoogste eenmaal per zes maanden voorschotten verlenen.

2. Het totaal van de verleende voorschotten bedraagt nooit meer dan 80% van het bedrag waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening ten hoogste kan worden vastgesteld.

3. De aanvraag van de beschikking tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte.

Artikel 17

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 6, tweede lid, van de Kaderwet LNV-subsidies, worden de terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente over de periode vanaf het moment van uitbetaling tot aan het moment van algehele voldoening.

Paragraaf 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 18

Uiterlijk vijf jaar na instelling van de eerste aanvraagperiode voor deze regeling wordt een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de regeling in de praktijk.

Artikel 19

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 20

Deze regeling wordt aangehaald als: Verspreidingsregeling vernieuwing landelijk gebied.

Bijlage . Bijlage bij

Bij de controle, op basis waarvan de rapportage, als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Verspreidingsregeling vernieuwing landelijk gebied plaatsvindt, dient aan de naleving van de volgende artikelen op de daarbij aangegeven wijze aandacht te worden besteed.