40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Hygiënebesluit fokbedrijven, opfokbedrijven en vermeerderingsbedrijven kalkoensector (PPE) 2009 | BWBR0028113 | pbo | geldend | 2010-07-18 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0028113 | Hygiënebesluit fokbedrijven, opfokbedrijven en vermeerderingsbedrijven kalkoensector (PPE) 2009 |
Hygiënebesluit fokbedrijven, opfokbedrijven en vermeerderingsbedrijven kalkoensector (PPE) 2009
Artikel 1
Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften kalkoenhouderij (PPE) 2009 (hierna: de Verordening) over en verstaat daarnaast onder ondernemer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon, die een fokbedrijf, opfokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent.
Artikel 2
1. De uitslag van het hygiënogram genoemd in artikel 3, derde lid van de Verordening, is kleiner dan of gelijk aan 1,5.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde uitslag groter is dan 1,5 maar kleiner dan of gelijk aan 3,0 is, dan wordt door een professioneel ontsmettingsbedrijf de stal opnieuw ontsmet. Na de volgende leegstandsperiode mag een nieuw koppel pas worden geplaatst, indien de uitslag van het hygiënogram kleiner of gelijk is aan 1,5.
3. Indien de in het eerste lid bedoelde uitslag groter is dan 3,0, dan wordt de betreffende stal opnieuw gereinigd en ontsmet. Na het reinigen en ontsmetten wordt opnieuw een hygiënogram verricht. Een koppel mag alleen worden geplaatst, indien de uitslag van het onderzoek kleiner dan of gelijk is aan 1,5.
4. eer overeenkomstig Bijlage II onder b. van het Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen HOSOWO-instanties (PPE) 2007 de uitslag van twee van de vijf onderdelen van de visuele controle slecht is, wordt na de volgende ronde nogmaals een hygiënogram uitgevoerd.
Artikel 3
1. De ondernemer voert de monstername bedoeld in artikel 4, vierde lid, onder a. en b., van de Verordening uit op de wijze als omschreven in Bijlage I.
2. Indien met het in het eerste lid bedoelde onderzoek Salmonella wordt aangetoond, handelt de ondernemer overeenkomstig Bijlage I.
Artikel 4
1. De monstername bedoeld in artikel 4, vierde lid, onder c. van de Verordening wordt uitgevoerd bij de vermeerderingsbedrijven en fokbedrijven waar op grond van de uitslag van de serotypering van de door de ondernemer overeenkomstig Bijlage I uitgevoerde monstername in de voorafgaande twaalf maanden een besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium bij een koppel is aangetoond.
2. De monstername bedoeld in artikel 4, vierde lid, onder c. van de Verordening wordt uitgevoerd bij alle koppels op het betreffende vermeerderingsbedrijf of fokbedrijf.
3. De voorzitter kan jaarlijks vermeerderingsbedrijven en fokbedrijven aanwijzen voor de monstername bedoeld in artikel 4, vierde lid, onder c. van de Verordening teneinde te verzekeren dat per kalenderjaar bij tien procent van het totale aantal vermeerderingsbedrijven en fokbedrijven deze monstername wordt uitgevoerd.
Artikel 5
1. De ondernemer legt de resultaten van de detectie en de serotypering van de overeenkomstig Bijlage I uitgevoerde monstername schriftelijk vast en geeft deze resultaten binnen tien werkdagen nadat deze resultaten bij de ondernemer bekend zijn schriftelijk door aan de afnemer van de fokkalkoenen, vermeerderingskalkoenen of broedeieren.
2. De ondernemer meldt de uitslag van de detectie en de serotypering van de overeenkomstig Bijlage I uitgevoerde monstername aan het productschap binnen één werkdag nadat de resultaten bij de ondernemer bekend zijn indien Salmonella is gedetecteerd en binnen tien werkdagen nadat de resultaten bij de ondernemer bekend zijn indien geen Salmonella is gedetecteerd.
Artikel 6
1. Indien vóór het einde van een ronde kalkoenen van een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf worden afgevoerd, voert de ondernemer de betreffende kalkoenen af in bedrijfseigen kratten of containers.
2. De ondernemer heeft bedrijfseigen vangmateriaal op het fokbedrijf, opfokbedrijf en vermeerderingsbedrijf aanwezig.
Artikel 7
1. Dit besluit kan worden aangehaald als: Hygiënebesluit fokbedrijven, opfokbedrijven en vermeerderingsbedrijven kalkoensector (PPE) 2009.
2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag van inwerkingtreding van de Verordening hygiënevoorschriften kalkoenhouderij (PPE) 2009.
Bijlage I. Bemonsteringsprogramma voor opfokbedrijven, fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven
Monsters van kalkoenen die worden gehouden op een opfokbedrijf, worden genomen volgens onderstaande tabel. Wanneer Salmonella gedetecteerd wordt, vindt serotypering plaats.
De eendagskuikens worden onderzocht door middel van het nemen van monsters houtwol en mest. De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van de monsters. Het nemen van de monsters geschiedt door of namens de ondernemer volgens het werkvoorschrift in onderdeel C en D van deze bijlage. De monsters worden op de aanwezigheid van Salmonella onderzocht door een erkend laboratorium. Wanneer Salmonella is gedetecteerd, vindt serotypering plaats door een erkend laboratorium.
Op een leeftijd van vier weken worden per stal 2 gepoolde monsters van ieder tenminste 30 mestmonsters of 30 cloacaswabs genomen, of 5 paar overschoentjes. Twee weken voor de overgang naar de legfase of de verplaatsing naar de legunit worden per stal 6 x 25 mestmonsters genomen of 5 paar overschoentjes. De overschoentjes uit één stal mogen worden samengevoegd tot twee gepoolde monsters. De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van de monsters. Het nemen van de monsters wordt aangestuurd door GD en de monsters worden door of namens GD genomen volgens het werkvoorschrift in onderdeel D. van deze bijlage. De monsters worden op de aanwezigheid van Salmonella onderzocht door een erkend laboratorium. Wanneer Salmonella in het monster is gedetecteerd,vindt serotypering plaats door een erkend laboratorium.
De uitslag van het onderzoek naar Salmonella dat twee weken voor de overgang naar de legfase of de overplaatsing naar de legeenheid plaatsvindt, dient schriftelijk te worden doorgegeven aan de volgende schakel.
Indien uit het onderzoek zoals genoemd onder A.1 blijkt dat een monster is besmet met Salmonella, dan dient dit door of namens de ondernemer uiterlijk binnen 1 werkdag nadat de ondernemer bekend is met de uitslag van de serotypering aan GD te worden gemeld. Wanneer het een besmetting met Salmonella op een opfokbedrijf in de kalkoensector betreft, voert GD op last van de voorzitter een verificatieonderzoek uit.
Monstermateriaal dat is verzameld ten behoeve van het verificatieonderzoek wordt ingezet voor analyse door GD op de dag van bemonstering. Ten behoeve van het verificatieonderzoek neemt GD per stal 2 gepoolde monsters van ieder tenminste 150 mestmonsters of 150 cloacaswabs. Daarnaast neemt GD ten behoeve van het verificatieonderzoek aselect 5 dieren per stal. Deze dieren worden onderzocht op de aanwezigheid van antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect.
Indien dieren die tegen Salmonella gevaccineerd zijn worden verdacht van een besmetting met Salmonella, moeten 450 mestmonsters genomen worden die tot 9 monsters van ieder 50 worden gepoold. De uitslag van het verificatieonderzoek wordt binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters door GD doorgegeven aan de betrokken ondernemer en het productschap. De ondernemer is verantwoordelijk voor de melding van de uitslag van het verificatieonderzoek aan het productschap.
Als de uitslag van het verificatieonderzoek een besmetting met Salmonella bij een koppel bevestigt, gelast de voorzitter bij besmetting met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium dat het betrokken koppel onverwijld door de ondernemer wordt geruimd. Hierbij dient het bepaalde in bijlage I (Protocol Antibiotica) van de Verordening te worden gevolgd.
Vlees van een kalkoen dat vanwege een besmetting met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is geruimd, mag niet worden vermarkt als vers kalkoenvlees. Een met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella’s te doden. Een ondernemer kan er te allen tijde voor kiezen een te ruimen koppel kalkoenen te laten vernietigen.
Indien bij verificatie géén besmetting met Salmonella wordt bevestigd, maar wel antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect, wordt de bemonstering op relevante Salmonella’s en een bacteriegroeiremmend effect herhaald totdat er geen bacteriegroeiremmend effect meer wordt waargenomen of totdat Salmonella is aangetoond of totdat het koppel wordt vernietigd. In de tussentijd mag het koppel niet worden overgeplaatst. Als bij het opfokkoppel conform het bepaalde in het Protocol Antibiotica antibiotica worden toegediend om een Salmonella besmetting te behandelen, mag het opfokkoppel wel worden overgeplaatst.
Ondernemers die een fokbedrijf of een vermeerderingsbedrijf uitoefenen laten de op het bedrijf aanwezige fokkalkoenen en vermeerderingskalkoenen onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. De bemonstering bestaat uit een reguliere monstername en een officiële monstername. De reguliere monstername bestaat uit bemonstering van het koppel op het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf. In artikel 4, vierde lid, van de Verordening is bepaald dat de standaard voor de reguliere monstername de bemonstering op het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf is. In deze bijlage wordt de monstername op het fokbedrijf en vermeerderingsbedrijf beschreven.
Vermeerderingskalkoenen en fokkalkoenen dienen bemonsterd te worden op alle typen Salmonella volgens onderstaande tabel.
Vanaf een leeftijd van 30 weken, worden iedere 3 weken per stal 2 gepoolde monsters van ieder tenminste 150 mestmonsters of 150 cloacaswabs verzameld. Deze kunnen worden vervangen door de bemonstering van 5 paar overschoentjes. Er worden 5 paar overschoentjes genomen, die worden samengevoegd tot 2 gepoolde monsters. De mestmonsters en de overschoentjes worden op het vermeerderingsbedrijf of fokbedrijf gepoold. Deze monsters worden genomen onder de verantwoordelijkheid van de ondernemer die het vermeerderingsbedrijf of fokbedrijf uitoefent, volgens onderdeel D. van deze bijlage. De monsters worden op de aanwezigheid van Salmonella onderzocht door een erkend laboratorium. Wanneer Salmonella is gedetecteerd, vindt serotypering plaats door een erkend laboratorium.
Indien uit het onderzoek zoals genoemd onder B.1 blijkt dat een monster met Salmonella is besmet, dient dit door of namens de ondernemer uiterlijk binnen 1 werkdag nadat de ondernemer bekend is met de uitslag van de serotypering aan GD te worden gemeld. Wanneer het een besmetting met Salmonella enteriditis of Salmonella typhimurium betreft voert GD op last van de voorzitter dit verificatieonderzoek uit.
Monstermateriaal dat is verzameld ten behoeve van het verificatieonderzoek wordt ingezet voor analyse door GDop de dag van bemonstering. Ten behoeve van het verificatieonderzoek neemt GD per stal 2 gepoolde monsters van ieder tenminste 150 mestmonsters of 150 cloacaswabs. Daarnaast neemt GD ten behoeve van het verificatieonderzoek aselect 5 dieren per stal. Deze dieren worden onderzocht op de aanwezigheid van antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect.
Indien dieren die tegen Salmonella zijn gevaccineerd worden verdacht van een besmetting met Salmonella, moeten 450 mestmonsters genomen worden die tot 9 monsters van ieder 50 worden gepoold. De uitslag van het verificatieonderzoek wordt binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters door GD doorgegeven aan de betrokken ondernemer en het productschap. De ondernemer is verantwoordelijk voor de melding van de uitslag van het verificatieonderzoek aan het productschap.
Als de uitslag van het verificatieonderzoek een besmetting met Salmonella bij een koppel bevestigt, gelast de voorzitter bij besmetting met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium dat het betrokken koppel onverwijld door de ondernemer wordt geruimd. Hierbij dient het bepaalde in bijlage I (Protocol Antibiotica) van de Verordening te worden gevolgd.
Vlees van een kalkoen dat vanwege een besmetting met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is geruimd, mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella’s te doden. Een ondernemer kan er te allen tijde voor kiezen een te ruimen koppel kalkoenen te laten vernietigen.
Reeds in de kalkoenkuikenbroederij ingelegde broedeieren geproduceerd door met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium besmette fokkalkoenen of vermeerderingkalkoenen dienen te worden behandeld als categorie 2-materiaal conform Verordening (EG) nr. 1774/2002. De nog niet ingelegde broedeieren, die zijn geproduceerd door het met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium besmette koppel, mogen worden afgezet naar de eiproductenindustrie of moeten een andere effectieve behandeling ondergaan. Een ondernemer kan er te allen tijde voor kiezen de met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium besmette broedeieren te laten vernietigen.
Indien bij verificatie géén besmetting met Salmonella wordt bevestigd, maar wel antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect, wordt de bemonstering op relevante Salmonella’s en een bacteriegroeiremmend effect herhaald totdat er geen bacteriegroeiremmend effect meer wordt waargenomen of tot een Salmonella is aangetoond of het koppel wordt vernietigd. In de tussentijd mogen de broedeieren het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf niet verlaten.
Dit werkvoorschrift beschrijft de monstername van houtwol zoals voorgeschreven is in het kader van het onderzoek naar Salmonella van dieren bij aankomst op het opfokbedrijf.
De monsters worden genomen op het opfokbedrijf door of namens de ondernemer.
Monsters dienen te worden gedetecteerd op Salmonella en bij een positieve uitslag te worden geserotypeerd op Salmonella. Detectie en serotypering geschieden volgens een door het bestuur van het productschap vastgestelde PVE branchemethode.
Dit werkvoorschrift beschrijft de mestmonstername zoals voorgeschreven is in het kader van het onderzoek naar Salmonella bij fokkalkoenen of vermeerderingskalkoenen. De monsters worden genomen door of namens de ondernemer. De monstername moet plaatsvinden volgens methode 1 of 2.
Was voor de monstername altijd uw handen
Monsters dienen te worden gedetecteerd op Salmonella en bij een positieve uitslag te worden geserotypeerd op Salmonella. Detectie en serotypering geschieden volgens een door het bestuur van het productschap vastgestelde PVE branchemethode.