40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Hygiënebesluit vermeerderingsbedrijven pluimveevleessector 2003 | BWBR0016094 | pbo | geldend | 2004-10-10 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0016094 | Hygiënebesluit vermeerderingsbedrijven pluimveevleessector 2003 |
Hygiënebesluit vermeerderingsbedrijven pluimveevleessector 2003
Artikel 1
Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over en verstaat daarnaast onder:
Artikel 2
1. Een hygiëne-onderzoek dient een score te hebben die kleiner of gelijk is aan 1,5.
2. Indien de score groter dan 1,5 maar kleiner of gelijk aan 3,0 is dan dient door een professioneel ontsmettingsbedrijf de betreffende stal opnieuw te worden ontsmet. Na de volgende leegstandsperiode mogen pas nieuwe dieren geplaatst worden indien de uitslag van het onderzoek kleiner of gelijk is aan 1,5.
3. Indien de score groter dan 3,0 is dan dient de betreffende stal opnieuw te worden gereinigd en ontsmet. Na het reinigen en ontsmetten dient opnieuw een hygiëne-onderzoek te worden verricht. Een koppel pluimvee mag alleen dan worden opgezet als de uitslag van het onderzoek kleiner of gelijk is aan 1,5.
4. Wanneer overeenkomstig bijlage III onder b. van het Besluit protocollen hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999 de uitkomst van twee van de vijf onderdelen van de visuele controle slecht is, worden na de volgende ronde nogmaals een hygiëneonderzoek en een visuele controle uitgevoerd.
Artikel 2A
Indien bij het pluimvee op een (opfok-)vermeerderingsbedrijf in de pluimveevleessector op de wijze zoals beschreven in het in Bijlage I opgenomen programma Salmonella is aangetoond, moet het (opfok-)vermeerderingsbedrijf een tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan overeenkomstig het model in Bijlage II opstellen en het betreffende plan uitvoeren.
Artikel 3
1. Het pluimvee op een vermeerderingsbedrijf en het pluimvee op een opfokbedrijf bestemd voor een vermeerderingsbedrijf dienen op de wijze als omschreven in het in Bijlage I opgenomen programma bemonsterd te worden.
2. In het geval dat in het in het eerste lid bedoelde onderzoek Salmonella wordt aangetoond dan dient de betreffende ondernemer de maatregelen te nemen als omschreven in bijlage I.
3. De monsters, waarvan de wijze van monstername en analyse in de bijlage I is omschreven, moeten geanalyseerd worden op alle typen Salmonella. Bij een besmetting moet geanalyseerd worden om welk serotype het gaat.
Artikel 4
De ondernemer die een opfokbedrijf bestemd voor een vermeerderingsbedrijf uitoefent en zijn pluimvee ent tegen Salmonella enteritidis is verplicht dit schriftelijk door te geven aan het Productschap.
Artikel 5
1. De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters dient schriftelijk te worden vastgelegd en te worden doorgegeven aan de afnemer.
2. Zodra op het (opfok)-vermeerderingsbedrijf bij een koppel een Salmonella paratyphi B var. Java besmetting is geconstateerd via het onderzoek dat conform bijlage I is uitgevoerd, moet de pluimveehouder iedere bezoeker hierover informeren zodra de afspraak voor het maken van een bezoek wordt gemaakt. De bezoeker zal na het betreffende bedrijf te hebben bezocht op die dag geen andere bedrijven meer bezoeken.
Artikel 6
1. Na het reinigen en ontsmetten, bedoeld in artikel 6, lid 1 van de verordening, dient de stal te worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella.
2. In het geval dat in het in het eerste lid bedoelde onderzoek Salmonella wordt aangetoond, dient de ondernemer, die een vermeerderingsbedrijf of een opfokbedrijf bestemd voor een vermeerderingsbedrijf uitoefent, de stal opnieuw te ontsmetten en de stal op de aanwezigheid van Salmonella te laten onderzoeken. Een nieuw koppel mag pas worden geplaatst wanneer geen Salmonella wordt aangetoond.
3. Nadat op het (opfok-)vermeerderingsbedrijf bij een koppel een Salmonella paratyphi B var. Java besmetting is geconstateerd via het onderzoek dat conform bijlage I is uitgevoerd, moet de stal worden gereinigd en ontsmet op de wijze zoals in bijlage III is omschreven.
4. Na de constatering van een Salmonella paratyphi B var. Java besmetting, moet de stal tijdens de leegstandperiode door een erkende instantie worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella spp. op de wijze zoals in bijlage IV is omschreven. Indien na de leegstandperiode de stal nog altijd besmet is met Salmonella spp. moet de pluimveehouder in overleg met externe deskundigen de verdere aanpak bepalen.
5. Nadat op een (opfok)vermeerderingsbedrijf in een stal een Salmonella paratyphi B var. Java besmetting is geconstateerd dient het voersysteem gereinigd en ontsmet te worden en dient tijdens de volgende ronde gedurende twee weken aan het drinkwater voor de (opfok)-vermeerderingsdieren een middel met bacteriedodende werking te worden toegediend. Deze middelen zijn in de handel vrij verkrijgbaar. De wijze en de toe te dienen hoeveelheid geschiedt volgens de aanwijzingen van de fabrikant.
6. Nadat op basis van de onderzoeken, omschreven in bijlage I, geen Salmonella paratyphi B var. Java meer wordt aangetroffen, moeten enkele maatregelen gedurende de volgende ronde worden uitgevoerd. Na de volgende ronde dient door een erkende instantie het hygiëne-onderzoek te worden uitgevoerd en dient de stal door een erkende instantie te worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella spp.
Artikel 6a
1. Op het bedrijf dienen bedrijfseigen vangkooien aanwezig te zijn.
2. Indien de ondernemer bij de aflevering van de dieren constateert dat de kratten en/of containers waarin een koppel pluimvee wordt vervoerd niet schoon zijn, is de betreffende ondernemer verplicht hiervan direct melding te maken bij het Productschap.
Artikel 7
Indien tussentijds pluimvee van een vermeerderingsbedrijf wordt afgevoerd is de ondernemer verplicht het betreffende pluimvee af te voeren in bedrijfseigen kratten of containers.
Artikel 8
1. Dit besluit kan worden aangehaald als "Hygiënebesluit vermeerderingsbedrijven pluimveevleessector 2003".
2. Dit besluit treedt in werking op de dag na die van zijn publicatie in het Verordeningen blad Bedrijfsorganisatie.
Bijlage I. Onderzoeksprogramma (opfok-)vermeerderingsbedrijven
Bijlage II. Tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan in de pluimveevleessector
Bijlage III. Protocol voor reinigen en ontsmetten van pluimveestallen en inventaris
Bijlage IV. Protocol voor het nemen van swabmonsters in stallen waar bij het koppel een Salmonella paratyphi B var. Java is geconstateerd
Het doel van de monstername is Salmonella paratyphi B var. Java te vinden, het is derhalve van belang om gericht te zoeken naar zichtbaar vuile oppervlakken. Deze worden bemonsterd, aangezien het niet zinvol is om schone oppervlakken te swabben.
Soms is het zinvol om meer swabs te nemen van andere dan de hier genoemde plaatsen; hierbij geldt steeds weer dat er gericht gezocht dient te worden. Dergelijke plaatsen kunnen in de directe omgeving van de stallen liggen, bijvoorbeeld de voerdistributiel weegplaats.
Het is uiteraard van belang om een visuele beoordeling van de stallen en inventaris uit te voeren. Hierbij moet ook de aanwezigheid van ongedierte, zoals kevers en larven worden meegenomen.
Bij het nemen van swabmonsters in de stallen die met Salmonella paratyphi B var. Java besmet waren, dienen tenminste 50 swabs genomen te worden bijvoorbeeld op de volgende plaatsen (dit laatste is enigszins afhankelijk van de betreffende praktijksituatie).
Voorts monstername van losliggend vuil en schraapsel van risicoplaatsen, zoals de binnenzijde van de voervijzel, bedrijfsschoeisel en kieren van afvoerputten. Het te nemen aantal swabs is afhankelijk van de hoeveelheid aangetroffen materiaal.
Voor de analyse mogen 25 swabs worden gepoold.