rijk/pbo/verordening-hpa-erosiebestrijding-landbouwgronden-2003/BWBR0014850
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verordening HPA erosiebestrijding landbouwgronden 2003 BWBR0014850 pbo geldend 2003-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0014850 Verordening HPA erosiebestrijding landbouwgronden 2003

Verordening HPA erosiebestrijding landbouwgronden 2003

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

Paragraaf 2. Gebied

Artikel 2

1.

Deze verordening is van toepassing op landbouwgronden voorzover deze geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in de navolgende gemeenten:

Eijsden, Maastricht, Meerssen, Stein, Geleen, Beek, Schinnen, Nuth, Voerendaal, Simpelveld, Vaals, Gulpen-Wittem, Margraten, Valkenburg a/d/ Geul, Sittard, Onderbanken, Brunssum, Landgraaf, Heerlen, Kerkrade.

2.

Deze verordening is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde landbouwgronden, voor zover deze zijn gelegen:

  • in het watervoerend en waterbergend winterbed in het Maasdal;
  • in de inundatiegebieden van de rivier de Geul;
  • ten noorden van de wegen Sittard - Wehr en Sittard - Urmond.

Paragraaf 3. Algemene verplichtingen

Artikel 3

1.

De ondernemer is verplicht:

a. a. met betrekking tot elk perceellandbouwgrond, dat hij in gebruik heeft en dat zichtbaar is aangetast door meer dan normale bodemerosie, onverwijld hiervan melding te doen aan de secretaris onder opgave van een zo exact mogelijke plaatsaanduiding met situatieschets; b. b. te gedogen dat door de secretaris namens het bestuur aangewezen personen de bij hem in gebruik zijnde landbouwgronden aan een onderzoek onderwerpen naar het voorkomen van, dan wel de gevoeligheid voor bodemerosie; c. c. alle door de onder b bedoelde personen gewenste gegevens te verstrekken voor zover deze redelijkerwijs relevant geacht moeten worden voor het onder b bedoelde onderzoek; d. d. om aan te geven welke van de in lid 2 genoemde maatregelen het meest geschikt is om de erosie adequaat te bestrijden.

2.

De secretaris is, namens het bestuur, bevoegd om in het belang van de bestrijding van bodemerosie de volgende landbouwkundige maatregelen, dan wel combinaties daarvan, voor te schrijven:

a. a. toepassen van een bodembedekker die in het voorjaar, onmiddellijk na het inzaaien van het hoofdgewas mag worden vervangen door een strodek; b. b. het blijvend omzetten van landbouwgrond in grasland en het handhaven van grasland; c. c. herinzaai van grasland in het najaar; d. d. minimaliseren van grondbewerking; e. e. grondbewerking na de oogst; f. f. Voorkomen en opheffen van spoorvorming; g. g. bodemstructuur verbeterende maatregelen; h. h. draineren; i. i. verbreken van storende lagen; j. j. grondbewerking volgens de hoogtelijnen; k. k. beperken van de lengte van percelen gerekend loodrecht van de hoogtelijn hellingafwaarts; l. l. strokenbouw; m. m. begreppeling.

Artikel 4

De ondernemer die landbouwgrond in gebruik heeft, is verplicht:

a. a. na elke oogst een op het voorkomen van bodemerosie gerichte grondbewerking uit te voeren met een minimale diepte van 20 centimeter, behoudens bij de toepassing van grasondergroei en bij de aanwezigheid van meerjarige teelten; b. b. de onder a. bedoelde grondbewerking dient zo spoedig mogelijk na de oogst te worden uitgevoerd, doch vóór 1 oktober na de oogst van granen en vóór 1 december na de oogst van de overige gewassen; c. c. bij het inzaaien van bieten of maïs de sporen van de trekkerwielen te wissen, tenzij de directzaaimethode wordt toegepast; d. d. na de teelt van maïs en granen een groenbemester toe te passen, tenzij het korrelmaïs, ccm of mks betreft, dan wel bij de oogst van granen alle stro op het land achterblijft, waarbij de verplichting zoals opgenomen in onderdeel a niet mag leiden tot een verwijdering van de gewasresten; e. e. bij de teelt van een erosie bevorderend gewas aan de onderzijde van het gewasperceel een waterremmende voorziening te realiseren, tenminste in de vorm van een berm, graft, heg, houtwal, sloot, schot, bloemrijke akkerrand of niet-erosie bevorderend gewas met een minimale breedte van 3 meter.

Paragraaf 4. Verbodsbepalingen

Artikel 5

1. Het is een ondernemer verboden landbouwgronden met een hellingspercentage van 2% of méér, met een erosie bevorderend gewas te betelen.

2.

Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor gewaspercelen met een hellingspercentage van 2 tot 5% indien:

a. a. de erosiebevorderende gewassen over geen grotere aaneengesloten lengte dan 400 meter worden geteeld en b. b. toepassing wordt gegeven aan de directzaaimethode, mulchmethode of een strodek.

3.

Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor gewaspercelen met een gemiddelde hellingspercentage van 5 tot 18 % indien:

a. a. de erosiebevorderende gewassen over geen grotere aaneengesloten lengte dan 300 meter worden geteeld en b. b. toepassing wordt gegeven aan de directzaaimethode, mulchmethode of een strodek.

4. Indien bij het bereiken van het lengtecriterium voor de teelt van een erosie bevorderend gewas, zoals vermeld in onderdeel a van de leden 2 en 3, afwisseling plaatsvindt met een niet-erosie bevorderend gewas, dient op de eerste plaats dit niet-erosiebevorderende gewas over de volle breedte te grenzen aan het erosiebevorderende gewas en dient op de tweede plaats de lengte van het niet- erosiebevorderende gewas tenminste 100 meter te bedragen, alvorens een volgend erosie bevorderend gewas wordt geteeld.

5. Het is een ondernemer verboden landbouwgrond met een hellingspercentage van 18% of méer anders te exploiteren dan als grasland.

Paragraaf 5. Nadere voorschriften knelpuntgebieden

Artikel 6

1. De ondernemer die landbouwgronden in gebruik heeft, niet zijnde grasland, en die gelegen zijn in een knelpuntgebied, kan een bedrijfserosieplan laten goedkeuren en dient hieraan uitvoering te geven.

2. De ondernemer die landbouwgronden in gebruik heeft als grasland en die gelegen zijn in een knelpuntgebied, is verplicht een bedrijfserosieplan te laten goedkeuren en hieraan uitvoering te geven, indien hij voornemens is de landbouwgronden anders te exploiteren dan als grasland.

3.

Voor de ondernemer die beschikt over een goedgekeurd bedrijfserosieplan is het in de artikelen 4 tot en met 5 bepaalde niet van toepassing, met uitzondering van:

a. a. het bepaalde in artikel 4, onderdelen a tot en met c en b. b.

      artikel 5, vijfde lid en

c. c. de verplichting om bij een hellingspercentage van 12 tot 18% toepassing te geven aan de directzaaimethode, mulchmethode of een strodek.

4. De voorzitter kan, namens het bestuur, bij besluit nadere regelen stellen aan het bedrijfserosieplan.

5. De ondernemer die voornemens is een bedrijfserosieplan in te dienen, dient een retributie te voldoen van €114,--.

6. De secretaris beslist namens het bestuur over de goedkeuring van het bedrijfserosieplan.

Artikel 7

De ondernemer die voornemens is om landbouwgronden, in gebruik als grasland en gelegen in een gebied als bedoeld in artikel 6, te scheuren met het doel die gronden weer in te zaaien als grasland (graslandvernieuwing) of met het doel elders binnen het bedrijf een zelfde are-aal landbouwgrond om te zetten in grasland (wisselteelt) meldt dit voornemen tenminste vier weken voorafgaand aan het scheuren aan de Limburgse Land- en Tuinbouwbond. Artikel 6, tweede lid, is niet van toepassing.

Paragraaf 6. Overige bepalingen

Artikel 8

De secretaris is, namens het bestuur, bevoegd op schriftelijk verzoek van de ondernemer ontheffing te verlenen van het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5 en 7 en kan daarbij nadere voorschriften vaststellen.

Artikel 9

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7, waarbij aan ondernemers verplichtingen worden opgelegd, is mede bindend voor andere natuurlijke en rechtspersonen, voor zover deze handelingen verrichten die bedrijfsmatig in ondernemingen plegen te worden verricht.

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 10

Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld. Een door het bevoegde tuchtgerecht op te leggen geldboete mag niet hoger zijn dan € 450,- per overtreding, totdat het op 24 februari 2000 ingediende voorstel van wet "Nieuwe regelen inzake tuchtrechtspraak in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002)", Kamerstukken II nr. 27025 (1999-2000), tot wet wordt verheven en in werking treedt.

Artikel 11

De Verordening HPA erosiebestrijding landbouwgronden 2001 wordt ingetrokken.

Artikel 12

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2003.

Indien het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin deze verordening wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2003, treedt zij in werking de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en werkt zij terug tot en met 1 juli 2003, met uitzondering van het in artikel 10 bepaalde.

Artikel 13

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening HPA erosiebestrijding landbouwgronden 2003.

Bijlage 1

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 2

[afbeelding]