rijk/pbo/verordening-varkensleveringen-pvv-2006/BWBR0020967
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verordening varkensleveringen (PVV) 2006 BWBR0020967 pbo geldend 2007-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0020967 Verordening varkensleveringen (PVV) 2006

Verordening varkensleveringen (PVV) 2006

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Verlenen en intrekken van de aanwijzing

Artikel 2

De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een A-bedrijf, indien:

a. a. op het varkenshouderijbedrijf vrouwelijke varkens worden gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen; b. b. varkens die op het varkenshouderijbedrijf worden aangevoerd, worden gehuisvest in een van de rest van het varkenshouderijbedrijf afgescheiden toevoegstal, waarvan inrichting en gebruik voldoen aan de in bijlage I bij deze verordening opgenomen voorschriften, totdat uit een door een dierenarts na vier weken na aanvoer overeenkomstig bijlage II uitgevoerd serologisch onderzoek blijkt dat in de toevoegstal geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest of tegen de ziekte van Aujeszky bevat; c. c. bij het ontbreken van een toevoegstal als bedoeld in onderdeel b, tot zes weken na de laatste aanvoer van varkens geen varkens worden afgevoerd anders dan, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, naar het slachthuis; d. d. op het varkenshouderijbedrijf een voorziening voor reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor varkens aanwezig is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSEs; e. e. de ondernemer van het varkenshouderijbedrijf artikel 67, tweede lid, en artikel 79 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSEs naleeft; f. f. de ondernemer voldoet aan alle, de herkomst van de op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens betreffende, krachtens artikel 96 van de wet gestelde regels; g. g. op het varkenshouderijbedrijf een douche aanwezig is, die is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de ingang van het varkenshouderijbedrijf en waarvan bezoekers van het varkenshouderijbedrijf voorafgaand aan het betreden van de stallen gebruik maken; h. h. het varkenshouderijbedrijf is voorzien van een erfafscheiding waardoor het betreden van het varkenshouderijbedrijf zonder de medewerking van de ondernemer niet mogelijk is; i. i. de ondernemer de gegevens met betrekking tot groepsmedicatie in het logboek, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet vastlegt; j. j. de ondernemer bij de aanvraag en vervolgens eenmaal per vier weken een verklaring van een dierenarts overlegt waarin deze verklaart dat het in bijlage II bepaalde aantal op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens met een gewicht van ten minste 30 kg serologisch is onderzocht en dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest of tegen de ziekte van Aujeszky bevat; k. k. de ondernemer bij de aanvraag en bij de structurele controle een conform bijlage III opgemaakt bedrijfsrapport van een geaccrediteerde keuringsinstantie kan overleggen waaruit blijkt dat het varkenshouderijbedrijf is getoetst aan de in de onderdelen a tot en met i gestelde voorwaarden.

Artikel 3

De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een B-bedrijf, indien op het varkenshouderijbedrijf vrouwelijke varkens worden gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen.

Artikel 4

De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een C-bedrijf, indien:

a. a. het varkenshouderijbedrijf voldoet aan artikel 2, onderdelen d tot en met j, en b. b. de ondernemer bij de aanvraag een volgens het model in bijlage III opgesteld bedrijfsrapport overlegt van een geaccrediteerde keuringsinstantie waaruit blijkt dat het varkenshouderijbedrijf is getoetst aan de in artikel 2, onderdelen d tot en met j, gestelde voorwaarden.

Artikel 5

De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een E-bedrijf, indien:

a. a. op het varkenshouderijbedrijf speenbiggen worden gehouden, uitsluitend afkomstig van één A-bedrijf; b. b. het varkenshouderijbedrijf voldoet aan de criteria, gesteld in artikel 4, onder b.

Artikel 6

De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een F-bedrijf, indien op het varkenshouderijbedrijf speenbiggen worden gehouden, uitsluitend afkomstig van één B-bedrijf.

Artikel 7

1. Het is toegestaan op een E-bedrijf vleesvarkens te houden, voor zover het fokbijproducten, betreft.

2. Het is toegestaan op een F-bedrijf vleesvarkens te houden, voor zover het biggen betreft.

Artikel 8

1.

De voorzitter kan de aanwijzing als A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of F-bedrijf met onmiddellijke ingang schorsen voor een bepaalde termijn, indien:

a. a. het varkenshouderijbedrijf niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 5 onderscheidenlijk 6, en veterinaire belangen de schorsing rechtvaardigen, dan wel b. b. blijkt dat in een periode van twaalf maanden de ondernemer meer dan eenmaal varkens van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren, dan wel op het varkenshouderijbedrijf ontvangt of aanvoert, zonder dat wordt voldaan aan de artikelen 13, 14, 15, 17 onderscheidenlijk 18.

2. De voorzitter kan de schorsing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, telkens verlengen voor een termijn van ten hoogste vier weken.

3. In geval van schorsing van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 13, 14, 15, 17 en 18 niet van toepassing.

4.

De voorzitter kan de aanwijzing als A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of F-bedrijf intrekken, indien:

a. a. blijkt dat het varkenshouderijbedrijf niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 5 onderscheidenlijk 6, terwijl de ondernemer in de gelegenheid is gesteld binnen een termijn van ten hoogste zes weken alsnog aan de eisen te voldoen en deze termijn inmiddels is verstreken, dan wel b. b. na afloop van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, blijkt dat het varkenshouderijbedrijf nog steeds niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 5 onderscheidenlijk 6; c. c. blijkt dat in een periode van twaalf maanden na de dagtekening van het besluit tot schorsen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, de ondernemer opnieuw varkens van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren, dan wel op het varkenshouderijbedrijf ontvangt of aanvoert, zonder dat wordt voldaan aan de artikelen 13, 14, 15, 17 onderscheidenlijk 18.

Artikel 9

Aanvragen, verklaringen en bedrijfsrapporten als bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 5 en 6 worden ingediend bij het productschap.

Paragraaf 3. Varkensleveringen

Artikel 10

Het is de ondernemer verboden een of meer varkens te vervoeren van of naar, af te voeren of te doen afvoeren van een varkenshouderijbedrijf of een verzamelcentrum dan wel te ontvangen of aan te voeren op een varkenshouderijbedrijf.

Artikel 11

Het verbod, bedoeld in artikel 10, is niet van toepassing op het vervoeren, afvoeren of doen afvoeren van:

a. a. een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een slachthuis, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, mits de varkens zijn gemerkt als slachtvarkens en uit het vervoersdocument, bedoeld in artikel 74, achtste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSEs blijkt dat sprake is van vervoer van slachtdieren; b. b. een of meer mannelijke varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een quarantaineruimte; c. c. een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een onderzoeksinstituut; d. d. ten hoogste vier varkens per levering van een varkenshouderijbedrijf naar een locatie waar varkens worden gehouden voor recreatieve of educatieve doeleinden, of e. e. een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum.

Artikel 12

Indien voor het vervoer van varkens naar een lidstaat of een derde land, nadat deze reeds van een varkenshouderijbedrijf zijn afgevoerd, ingevolge artikel 59, tweede lid, onderdeel e, van de wet in samenhang met artikel 6, eerste lid, van het Besluit dierenvervoer 1994 geen certificaat wordt afgegeven, is het de ondernemer in afwijking van artikel 10 toegestaan, deze varkens op de dag dat dit certificaat geweigerd wordt weer op zijn bedrijf te ontvangen of aan te voeren en, na gedeeltelijk lossing, de niet geloste varkens vervolgens wederom van zijn bedrijf te vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren.

Artikel 13

1.

In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer die een A-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover:

a. a. vrouwelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland; b. b. mannelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf, of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, spermawincentrum of quarantaineruimte; c. c. het biggen betreft afkomstig van het E-bedrijf waar het A-bedrijf aan heeft geleverd; d. d. in een periode van ten minste vijf weken voorafgaand aan de week van aanvoer geen varkens op het A-bedrijf zijn aangevoerd; e. e. de aangevoerde varkens na aanvoer worden gehouden in een toevoegstal als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, totdat uit het in artikel 2, onderdeel b, bedoelde serologisch onderzoek blijkt dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest en ziekte van Aujeszky bevat, dan wel binnen vijf weken na aanvoer geen varkens worden afgevoerd anders dan rechtstreeks naar een slachthuis.

2.

In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer die een A-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover:

a. a. varkens worden afgevoerd naar A-bedrijven, B-bedrijven, D-bedrijven; b. b. varkens worden afgevoerd naar één C-bedrijf of ten hoogste één cluster; c. c. varkens worden afgevoerd naar één E-bedrijf, waarbij niet meer naar een ander varkensbedrijf kan worden afgevoerd.

3. De ondernemer die een A-bedrijf exploiteert kan in een periode van twaalf maanden eenmaal een ander aanvoeradres kiezen ter vervanging van het aanvoeradres, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk b.

Artikel 14

1.

In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer die een B-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover:

a. a. vrouwelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, F-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland; b. b. mannelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C- bedrijf, F-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, spermawincentrum of quarantaineruimte; c. c. het biggen betreft afkomstig van het F-bedrijf waar het B-bedrijf aan heeft geleverd; d. d. de aan te voeren varkens een gewicht hebben van ten minste 25 kg per dier, en e. e. de periode tussen het aanvoeren van varkens ten minste zes weken bedraagt.

2. In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer die een B-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover in een periode van zes weken slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste zes D-bedrijven en in een periode van vier maanden slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste twaalf D-bedrijven.,

3. Indien de ondernemer die een B-bedrijf exploiteert varkens vervoert, doet vervoeren, afvoert of doet afvoeren naar een D-bedrijf waarop in een periode van drie weken voorafgaand aan de dag van afvoer van het B-bedrijf op enig tijdstip geen varkens aanwezig waren en de stallen op dat tijdstip zijn gereinigd en ontsmet, terwijl in een periode van twee maanden voor dat tijdstip geen varkens op het D-bedrijf zijn aangevoerd, is deze levering in afwijking van artikel 10 toegestaan, zonder dat deze levering wordt begrepen in de op grond van het tweede lid toegestane leveringen.

4. De ondernemer die een B-bedrijf exploiteert kan in een periode van twaalf maanden eenmaal een ander aanvoeradres kiezen ter vervanging van het aanvoeradres, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk b.

5. Het afvoeren van varkens van een B-bedrijf overeenkomstig het tweede of derde lid is slechts toegestaan voor op het B-bedrijf geboren varkens met een gewicht van ten hoogste 35 kg.

6. In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer die een B-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover varkens worden afgevoerd naar één F-bedrijf, waarbij niet meer naar een ander varkensbedrijf kan worden afgevoerd.

Artikel 15

1. In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer die een C-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, E-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland.

2.

In afwijking van artikel 10 is het de exploitant van een C-bedrijf toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover:

a. a. varkens worden afgevoerd naar een A-bedrijf, of b. b. in een periode van twaalf maanden slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 30 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk, dan wel;

        1.
        wanneer het C-bedrijf deel uitmaakt van een cluster van twee C-bedrijven, in een periode van twaalf maanden door het cluster slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 26 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk;
      
      
        2.
        wanneer het C-bedrijf deel uitmaakt van een cluster van drie C-bedrijven, in een periode van twaalf maanden door het cluster slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 22 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk.
    1.   wanneer het C-bedrijf deel uitmaakt van een cluster van twee C-bedrijven, in een periode van twaalf maanden door het cluster slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 26 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk;
      
    1.   wanneer het C-bedrijf deel uitmaakt van een cluster van drie C-bedrijven, in een periode van twaalf maanden door het cluster slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 22 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk.
      

3. Het afvoeren van varkens van een C-bedrijf naar een D-bedrijf overeenkomstig het tweede lid is slechts toegestaan voor varkens met een gewicht van ten minste 80 kg.

4. De ondernemer die een A-bedrijf of E-bedrijf exploiteert doet bij de aanvraag, bedoeld in artikel 2 of 5, opgave van de samenstelling van het cluster als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel b. De ondernemers die de betreffende C-bedrijven exploiteren medeondertekenen deze opgave. De opgave bevat de verdeling onder de betreffende C-bedrijven van het aantal afvoeradressen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1^e of 2^e. Het is de ondernemer die een C-bedrijf exploiteert slechts toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder le of 2e, indien daarmee het aantal bij de verdeling aan dat bedrijf toebedeelde afleveradressen niet wordt overschreden.

5. De samenstelling van een cluster en de verdeling van het aantal afvoeradressen kunnen in een periode van twaalf maanden eenmaal worden gewijzigd. Een wijziging van de samenstelling van het cluster en de verdeling van het aantal afvoeradressen wordt bij het meldingsbureau gemeld voorafgaand aan de toepassing van de wijziging. De melding wordt ondertekend door de ondernemers die het A-bedrijf of E-bedrijf en de betreffende C-bedrijven uitoefenen.

Artikel 16

1. In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer die een D-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover in een periode van zestien weken slechts varkens worden aangevoerd, afkomstig van ten hoogste zes A-bedrijven, B-bedrijven, C- bedrijven, E-bedrijven of F-bedrijven of varkenshouderijbedrijven buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum, gezamenlijk.

2. Indien op het D-bedrijf in een periode van drie weken voorafgaand aan de dag van aanvoer op enig tijdstip geen varkens aanwezig waren en de stallen op dat tijdstip zijn gereinigd en ontsmet, terwijl in een periode van twee maanden voor dat tijdstip geen varkens op het D-bedrijf zijn aangevoerd, is het in afwijking van het eerste lid de exploitant van een D-bedrijf toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover in een periode van zestien weken slechts varkens worden aangevoerd, afkomstig van ten hoogste twaalf A-bedrijven, B-bedrijven, C-bedrijven, E-bedrijven of F-bedrijven of varkenshouderijbedrijven buiten Nederland, al dan niet via een verzamelcentrum, gezamenlijk.

Artikel 17

1. In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer die een E-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf waar een vaste relatie mee bestaat en waarvan het E-bedrijf de aflevermogelijkheden overneemt.

2.

In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer die een E-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover:

a. a. het E-bedrijf de afvoermogelijkheden van het A-bedrijf waarvan het E-bedrijf de biggen ontvangt overneemt; b. b. varkens worden afgevoerd naar A-bedrijven, B-bedrijven, D-bedrijven; c. c. varkens worden afgevoerd naar één C-bedrijf of ten hoogste één cluster.

3. Het afvoeren van varkens van een E-bedrijf naar een C-bedrijf is slechts toegestaan voor varkens met een gewicht van circa 25 kilogram die tenminste vier weken op het E-bedrijf aanwezig zijn geweest.

Artikel 18

1. In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer die een F-bedrijf exploiteert toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voor zover de speenbiggen worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste van ten hoogste één B-bedrijf.

2.

In afwijking van artikel 10 is het de exploitant van een F-bedrijf toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voor zover:

a. a. het F-bedrijf de afvoermogelijkheden van het B-bedrijf waarvan het F-bedrijf de speenbiggen ontvangt overneemt; b. b. in een periode van zes weken slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste zes D-bedrijven en in een periode van 4 maanden slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste twaalf D-bedrijven; c. c. het terugleveren betreft aan het B-bedrijf waarvan de speenbiggen betrokken zijn.

3. Het afvoeren van varkens van een F-bedrijf naar een D-bedrijf overeenkomstig het eerste lid is slechts toegestaan voor varkens met een gewicht van maximaal 35 kilogram.

Artikel 19

1.

Het verbod, bedoeld in artikel 10, is niet van toepassing op het, hetzij rechtstreeks, hetzij via een Nederlands verzamelcentrum, aanvoeren en ontvangen op een varkenshouderijbedrijf van een of meer varkens afkomstig van een varkenshouderijbedrijf of verzamelcentrum buiten Nederland, voor zover:

a. a. de varkens voldoen aan alle van toepassing zijnde communautaire en overige internationale veterinaire voorschriften; b. b. de ondernemer van het varkenshouderijbedrijf waarop de varkens worden ontvangen, ten minste één werkdag vóór de periode van 48 uur waarbinnen de voorgenomen ontvangst zal plaatsvinden, die voorgenomen ontvangst bij het meldingsbureau meldt, op de in artikel 20, lid 1 omschreven wijze; c. c. bij de melding als bedoeld in onderdeel b de gegevens worden verstrekt die moeten zijn opgenomen in het gezondheidscertificaat van bijlage F, model 2, van richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121), dan wel artikel 11 van richtlijn nr. 72/462/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen, varkens, schapen en geiten, van vers vlees of vleesprodukten uit derde landen (PbEG L 302); en d. d. de ondernemer van het varkenshouderijbedrijf medewerking verleent aan bestemmingscontrole van de varkens op zijn bedrijf overeenkomstig artikel 5 van richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautair handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224);

2. Een levering als bedoeld in het eerste lid wordt in mindering gebracht op het aantal op grond van de artikelen 13, eerste lid, 14, eerste lid, 15, eerste lid, onderscheidenlijk 16 op een varkenshouderijbedrijf toegestane leveringen.

3. Op een levering als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 13, eerste lid, onderdelen d en e en 14, eerste lid, onderdelen d en e, van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 4. Melding van de varkensleveringen

Artikel 20

1. De ondernemer die het varkenshouderijbedrijf exploiteert waarvan varkens worden afgevoerd, meldt die voorgenomen levering bij het meldingsbureau, door middel van een per fax verzonden door het meldingsbureau verstrekt en volledig ingevuld formulier, dan wel via het voice response systeem van het meldingsbureau, dan wel, indien het meldingsbureau met deze wijze van melden vooraf heeft ingestemd, via electronische data interchange of IRVL-online. De melding strekt tot aanvraag van een transportdocument. Voor de afgifte van een transportdocument is de aanvrager een retributie verschuldigd. Het transportdocument wordt uiterlijk twee weken voor de week van het voorgenomen transport aangevraagd en is alleen geldig in de week van het voorgenomen transport.

2. Indien de melding, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op de levering van varkens aan een D-bedrijf als bedoeld in artikel 14, derde lid, onderscheidenlijk een D-bedrijf als bedoeld in artikel 16, tweede lid, gaat de melding vergezeld van een door een geaccrediteerde keuringsinstantie opgesteld rapport waaruit blijkt dat het D-bedrijf voldoet aan artikel 14, derde lid, dan wel artikel 16, tweede lid. Bij ontbreken van een rapport van een geaccrediteerde keuringsinstantie geldt de melding als een melding ten behoeve van het vervoer van varkens, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 16 eerste lid.

3. Het transportdocument wordt door de ontvanger van de varkens op het varkenshouderijbedrijf bewaard tot zes maanden na de datum waarop de varkens op het varkenshouderijbedrijf zijn ontvangen.

4. De ondernemer van het varkenshouderijbedrijf die bij het meldingsbureau een voorgenomen levering heeft gemeld, zendt het transportdocument binnen één week aan het meldingsbureau terug, indien de levering waarop de melding betrekking heeft niet heeft plaats gehad, dan wel indien het aantal geleverde varkens afwijkt van het gemelde aantal. De ondernemer doet daarbij opgave van het feitelijk geleverde aantal varkens.

5. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het vervoer, de afvoer, de ontvangst en de aflevering van varkens, bedoeld in artikel 11, onderdeel a.

6. In afwijking van het eerste lid geschiedt de melding bij aanvoer van varkens uit het buitenland, door de ondernemer van het varkenshouderijbedrijf waarheen varkens worden aangevoerd. Het tweede lid is dan niet van toepassing.

7. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op het wederom vervoeren, afvoeren of doen afvoeren van de niet geloste varkens als bedoeld in artikel 12.

8. De voorzitter kan in het geval van verdenking van een uitbraak van de Ziekte van Aujeszky bij varkens overgaan tot schorsing van de geldigheid van alle op dat moment afgegeven transportdocumenten en aanhouding van de meldingen als bedoeld in het eerste lid.

9. De voorzitter kan in het geval van een uitbraak van de Ziekte van Aujeszky bij varkens overgaan tot het intrekken van de op dat moment reeds uitgegeven transportdocumenten en tot het afgeven van transportdocumenten met een beperkte geldigheidsduur.

10. Het bestuur stelt bij besluit regels vast inzake een verplichting tot aanvragen van een transportdocument voor de afvoer naar het slachthuis in het geval van een uitbraak van de Ziekte van Aujeszky bij varkens. Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

Artikel 21

1. De ondernemer weigert de ontvangst van varkens indien bij de aanvoer een transportdocument met betrekking tot deze aanvoer ontbreekt.

2. Een vervoerder weigert het vervoer van de varkens indien een transportdocument met betrekking tot dit vervoer ontbreekt, tenzij de varkens zijn gemerkt als slachtvarkens en uit het vervoersdocument, bedoeld in artikel 74, achtste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSEs blijkt dat sprake is van vervoer van slachtvarkens.

3. De exploitant van een verzamelcentrum weigert de ontvangst van varkens indien een transportdocument met betrekking tot deze aanvoer ontbreekt, tenzij de varkens zijn gemerkt als slachtvarkens en uit het vervoersdocument, bedoeld in artikel 74, achtste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSEs blijkt dat sprake is van vervoer van slachtvarkens.

Paragraaf 5. Toezicht

Artikel 22

1. Het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften wordt namens het productschap uitgeoefend door een door het bestuur bij besluit aangewezen dienst of de door het bestuur bij besluit aangewezen personen. Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

2.

Ondernemers zijn verplicht:

a. a. aan de door het bestuur aangewezen dienst en personen al die gegevens te verstrekken of te doen verstrekken, die nodig zijn voor de vervulling van hun taak; b. b. aan de door het bestuur aangewezen dienst en personen te allen tijde toegang te geven of te doen geven tot hun bedrijfsruimten en tot die plaatsen of vervoermiddelen, waar dan wel waarin voorraden, waaronder begrepen varkens, karkassen, monsters en verpakkingsmateriaal, tot het bedrijf van de ondernemer behorende, zijn opgeslagen dan wel worden vervoerd; c. c. te gedogen dat controleurs van de door het bestuur aangewezen dienst en de door het bestuur aangewezen personen monsters nemen uit de voorraden van het bedrijf van de ondernemer (waaronder begrepen varkens, karkassen, monsters en verpakkingsmateriaal), ongeacht de plaats waar of waarin zich die voorraden bevinden. De ondernemer zal alsdan de van hem gevorderde medewerking verlenen overeenkomstig de aanwijzingen van de door het bestuur aangewezen dienst en personen.

3. De in het eerste lid bedoelde personen zijn bevoegd berechtingsrapporten ten behoeve van tuchtrechtelijke afhandeling op te maken.

Paragraaf 6. Handhaving

Artikel 23

Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld zoals voorzien in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Paragraaf 7. Bijzondere bepalingen

Artikel 24

1. De voorzitter kan, voor zover het belang van preventie en bestrijding van dierziekten zich daartegen niet verzet, namens het bestuur op schriftelijk verzoek van belanghebbende, van het bepaalde in de artikelen 13, eerste lid, onder a, of 14, eerste lid, onder a, vrijstelling of ontheffing verlenen in gevallen waarin het A-bedrijf of B-bedrijf een capaciteitsuitbreiding ondergaat of een hogere veterinaire status verkrijgt of in gevallen, zoals omschreven in de artikelen 25 en 26.

2. De voorzitter kan, voor zover het belang van preventie en bestrijding van dierziekten zich daartegen niet verzet, op gezamenlijk schriftelijk verzoek van belanghebbenden, van het bepaalde in de artikelen 14, tweede en derde lid, en artikel 16, vrijstelling of ontheffing verlenen in gevallen waarin het D-bedrijf fokgelten wil terugleveren aan een B-bedrijf waarvan het D-bedrijf biggen heeft ontvangen.

3. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften of voorwaarden worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 25

Leveringen van varkens door of aan een varkenshouderijbedrijf of aan een verzamelcentrum waarvan de exploitatie nadien blijvend is gestaakt, worden niet begrepen onder de op grond van de artikelen 13, eerste lid, onderdelen a en b, 14, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, 15, eerste lid, en tweede lid, onderdeel b, en 16, eerste en tweede lid, toegestane leveringen, indien door de levering door of aan het bedrijf waarvan de exploitatie blijvend is gestaakt het in genoemde artikelen opgenomen maximum aantal toegestane leveringen wordt bereikt.

Artikel 26

1.

In afwijking van artikel 10 is het de ondernemer toegestaan een of meer vrouwelijke varkens die worden gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen van zijn varkenshouderijbedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, indien:

a. a. de ondernemer de exploitatie van het varkenshouderijbedrijf beëindigt; b. b. de vrouwelijke varkens worden afgevoerd naar ten hoogste twee A-bedrijven. B-bedrijven of D-bedrijven; c. c. zes weken voorafgaand aan het afvoeren geen varkens op het varkenshouderijbedrijf zijn aangevoerd, en d. d. uiterlijk twee weken vóór de datum waarop de varkens worden afgevoerd uit een door een dierenarts uitgevoerd serologisch onderzoek op ten minste twaalf op het varkenshouderijbedrijf aanwezige vrouwelijke varkens blijkt dat de aanwezige varkens niet zijn besmet met klassieke varkenspest of de ziekte van Aujeszky.

2. Bij toepassing van het eerste lid is het in afwijking van artikel 10, de ondernemers die de A-bedrijven, B-bedrijven of D-bedrijven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, exploiteren toegestaan de vrouwelijke varkens te ontvangen en aan te voeren.

Paragraaf 8. Gegevensverwerking

Artikel 27

1. De door het productschap uit hoofde van deze verordening verkregen gegevens omtrent ondernemingen worden in handen gesteld van de voorzitter; zij worden, behoudens aan personeelsleden van het secretariaat van het productschap, de diensten en personen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, alsmede ten behoeve van de handhaving van het bepaalde in deze verordening, niet verder bekendgemaakt.

2. De in het eerste lid bedoelde diensten en personen zijn gehouden de op voet van het eerste lid verkregen gegevens vertrouwelijk te behandelen.

3. De voorzitter kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, besluiten tot bekendmaking van getotaliseerde gegevens omtrent groepen van ondernemingen, doch nimmer op zodanige wijze dat daaruit gegevens omtrent een bepaalde onderneming kunnen worden afgeleid.

Paragraaf 9. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 28

De aanwijzingen, afgegeven onder de Regeling Varkensleveringen, worden aangemerkt als aanwijzingen, afgegeven onder de verordening, met dien verstande dat aanwijzingen, onder de Regeling Varkensleveringen voor onbepaalde tijd afgegeven, hun geldigheid verliezen zes maanden na de inwerkingtreding van de verordening.

Artikel 29

1. Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de regeling waarbij de Regeling Varkensleveringen wordt ingetrokken in werking treedt.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening varkensleveringen (PVV) 2006.

3. Deze verordening zal worden geplaatst in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

Bijlage I. Eisen aan een toevoegstal als bedoeld in

A) inrichtingseisen:

B) managementeisen:

Bijlage II. Aantallen te onderzoeken varkens op A-bedrijven en C-bedrijven en E-bedrijven als bedoeld in

Bijlage III. Procedure en inhoud bedrijfsrapport voor aanvangscontrole en structurele controle als bedoeld in