rijk/pbo/verordening-welzijnsnormen-konijnen-ppe-2006/BWBR0019560
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006 BWBR0019560 pbo geldend 2006-04-23 https://wetten.overheid.nl/BWBR0019560 Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006

Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Huisvesting

Artikel 2

1.

De huisvesting van voedsters voldoet ten minste aan de volgende eisen:

a. a. 3 dagen voor de verwachte datum van werpen tot en met 18 dagen na het werpen heeft een voedster de beschikking over een nestkast, met een minimale oppervlakte van 700 cm^2 , voorzien van nestmateriaal; b. b. de kooi is voorzien van een horizontaal aangebracht plateau, waarvan de oppervlakte ten minste 900 cm^2 bedraagt. De breedte van het plateau bedraagt ten minste 20 cm. Indien het plateau van draadgaas is gemaakt, is de diameter van de bovenliggende draad ten minste 2,45 mm. De afstand van het plateau tot aan de bodem van de kooi en van het plateau tot aan de bovenkant van de kooi bedraagt ten minste 25 cm. c. c. per voedster is een vloeroppervlakte van ten minste 4500 cm^2 beschikbaar, waarbij de oppervlakte van de vloer van de nestkast en van het plateau kunnen worden meegerekend; d. d. de hoogte van de kooi is over ten minste 950 cm^2 van het vloeroppervlak ten minste 60 cm. De doorgang van de bodem naar het plateau is ten minste 25 cm breed. e. e. indien een deel van de kooi een gaasbodem heeft, dient het gaas van het bovenliggende draad een diameter te hebben van ten minste 3,0 mm. Hierbij moet de afstand tussen het middelpunt van de bovenliggende draden minimaal 10 mm en maximaal 16 mm bedragen.

2.

De huisvesting van voedsters die drachtig of dekrijp zijn èn van opfokkonijnen voldoet ten minste aan de volgende eisen:

a. a. per voedster of opfokkonijn is een vloeroppervlakte van ten minste 2000 cm^2 beschikbaar; b. b. de hoogte van de kooi is over ten minste 80% van het vloeroppervlak van de kooi ten minste 40 cm; c. c. indien een deel van de kooi een gaasbodem heeft, dient het gaas van het bovenliggende draad een diameter te hebben van ten minste 3,0 mm. Hierbij moet de afstand tussen het middelpunt van de bovenliggende draden minimaal 10 mm en maximaal 16 mm bedragen.

3.

De huisvesting van fokrammen voldoet ten minste aan de volgende eisen:

a. a. per fokram is een vloeroppervlakte van ten minste 4000 cm^2 beschikbaar; b. b. de hoogte van de kooi is overal ten minste 60 cm; c. c. indien de kooi een gaasbodem heeft, dient het gaas van het bovenliggende draad een diameter te hebben van ten minste 3,0 mm. Hierbij moet de afstand tussen het middelpunt van de bovenliggende draden minimaal 10 mm en maximaal 16 mm bedragen.

4.

De huisvesting van vleeskonijnen voldoet ten minste aan de volgende eisen:

a. a. vleeskonijnen worden in groepen van ten minste 2 dieren gehouden; b. b. indien een groep uit minder dan 5 dieren bestaat is per vleeskonijn een vloeroppervlakte van ten minste 700 cm^2 beschikbaar; c. c. indien een groep uit 5 of meer dieren bestaat is per vleeskonijn een vloeroppervlakte van ten minste 600 cm^2 beschikbaar; d. d. de afstand tussen de bovenkant en de onderkant van de kooi bedraagt over ten minste 80% van het vloeroppervlak ten minste 40 cm; e. e. indien plateaus zijn aangebracht dienen deze minimaal 10 cm breed te zijn en de afstand van het plateau tot aan de bodem en van het plateau tot aan de bovenkant van de kooi moet minimaal 25 cm zijn. De oppervlakte van het plateau kan worden meegerekend in de totale vloeroppervlakte. Daarnaast dient op minimaal ¼ van de totale vloeroppervlakte de afstand tussen de bodem en de bovenkant van de kooi 40 cm hoog te zijn; f. f. indien de kooi een gaasbodem heeft, dient het gaas van het bovenliggende draad een diameter te hebben van ten minste 3,0 mm. Hierbij moet de afstand tussen het middelpunt van de bovenliggende draden minimaal 10 mm en maximaal 16 mm bedragen.

Paragraaf 3. Verrijking leefomgeving

Artikel 3

1. Konijnen hebben te allen tijde de beschikking over ruwvoer of knaagmateriaal dat voorziet in de knaagbehoefte

2. Het materiaal is niet schadelijk voor de gezondheid van de konijnen.

Paragraaf 4. Stalklimaat

Artikel 4

1. In de stal wordt een dag- en nachtritme gehanteerd dat bestaat uit minimaal 8 uur licht en minimaal 8 uur donker, waarvan in beide gevallen 4 uur aaneengesloten.

2. De lichtintensiteit in de stal bedraagt voor voedsters en fokrammen op dierhoogte minimaal 20 Lux gedurende ten minste 8 uur per dag.

3. Tussen de licht- en donkerperiode wordt voor voedsters en fokrammen een schemerperiode van minimaal een uur toegepast.

Paragraaf 5. Voervoorzieningen

Artikel 5

1. Konijnen hebben onbeperkt toegang tot drinkwater.

2. Konijnen hebben onbeperkt toegang tot voer. In geval het voer over een aantal maaltijden per dag wordt gespreid, dient de totale hoeveelheid minimaal de dagelijkse voederbehoefte te omvatten .

Paragraaf 6. Dekleeftijd

Artikel 6

De minimale leeftijd van een opfokkonijn voor de 1^e dekking of inseminatie bedraagt 15 weken.

Paragraaf 7. Controle door de konijnenhouder

Artikel 7

1. De konijnenhouder controleert ten minste twee keer per etmaal de gezondheid van de konijnen, het goed functioneren van voer- en watervoorzieningen en het stalklimaat.

2. Klinisch zieke konijnen worden afgescheiden van klinisch gezonde konijnen, tenzij een dierenarts anders beslist.

3. Konijnen die ondraaglijk lijden dienen te worden gedood.

4. Dode konijnen dienen onmiddellijk uit de stal te worden verwijderd.

Paragraaf 8. Uitval

Artikel 8

1. De konijnenhouder draagt er zorg voor dat het uitvalpercentage op maandbasis niet hoger is dan 10%.

2. Zodra het uitvalpercentage op maandbasis hoger is dan 10% raadpleegt de konijnenhouder een dierenarts.

3. Zodra wordt vastgesteld dat het uitvalpercentage op jaarbasis hoger is dan 10% raadpleegt de konijnenhouder een in konijnengezondheidszorg gespecialiseerde dierenarts om maatregelen te nemen gericht op het verlagen van het uitvalpercentage. Deze dierenarts is een andere dan de op grond van het tweede lid geraadpleegde dierenarts.

4. De door de in het derde lid bedoelde dierenarts gegeven adviezen worden schriftelijk vastgelegd en worden door de konijnenhouder opgevolgd.

5. De adviezen van de dierenarts worden gedurende twee jaar door de konijnenhouder in zijn administratie bewaard.

6. Alle door de dierenarts gemaakte kosten - in verband met de in de leden 2, 3 en 4 verrichte werkzaamheden - komen voor rekening van de konijnenhouder.

Paragraaf 9. Administratie

Artikel 9

1.

De konijnenhouder houdt in zijn administratie maandelijks nauwgezet de volgende gegevens bij:

a. a. het aantal levend geboren konijnen; b. b. het aantal konijnen dat gespeend wordt; c. c. het aantal voedsters, vleeskonijnen, fokrammen en opfokkonijnen dat van buiten het bedrijf van de konijnenhouder wordt aangevoerd; d. d. het uitvalpercentage van voedsters en opfokkonijnen gezamenlijk en het uitvalpercentage van vleeskonijnen; e. e. het aantal voedsters, vleeskonijnen, fokrammen en opfokkonijnen dat levend wordt afgevoerd; f. f. de al dan niet op advies van of door een dierenarts verstrekte preventieve of curatieve medicaties of vaccinaties; g. g. de uitgevoerde ingrepen; h. h. eventuele calamiteiten.

2. De konijnenhouder voert een zodanige administratie, dat de gegevens, genoemd in het eerste lid, te allen tijde op een eenvoudige wijze kunnen worden gekend.

Paragraaf 10. Controle verplichting

Artikel 10

1. De konijnenhouder laat zich jaarlijks ten minste één maal op eigen kosten controleren op de naleving van het bepaalde in deze verordening door een door de voorzitter erkende controle-instantie.

2. De konijnenhouder is er voor verantwoordelijk dat het rapport van bevindingen van de controle als bedoeld in het eerste lid binnen veertien dagen na de dag van de controle door het productschap is ontvangen.

3. Indien de voorzitter vaststelt dat de konijnenhouder de verordening niet naleeft, kan de voorzitter de konijnenhouder bij besluit verplichten tot een herstelcontrole door de in het eerste lid bedoelde controle-instantie.

Artikel 11

1. De controle-instantie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, kan op aanvraag worden erkend door de voorzitter.

2. De te erkennen controle-instantie voldoet aan de criteria voor erkenning zoals deze door het bestuur bij besluit zijn vastgesteld. Het bestuursbesluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

3. Aan een erkenning kunnen nadere voorschriften of voorwaarden worden verbonden. De erkenning kan door de voorzitter worden ingetrokken indien is vastgesteld dat niet langer aan de criteria voor erkenning of de aan de erkenning verbonden nadere voorschriften of voorwaarden wordt voldaan.

Paragraaf 11. Toezicht

Artikel 12

1. Het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften wordt namens het productschap uitgeoefend door een door het bestuur bij besluit aangewezen dienst en door het bestuur aangewezen personen. Dit besluit wordt gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

2.

Ondernemers zijn verplicht:

a. a. aan de door het bestuur aangewezen personen al die gegevens te verstrekken of te doen verstrekken, die nodig zijn voor de vervulling van hun taak; b. b. aan de door het bestuur aangewezen personen inzage te geven of te doen geven van die boeken en bescheiden, die nodig zijn voor de vervulling van hun taak; c. c. aan de door het bestuur aangewezen personen te allen tijde toegang te geven of te doen geven tot hun bedrijfsruimten en tot die plaatsen of vervoermiddelen, waar dan wel voorraden (waaronder begrepen verpakkingsmateriaal), tot het bedrijf van de ondernemer behorende, zijn opgeslagen dan wel worden vervoerd; d. d. te gedogen dat de door het bestuur aangewezen personen monsters nemen uit de voorraden van het bedrijf van de ondernemer (waaronder begrepen verpakkingsmateriaal), ongeacht de plaats waar of waarin zich die voorraden bevinden en de ondernemer zal alsdan de van hem gevorderde medewerking verlenen overeenkomstig de aanwijzingen en van de door het bestuur aangewezen

3. De in het eerste lid bedoelde personen zijn bevoegd berechtingsrapporten ten behoeve van tuchtrechtelijke afhandeling op te maken.

Paragraaf 12. Handhaving

Artikel 13

Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld zoals voorzien in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Paragraaf 13. Gegevensverwerking

Artikel 14

1. De door het productschap uit hoofde van deze verordening verkregen gegevens omtrent ondernemingen worden in handen gesteld van de voorzitter; zij worden, behoudens aan personeelsleden van het secretariaat van het productschap alsmede ten behoeve van de handhaving van het bepaalde in deze verordening, niet verder bekendgemaakt.

2. De door de voorzitter aangewezen rechtspersoon, dienst en personen dienen, ter bescherming van de privacy van de ondernemer, vertrouwelijk en op verantwoorde wijze om te gaan met de uit hoofde van het toezicht verkregen gegevens.

3. De voorzitter kan, in afwijking van het gestelde in het eerste lid, besluiten tot bekendmaking van getotaliseerde gegevens omtrent groepen van ondernemingen, doch nimmer op zodanige wijze dat daaruit gegevens omtrent een bepaalde onderneming kunnen worden afgeleid.

Paragraaf 14. Overgangsbepalingen

Artikel 15

1. Indien een huisvestingssysteem voor konijnen op het moment van inwerkingtreding van deze verordening reeds in gebruik was, is artikel 2, eerste lid, onder b, c, d en e, en het tweede respectievelijk vierde lid, op de betrokken konijnenhouder niet van toepassing gedurende een periode van 10 jaar na inwerkingtreding van deze verordening.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid dient de huisvesting van de konijnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening, te voldoen aan een aantal onderdelen van de huisvestingseisen en wel zodanig dat een score van minimaal 50% van het maximaal te behalen aantal punten wordt behaald volgens het puntensysteem zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.

3. De punten die kunnen worden behaald of zijn behaald door te voldoen aan artikel 2, eerste lid, onder e., worden alleen toegekend dan wel behouden indien daarnaast is voldaan aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder f.

4. Artikel 2, derde lid treedt in werking 5 jaar na inwerkingtreding van deze verordening.

Paragraaf 15. Ontheffing

Artikel 16

1.

De voorzitter kan op schriftelijk verzoek van de konijnenhouder van de in het tweede lid genoemde bepalingen ontheffing verlenen ingeval de konijnenhouder ten genoegen van de voorzitter aantoont:

a. a. zijn onderneming noodgedwongen te beëindigen na een periode van vijf jaar na inwerkingtreding van deze verordening; b. b. voornemens te zijn een innovatieve ontwikkeling gericht op verbetering van het dierenwelzijn door te voeren, maar dat deze wordt belemmerd door één of meer bepalingen van de verordening.

2. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan worden verleend ten aanzien van het bepaalde in artikel 15, tweede lid. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan worden verleend ten aanzien van één of meer bepalingen van de verordening.

3. Aan een ontheffing kunnen voorschriften of voorwaarden worden verbonden. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Een ontheffing kan te allen tijde worden ingetrokken. Indien een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder a., wordt ingetrokken, is de overgangsbepaling van artikel 15, eerste lid, niet meer van toepassing.

4. Een ontheffing wordt verleend voor de duur van één jaar. Op aanvraag kan verlenging van de ontheffing worden verleend voor een periode van één jaar en zo vervolgens telkens voor een periode van één jaar. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder a, vervalt in ieder geval op het moment van afloop van de periode, bedoeld in artikel 15, eerste lid.

5. Alvorens te beslissen tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder b, wint de voorzitter advies in bij de Klankbordgroep Praktijkonderzoek Konijnenhouderij van het productschap.

Paragraaf 16. Slotbepaling

Artikel 17

1. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006.

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.

Bijlage 1