rijk/verdrag/benelux-overeenkomst-op-het-gebied-van-de-jacht-en-de-vogelbescherming/BWBV0004239
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming BWBV0004239 verdrag geldend 1972-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBV0004239 Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming

Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming

Deel I. Jacht

Artikel 1

1. Elk der Regeringen verbindt zich in haar nationale of gewestelijke wetgeving het wild volgens de volgende categorieën te rangschikken: grof wild, klein wild, waterwild, overig wild.

2.

In de zin van deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

a) a) grof wild: edelherten (Cervus elaphus), reeën (Capreolus preolus), damherten (Dama dama), moeflons (Ovis musimon) en wilde zwijnen (Sus scrofa); b) b) klein wild: hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus), korhoenders (Lyrurus tetrix), patrijzen (Perdix perdix), houtsnippen (Scolopax rusticola); c) c) waterwild: alle soorten ganzen en eenden (Anatidae), goudplevieren (Pluvialis apricarius), watersnippen (Gallinago gallinago), poelsnippen (Gallinago media), bokjes (Lymnocryptes minimus) en meerkoeten (Fulica atra); d) d) overig wild: houtduiven (Columba palumbus), zwarte en bonte kraaien (Corvus corone corone en Corvus corone cornix), roeken (Corvus frugilegus), kauwen (Corvus monedula), vlaamse gaaien (Garrulus glandarius), eksters (Pica pica), konijnen (Oryctolagus cuniculus), vossen (Vulpes vulpes), wilde katten (Felis sylvestris), verwilderde katten (Felis catus), bunzings (Putorius putorius), hermelijnen (Mustela erminea), wezels (Mustela nivalis), eekhoorns (Sciurus vulgaris), boom- en steenmarters (Martes martes en Martes foina), dassen (Meles meles), otters (Lutra lutra) en zeehonden (Phoca vitulina en Halichoerus grypus).

3. Het in artikel 5, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie bedoelde Comité van Ministers kan de in lid 2 vermelde opsommingen wijzigen of aanvullen door middel van overeenkomstig artikel 6, tweede lid, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie genomen beschikkingen.

4. In afwachting van de harmonisatie van de categorieën wild kan elk van de Overeenkomstsluitende Partijen andere diersoorten aan deze categorieën toevoegen.

Artikel 2

De Regeringen plegen overleg over de data van opening en sluiting van de jacht.

Artikel 3

De terreinen waarop de jacht met het geweer wordt uitgeoefend moeten aan minimale afmetingen voldoen. Deze afmetingen worden in elk land afgestemd op de cynegetische omstandigheden, met dien verstande dat:

a) a) de minimum aaneengesloten oppervlakte zowel in Nederland als ten noorden en ten westen van de lijn Samber en Maas in België 25 hectare bedraagt, doch ten zuiden van deze lijn in België, evenals in Luxemburg, 50 hectare; b) b) de jacht op waterwild toegestaan is op terreinen van geringere oppervlakte, mits deze, op het ogenblik dat die jacht wordt uitgeoefend, een minimum aaneengesloten wateroppervlakte van een hectare omvatten.

Nochtans kan geen van de Overeenkomstsluitende Partijen geringere minimumoppervlakten vaststellen dan die, welke thans op grond van de nationale of gewestelijke wetgeving gelden.

Artikel 4

1. De jacht met het geweer is verboden tenminste gedurende de tijd tussen één uur na de officiële zonsondergang en één uur vóór de officiële zonsopgang.

2. Bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten mag slechts gebruik worden gemaakt van nader aan te wijzen wapens en munitie, alsmede van nader aan te wijzen andere middelen, tuigen en jachtmethoden, overeenkomstig de procedure aangegeven in lid 4.

3. De jacht met het geweer op nader aan te wijzen wildsoorten mag slechts worden uitgeoefend volgens een afschotplan overeenkomstig de in lid 4 gestelde procedure en voorwaarden.

4. a) a) Het Comité van Ministers stelt vast door middel van overeenkomstig artikel 6, tweede lid, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie genomen beschikkingen en rekening houdende met de cynegetische omstandigheden eigen aan elk land of deel daarvan:

        1°.
        de wapens en munitie alsmede de andere middelen, tuigen en jachtmethoden zoals bedoeld in lid 2;
      
      
        2°.
        de wildsoorten en de streken van de Beneluxlanden, waarvoor een afschotplan zal gelden.

1°. 1°. de wapens en munitie alsmede de andere middelen, tuigen en jachtmethoden zoals bedoeld in lid 2; 2°. 2°. de wildsoorten en de streken van de Beneluxlanden, waarvoor een afschotplan zal gelden. b) b) Voor de jacht met het geweer op de wildsoorten en in de streken als bedoeld onder a) 2° van dit lid dient de houder van het jachtrecht een afschotplan te bezitten dat door of namens de daartoe bevoegde Minister is goedgekeurd.

5. Elk der Regeringen stelt de wijze vast waarop, alsmede de voorwaarden waaronder, uitvoering zal worden gegeven aan het in de leden 1 en 4 bepaalde, zulks met inbegrip van de controlemaatregelen.

Artikel 5

1. Met inachtneming van de nationale of gewestelijke sanitaire bepalingen is het vervoer en het in de handel brengen van levend of dood wild toegestaan vanaf de datum van opening tot en met de tiende dag na sluiting van de jacht op dit wild.

2. Vanaf de elfde dag na sluiting tot de datum van opening van de jacht is het vervoer en het in de handel brengen van levend of dood wild slechts toegestaan overeenkomstig de bepalingen uitgevaardigd door de Regering van het land waar het vervoer of het in de handel brengen plaatsvindt.

Artikel 6

In het verkeer met derde landen is de in-, uit- en doorvoer van levend of dood wild slechts toegestaan overeenkomstig de geldende bepalingen van de partnerlanden waar deze handelingen plaatsvinden.

Deel II. Bescherming van de vogelstand

Artikel 7

De Regeringen verbinden zich de in de Beneluxlanden in het wild levende vogelsoorten, andere dan die welke op grond van artikel 1 als wild worden beschouwd, te beschermen; daartoe stelt het Comité van Ministers, onverminderd het bepaalde in artikel 8, de beschermingsmaatregelen, alsmede de vogelsoorten waarop deze betrekking hebben, vast door middel van overeenkomstig artikel 6, tweede lid, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie genomen beschikkingen.

Artikel 8

1. Elk der Regeringen verbindt zich haar nationale of gewestelijke wetgeving zodanig aan te passen dat het te allen tijde en waar dan ook verboden is vogels, behorende tot de krachtens artikel 7 aangewezen soorten, alsmede hun eieren, ook uitgeblazen, en hun jongen te koop voorhanden te hebben, te verkopen, te kopen en te leveren; dit verbod geldt ook voor opgezette exemplaren van deze soorten, behoudens daarvan verkregen ontheffing door de bevoegde autoriteiten.

2. Het vervoeren van de in lid 1 bedoelde vogels, alsmede van hun eieren en jongen, is slechts toegestaan overeenkomstig de geldende bepalingen van het land op wiens grondgebied het vervoer plaatsvindt.

Artikel 9

In het verkeer met derde landen is de in-, uit- en doorvoer van alle levende of dode vogels, alsmede van hun eieren en hun jongen, slechts toegestaan met voorafgaande machtiging van de partnerlanden waar deze handelingen plaatsvinden.

Deel III. Algemene bepalingen

Artikel 10

Het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 5, 6, 8 en 9 wordt uitgeoefend in het binnenland van elk der landen, aan de buitengrenzen van Benelux en niet bij gelegenheid van de overschrijding van de binnengrenzen van Benelux.

Artikel 11

Het Comité van Ministers stelt door middel van overeenkomstig artikel 6, tweede lid, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie genomen beschikkingen de maatregelen vast welke, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 5 lid 2, 6, 8 lid 2, en 9, in een of meer landen dienen te worden genomen, teneinde te voorkomen dat belangen van partnerlanden worden geschaad.

Artikel 12

Elk der Overeenkomstsluitende Partijen behoudt de bevoegdheid in haar wetgeving bepalingen te handhaven of op te nemen waarin aangelegenheden worden geregeld waarvoor in deze Overeenkomst geen regeling is getroffen, mits die bepalingen niet strijdig zijn met de Overeenkomst.

Artikel 12bis

Deze Overeenkomst is uitsluitend van toepassing in het kader van de uitoefening van de jacht en geldt niet voor de bestrijding van de in artikel 1 bedoelde wildsoorten, die ter voorkoming of beperking van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren of allerhande eigendommen, in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats, dan wel in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of de veiligheid van het luchtverkeer of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang door de Overeenkomstsluitende Partijen wordt toegestaan.

Artikel 13

1. Elk der Regeringen behoudt zich het recht voor om, in het belang van de wetenschap, van het natuurbeheer of tot voorkoming van schade, afwijkingen toe te staan van de bepalingen van deze Overeenkomst, mits tevoren dienaangaande overeenstemming is bereikt in het Comité van Ministers door middel van een overeenkomstig artikel 6, tweede lid, onder a), van het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie genomen beschikking.

2. In dringende gevallen echter, kan elk der Regeringen, in afwachting van de beschikking van het Comité van Ministers, afwijkende maatregelen nemen en toepassen gedurende een tijdvak van ten hoogste drie maanden. Van deze voorlopige toepassing wordt door de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie aan de andere Regeringen kennis gegeven.

Artikel 14

1. Ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, worden de bepalingen van deze Overeenkomst, alsmede de ter uitvoering daarvan door het Comité van Ministers genomen beschikkingen, aangewezen als gemeenschappelijke rechtsregels voor de toepassing van de hoofdstukken III en IV van dat Verdrag.

2. De in het voorgaande lid bedoelde beschikkingen worden in elk der drie Staten bekendgemaakt in de vorm welke aldaar voor de bekendmaking van verdragen is voorgeschreven. De uitleg kan slechts aan het Benelux-Gerechtshof worden gevraagd, indien zij aldus zijn bekendgemaakt in de Staat waarin de vraag van uitleg is gerezen en, sedert de bekendmaking, tien dagen zijn verstreken.

Artikel 15

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst slechts van toepassing op het in Europa gelegen grondgebied.

Artikel 16

1. Deze Overeenkomst zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die de Overeenkomstsluitende Partijen in kennis stelt van de nederlegging van die akten.

2. Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin de datum van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging valt.

3. Zij blijft voor een zelfde tijd van kracht als het Verdrag tot instelling van de Benelux Unie.