rijk/verdrag/besluit-eu-euratom-20202053-van-de-raad-van-14-december-2020-betreffende-het-ste/BWBV0006891
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom BWBV0006891 verdrag geldend 2021-06-01 https://wetten.overheid.nl/BWBV0006891 Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom

Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom

Artikel 1

Bij dit besluit worden de voorschriften vastgesteld voor de toekenning van eigen middelen aan de Unie om de financiering van de jaarlijkse begroting van de Unie te waarborgen.

Artikel 2

1.

De in de Uniebegroting opgevoerde eigen middelen worden gevormd door de ontvangsten uit:

a. a. traditionele eigen middelen bestaande uit de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen, rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Unie ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met derde landen, de douanerechten op de onder het vervallen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld; b. b. de toepassing van een uniform afdrachtpercentage van 0,30 % voor alle lidstaten op het totale bedrag aan btw-inkomsten dat is geïnd ten aanzien van alle belastbare leveringen, gedeeld door het gewogen gemiddeld btw-tarief, berekend over het betreffende kalenderjaar, zoals bepaald in Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad.6)Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 155 van 7.6.1989, blz. 9). Voor elke lidstaat mag de hiertoe in aanmerking te nemen btw-grondslag niet meer bedragen dan 50 % van het bni; c. c. de toepassing van een uniform afdrachtpercentage op het gewicht van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval dat in elke lidstaat wordt gegenereerd. Het uniform afdrachtpercentage bedraagt 0,80 EUR per kilogram. Voor bepaalde lidstaten geldt een jaarlijkse forfaitaire verlaging als omschreven in de derde alinea van lid 2; d. d. de toepassing van een, met inachtneming van alle andere ontvangsten, in het kader van de begrotingsprocedure vast te stellen uniform afdrachtpercentage op de som van de bni's van alle lidstaten.

2.

Voor de toepassing van lid 1, onder c), van dit artikel betekent „kunststof” een polymeer in de zin van artikel 3, punt 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad7)Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1). waaraan additieven of andere stoffen kunnen zijn toegevoegd; „verpakkingsafval” en „recycling” hebben de betekenis die aan die begrippen in respectievelijk punt 2 en punt 2 ter van artikel 3 van Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad8)Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10). is toegekend, en als gebruikt in Besluit 2005/270/EG van de Commissie.9)Beschikking 2005/270/EG van de Commissie van 22 maart 2005 tot vaststelling van de tabellen voor het databanksysteem overeenkomstig Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 86 van 5.4.2005, blz. 6).

Het gewicht van niet-gerecycled kunststof verpakkingsafval wordt berekend als het verschil tussen het gewicht van het kunststof verpakkingsafval dat in een bepaald jaar in een lidstaat wordt gegenereerd en het gewicht van het in dat jaar gerecyclede kunststof kunststof verpakkingsafval, zoals bepaald op grond van Richtlijn 94/62/EG.

De volgende lidstaten hebben recht op jaarlijkse forfaitaire verlagingen, uitgedrukt in lopende prijzen, van hun respectieve bijdragen uit hoofde van lid 1, onder c), ten belope van 22 miljoen EUR voor Bulgarije, 32,1876 miljoen EUR voor Tsjechië, 4 miljoen EUR voor Estland, 33 miljoen EUR voor Griekenland, 142 miljoen EUR voor Spanje, 13 miljoen EUR voor Kroatië, 184,0480 miljoen EUR voor Italië, 3 miljoen EUR voor Cyprus, 6 miljoen EUR voor Letland, 9 miljoen EUR voor Litouwen, 30 miljoen EUR voor Hongarije, 1,4159 miljoen EUR voor Malta, 117 miljoen EUR voor Polen, 31,3220 miljoen EUR voor Portugal, 60 miljoen EUR voor Roemenië, 6,2797 miljoen EUR voor Slovenië en 17 miljoen EUR voor Slowakije.

3.

Voor de toepassing van lid 1, onder d), is het uniforme afdrachtpercentage van toepassing op het bni van elke lidstaat.

Onder bni in de zin van lid 1, onder d), wordt verstaan een jaarlijks bni, uitgedrukt in marktprijzen, zoals dat door de Commissie is meegedeeld in toepassing van Verordening (EU) nr. 549/2013.

4. Voor de periode 2021-2027 genieten de volgende lidstaten een brutoverlaging van hun jaarlijkse bni-bijdragen uit hoofde van lid 1, onder d), ten belope van 565 miljoen EUR voor Oostenrijk, 377 miljoen EUR voor Denemarken, 3,671 miljard EUR voor Duitsland, 1,921 miljard EUR voor Nederland en 1,069 miljard EUR voor Zweden. Die bedragen worden uitgedrukt in prijzen van 2020 en omgerekend in actuele prijzen door toepassing van de door de Commissie meegedeelde, meest recente deflator voor het bruto binnenlands product voor de Unie uitgedrukt in euro die beschikbaar is wanneer de ontwerpbegroting wordt opgesteld. Die brutoverlagingen worden gefinancierd door alle lidstaten.

5. Indien de Uniebegroting bij het begin van het begrotingsjaar niet is vastgesteld, blijven de bestaande uniforme bni-afdrachtpercentages van toepassing tot de inwerkingtreding van de nieuwe percentages.

Artikel 3

1. Het totale bedrag van de aan de Unie ter dekking van de jaarlijkse betalingskredieten toegewezen eigen middelen is niet hoger dan 1,40 % van de som van de bni's van alle lidstaten.

2. De jaarlijks in de Uniebegroting opgevoerde vastleggingskredieten bedragen niet meer dan 1,46 % van de som van de bni's van alle lidstaten.

3. Er wordt een gepaste verhouding tussen vastleggingskredieten en betalingskredieten in acht genomen om ervoor te zorgen dat zij verenigbaar zijn en om in de volgende jaren de hand te kunnen houden aan het in lid 1 bepaalde maximum.

4.

Indien wijzigingen in Verordening (EU) nr. 549/2013 significante veranderingen van het bni-peil meebrengt, berekent de Commissie de in de leden 1 en 2 vastgelegde maxima opnieuw, zoals tijdelijk verhoogd overeenkomstig artikel 6, op basis van de volgende formule:

waarbij:

„x%” het maximum van de eigen middelen voor betalingskredieten is; „y%” het maximum van de eigen middelen voor vastleggingskredieten is; „t” het laatste volledige jaar is waarvoor de bij Verordening (EU) 2019/516 van het Europees Parlement en de Raad10)Verordening (EU) 2019/516 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen en tot intrekking van Richtlijn 89/130/EEG, Euratom van de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad (bni-verordening) (PB L 91 van 29.3.2019, blz. 19). vastgestelde gegevens beschikbaar zijn; „ESR” het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Unie is.

Artikel 4

De Unie gebruikt op kapitaalmarkten geleende middelen niet voor de financiering van beleidsuitgaven.

Artikel 5

1.

Uitsluitend met het oog op het aanpakken van de gevolgen van de COVID-19-crisis door middel van de verordening van de Raad tot vaststelling van een herstelinstrument van de Europese Unie en de daarin genoemde sectorale wetgeving:

a. a. wordt de Commissie gemachtigd om namens de Unie middelen op kapitaalmarkten maximaal 750 miljard EUR in prijzen van 2018 te lenen. De transacties tot het opnemen van leningen worden uitgevoerd in euro; b. b. maximaal 360 miljard EUR in prijzen van 2018 van de geleende middelen mogen worden gebruikt voor het verstrekken van leningen en, in afwijking van artikel 4, maximaal 390 miljard EUR in prijzen van 2018 van de geleende middelen mag worden gebruikt voor uitgaven.

Het in de eerste alinea, onder a), bedoelde bedrag wordt aangepast op basis van een vaste deflator van 2 % per jaar. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad jaarlijks in kennis van het aangepaste bedrag.

De Commissie beheert de in eerste alinea, onder a), bedoelde opname van leningen op zodanige wijze dat na 2026 geen nieuwe netto opname van leningen plaatsvindt.

2.

De terugbetaling van de hoofdsom van de geleende voor de in lid 1, eerste alinea, onder b), van dit artikel bedoelde uitgaven te gebruiken middelen en de daarmee samenhangende verschuldigde rente komen ten laste van de Uniebegroting. Overeenkomstig artikel 112, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad11)Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1). mag de vastlegging in de begroting in verscheidene jaartranches worden verdeeld.

De terugbetaling van de in de lid 1, eerste alinea, onder a), van dit artikel bedoelde middelen geschiedt overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer, volgens een schema dat waarborgt dat de verplichtingen gestaag en voorspelbaar verminderen. Met de terugbetaling van de hoofdsom van de middelen wordt vóór het einde van de MFK-periode 2021-2027 begonnen, met een minimumbedrag, voor zover bedragen die niet voor uit hoofde van de in lid 1 van dit artikel bedoelde leningen verschuldigde rentebetalingen zijn gebruikt, het toelaten, met inachtneming van de in artikel 314 VWEU bepaalde procedure. Alle verplichtingen als gevolg van de uitzonderlijke en tijdelijke machtiging van de Commissie om in lid 1 van dit artikel bedoelde leningen op te nemen worden uiterlijk op 31 december 2058 volledig terugbetaald.

De door de Unie in een gegeven jaar verschuldigde bedragen voor de terugbetaling van de hoofdsom van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde middelen belopen niet meer dan 7,5 % van het in lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde maximumbedrag dat voor uitgaven moet worden gebruikt.

3. De Commissie treft de noodzakelijke regelingen voor het beheer van de transacties tot het opnemen van leningen. De Commissie informeert het Europees Parlement en de Raad regelmatig en uitgebreid over alle aspecten van haar strategie voor schuldbeheer. De Commissie stelt een tijdschema voor de uitgifte vast met de verwachte uitgiftedata en -volumes voor het komende jaar, en een plan met de verwachte aflossingen van de hoofdsom en rentebetalingen, en deelt het aan het Europees Parlement en de Raad mee. De Commissie actualiseert dat tijdschema regelmatig.

Artikel 6

De in artikel 3, leden 1 en 2, vastgestelde maxima worden elk tijdelijk verhoogd met 0,6 procentpunt met als enig doel alle verplichtingen van de Unie die voortvloeien uit haar in artikel 5 bedoelde leningen, te dekken totdat al deze verplichtingen zijn vervallen, en uiterlijk tot en met 31 december 2058.

De verhoogde maxima van de eigen middelen mogen niet worden gebruikt ter dekking van andere verplichtingen van de Unie.

Artikel 7

De in artikel 2 bedoelde ontvangsten worden zonder onderscheid gebruikt voor de financiering van alle uitgaven die in de jaarlijkse begroting van de Unie zijn opgenomen.

Artikel 8

Het eventuele overschot van de ontvangsten van de Unie ten opzichte van de totale werkelijke uitgaven gedurende een begrotingsjaar wordt naar het volgende begrotingsjaar overgedragen.

Artikel 9

1.

De in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde eigen middelen worden door de lidstaten geïnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. De lidstaten passen die bepalingen waar nodig aan opdat zij aan de Unievoorschriften voldoen.

De Commissie onderzoekt de desbetreffende nationale bepalingen waarvan de lidstaten haar in kennis stellen, deelt de lidstaten de aanpassingen mee die zij noodzakelijk acht om deze bepalingen in overeenstemming te brengen met de Unievoorschriften, en brengt zo nodig verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad.

2. De lidstaten houden 25 % van de in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde bedragen in als inningskosten.

3. De lidstaten stellen de in artikel 2, lid 1, van dit besluit bedoelde eigen middelen ter beschikking van de Commissie, in overeenstemming met verordeningen die op grond van artikel 322, lid 2, VWEU worden vastgesteld.

4. Onverminderd artikel 14, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad12)Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad van 26 mei 2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 39). geldt dat, als de in de Uniebegroting opgenomen toegestane kredieten voor de Unie niet toereikend zijn om te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit het opnemen van leningen zoals bedoeld in artikel 5 van dit besluit, en de Commissie de nodige liquiditeit niet kan genereren door andere maatregelen die in de op die leningen toepasselijke financiële regelingen zijn opgenomen, op tijd te activeren om de naleving van de verplichtingen van de Unie te garanderen, inclusief door actief liquiditeitsbeheer en, indien nodig, door een beroep te doen op kortetermijnfinanciering op kapitaalmarkten conform de in artikel 5, lid 1, eerste alinea, onder a), en artikel 5, lid 2, vastgelegde voorwaarden en beperkingen, de lidstaten de Commissie, als laatste redmiddel, daartoe de nodige middelen ter beschikking stellen. In die alinea, onder a), en artikel 5, lid 2, vastgelegde voorwaarden en beperkingen, de lidstaten de Commissie, als laatste redmiddel, daartoe de nodige middelen ter beschikking stellen. In die gevallen zijn, in afwijking van artikel 14, lid 3, en van artikel 14, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014, leden 5 tot en met 9, van dit artikel van toepassing.

5.

Behoudens artikel 14, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 kan de Commissie de lidstaten verzoeken om, naar evenredigheid („pro rata”) van de geraamde begrotingsontvangsten van elk van hen, voorlopig het verschil tussen de totale activa en de behoeften aan kasmiddelen bij te passen. De Commissie kondigt dergelijke verzoeken ruim van tevoren aan de lidstaten aan. De Commissie zal met de nationale bureaus voor schuldbeheer en de nationale schatkisten een gestructureerde dialoog aangaan over de uitgifte en de terugbetalingsschemas.

Indien een lidstaat een verzoek niet tijdig volledig of gedeeltelijk inwilligt of de lidstaat de Commissie ervan in kennis stelt dat hij daaraan geen gevolg zal kunnen geven, heeft de Commissie voorlopig het recht om ter dekking van het deel van de betrokken lidstaat, aanvullende verzoeken te doen bij andere lidstaten. Dergelijke verzoeken zijn pro rata naar de geraamde begrotingsontvangsten van elk van de andere lidstaten. De lidstaat die een verzoek niet inwilligt, blijft gehouden tot inwilliging ervan.

6. Het maximale totale jaarlijkse bedrag aan kasmiddelen dat uit hoofde van lid 5 van een lidstaat kan worden gevraagd, wordt in elk geval beperkt tot zijn relatieve aandeel op basis van het bni in de buitengewone en tijdelijke verhoging van het maximum van de eigen middelen als bedoeld in artikel 6. Daartoe wordt het relatieve aandeel op basis van het bni berekend als het aandeel in het totale bni van de Unie, zoals dat voortvloeit uit de overeenkomstige kolom in het deel „ontvangsten” van de laatst vastgestelde jaarlijkse begroting van de Unie.

7. Elke verstrekking van kasmiddelen op grond van de leden 5 en 6 wordt onverwijld gecompenseerd in overeenstemming met het toepasselijke juridisch kader voor de Uniebegroting.

8. De uitgaven die met de overeenkomstig lid 5 voorlopig opgenomen kasmiddelen worden gedekt, worden onverwijld in de Uniebegroting opgenomen om ervoor te zorgen dat de desbetreffende ontvangsten zo spoedig mogelijk in aanmerking worden genomen opdat de eigen middelen door de lidstaten op het credit van rekeningen worden geboekt overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

9. De toepassing van lid 5 mag er niet toe leiden toe dat jaarlijks kasmiddelen worden gevraagd die de in artikel 3 bedoelde maxima van de eigen middelen overschrijden, zoals verhoogd overeenkomstig artikel 6.

Artikel 10

De Raad stelt, overeenkomstig de procedure van artikel 311, vierde alinea, VWEU, uitvoeringsmaatregelen vast ten aanzien van de volgende elementen van het stelsel van eigen middelen van de Unie:

a. a. de procedure voor de berekening en budgettering van het saldo van de jaarlijkse begroting als bedoeld in artikel 8; b. b. de voorschriften en regelingen welke noodzakelijk zijn voor de controle en het toezicht op de inning van de in artikel 2, lid 1, bedoelde eigen middelen en eventuele relevante rapportagevereisten.

Artikel 11

1. Behoudens het bepaalde in lid 2, wordt Besluit 2014/335/EU, Euratom ingetrokken. Verwijzingen naar Besluit 70/243/EGKS, EEG, Euratom van de Raad,13)Besluit 70/243/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de lidstaten door eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 94 van 28.4.1970, blz. 19). Besluit 85/257/EEG, Euratom van de Raad,14)Besluit 85/257/EEG, Euratom van de Raad van 7 mei 1985 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 128 van 14.5.1985, blz. 15). Besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad,15)Besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 185 van 15.7.1988, blz. 24). Besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad,16)Besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 293 van 12.11.1994, blz. 9). Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad,17)Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 253 van 7.10.2000, blz. 42). Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad18)Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17). of Besluit 2014/335/EU, Euratom worden beschouwd als verwijzingen naar het onderhavige besluit; verwijzingen naar het ingetrokken besluit worden gelezen volgens de in de bijlage bij dit besluit opgenomen concordantietabel.

2. De artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 94/728/EG, Euratom, de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2000/597/EG, Euratom, de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2007/436/EG, Euratom en de artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 2014/335/EU blijven van toepassing op de berekening en de aanpassing van de ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van een afdrachtpercentage op de btw-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld en beperkt tot 50 % à 55 % van het bnp of bni van elke lidstaat, al naargelang het jaar, op de berekening van de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk voor de jaren 1995 tot en met 2020 en op de berekening van de financiering door andere lidstaten van de correcties ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk.

3. Op de in artikel 2, lid 1, punt a), bedoelde bedragen die vóór 28 februari 2001 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 10 % als inningskosten ingehouden.

4. Op de in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde bedragen die tussen 1 maart 2001 en 28 februari 2014 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 25 % als inningskosten ingehouden.

5. Op de in artikel 2, lid 1, onder a), bedoelde bedragen die tussen 1 maart 2014 en 28 februari 2021 door de lidstaten beschikbaar hadden moeten worden gesteld overeenkomstig de geldende Unievoorschriften, wordt door de lidstaten 20 % als inningskosten ingehouden.

6. Voor de toepassing van dit besluit dienen alle bedragen worden uitgedrukt in euro.

Artikel 12

Het secretariaat-generaal van de Raad deelt dit besluit aan de lidstaten mee.

De lidstaten stellen de secretaris-generaal van de Raad onverwijld in kennis van de voltooiing van de volgens hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van dit besluit vereiste procedures.

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand na de ontvangst van de laatste van de in de tweede alinea bedoelde kennisgevingen.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 13

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.