40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Federale Republiek Brazilië | BWBV0006833 | verdrag | geldend | 2021-07-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBV0006833 | Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Federale Republiek Brazilië |
Luchtvaartverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Federale Republiek Brazilië
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald:
a. a. wordt onder „luchtvaartautoriteit” verstaan, wat Sint Maarten betreft, de minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie, verantwoordelijk voor de burgerluchtvaart, en wat Brazilië betreft, de burgerluchtvaartautoriteit vertegenwoordigd door de Agência Nacional de Aviação Civil (ANAC); of, in beide gevallen elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die worden vervuld door de genoemde autoriteiten; b. b. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag, de Bijlage daarbij en alle wijzigingen daarvan; c. c. wordt onder „capaciteit” verstaan het aantal diensten dat uit hoofde van het Verdrag wordt geleverd, gewoonlijk gemeten als het aantal vluchten (frequenties), stoelen of tonnen vracht die op een markt worden aangeboden (stedenpaar of land naar land) of op een route gedurende een specifiek tijdvak, bijvoorbeeld dagelijks, wekelijks, in een bepaald seizoen of jaarlijks; d. d. wordt onder „het Verdrag van Chicago” verstaan het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 te Chicago voor ondertekening opengesteld, met inbegrip van alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago aangenomen Bijlagen, en elke wijziging van de Bijlagen of van het Verdrag van Chicago overeenkomstig artikel 90 en artikel 94, voor zover deze Bijlagen en wijzigingen van kracht zijn geworden voor beide partijen; e. e. wordt onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” verstaan een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 (Aanwijzing en verlening van vergunningen) van dit Verdrag; f. f. wordt onder „prijs” verstaan alle prijzen, kosten of heffingen die luchtvaartmaatschappijen, agentschappen inbegrepen, in rekening brengen voor vervoer door de lucht van passagiers, bagage en/of vracht (post niet meegerekend), met inbegrip van elke andere wijze van vervoer in verband daarmee, en de voor de beschikbaarheid van deze prijzen, kosten of heffingen geldende voorwaarden; g. g. heeft „grondgebied” met betrekking tot een partij de betekenis die eraan wordt toegekend in artikel 2 van het Verdrag van Chicago; h. h. wordt onder „gebruikersheffing” verstaan een heffing die door de bevoegde autoriteiten wordt opgelegd of mag worden opgelegd aan luchtvaartmaatschappijen voor de levering van luchthaveneigendommen of -voorzieningen of van luchtnavigatievoorzieningen of van luchtvaartbeveiligingsvoorzieningen of -diensten met inbegrip van daarmee verband houdende diensten en voorzieningen voor luchtvaartuigen, hun bemanningen, passagiers en vracht; en i. i. hebben „luchtdienst”, „internationale luchtdienst”, „luchtvaartmaatschappij” en „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” de betekenis die daaraan in artikel 96 van het Verdrag van Chicago respectievelijk wordt toegekend.
Artikel 2
1. Elke partij verleent de andere partij de in dit Verdrag omschreven rechten ten behoeve van de exploitatie van internationale luchtdiensten op de routes die omschreven zijn in de Bijlage bij dit Verdrag.
2.
Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag geniet(en) de door elke partij aangewezen luchtvaartmaatschappij(en) de volgende rechten:
a. a. het recht zonder te landen over het grondgebied van de andere partij te vliegen; b. b. het recht op het grondgebied van de andere partij te landen anders dan voor verkeersdoeleinden; c. c. het recht te landen op het (de) punt(en) op de route(s) omschreven in de Routetabel die door de luchtvaartautoriteiten van beide partijen gezamenlijk is overeengekomen voor het opnemen en afzetten van internationaal verkeer in de vorm van passagiers, bagage, vracht of post, afzonderlijk of gecombineerd; en d. d. andere rechten die zijn omschreven in dit Verdrag.
3. De luchtvaartmaatschappijen van elke partij, anders dan die aangewezen uit hoofde van artikel 3 (Aanwijzing en verlening van vergunningen) van dit Verdrag genieten tevens de rechten die omschreven zijn in het tweede lid, onderdelen a en b, van dit artikel.
4. Geen van de bepalingen in dit Verdrag wordt geacht een aangewezen luchtvaartmaatschappij of de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de ene partij het voorrecht te verlenen op het grondgebied van de andere partij tegen vergoeding passagiers, bagage, vracht en post aan boord te nemen bestemd voor een ander punt op het grondgebied van die andere partij.
Artikel 3
1. Elke partij heeft het recht door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor het verrichten van de overeengekomen diensten en deze aanwijzing in te trekken of te wijzigen. Deze kennisgevingen geschieden langs diplomatieke weg.
2.
Na ontvangst van een dergelijke aanwijzing en van de aanvraag van de aangewezen luchtvaartmaatschappij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven voor exploitatievergunningen, verleent elke partij de desbetreffende exploitatievergunning met een zo gering mogelijke procedurele vertraging, mits:
a. a. de aangewezen luchtvaartmaatschappij gevestigd is op het grondgebied van de aanwijzende partij; b. b. de daadwerkelijke controle of de aangewezen luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft wordt uitgevoerd en gehandhaafd door de partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst; c. c. de partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst de in artikel 7 (Veiligheid) en artikel 8 (Beveiliging van de luchtvaart) vervatte bepalingen naleeft; en d. d. de aangewezen luchtvaartmaatschappij in staat is te voldoen aan de in de wetten en voorschriften gestelde voorwaarden die de partij die de aanwijzing ontvangt gewoonlijk toepast op de exploitatie van internationale luchtvervoerdiensten.
3. Na ontvangst van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunning kan een aangewezen luchtvaartmaatschappij op elk moment een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen diensten waarvoor zij is aangewezen, mits zij de toepasselijke bepalingen van dit Verdrag naleeft.
Artikel 4
1.
De luchtvaartautoriteiten van elke partij hebben het recht de in artikel 3 (Aanwijzing en verlening van vergunningen) van dit Verdrag vermelde vergunningen voor een door de andere partij aangewezen luchtvaartmaatschappij te weigeren en deze in te trekken, te schorsen of hieraan voorwaarden te verbinden, hetzij tijdelijk, hetzij permanent, wanneer:
a. a. niet bewezen kan worden dat de aangewezen luchtvaartmaatschappij gevestigd is op het grondgebied van de partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst; of b. b. de daadwerkelijke controle of de aangewezen luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft niet wordt uitgevoerd en gehandhaafd door de partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen; of c. c. de partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst de in artikel 7 (Veiligheid) en artikel 8 (Beveiliging van de luchtvaart) vervatte bepalingen niet naleeft; of d. d. de aangewezen luchtvaartmaatschappij niet in staat is te voldoen aan de in de wetten en voorschriften gestelde voorwaarden die de partij die de aanwijzing ontvangt gewoonlijk toepast op de exploitatie van internationale luchtvervoerdiensten.
2. Tenzij onmiddellijke intrekking, schorsing of oplegging van de in het eerste lid van dit artikel genoemde voorwaarden essentieel is om verdere inbreuken op wetten en voorschriften, of van de bepalingen van dit Verdrag te voorkomen, worden dergelijke rechten slechts uitgeoefend na overleg met de andere partij. Dergelijk overleg vindt plaats vóór het verstrijken van dertig (30) dagen na het verzoek van een partij, tenzij beide partijen anders overeenkomen.
Artikel 5
1. De wetten en voorschriften van de ene partij die van toepassing zijn op de binnenkomst op of het vertrek uit haar grondgebied van voor internationale luchtdiensten ingezette luchtvaartuigen, of met betrekking tot de exploitatie van en het vliegen met deze luchtvaartuigen binnen haar grondgebied, zijn van toepassing op de luchtvaartuigen van de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij.
2. De wetten en voorschriften van de ene partij die van toepassing zijn op de binnenkomst op, het verblijf op of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanning en vracht, met inbegrip van post, zoals voorschriften met betrekking tot immigratie, douane, valuta, gezondheid en quarantaine zijn van toepassing op de passagiers, bemanning, vracht en post vervoerd door de luchtvaartuigen van de luchtvaartmaatschappij van de andere partij wanneer zij zich op het betreffende grondgebied bevinden.
3. Geen van de partijen begunstigt haar eigen of een andere luchtvaartmaatschappij ten opzichte van een luchtvaartmaatschappij van de andere partij die soortgelijke internationale luchtvervoerdiensten verricht bij de toepassing van haar voorschriften inzake immigratie, douane, quarantaine en soortgelijke voorschriften.
4. Passagiers, bagage, vracht en post in directe transit worden slechts aan een vereenvoudigde controle onderworpen. Bagage en vracht in directe transit zijn vrijgesteld van douanerechten en andere vergelijkbare rechten.
Artikel 6
1. Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die door de ene partij zijn uitgereikt of geldig zijn verklaard en nog van kracht zijn, worden door de andere partij als geldig erkend voor de exploitatie van de overeengekomen diensten, mits de eisen op grond waarvan deze bewijzen en vergunningen werden uitgereikt of geldig verklaard gelijk zijn aan of zwaarder dan de minimumnormen die kunnen worden vastgesteld uit hoofde van het Verdrag van Chicago.
2. Indien de voorrechten of voorwaarden van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde vergunningen of bewijzen, afgegeven door de luchtvaartautoriteiten van een partij aan een persoon of aangewezen luchtvaartmaatschappij of voor een luchtvaartuig dat gebruikt wordt voor de exploitatie van de overeengekomen diensten, een afwijking toestaan van de krachtens het Verdrag van Chicago vastgestelde minimumnormen, welke afwijking is geregistreerd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), kan de andere partij verzoeken om overleg tussen de luchtvaartautoriteiten teneinde helderheid te verschaffen over het gebruik in kwestie.
3. Elke partij behoudt zich evenwel het recht voor voor vluchten boven of landingen op haar grondgebied te weigeren bewijzen van bevoegdheid en vergunningen te erkennen die aan haar eigen onderdanen zijn verstrekt door de andere partij.
Artikel 7
1. Elke partij kan te allen tijde verzoeken om overleg over de veiligheidsnormen die door de andere partij worden gehandhaafd op gebieden die betrekking hebben op luchtvaartvoorzieningen, bemanning, luchtvaartuigen en de exploitatie van luchtvaartuigen. Dergelijk overleg vindt plaats binnen dertig (30) dagen na dat verzoek.
2. Indien na dergelijk overleg een partij oordeelt dat de andere partij op deze gebieden niet op doeltreffende wijze veiligheidsnormen handhaaft en toepast die voldoen aan de normen die op dat moment uit hoofde van het Verdrag van Chicago zijn vastgesteld, stelt de eerstgenoemde partij de andere partij in kennis van dit oordeel en de noodzakelijk geachte stappen om te voldoen aan die ICAO-normen. De andere partij neemt vervolgens passende corrigerende maatregelen binnen een overeengekomen termijn.
3. Ingevolge artikel 16 van het Verdrag van Chicago wordt voorts overeengekomen dat een luchtvaartuig dat door of namens een luchtvaartmaatschappij van een partij wordt gebruikt voor diensten naar of vanuit het grondgebied van de andere partij, terwijl het zich op het grondgebied van de andere partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie door de bevoegde vertegenwoordigers van de andere partij, mits dit niet leidt tot onredelijke vertraging bij de exploitatie van het luchtvaartuig. Onverminderd de verplichtingen bedoeld in artikel 33 van het Verdrag van Chicago wordt met deze inspectie beoogd de geldigheid van de relevante documenten van het luchtvaartuig en de vergunningen van de bemanning te controleren en te controleren of de uitrusting en de toestand van het luchtvaartuig voldoen aan de normen die op dat tijdstip uit hoofde van het Verdrag van Chicago waren vastgesteld.
4. Wanneer onverwijld ingrijpen essentieel is voor de veiligheid van een vlucht door de luchtvaartmaatschappij behoudt elke partij zich het recht voor de exploitatievergunning van een luchtvaartmaatschappij of van luchtvaartmaatschappijen van de andere partij onmiddellijk te schorsen of daarvan af te wijken.
5. Een maatregel door een partij in overeenstemming met het vierde lid van dit artikel wordt beëindigd zodra de aanleiding voor het nemen van die maatregel ophoudt te bestaan.
6. Onder verwijzing naar het tweede lid van dit artikel dient, indien wordt vastgesteld dat een partij nadat de afgesproken termijn is verstreken nog steeds niet voldoet aan de ICAO-normen, de secretaris-generaal van de ICAO daarvan in kennis te worden gesteld. De secretaris-generaal dient tevens in kennis te worden gesteld wanneer vervolgens tot een bevredigende oplossing van de situatie is gekomen.
Artikel 8
1. Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht, bevestigen de partijen opnieuw dat hun verplichting jegens elkaar tot bescherming van de veiligheid van de burgerluchtvaart tegen daden van wederrechtelijke inmenging een integrerend onderdeel uitmaakt van dit Verdrag. Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken handelen de partijen in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen, begaan aan boord van luchtvaartuigen, ondertekend te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te Den Haag op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971, het Aanvullend Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 24 februari 1988 en het Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan, ondertekend te Montreal op 1 maart 1991, alsmede elk ander verdrag of protocol inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart dat beide partijen naleven.
2. De partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van gedragingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, zijn passagiers en bemanning, luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, alsmede elke andere bedreiging voor de veiligheid van de burgerluchtvaart.
3. De partijen handelen, in hun onderlinge betrekkingen, in overeenstemming met de bepalingen inzake de veiligheid van de luchtvaart vastgesteld door de ICAO en aangeduid als de Bijlagen bij het Verdrag van Chicago; zij verlangen dat exploitanten van luchtvaartuigen die in hun land geregistreerd zijn of die op hun grondgebied zijn gevestigd en de exploitanten van luchthavens op hun grondgebied handelen in overeenstemming met deze bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart. Elke partij informeert de andere partij over verschillen tussen haar nationale voorschriften en praktijken en de normen inzake de beveiliging van de luchtvaart van de Bijlagen. Elk van de partijen kan te allen tijde verzoeken om onmiddellijk overleg met de andere partij over dergelijke verschillen.
4. Elke partij stemt ermee in dat van deze exploitanten van luchtvaartuigen kan worden verlangd dat deze de in het derde lid van dit artikel bedoelde bepalingen inzake beveiliging van de luchtvaart in acht nemen die door de andere partij zijn voorgeschreven voor binnenkomst op, vertrek uit en verblijf op het grondgebied van die andere partij. Elke partij waarborgt dat op haar grondgebied adequate maatregelen op doeltreffende wijze worden uitgevoerd om de luchtvaartuigen te beschermen en dat passagiers, bemanning, handbagage, bagage, vracht en proviand vóór en tijdens het aan boord gaan of het laden aan controles worden onderworpen. Elke partij neemt tevens elk verzoek van de andere partij om binnen redelijke grenzen bijzondere veiligheidsmaatregelen te nemen om een specifieke dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging.
5. Wanneer een incident van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een burgerluchtvaartuig of andere wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van een dergelijk burgerluchtvaartuig, zijn passagiers en bemanning, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, verlenen de partijen elkaar bijstand door het vergemakkelijken van de communicatie en andere passende maatregelen teneinde snel en veilig een einde te maken aan een dergelijk incident of dergelijke dreiging.
6. Elke partij heeft het recht, binnen zestig (60) dagen na een kennisgeving, haar luchtvaartautoriteiten op het grondgebied van de andere partij onderzoek te laten doen naar de veiligheidsmaatregelen die worden uitgevoerd, of die volgens plan zullen worden uitgevoerd, door luchtvaartondernemingen ten aanzien van vluchten afkomstig van of vertrekkend naar het grondgebied van de eerstgenoemde partij. De administratieve regelingen voor het uitvoeren van dergelijke onderzoeken worden overeengekomen tussen de luchtvaartautoriteiten en worden zonder vertraging uitgevoerd teneinde te waarborgen dat de onderzoeken voortvarend worden uitgevoerd.
7. Wanneer een partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de andere partij is afgeweken van de bepalingen in dit artikel, kan de eerstgenoemde partij verzoeken om overleg. Dergelijk overleg vangt aan binnen vijftien (15) dagen na de ontvangst van een dergelijk verzoek van een van de partijen. Indien zij er niet in slagen binnen vijftien (15) dagen na aanvang van dergelijk overleg tot een bevredigende oplossing te komen, vormt dit een grond voor het weigeren, intrekken, schorsen of opleggen van voorwaarden ten aanzien van de vergunningen van de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen die door de andere partij is of zijn aangewezen. Indien zulks gerechtvaardigd is vanwege een noodgeval of om verdere inbreuken op de bepalingen van dit artikel te voorkomen, kan de eerste partij te allen tijde tussentijdse maatregelen nemen.
Artikel 9
1. Geen van de partijen legt de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij gebruikersheffingen op, of staat toe dat deze worden opgelegd, die hoger zijn dan die worden opgelegd aan haar eigen luchtvaartmaatschappijen die worden gebruikt voor vergelijkbare internationale diensten.
2. Elke partij moedigt overleg aan over gebruikersheffingen tussen haar bevoegde inningsautoriteit en luchtvaartmaatschappijen die gebruikmaken van de geboden diensten en voorzieningen, waar praktisch uitvoerbaar via de vertegenwoordigende organisaties van deze luchtvaartmaatschappijen. Voorstellen tot wijziging van gebruikersheffingen dienen binnen een redelijke termijn ter kennis van dergelijke gebruikers te worden gebracht zodat deze hun mening kenbaar kunnen maken voordat de wijzigingen plaatsvinden. Elke partij moedigt haar bevoegde inningsautoriteit en deze gebruikers aan relevante informatie met betrekking tot gebruikersheffingen uit te wisselen.
Artikel 10
1. Elke partij stelt op basis van wederkerigheid de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij in de ruimst mogelijke mate die haar nationale wetgeving toestaat vrij van importbeperkingen, douanerechten, accijnzen, inspectiekosten en andere nationale rechten en lasten, die niet gebaseerd zijn op de kosten van de bij aankomst verleende diensten, op luchtvaartuigen, brandstof, smeermiddelen, technische verbruiksvoorraden, reserveonderdelen met inbegrip van motoren, normale uitrustingsstukken, proviand en andere artikelen zoals voorraden gedrukte tickets, luchtvrachtbrieven en drukwerk waarop het embleem van de aangewezen luchtvaartmaatschappij voorkomt en gebruikelijk reclamemateriaal dat door die aangewezen luchtvaartmaatschappij gratis wordt verspreid en bestemd is voor gebruik of uitsluitend wordt gebruikt in verband met de exploitatie of het onderhoud van luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van deze andere partij die de overeengekomen diensten uitvoert.
2.
De in dit artikel toegekende vrijstellingen zijn van toepassing op de in het eerste lid genoemde goederen:
a. a. die door of namens de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij op het grondgebied van de partij zijn binnengebracht; b. b. die bij aankomst op of vertrek uit het grondgebied van een partij aan boord van het luchtvaartuig van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij blijven; of c. c. die aan boord worden genomen van het luchtvaartuig van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij op het grondgebied van de andere partij en die bestemd zijn voor gebruik tijdens de exploitatie van de overeengekomen diensten,
ongeacht of dergelijke goederen geheel worden gebruikt of verbruikt op het grondgebied van de partij die de vrijstelling verleent, mits de eigendom van dergelijke goederen niet op het grondgebied van genoemde partij wordt overgedragen.
3. Normale boorduitrustingsstukken alsmede de materialen en voorraden die normaal gesproken aan boord van het luchtvaartuig van een aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij blijven, mogen op het grondgebied van de andere partij slechts worden uitgeladen met toestemming van de douaneautoriteiten van dat grondgebied. In een dergelijk geval kunnen deze goederen onder toezicht van genoemde autoriteiten worden geplaatst tot het tijdstip waarop ze weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.
Artikel 11
1. Elke partij staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij de frequentie en capaciteit van het internationale luchtvervoer dat zij aanbiedt bepaalt op basis van commerciële marktoverwegingen.
2. Geen van de partijen beperkt eenzijdig de omvang van het verkeer, de frequentie of regelmaat van een dienst, van het type of de typen door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij geëxploiteerde luchtvaartuigen, tenzij dit nodig mocht zijn vanwege redenen op het gebied van douane, techniek, exploitatie of milieu uit hoofde van uniforme voorwaarden die in overeenstemming zijn met artikel 15 van het Verdrag van Chicago.
Artikel 12
1. Prijzen die uit hoofde van dit Verdrag voor luchtdiensten worden berekend mogen door de luchtvaartmaatschappijen vrij worden vastgesteld en hoeven niet te worden goedgekeurd.
2. Elke partij kan verlangen dat de aangewezen luchtvaartmaatschappijen de prijzen voor vluchten die afkomstig zijn van haar grondgebied ter kennis brengen van of indienen bij de autoriteiten.
3. Indien de luchtvaartautoriteiten van de ene partij van mening zijn dat de door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij beoogde of uitgevoerde vluchten oneerlijke concurrentie zou(den) kunnen vormen, kunnen zij verzoeken om overleg in overeenstemming met artikel 19 (Overleg) van dit Verdrag om tot een oplossing van het probleem te komen. Een dergelijk verzoek gaat vergezeld van een kennisgeving met de redenen voor het verzoek en het overleg vangt aan binnen vijftien (15) dagen na het verzoek.
4. Indien de partijen er niet in slagen door middel van overleg tot een oplossing van het probleem te komen, kan elk van de partijen een beroep doen op de geschillenregeling uit hoofde van artikel 20 (Regeling van geschillen) van dit Verdrag teneinde het geschil te beslechten.
Artikel 13
1. De partijen informeren elkaar, op verzoek, over hun mededingingswetgeving, -beleid en -praktijken of wijzigingen daarvan, en over bijzondere doelstellingen daarvan die van invloed kunnen zijn op de exploitatie van de luchtvervoerdiensten uit hoofde van dit Verdrag en wijzen de autoriteiten aan die voor de tenuitvoerlegging ervan verantwoordelijk zijn.
2. De partijen stellen elkaar in kennis wanneer zij van mening zijn dat de toepassing van hun mededingingswetgeving, -beleid en -praktijken mogelijk onverenigbaar is met aangelegenheden die verband houden met de werking van dit Verdrag.
3. Onverminderd eventuele andersluidende bepalingen mag niets in dit Verdrag i) vereisen of aanmoedigen dat overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot stand komen die de mededinging verhinderen of verstoren; ii) de gevolgen van dergelijke overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen versterken; of iii) de verantwoordelijkheid voor het nemen van maatregelen die de mededinging verhinderen, verstoren of beperken, toevertrouwen aan particuliere economische exploitanten.
Artikel 14
1. Elke partij staat de luchtvaartmaatschappij(en) van de andere partij op verzoek toe het na aftrek van plaatselijke uitgaven overblijvende bedrag van de plaatselijk verkregen inkomsten uit de verkoop van luchtvervoerdiensten en daarmee samenhangende activiteiten die rechtstreeks verband houden met luchtvervoer te wisselen en naar het buitenland over te maken, waarbij inwisseling en overmaking onverwijld worden toegestaan tegen de wisselkoers die van toepassing is op de datum waarop het verzoek tot inwisseling en overmaking is gedaan.
2. Inwisseling en overmaking van dergelijke inkomsten is toegestaan in overeenstemming met de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en er worden geen administratieve of wisselkosten in rekening gebracht anders dan de kosten die gewoonlijk door banken worden berekend voor inwisseling en overmaking.
3. De luchtvaartmaatschappijen van beide partijen worden door de bepalingen van dit artikel niet vrijgesteld van de rechten, heffingen en bijdragen die op hen van toepassing zijn.
4. Indien er een bijzondere overeenkomst tussen de partijen is ter voorkoming van dubbele belastingen of een bijzondere overeenkomst waarin de overdracht van gelden tussen de partijen is geregeld, dan hebben dergelijke overeenkomsten voorrang.
Artikel 15
1. Elke partij verleent de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij het recht internationale luchtdiensten op haar grondgebied te verkopen en op de markt te brengen, rechtstreeks of via agenten of andere tussenpersonen naar keuze van de luchtvaartmaatschappij, met inbegrip van het recht zowel online als offline kantoren te vestigen.
2. Elke luchtvaartmaatschappij heeft het recht vervoer te verkopen in de valuta van dat gebied of, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving, in vrij omwisselbare valuta van andere landen en het staat elke persoon vrij dit vervoer te kopen in de door deze luchtvaartmaatschappij aanvaarde valuta.
3. De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een partij hebben het recht, op basis van wederkerigheid, hun vertegenwoordigers en in verband met het verzorgen van de overeengekomen diensten benodigde commercieel, operationeel en technisch personeel te zenden naar en te doen verblijven op het grondgebied van de andere partij.
4. In deze personeelsbehoefte kan naar keuze van de aangewezen luchtvaartmaatschappijen worden voorzien door hun eigen personeel of door gebruikmaking van de diensten van een andere organisatie, onderneming of luchtvaartmaatschappij die werkzaam is op het grondgebied van de andere partij en die gemachtigd is dergelijke diensten te verlenen voor andere luchtvaartmaatschappijen.
5.
De geldende wet- en regelgeving van de andere partij is op de vertegenwoordigers en het personeel van toepassing en in overeenstemming met deze wet- en regelgeving:
a. a. verleent elke partij, op basis van wederkerigheid en met een zo gering mogelijke vertraging, de noodzakelijke werkvergunningen, bezoekersvisa of overige soortgelijke documenten aan de in het derde lid van dit artikel bedoelde vertegenwoordigers en personeelsleden; en b. b. vergemakkelijken en bespoedigen beide partijen de vereiste werkvergunningen voor personeel dat bepaalde tijdelijke taken verricht die niet langer dan negentig (90) dagen voortduren.
Artikel 16
1. Bij de exploitatie van luchtdiensten die zijn toegestaan uit hoofde van dit Verdrag, mag elke luchtvaartmaatschappij gebruik maken van eigen luchtvaartuigen of van luchtvaartuigen die zijn geleased („dry lease”), per uur gehuurd („interchange” of „lease for hours”), geleased met bemanning, verzekering en onderhoud„(„wet lease”) op grond van een overeenkomst tussen luchtvaartmaatschappijen van een van de partijen of derde staten, waarbij de wet- en regelgeving van beide partijen en het Protocol inzake wijziging van het Verdrag van Chicago (artikel 83 bis) worden geëerbiedigd. De luchtvaartautoriteiten van de partijen sluiten een specifieke overeenkomst waarin de voorwaarden voor de overdracht van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid als verstrekt door de ICAO zijn vastgelegd.
2. Op elk deel van de routes in de Bijlage van het Verdrag is een luchtvaartmaatschappij gerechtigd internationaal luchtvervoer, mede met code-sharing met andere luchtvaartmaatschappijen, te verzorgen zonder beperkingen ten aanzien van verandering van het type, de omvang of het aantal ingezette luchtvaartuigen op een punt of punten van de route, met dien verstande dat het vervoer voorbij dat punt een voortzetting is van het vervoer vanuit het grondgebied van de partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen, en bij binnenkomende vluchten het vervoer naar het grondgebied van de partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen een voortzetting is van het vervoer voorbij dat punt.
Artikel 17
De luchtvaartautoriteiten van elke partij voorzien de luchtvaartautoriteiten van de andere partij op verzoek van de periodieke of andere statistische gegevens die redelijkerwijs verlangd kunnen worden of laten hun aangewezen luchtvaartmaatschappijen deze verstrekken.
Artikel 18
1. De aangewezen luchtvaartmaatschappij van elke partij dient haar voorgenomen vluchtschema's ten minste dertig (30) dagen voor aanvang van de exploitatie van de overeengekomen diensten ter goedkeuring in bij de luchtvaartautoriteiten van de andere partij. Dezelfde procedure is van toepassing bij eventuele wijzigingen daarvan.
2. Voor extra vluchten die de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een partij wenst uit te voeren op de overeengekomen diensten buiten de goedgekeurde dienstregeling dient deze luchtvaartmaatschappij vooraf toestemming te vragen van de luchtvaartautoriteiten van de andere partij. Dergelijke verzoeken worden gewoonlijk ten minste vijf (5) werkdagen voor het uitvoeren van dergelijke vluchten ingediend.
Artikel 19
1. Elke partij mag te allen tijde verzoeken om overleg over de uitlegging, toepassing, tenuitvoerlegging of wijziging van dit Verdrag of over de naleving van dit Verdrag.
2. Dergelijk overleg, dat door middel van besprekingen of briefwisseling kan plaatsvinden, vangt aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van een schriftelijk verzoek door de andere partij, tenzij de partijen anders overeenkomen.
Artikel 20
1. Elk geschil dat tussen de partijen mocht ontstaan met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten de luchtvaartautoriteiten van de partijen in de eerste plaats te regelen door middel van overleg en onderhandelingen.
2. Indien de partijen er niet in slagen het geschil door middel van onderhandeling te beslechten, wordt het geschil langs diplomatieke weg geregeld.
3. Indien het geschil niet langs diplomatieke weg kan worden geregeld, wordt, op verzoek van een van de partijen, het geschil, ter beslissing voorgelegd aan een persoon of personen of een instantie (mediation of arbitrage). Beide partijen dienen in te stemmen met de methode en procedure van arbitrage.
Artikel 21
Elke wijziging van dit Verdrag wordt overeengekomen tussen de partijen en wordt van kracht op een datum die door middel van een diplomatieke notawisseling wordt vastgesteld en waarin wordt aangegeven dat alle vereiste interne procedures door beide partijen zijn voltooid.
Artikel 22
Indien ten aanzien van beide partijen een algemeen multilateraal luchtvaartverdrag in werking treedt, wordt dit Verdrag gewijzigd teneinde het in overeenstemming te brengen met de bepalingen van dat multilaterale verdrag.
Artikel 23
Elk van de partijen kan te allen tijde de andere partij langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis stellen van haar besluit dit Verdrag te beëindigen. Deze kennisgeving wordt tegelijkertijd toegezonden aan de ICAO. Dit Verdrag treedt één jaar na de datum waarop de kennisgeving door de andere partij is ontvangen om 12 uur 's nachts plaatselijke tijd van deze partij buiten werking, tenzij de kennisgeving vóór het verstrijken van deze termijn in overleg wordt ingetrokken. Indien de andere partij nalaat de ontvangst te bevestigen, wordt de kennisgeving geacht te zijn ontvangen veertien (14) dagen na de ontvangst van de kennisgeving door de ICAO.
Artikel 24
Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen worden dit Verdrag en alle wijzigingen ervan na ondertekening geregistreerd bij de ICAO door de partij op wier grondgebied het Verdrag is ondertekend.
Artikel 25
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Sint Maarten.
Artikel 26
1. Elk van de partijen stelt de andere partij, schriftelijk, langs diplomatieke weg in kennis van de voltooiing van de vereiste interne procedures voor de inwerkingtreding van dit Verdrag.
2. Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van ontvangst van de laatste kennisgeving.