rijk/verdrag/overeenkomst-betreffende-de-overdracht-en-mutualisatie-van-de-bijdragen-aan-het/BWBV0006380
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Overeenkomst betreffende de overdracht en mutualisatie van de bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds BWBV0006380 verdrag geldend 2016-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBV0006380 Overeenkomst betreffende de overdracht en mutualisatie van de bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds

Overeenkomst betreffende de overdracht en mutualisatie van de bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds

Titel I. DOEL EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

1.

Door middel van deze overeenkomst verbinden de overeenkomstsluitende partijen zich ertoe,

a) a) de conform de BHA-richtlijn en de GAM-verordening op nationaal niveau geïnde bijdragen over te dragen aan het bij die verordening opgerichte gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (het „Fonds”); en b) b) gedurende een overgangsperiode die begint op de datum van toepassing van deze overeenkomst, als bepaald in artikel 12, lid 2, van deze overeenkomst en verstrijkt op de datum waarop het Fonds het in artikel 69 van de GAM-verordening vastgestelde streefbedrag van de financiering bereikt, doch niet later dan acht jaar na de datum van toepassing van deze overeenkomst („de overgangsperiode”), de bijdragen die zij overeenkomstig de GAM-verordening en de BHA-verordening op nationaal niveau innen, toe te wijzen aan onderscheiden, met elk van de overeenkomstsluitende partijen overeenstemmende compartimenten. Het gebruik van de compartimenten wordt geleidelijk gemutualiseerd op zodanige wijze dat ze aan het einde van de overgangsperiode ophouden te bestaan,

waardoor zij de doeltreffendheid van de activiteiten en de werking van het Fonds ondersteunen.

2. Deze overeenkomst is van toepassing op de overeenkomstsluitende partijen waarvan de instellingen onder het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme vallen, conform de toepasselijke bepalingen van respectievelijk Verordening (EU) nr. 1024/2013 en van de GAM-verordening (de overeenkomstsluitende partijen die aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemen).

Titel II. CONSISTENTIE MET EN VERHOUDING TOT HET RECHT VAN DE UNIE

Artikel 2

1. Deze overeenkomst wordt door de overeenkomstsluitende partijen toegepast en uitgelegd conform de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest en conform het recht van de Europese Unie, met name artikel 4, lid 3, van het VEU en de wetgeving van de Unie betreffende de afwikkeling van instellingen.

2. Deze overeenkomst is van toepassing voor zover zij verenigbaar is met de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest en met het Unierecht. Zij doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de Unie om te handelen op het gebied van de interne markt.

3. Voor de toepassing van deze overeenkomst gelden de toepasselijke definities van artikel 3 van de GAM-verordening.

Titel III. OVERDRACHT VAN BIJDRAGEN EN COMPARTIMENTEN

Artikel 3

1. De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich er gezamenlijk toe om de bijdragen die zij innen van de instellingen waaraan op hun respectieve grondgebied vergunning is verleend, onherroepelijk over te dragen aan het Fonds, uit hoofde van de artikelen 70 en 71 van de GAM-verordening en volgens de criteria die zijn neergelegd in die artikelen en in de in die artikelen bedoelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen. De overdracht van bijdragen geschiedt conform de in de artikelen 4 tot en met 10 van deze overeenkomst neergelegde voorwaarden.

2. De overeenkomstsluitende partijen dragen de vooraf te betalen bijdragen die met een bepaald jaar overeenstemmen uiterlijk op 30 juni van dat jaar over. De initiële overdracht van vooraf te betalen bijdragen aan het Fonds geschiedt uiterlijk op 30 juni 2016 of, indien de overeenkomst op die datum nog niet in werking is getreden, uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding.

3. De conform de artikelen 103 en 104 van de BHA-richtlijn vóór de datum van toepassing van deze overeenkomst door de overeenkomstsluitende partijen geïnde bijdragen worden uiterlijk op 31 januari 2016 aan het Fonds overgedragen of, indien de overeenkomst op die datum nog niet in werking is getreden, uiterlijk één maand na de datum van inwerkingtreding.

4. Elk bedrag dat voor de datum van toepassing van deze overeenkomst door de financieringsregeling voor de afwikkeling van de overeenkomstsluitende partij wordt uitbetaald in verband met afwikkelingsmaatregelen op haar grondgebied, wordt afgetrokken van de door die overeenkomstsluitende partij aan het in lid 3 bedoelde Fonds over te dragen bedragen. In dat geval blijft de betrokken overeenkomstsluitende partij gehouden een bedrag aan het Fonds over te dragen dat gelijk is aan het bedrag dat nodig zou zijn geweest om het streefbedrag van de voor haar geldende financieringsregeling voor de afwikkeling te bereiken, conform artikel 93 van de BHA-richtlijn en binnen de daarin vermelde termijnen.

5. De overeenkomstsluitende partijen dragen de achteraf te betalen bijdragen onmiddellijk na de inning ervan over.

Artikel 4

1. Gedurende de overgangsperiode worden de op nationaal niveau geïnde bijdragen aan het Fonds overgedragen op zodanige wijze dat zij worden toegewezen aan de met elk van de overeenkomstsluitende partijen overeenstemmende compartimenten.

2. De omvang van de compartimenten van elke overeenkomstsluitende partij is gelijk aan het totaal van de te betalen bijdragen door de instellingen waaraan op haar grondgebied vergunning is verleend uit hoofde van de artikelen 69 en 70 van de GAM-verordening en van de daarin bedoelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen.

3. De afwikkelingsraad stelt op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, louter voor informatieve doeleinden, een lijst op die de omvang van de compartimenten van elke overeenkomstsluitende partij nader omschrijft. Die lijst wordt gedurende de overgangsperiode jaarlijks geactualiseerd.

Artikel 5

1.

Indien conform de toepasselijke bepalingen van de GAM-verordening wordt besloten een beroep op het Fonds te doen, is de afwikkelingsraad bevoegd om op de volgende manier gebruik te maken van de compartimenten van het Fonds:

a) a) In eerste instantie worden de kosten gedragen door de compartimenten die overeenstemmen met de overeenkomstsluitende partijen waar de instelling of groep in afwikkeling is gevestigd of over een vergunning beschikt. Indien het om een grensoverschrijdende groep in afwikkeling gaat, worden de kosten verdeeld over de onderscheiden compartimenten die overeenstemmen met de overeenkomstsluitende partijen waar de moederonderneming en de dochterondernemingen zijn gevestigd of over een vergunning beschikken, naar rato van het relatieve bedrag van de bijdragen die elk van de entiteiten van de groep in afwikkeling aan het compartiment van de respectieve overeenkomstsluitende partij heeft geleverd met betrekking tot het totaalbedrag van de bijdragen die alle entiteiten van de groep aan hun nationale compartimenten hebben geleverd. Indien een overeenkomstsluitende partij waar de moederonderneming of dochteronderneming is gevestigd of over een vergunning beschikt, oordeelt dat de toepassing van het in de eerste alinea bedoelde criterium voor de kostenverdeling leidt tot grote asymmetrie tussen de verdeling van de kosten over de compartimenten en het risicoprofiel van de bij de afwikkeling betrokken entiteiten, kan zij de afwikkelingsraad verzoeken om daarnaast onverwijld de in artikel 107, lid 5, van de BHA-richtlijn neergelegde criteria in aanmerking te nemen. Indien de afwikkelingsraad niet ingaat op het verzoek van de betrokken overeenkomstsluitende partij, licht hij zijn standpunt publiekelijk toe. Er wordt een beroep gedaan op de financiële middelen die beschikbaar zijn binnen de in de eerste alinea bedoelde met de overeenkomstsluitende partijen overeenstemmende compartimenten, tot op het niveau van de kosten die elk nationaal compartiment op grond van de in de eerste en tweede alinea beschreven criteria voor de kostenverdeling moet bijdragen, en wel op de volgende manier:

        
        gedurende het eerste jaar van de overgangsperiode wordt een beroep gedaan op alle financiële middelen die binnen de genoemde compartimenten beschikbaar zijn;
      
      
        
        gedurende het tweede en het derde jaar van de overgangsperiode wordt een beroep gedaan op 60% respectievelijk 40% van de financiële middelen die binnen de genoemde compartimenten beschikbaar zijn;
      
      
        
        gedurende de daaropvolgende jaren van de overgangsperiode neemt de beschikbaarheid van de financiële middelen in de met de betrokken overeenkomstsluitende partijen overeenstemmende compartimenten jaarlijks af met 6 ⅔ procentpunten.
      
    
    De bedoelde jaarlijkse afname van de beschikbaarheid van de financiële middelen in de met de betrokken overeenkomstsluitende partijen overeenstemmende compartimenten geschiedt gespreid in gelijke delen per kwartaal.

gedurende het eerste jaar van de overgangsperiode wordt een beroep gedaan op alle financiële middelen die binnen de genoemde compartimenten beschikbaar zijn; gedurende het tweede en het derde jaar van de overgangsperiode wordt een beroep gedaan op 60% respectievelijk 40% van de financiële middelen die binnen de genoemde compartimenten beschikbaar zijn; gedurende de daaropvolgende jaren van de overgangsperiode neemt de beschikbaarheid van de financiële middelen in de met de betrokken overeenkomstsluitende partijen overeenstemmende compartimenten jaarlijks af met 6 ⅔ procentpunten. b) b) In tweede instantie wordt, indien de financiële middelen die beschikbaar zijn in de in punt a) bedoelde compartimenten van de betrokken overeenkomstsluitende partijen niet volstaan voor het vervullen van de in artikel 76 van de GAM-verordening bedoelde opdracht van het Fonds, een beroep gedaan op de beschikbare financiële middelen in de compartimenten van het Fonds die met alle overeenkomstsluitende partijen overeenstemmen. De in de compartimenten van alle overeenkomstsluitende partijen beschikbare financiële middelen worden, in dezelfde mate als bepaald in de derde alinea van het onderhavig punt, aangevuld met de resterende financiële middelen in de nationale compartimenten die overeenstemmen met de bij de afwikkeling betrokken overeenkomstsluitende partijen als bedoeld in punt a). Indien het om een grensoverschrijdende groep in afwikkeling gaat, geschiedt de toewijzing van de ingevolge de eerste en tweede alinea van het onderhavig punt beschikbaar gestelde financiële middelen over de compartimenten van de betrokken overeenkomstsluitende partijen volgens dezelfde verdeelsleutel als die welke overeenkomstig punt a) voor de kostenverdeling is bepaald. Indien de instelling of instellingen waaraan in een van de bij de afwikkeling van een groep betrokken overeenkomstsluitende partijen een vergunning is verleend, niet het totale bedrag van de krachtens het onderhavige punt b) beschikbare financiële middelen nodig heeft, worden de krachtens het onderhavige punt b) beschikbare maar niet-benodigde middelen gebruikt in de afwikkeling van entiteiten waaraan vergunning is verleend op het grondgebied van de andere bij de afwikkeling van de groep betrokken overeenkomstsluitende partijen. Gedurende de overgangsperiode wordt een beroep gedaan op alle nationale compartimenten van de overeenkomstsluitende partijen, en wel op de volgende wijze:

        
        gedurende het eerste en het tweede jaar van de overgangsperiode wordt een beroep gedaan op 40% respectievelijk 60% van de financiële middelen die binnen de genoemde compartimenten beschikbaar zijn;
      
      
        
        gedurende de daaropvolgende jaren van de overgangsperiode neemt de beschikbaarheid van de financiële middelen in de genoemde compartimenten jaarlijks toe met 6 ⅔procentpunten.
      
    
    De bedoelde jaarlijkse toename van de beschikbaarheid van de financiële middelen in alle nationale compartimenten van de overeenkomstsluitende partijen geschiedt gespreid in gelijke delen per kwartaal.

gedurende het eerste en het tweede jaar van de overgangsperiode wordt een beroep gedaan op 40% respectievelijk 60% van de financiële middelen die binnen de genoemde compartimenten beschikbaar zijn; gedurende de daaropvolgende jaren van de overgangsperiode neemt de beschikbaarheid van de financiële middelen in de genoemde compartimenten jaarlijks toe met 6 ⅔procentpunten. c) c) In derde instantie wordt, indien de volgens punt b) gebruikte financiële middelen niet volstaan om te voldoen aan de in artikel 76 van de GAM-verordening bedoelde opdracht van het Fonds, een beroep gedaan op de resterende financiële middelen in de compartimenten van het fonds die overeenstemmen met de betrokken overeenkomstsluitende partijen als bedoeld in punt a). Indien het om een grensoverschrijdende groep in afwikkeling gaat, wordt een beroep gedaan op de compartimenten van de betrokken overeenkomstsluitende partijen die niet voldoende financiële middelen op grond van de punten a) en b) hebben verstrekt met betrekking tot de afwikkeling van entiteiten waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend. De bijdragen van ieder compartiment worden bepaald volgens de in punt a) neergelegde criteria voor de kostenverdeling. d) d) In vierde instantie en onverminderd de in punt e) bedoelde bevoegdheden van de afwikkelingsraad, worden, indien de in punt c) bedoelde financiële middelen niet volstaan om de kosten van een specifieke afwikkelingsmaatregel te dekken, door de in punt a) bedoelde betrokken overeenkomstsluitende partijen de buitengewone achteraf te betalen bijdragen die zij volgens de in artikel 71 van de GAM-verordening neergelegde criteria hebben geïnd bij de instellingen waaraan op hun respectieve grondgebied vergunning is verleend, aan het Fonds overgedragen. Indien het om een grensoverschrijdende groep in afwikkeling gaat, worden de achteraf te betalen bijdragen overgedragen door de betrokken overeenkomstsluitende partijen die niet voldoende financiële middelen op grond van de punten a) tot en met c) hebben verstrekt met betrekking tot de afwikkeling van entiteiten waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend. e) e) Indien de in punt c) bedoelde financiële middelen niet volstaan om de kosten van een specifieke afwikkelingsmaatregel te dekken, en zolang de in punt d) bedoelde buitengewone achteraf te betalen bijdragen niet onmiddellijk toegankelijk zijn, onder meer om redenen die verband houden met de stabiliteit van de betrokken instellingen, kan de afwikkelingsraad, gebruik maken van zijn bevoegdheid om conform de artikelen 73 en 74 van de GAM-verordening voor het Fonds leningen of andere vormen van steun af te sluiten, of van zijn bevoegdheid om conform artikel 7 van deze overeenkomst tot tijdelijke overdrachten tussen compartimenten te besluiten. Indien de afwikkelingsraad besluit gebruik te maken van de in de eerste alinea van dit punt bedoelde bevoegdheden, dragen door de in punt d) bedoelde betrokken overeenkomstsluitende partijen de buitengewone achteraf te betalen bijdragen aan het Fonds over met het oog op de terugbetaling van de leningen of andere vormen van steun, of de tijdelijke overdracht tussen compartimenten.

2. De opbrengsten van de beleggingen van de conform artikel 75 van de GAM-verordening aan het Fonds overgedragen bedragen worden aan de onderscheiden compartimenten toegewezen naar rato van de respectieve beschikbare financiële middelen, met uitzondering van de aan de onderscheiden compartimenten toe te schrijven vorderingen en onherroepelijke betalingstoezeggingen voor de toepassing van artikel 76 van de GAM-verordening. De opbrengsten van de beleggingen van de afwikkelingsactiviteiten die het Fonds conform artikel 76 van de GAM-verordening kan verrichten, worden aan de onderscheiden compartimenten toegewezen naar rato van hun respectieve bijdrage aan een specifieke afwikkelingsmaatregel.

3. Alle compartimenten worden samengevoegd en houden op te bestaan na het verstrijken van de overgangsperiode.

Artikel 6

1. De overeenkomstsluitende partijen zorgen ervoor dat, in voorkomend geval, het Fonds wordt aangevuld met vooraf te betalen bijdragen, die verschuldigd zijn binnen de in artikel 69, leden 2 en 3, en lid 5, punt a), van de GAM-verordening bedoelde termijnen, en dit voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat nodig is om het in artikel 69, lid 1, van de GAM-verordening bedoelde streefbedrag te bereiken.

2.

Gedurende de overgangsperiode wordt de overdracht van bijdragen ter aanvulling van het fonds op de volgende manier verdeeld over de compartimenten:

a) a) De bij de afwikkeling betrokken overeenkomstsluitende partijen dragen conform artikel 5, lid 1, punten a) en b), bijdragen over naar het gedeelte van hun compartiment dat nog niet is gemutualiseerd b) b) Alle overeenkomstsluitende partijen dragen conform artikel 5, lid 1, punten a) en b), bijdragen over naar het gedeelte van hun respectieve compartimenten die zijn gemutualiseerd.

Artikel 7

1. Onverminderd de in artikel 5, lid 1, punten a) tot en met d), bedoelde verplichtingen kunnen de bij de afwikkeling betrokken overeenkomstsluitende partijen gedurende de overgangsperiode een verzoek richten aan de afwikkelingsraad om tijdelijk gebruik te mogen maken van de financiële middelen die beschikbaar zijn in het gedeelte van de met de andere overeenkomstsluitende partijen overeenstemmende compartimenten van het Fonds die nog niet zijn gemutualiseerd. In een dergelijk geval dragen de betrokken overeenkomstsluitende partijen nadien, vóór het verstrijken van de overgangsperiode, aan het Fonds buitengewone achteraf te betalen bijdragen over voor een bedrag gelijk aan het door hun respectieve compartiment ontvangen bedrag, vermeerderd met de opgelopen rente, zodat de andere compartimenten terugbetaald worden.

2. Het tijdelijk uit elk van de compartimenten aan de ontvangende compartimenten overgedragen bedrag staat in verhouding tot hun omvang als bepaald op grond van artikel 4, lid 2, en is niet hoger dan 50% van financiële middelen die beschikbaar zijn binnen elk compartiment dat nog niet is gemutualiseerd. Indien het om een grensoverschrijdende groep in afwikkeling gaat, geschiedt de toewijzing van de aldus beschikbaar gestelde middelen over de compartimenten van de betrokken overeenkomstsluitende partijen conform dit lid volgens dezelfde verdeelsleutel als die welke overeenkomstig artikel 5, lid 1, punt a), voor de kostenverdeling is bepaald.

3. De besluiten van de afwikkelingsraad over het in lid 1 bedoelde verzoek om een tijdelijke overdracht van financiële middelen tussen compartimenten worden genomen bij gewone meerderheid van de leden van zijn plenaire vergadering, als bepaald in artikel52, lid 1, van de GAM-verordening. In zijn besluiten over een tijdelijke overdracht bepaalt de afwikkelingsraad de rentevoet, de terugbetalingstermijn en andere voorwaarden betreffende de overdracht van financiële middelen tussen compartimenten.

4.

Het in lid 3 bedoelde besluit van de afwikkelingsraad over de tijdelijke overdracht van financiële middelen kan slechts in werking treden indien geen van de overeenkomstsluitende partijen waarvan de compartimenten voor de overdracht gebruikt worden, hiertegen bezwaar hebben gemaakt binnen een termijn van vier kalenderdagen vanaf de datum waarop het besluit is vastgesteld.

Gedurende de overgangsperiode kan een overeenkomstsluitende partij haar recht om bezwaar te maken alleen uitoefenen indien:

a) a) zij de financiële middelen van het nationale compartiment zou kunnen nodig hebben om in de nabije toekomst een afwikkelingsoperatie te financieren of indien de tijdelijke overdracht het verrichten van een gaande afwikkeling op haar grondgebied in gevaar zou brengen, b) b) er voor de tijdelijke overdracht meer nodig is dan 25% van haar gedeelte van het nationale compartiment dat nog niet is gemutualiseerd, conform artikel 5, lid 1, punten a) en b), of c) c) zij van oordeel is dat de overeenkomstsluitende partij waarvan het compartiment voordeel haalt uit de tijdelijke overdracht, geen waarborgen verstrekt tot terugbetaling uit nationale bronnen of met steun van het ESM, volgens overeengekomen procedures.

De overeenkomstsluitende partij die voornemens is bezwaar te maken, motiveert naar behoren of één van de in de punten a) tot en met c) bedoelde omstandigheden zich voordoen.

Indien conform dit lid bezwaar wordt gemaakt, wordt het besluit van de afwikkelingsraad betreffende de tijdelijke overdracht genomen met uitsluiting van de financiële middelen van de compartimenten van de bezwaar makende overeenkomstsluitende partijen.

5.

Indien een instelling van een overeenkomstsluitende partij waarvan de financiële middelen van het compartiment uit hoofde van dit artikel voor een overdracht zijn gebruikt, wordt afgewikkeld, dan kan die overeenkomstsluitende partij de afwikkelingsraad verzoeken uit het Fonds naar haar compartiment een bedrag over te dragen dat gelijk is aan het oorspronkelijk uit dat compartiment overgedragen bedrag. Bij een dergelijk verzoek stemt de afwikkelingsraad onmiddellijk in met de overdracht.

In dat geval worden de overeenkomstsluitende partijen die oorspronkelijk voordeel gehaald hebben uit het tijdelijke gebruik van financiële middelen, aansprakelijk gesteld voor het overdragen aan het Fonds van de conform de eerste alinea aan de betrokken overeenkomstsluitende partij toegewezen bedragen, volgens de door de raad te bepalen voorwaarden.

6. De afwikkelingsraad formuleert algemene criteria ter bepaling van de voorwaarden waaronder de in dit artikel bedoelde tijdelijke overdracht van financiële middelen tussen compartimenten plaatsvindt.

Artikel 8

1.

Indien op een latere datum dan de datum van toepassing van deze overeenkomst conform artikel 12, lid 2, de Raad van de Europese Unie een besluit tot intrekking van de derogatie van een overeenkomstsluitende partij die niet de euro als munt heeft, als omschreven in

artikel 139, lid 1, VWEU, dan wel tot intrekking van de ontheffing ervan, als bedoeld in het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol nr. 16 betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken („protocol betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken”), of indien, bij ontstentenis van een dergelijk besluit, een overeenkomstsluitende partij die niet de euro als munt heeft, gaat deelnemen aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, draagt deze partij aan het Fonds van de op haar grondgebied geïnde bijdragen een bedrag over dat gelijk is aan het gedeelte van het totale streefbedrag voor haar nationale compartiment, berekend volgens artikel 4, lid 2, en dat bijgevolg gelijk is aan het bedrag dat door de betrokken overeenkomstsluitende partij zou zijn overgedragen indien deze met ingang van de in artikel 12, lid 2, bedoelde toepassingsdatum van deze overeenkomst aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme had deelgenomen.

2. Elk bedrag dat door de financieringsregeling voor de afwikkeling van een in lid 1 bedoelde overeenkomstsluitende partij wordt uitbetaald in verband met afwikkelingsmaatregelen op haar grondgebied, wordt afgetrokken van de uit hoofde van lid 1 door die overeenkomstsluitende partij aan het Fonds over te dragen bedragen. In dat geval blijft de betrokken overeenkomstsluitende partij gehouden een bedrag aan het Fonds over te dragen dat gelijk is aan het bedrag dat nodig zou zijn geweest om het in haar financieringsregeling voor de afwikkeling opgenomen streefbedrag te bereiken, conform artikel 102 van de BHA-richtlijn en binnen de daarin vermelde termijnen.

3. De afwikkelingsraad bepaalt, in overleg met de betrokken overeenkomstsluitende partij, het precieze bedrag van de door de partij te betalen bijdragen, volgens de in de leden 1 en 2 neergelegde criteria.

4.

De kosten van afwikkelingsmaatregelen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen die niet de euro als munt hebben, zijn ingesteld vóór de datum waarop het besluit tot intrekking van de derogatie, als omschreven in artikel 139, lid 1 VWEU, of tot intrekking van de ontheffing ervan, als bedoeld in protocol betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken, van kracht wordt of vóór de datum van inwerkingtreding van het in artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bedoelde besluit van de ECB inzake nauwe samenwerking, worden niet gedragen door het Fonds.

Indien de ECB, in haar algehele beoordeling van de kredietinstellingen als bedoeld in artikel 7, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 1024/2013, oordeelt dat een van de kredietinstellingen van de betrokken overeenkomstsluitende partijen faalt of waarschijnlijk zal falen, worden de kosten van afwikkelingsmaatregelen in verband met die kredietinstellingen niet gedragen door het Fonds.

5.

In geval van beëindiging van de nauwe samenwerking met de ECB worden de bijdragen die zijn overgedragen door de bij de beëindiging betrokken overeenkomstsluitende partij gerecupereerd overeenkomstig artikel 4, lid 3, van de GAM-verordening.

Beëindiging van de nauwe samenwerking met de ECB heeft geen gevolgen voor de rechten en verplichtingen van de overeenkomstsluitende partijen welke voortvloeien uit afwikkelingsmaatregelen die hebben plaatsgevonden in de periode waarin die overeenkomstsluitende partijen onder deze overeenkomst vielen en die betrekking hebben op:

de overdracht van achteraf te betalen bijdragen op grond van artikel 5, lid 1, punt d); het aanvullen van het Fonds op grond van artikel 6; en de tijdelijke overdracht tussen compartimenten op grond van artikel 7.

Artikel 9

1.

Het gebruik van het Fonds op wederkerige basis en de overdracht van bijdragen aan het Fonds zijn onderworpen aan het permanent voorhanden zijn van een juridisch kader voor afwikkeling waarvan de regels gelijkwaardig zijn aan en ten minste hetzelfde resultaat opleveren als de volgende in de GAM-verordening neergelegde regels, zonder deze te wijzigen:

a) a) de procedureregels betreffende de vaststelling van een afwikkelingsregeling als neergelegd in artikel 18 van de GAM-verordening; b) b) de regels voor de besluitvorming van de afwikkelingsraad als neergelegd in de artikelen 52 en 55 van de GAM-verordening; c) c) de algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling als neergelegd in artikel 15 van de GAM-verordening, met name de beginselen dat de aandeelhouders van de instelling in afwikkeling de eerste verliezen dragen en dat de crediteuren van de instelling in afwikkeling na de aandeelhouders verliezen dragen volgens de rangorde van hun vorderingen, als neergelegd in lid 1, punten a) en b), van dat artikel; d) d) de regels inzake de in artikel 22, lid 2, van de GAM-verordening bedoelde afwikkelingsinstrumenten, met name de regels inzake de toepassing van het instrument van bail-in als neergelegd in artikel 27 van die verordening en in de artikelen 43 en 44 van de BHA-richtlijn en de specifieke drempels die daarbij zijn vastgesteld in verband met het opleggen van verliezen aan aandeelhouders en crediteuren en in verband met de bijdrage van het Fonds aan een specifieke afwikkelingsmaatregel.

2. Indien de in lid 1 bedoelde regels inzake afwikkeling waarin wordt voorzien bij de GAM-verordening, als op de datum van de initiële vaststelling ervan, tegen de wil van eender welke van de overeenkomstsluitende partijen worden herroepen of anderszins gewijzigd, waaronder de vaststelling van bail-in-regels op een wijze die niet gelijkwaardig is aan, of ten minste niet hetzelfde en niet minder strenge resultaat oplevert als het resultaat dat voortvloeit uit de GAM-verordening als op de datum van de initiële vaststelling ervan, en die overeenkomstsluitende partij haar rechten uit hoofde van het internationaal publiekrecht met betrekking tot een wezenlijke verandering van omstandigheden uitoefent, kan elke overeenkomstsluitende partij het Hof van Justitie op grond van artikel 14 van deze overeenkomst verzoeken na te gaan of er een wezenlijke verandering van omstandigheden is ingetreden en welke de uit die verandering voortvloeiende gevolgen zijn, conform het internationaal publiekrecht. Elke overeenkomstsluitende partij kan in haar verzoek het Hof van Justitie vragen de uitvoering van een maatregel die het voorwerp van het geschil is, op te schorten, in welk geval artikel 278 VWEU en de artikelen 160 tot en met 162 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van toepassing zijn.

3. De in lid 2 van dit artikel bedoelde procedure doet geen afbreuk aan en heeft geen gevolgen voor de rechtsmiddelen waarin in de artikelen 258, 259, 260, 263, 265 en 266 VWEU is voorzien.

Artikel 10

1. De overeenkomstsluitende partijen nemen in hun nationale rechtsorde de maatregelen die nodig zijn tot naleving van hun verplichting om de bijdragen conform deze overeenkomst gezamenlijk over te dragen.

2.

Onverminderd de bevoegdheid van het Hof van Justitie krachtens artikel 14 van deze overeenkomst, kan de afwikkelingsraad op eigen initiatief of op verzoek van een overeenkomstsluitende partij, oordelen of een overeenkomstsluitende partij haar verplichting tot overdracht van de bijdragen aan het bij deze overeenkomst ingestelde Fonds niet heeft nageleefd.

Indien de afwikkelingsraad oordeelt dat een overeenkomstsluitende partij niet heeft voldaan aan haar verplichting om de bijdragen over te dragen, stelt hij een termijn vast waarbinnen de betrokken overeenkomstsluitende partij de maatregelen dient te nemen die nodig zijn om een einde te maken aan de inbreuk. Indien de betrokken overeenkomstsluitende partij niet binnen de door de afwikkelingsraad gestelde termijn de maatregelen neemt die nodig zijn om een einde te maken aan de inbreuk, is het gebruik van de compartimenten van alle overeenkomstsluitende partijen, als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt b), uitgesloten met betrekking tot de afwikkeling van instellingen waaraan in de betrokken overeenkomstsluitende partij vergunning is verleend. Die uitsluiting vervalt zodra de afwikkelingsraad oordeelt dat de betrokken overeenkomstsluitende partij de nodige maatregelen heeft genomen om een einde te maken aan de inbreuk.

3. Besluiten van de afwikkelingsraad op grond van dit artikel worden genomen bij gewone meerderheid van de voorzitter en de leden bedoeld in artikel 43, lid 1, punt b), van de GAM-verordening.

Titel IV. ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

1. Deze overeenkomst wordt door haar ondertekenaars bekrachtigd, goedgekeurd of aanvaard conform hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding worden neergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie („de depositaris”). De depositaris stelt de andere ondertekenaars in kennis van iedere neerlegging en van de datum waarop deze heeft plaatsgevonden.

2. Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum waarop de akten van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding zijn neergelegd door aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemende ondertekenaars die samen niet minder dan 90% vertegenwoordigen van de som van de gewogen stemmen van alle aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemende lidstaten, als bepaald in het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol Nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen.

Artikel 12

1. Deze overeenkomst is van toepassing onder de overeenkomstsluitende partijen die hun akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding neergelegd hebben op voorwaarde dat de GAM-verordening reeds in werking is getreden.

2. Behoudens lid 1 van dit artikel en op voorwaarde van inwerkingtreding conform artikel 11, lid 2, is deze overeenkomst met ingang van 1 januari 2016 van toepassing onder de aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemende overeenkomstsluitende partijen die uiterlijk op die datum hun akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding neergelegd hebben. Indien deze overeenkomst niet uiterlijk op 1 januari 2016 in werking is getreden, is zij met ingang van de datum van inwerkingtreding van toepassing onder de aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemende overeenkomstsluitende partijen die uiterlijk op die datum hun akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding neergelegd hebben.

3. Deze overeenkomst is van toepassing op de overeenkomstsluitende partijen die aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemen maar die hun akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding niet uiterlijk op de in lid 2 bedoelde toepassingsdatum neergelegd hebben, met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de neerlegging van hun respectieve akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding.

4.

Deze overeenkomst is niet van toepassing op de overeenkomstsluitende partijen die hun akte van bekrachtiging, goedkeuring of aanvaarding neergelegd hebben maar die niet uiterlijk op de toepassingsdatum van deze overeenkomst aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelnemen. Die overeenkomstsluitende partijen maken evenwel deel uit van het in artikel 14, lid 2, bedoelde compromis met ingang van de toepassingsdatum van deze overeenkomst wat betreft het voorleggen van geschillen omtrent de uitlegging en de tenuitvoerlegging van artikel 15 aan het Hof van Justitie.

Op de in de eerste alinea bedoelde overeenkomstsluitende partijen is zij van toepassing met ingang van de datum waarop het besluit tot opheffing van hun derogatie, als omschreven in artikel 139, lid 1 VWEU, of van hun ontheffing, als bedoeld in het Protocol betreffende enkele bepalingen inzake Denemarken van kracht wordt of, bij ontstentenis van een dergelijk besluit, met ingang van de datum van inwerkingtreding van het in artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bedoelde besluit van de ECB inzake nauwe samenwerking.

Behoudens artikel 8 houdt deze overeenkomst op van toepassing te zijn op de overeenkomstsluitende partijen die de in artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bedoelde nauwe samenwerking met de ECB zijn aangegaan met ingang van de datum waarop deze nauwe samenwerking conform artikel 7, lid 8, van die verordening wordt beëindigd.

Artikel 13

Deze overeenkomst staat open voor toetreding door andere lidstaten dan de overeenkomstsluitende partijen. Behoudens artikel 8, leden 1 tot en met 3, wordt de toetreding van kracht op de datum van de neerlegging van de akte van toetreding bij de depositaris, die de andere overeenkomstsluitende partijen hiervan in kennis stelt. Na waarmerking door de overeenkomstsluitende partijen wordt de tekst van deze overeenkomst in de officiële taal van de toetredende lidstaat die ook een officiële taal van de instellingen van de Unie is, neergelegd in het archief van de depositaris als een authentieke tekst van deze overeenkomst.

Artikel 14

1.

Indien een overeenkomstsluitende partij het oneens is met een andere overeenkomstsluitende partij over de uitlegging van een bepaling van deze overeenkomst of indien zij van mening is dat een andere overeenkomstsluitende partij haar verplichtingen krachtens deze overeenkomst niet heeft nageleefd, kan zij de zaak voorleggen aan het Hof van Justitie. Het arrest van het Hof van Justitie is bindend voor de partijen bij de procedure.

Indien het Hof van Justitie oordeelt dat een overeenkomstsluitende partij haar verplichtingen krachtens deze overeenkomst niet heeft nageleefd, neemt de betrokken overeenkomstsluitende partij binnen een door het Hof van Justitie te bepalen termijn de maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest. Indien de betrokken overeenkomstsluitende partij niet de maatregelen neemt die nodig zijn om een einde te maken aan de inbreuk binnen de door het Hof van Justitie gestelde termijn, is het gebruik van de compartimenten van alle overeenkomstsluitende partijen, als bedoeld in artikel 5, lid 1, punt b), uitgesloten met betrekking tot instellingen die in de betrokken overeenkomstsluitende partij over een vergunning beschikken.

2. Dit artikel vormt een compromis tussen de overeenkomstsluitende partijen in de zin van artikel 273 VWEU.

3. Lidstaten die niet de euro als munt hebben en die deze overeenkomst niet bekrachtigd hebben, kunnen de depositaris kennis geven van hun voornemen om deel uit te maken het in lid 2 van dit artikel bedoelde compromis wat betreft het voorleggen van geschillen omtrent de uitlegging en de tenuitvoerlegging van artikel 15 aan het Hof van Justitie. De depositaris deelt de kennisgeving van de betrokken lidstaat mee aan de overeenkomstsluitende partijen, waarop de betrokken lidstaat partij wordt bij het in lid 2 van dit artikel bedoelde compromis voor de toepassing van dit lid.

Artikel 15

1. De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe gezamenlijk, onverwijld en met rente elke lidstaat die niet aan het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme deelneemt („niet-deelnemende lidstaat”) te vergoeden voor het bedrag dat die niet-deelnemende lidstaat heeft betaald in de vorm van eigen middelen en dat overeenkomt met het gebruik van de algemene begroting van de Unie in gevallen van niet-contractuele aansprakelijkheid en daarmee verbonden kosten, met betrekking tot de uitoefening van bevoegdheden door de instellingen van de Unie krachtens de GAM-verordening.

2. Het bedrag dat elke niet-deelnemende lidstaat wordt geacht te hebben bijgedragen voor de niet-contractuele aansprakelijkheid en de daarmee verbonden kosten, wordt vastgesteld naar rato van zijn bruto nationaal inkomen als vastgesteld conform artikel 2, lid 7, van Besluit 2007/436/EG, Euratom11)Besluit van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17). of een latere handeling van de Unie tot wijziging of intrekking van dat besluit.

3. De kosten van de vergoeding worden over de overeenkomstsluitende partijen verdeeld naar rato van het gewicht van hun respectieve bruto nationaal inkomen, als vastgesteld conform artikel 2, lid 7, van Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad of een latere handeling van de Unie tot wijziging of intrekking van dat besluit.

4.

De niet-deelnemende lidstaten worden vergoed op de data waarop de bedragen welke overeenkomen met de betalingen die uit de begroting van de Unie worden verricht ter vergoeding van de niet-contractuele aansprakelijkheid en de daarmee verbonden kosten, worden opgenomen in de boekhouding als bedoeld in artikel 9, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad12)Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130 van 31.5.2000, blz. 1), met inbegrip van latere wijzigingen. of in een latere handeling van de Unie tot wijziging of intrekking van die verordening, na vaststelling van de desbetreffende gewijzigde begroting.

Mogelijke rente wordt berekend volgens de bepalingen inzake achterstandsrente van toepassing op de eigen middelen van de Unie. De omrekening van bedragen tussen nationale valuta en euro geschiedt tegen de wisselkoersen als bepaald conform artikel 10, lid 3, eerste alinea van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad of een latere handeling van de Unie tot wijziging of intrekking van die verordening.

5. De Commissie coördineert alle vergoedingsmaatregelen van de overeenkomstsluitende partijen volgens de in de leden 1 tot en met 3 neergelegde criteria. De coördinerende rol van de Commissie bestaat er onder meer in dat zij berekent op welke basis betalingen dienen te worden verricht, dat zij de overeenkomstsluitende partijen in kennis stelt van te verrichten betalingen en dat zij rente berekent.

Artikel 16

1. Binnen uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, en vervolgens om de 18 maanden, evalueert de afwikkelingsraad de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst en met name de goede werking van het wederkerig gebruik van het Fonds en de effecten ervan op de financiële stabiliteit en de interne markt. Hij brengt hierover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad.

2. Binnen uiterlijk tien jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden, op grond van de bij de tenuitvoerlegging ervan opgedane ervaring als opgetekend in de conform lid 1 opgestelde verslagen van de afwikkelingsraad, de nodige stappen ondernomen, conform het VEU en het VWEU, om de inhoud van deze overeenkomst in het rechtskader van de Unie op te nemen.