40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Overeenkomst ter uitvoering van artikel 13 van het tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden op 23 juli 2018 te Brussel gesloten Verdrag inzake politiesamenwerking | BWBV0007058 | verdrag | geldend | 2025-12-12 | https://wetten.overheid.nl/BWBV0007058 | Overeenkomst ter uitvoering van artikel 13 van het tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden op 23 juli 2018 te Brussel gesloten Verdrag inzake politiesamenwerking |
Overeenkomst ter uitvoering van artikel 13 van het tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden op 23 juli 2018 te Brussel gesloten Verdrag inzake politiesamenwerking
Artikel 1
De mogelijkheden voorzien in artikel 13 van het Politieverdrag worden toegepast door het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden volgens de voorwaarden en modaliteiten voorzien in deze Uitvoeringsovereenkomst.
Artikel 2
1.
Voor de toepassing van deze Uitvoeringsovereenkomst wordt verstaan onder:
a. a. ANPR (Automatic Number-Plate Recognition – automatische nummerplaatherkenning): automatische verwerking van door camera’s geregistreerde beelden om de nummerplaatgegevens eruit te halen op basis van vooropgestelde criteria; b. b. passagegegevens: op of aan de openbare weg door ANPR-camera’s verzamelde gegevens over voertuigen (ook „reads” genoemd); c. c. referentiegegevens: persoonsgegevens en informatie die worden gebruikt als referentie ten behoeve van geautomatiseerde vergelijking met passagegegevens; d. d. hit: positief resultaat van de vergelijking van passagegegevens met van een bevoegde dienst van een andere Partij ontvangen referentiegegevens (ook „correlatie” genoemd); e. e. gevalideerde hit: een hit waarbij de bevoegde dienst die de referentiegegevens ontvangen en ingezet heeft, visueel heeft vastgesteld dat de kentekengegevens op de foto van het voertuig daadwerkelijk overeenkomen met de alfanumerieke referentiegegevens van het kenteken waar de hit op plaatsgevonden heeft; f. f. SIS: het Schengen Informatiesysteem, zoals bedoeld in de verordeningen (EU) 2018/1860, (EU) 2018/1861 en (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie; g. g. opvolgingshandeling: een vorm van fysieke tussenkomst die de bevoegde dienst die de ontvangen referentiegegevens inzet, wordt verzocht uit te voeren in geval van een hit.
2. Voor het overige gelden voor deze Uitvoeringsovereenkomst eveneens de definities vastgelegd in artikel 1 van het Politieverdrag.
Artikel 3
1. Deze Uitvoeringsovereenkomst bepaalt enkel de voorwaarden, modaliteiten en procedures voor de vormen van samenwerking voorzien in artikel 13 van het Politieverdrag, namelijk de verstrekking van referentiegegevens en de hits op deze referentiegegevens.
2. De post factum bevraging van passagegegevens, namelijk het verzoek door een bevoegde dienst van een deelnemende Verdragsluitende Partij aan een bevoegde dienst van een andere deelnemende Verdragsluitende Partij om passagegegevens te ontvangen die in het verleden werden gegenereerd door ANPR-camera’s maar geen hit hebben opgeleverd op door een bevoegde dienst van de verzoekende Verdragsluitende Partij verstrekte referentiegegevens, maakt niet het voorwerp uit van deze Uitvoeringsovereenkomst. Deze vorm van informatie-uitwisseling kan plaatsvinden op basis van artikel 4 van het Politieverdrag, voor zover de nationale wetgeving van de aangezochte Verdragsluitende Partij dit toelaat.
Artikel 4
De referentiegegevens bevatten enkel gegevens die ook volgens het nationale recht van de Partij waartoe de verstrekkende bevoegde dienst behoort op het eigen grondgebied kunnen opgenomen worden als referentiegegevens voor ANPR-camera’s.
Artikel 5
De verstrekking van referentiegegevens op basis van artikel 13 van het Politieverdrag kan gebeuren op structurele basis, zijnde met een frequentie van minstens eenmaal per werkdag, tenzij onderling anders overeengekomen door de betrokken bevoegde diensten, of op ad hoc-basis voor gebruik in het raam van een specifieke actie, waarbij de ontvangen referentiegegevens kunnen worden ingezet met een duur van ten hoogste 48 uur.
Artikel 6
Aangezien beide Partijen beschikken over een eigen lijst met referentiegegevens die overgenomen zijn uit het SIS, verdient het, waar mogelijk en rekening houdend met het principe van proportionaliteit, de voorkeur om de gegevens van het voertuig ten aanzien van hetwelk men een opvolgingshandeling wenst te laten uitvoeren, op te nemen in het SIS, eerder dan ze op te nemen in de referentiegegevens die men verstrekt op basis van artikel 13 van het Politieverdrag.
Artikel 7
1. De in artikel 6 van deze Uitvoeringsovereenkomst bedoelde eigen lijsten met referentiegegevens die de Partijen samenstellen met gegevens uit het SIS, worden niet als dusdanig aan elkaar verstrekt.
2. In de referentiegegevens die worden verstrekt op basis van artikel 13 van het Politieverdrag kunnen gegevens voorkomen die betrekking hebben op personen of voertuigen die het voorwerp uitmaken van een signalering in het SIS, op voorwaarde dat deze gegevens eveneens voorkomen in een databank beheerd door de bevoegde dienst die de referentiegegevens verstrekt.
3. Indien in een geval zoals beschreven in het tweede lid van dit artikel de opvolgingshandeling die in het SIS aan de betreffende referentiegegevens is gekoppeld zou verschillen van de opvolgingshandeling die wordt gevraagd bij op basis van artikel 13 van het Politieverdrag verstrekte referentiegegevens, wordt altijd voorrang gegeven aan de maatregel vermeld in het SIS.
Artikel 8
De referentiegegevens kunnen worden verstrekt en ingezet voor het doel van de voorkoming, het onderzoek of de opsporing van strafbare feiten of de handhaving van de openbare orde en veiligheid, met inbegrip van de opdrachten gegeven door bevoegde autoriteiten met het oog op de tenuitvoerlegging van straffen.
Artikel 9
1. De bevoegde dienst die de referentiegegevens verstrekt, vermeldt daarbij de opvolgingshandeling die gevraagd wordt van de bevoegde dienst die de referentiegegevens inzet.
2. Indien er eveneens een internationale signalering bestaat ten aanzien van een voertuig waarvan de referentiegegevens worden verstrekt, wordt de in deze signalering gevraagde opvolgingshandeling vermeld.
3. Indien er geen internationale signalering bestaat ten aanzien van een voertuig waarvan de referentiegegevens werden verstrekt, gebruikt de verstrekkende bevoegde dienst zoveel mogelijk de terminologie van het SIS om de gevraagde opvolgingshandeling te beschrijven. Indien er in het SIS geen term bestaat voor de gevraagde opvolgingshandeling, gebruikt de verstrekkende dienst de terminologie die bij de ontvangende bevoegde dienst gangbaar is voor fysieke tussenkomsten bij hits op ANPR-camera’s.
4. De ontvangende bevoegde dienst streeft ernaar de door de verstrekkende bevoegde dienst gevraagde opvolgingshandeling of -handelingen uit te voeren, maar is hier niet toe verplicht.
Artikel 10
1. De samenwerking op basis van artikel 13 van het Politieverdrag kan niet gebruikt worden met het oog op de uitvoering van observaties die aan bijzondere wettelijke voorwaarden onderworpen zijn in de regelgeving van de Partijen. Dientengevolge dient er steeds een fysieke tussenkomst van de ontvangende bevoegde dienst te worden gevraagd als opvolgingshandeling.
2. Indien men gebruik wenst te maken van ANPR-camera’s teneinde een grensoverschrijdende observatie uit te voeren, dient dit te gebeuren overeenkomstig de voorwaarden en procedures voorzien in artikel 22 van het Politieverdrag, met inachtneming van het nationale recht van de gaststaat.
Artikel 11
1. De verstrekkende en ontvangende bevoegde diensten bepalen vooraf in onderling overleg en rekening houdend met het principe van proportionaliteit in welk geografisch gebied de verstrekte referentiegegevens zullen worden ingezet. Dit kan zowel het volledige grondgebied van de ontvangende Partij zoals bepaald in artikel 67 van het Politieverdrag betreffen (nationaal gebruik) als een gedeelte daarvan (lokaal gebruik).
2. De bevoegde diensten van het Koninkrijk der Nederlanden geven, rekening houdend met het principe van proportionaliteit, voor de referentiegegevens die zij aan de bevoegde diensten van het Koninkrijk België verstrekken aan binnen welk tijdsbestek en hoe vaak de gevraagde opvolgingshandeling of -handelingen moeten worden uitgevoerd, zodat de ontvangende bevoegde diensten van het Koninkrijk België deze criteria kunnen integreren in de technische systemen die zij gebruiken voor de inzet van ANPR-camera’s, conform de vigerende Belgische regelgeving.
Artikel 12
De bevoegde dienst die referentiegegevens ontvangt, kan weigeren deze in te zetten, in overeenstemming met artikel 61 van het Politieverdrag. Deze bevoegde dienst zal in dat geval de verstrekkende bevoegde dienst onverwijld op de hoogte brengen van deze beslissing, met vermelding van de redenen voor de weigering, en de ontvangen referentiegegevens onmiddellijk vernietigen.
Artikel 13
1. De ontvangen referentiegegevens mogen enkel ingezet worden op ANPR-camera’s die verbonden zijn met het centrale systeem dat door de bevoegde dienst of diensten van de ontvangende Partij gebruikt wordt voor het beheer van de gegevens die worden gekoppeld aan ANPR-camera’s of met een lokaal systeem dat voor bijwerkingen verbonden is met dat centrale systeem. Onverminderd het tweede lid van dit artikel mogen ze niet worden opgeslagen of vervoerd op verwijderbare gegevensdragers.
2. De bevoegde diensten van het Koninkrijk België die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Politieverdrag gebruik maken van verwijderbare gegevensdragers om referentiegegevens aan de door hen gebruikte ANPR-camera’s te koppelen, mogen tot uiterlijk 2 jaar na de inwerkingtreding van het Politieverdrag gebruik maken van deze verwijderbare gegevensdragers om de van de bevoegde diensten van het Koninkrijk Nederland ontvangen referentiegegevens aan de door hen gebruikte ANPR-camera’s te koppelen.
Artikel 14
De ontvangende bevoegde dienst maakt steeds gebruik van de meest recent ontvangen versie van de referentiegegevens. In geen geval mag gebruik worden gemaakt van referentiegegevens die meer dan 5 dagen eerder werden ontvangen.
Artikel 15
1.
De referentiegegevens die worden verstrekt, bevatten per voertuig in elk geval de volgende categorieën gegevens:
a. a. nummerplaat; b. b. landcode; c. c. reden van opname; d. d. gevraagde opvolgingshandeling; e. e. verantwoordelijke eenheid.
2. Indien beschikbaar, bevatten de te verstrekken referentiegegevens eveneens de gevaarsindicatie verbonden aan het betrokken voertuig of de met dat voertuig verbonden persoon of personen.
3.
De te verstrekken referentiegegeven mogen tevens de volgende categorieën gegevens bevatten:
a. a. merk; b. b. type; c. c. kleur; d. d. referentienummer; e. e. overige opmerkingen, voor zover deze geen persoonsgegevens bevatten.
4. De verstrekkende bevoegde dienst zorgt ervoor dat de referentiegegevens in het juiste technische formaat worden verstrekt opdat ze zonder technische modificatie bruikbaar zijn in de ANPR-camera’s gebruikt door de ontvangende bevoegde dienst.
Artikel 16
1. De referentiegegevens worden verstrekt via nationale contactpunten overeenkomstig artikel 13, vijfde lid, van het Politieverdrag. De Partijen delen elkaar schriftelijk de namen en contactgegevens van deze nationale contactpunten mee en brengen elkaar onverwijld op de hoogte van elke wijziging daarvan.
2. De referentiegegevens worden verstrekt via een beveiligd datakanaal overeenkomstig artikel 12, derde lid, van het Politieverdrag.
Artikel 17
1. Indien een hit plaatsvindt die betrekking heeft op een voertuig dat, of een persoon die het voorwerp uitmaakt van een internationale signalering, in het bijzonder in het SIS, zal de in artikel 13, derde lid, van het Politieverdrag voorziene melding van deze hit aan de verstrekkende bevoegde dienst worden gedaan volgens de procedures die zijn voorzien in de rechtsinstrumenten die van toepassing zijn op een dergelijke signalering.
2.
Indien een hit plaatsvindt die betrekking heeft op een voertuig dat niet het voorwerp uitmaakt van een internationale signalering, zullen de volgende procedures worden toegepast:
a. a. indien de gevraagde opvolgingshandeling kon worden uitgevoerd, dient dit zo snel mogelijk te worden gemeld aan de bevoegde dienst die de referentiegegevens heeft verstrekt; b. b. indien de gevraagde opvolgingshandeling niet kon worden uitgevoerd, wordt enkel de eerste hit gemeld aan de bevoegde dienst die de referentiegegevens heeft verstrekt. Deze laatste informeert zo snel mogelijk de bevoegde dienst die de hit heeft gemeld of hij ook de informatie met betrekking tot eventuele navolgende hits wenst te ontvangen. Daarbij dient enkel de eerste hit te worden gemeld als gevalideerde hit; voor de navolgende hits is dergelijke validatie niet noodzakelijk.
Artikel 18
1.
Indien een hit plaatsvindt op een voertuig dat niet het voorwerp uitmaakt van een internationale signalering en de gevraagde opvolgingshandeling kon worden uitgevoerd, worden de volgende categorieën gegevens meegedeeld aan de bevoegde dienst die de referentiegegevens heeft verstrekt:
a. a. Verplicht:
i.
nummerplaat;
ii.
landcode;
iii.
referentienummer (indien vermeld in de referentiegegevens);
iv.
categorie voertuig;
v.
merk van het voertuig;
vi.
plaats, datum en uur van de hit;
vii.
omstandigheden bij aantreffen;
viii.
de identiteit van de bestuurder van het voertuig;
ix.
contactgegevens van de eenheid die de gevraagde opvolgingshandeling uitvoerde;
x.
resultaat van de uitvoering van de gevraagde opvolgingshandeling.
i. i. nummerplaat; ii. ii. landcode; iii. iii. referentienummer (indien vermeld in de referentiegegevens); iv. iv. categorie voertuig; v. v. merk van het voertuig; vi. vi. plaats, datum en uur van de hit; vii. vii. omstandigheden bij aantreffen; viii. viii. de identiteit van de bestuurder van het voertuig; ix. ix. contactgegevens van de eenheid die de gevraagde opvolgingshandeling uitvoerde; x. x. resultaat van de uitvoering van de gevraagde opvolgingshandeling. b. b. Optioneel:
i.
serienummer van het voertuig;
ii.
kleur van het voertuig;
iii.
foto van het kenteken waarop de hit gebaseerd is;
iv.
de identiteit van de andere inzittenden van het voertuig, voor zover deze als onderdeel van de gevraagde opvolgingshandeling kon worden vastgesteld in overeenstemming met het nationale recht van het land waar de opvolgingshandeling werd uitgevoerd.
i. i. serienummer van het voertuig; ii. ii. kleur van het voertuig; iii. iii. foto van het kenteken waarop de hit gebaseerd is; iv. iv. de identiteit van de andere inzittenden van het voertuig, voor zover deze als onderdeel van de gevraagde opvolgingshandeling kon worden vastgesteld in overeenstemming met het nationale recht van het land waar de opvolgingshandeling werd uitgevoerd.
2.
Indien een hit plaatsvindt op een voertuig dat niet het voorwerp uitmaakt van een internationale signalering en de gevraagde opvolgingshandeling niet kon worden uitgevoerd, worden de volgende categorieën gegevens meegedeeld aan de bevoegde dienst die de referentiegegevens heeft verstrekt:
a. a. Verplicht:
i.
nummerplaat;
ii.
landcode;
iii.
referentienummer (indien vermeld in de referentiegegevens);
iv.
categorie voertuig;
v.
merk van het voertuig;
vi.
plaats, datum en uur van de hit;
vii.
reden voor het niet uitvoeren van de gevraagde opvolgingshandeling.
i. i. nummerplaat; ii. ii. landcode; iii. iii. referentienummer (indien vermeld in de referentiegegevens); iv. iv. categorie voertuig; v. v. merk van het voertuig; vi. vi. plaats, datum en uur van de hit; vii. vii. reden voor het niet uitvoeren van de gevraagde opvolgingshandeling. b. b. Optioneel:
i.
kleur van het voertuig;
ii.
foto van het kenteken waarop de hit gebaseerd is;
iii.
foto van het voertuig waarop de hit gebaseerd is zonder dat de inzittenden van het voertuig herkenbaar zijn.
i. i. kleur van het voertuig; ii. ii. foto van het kenteken waarop de hit gebaseerd is; iii. iii. foto van het voertuig waarop de hit gebaseerd is zonder dat de inzittenden van het voertuig herkenbaar zijn.
Artikel 19
1. Indien een hit plaatsvindt op een voertuig dat niet het voorwerp uitmaakt van een internationale signalering als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van deze Uitvoeringsovereenkomst, moet dit aan de bevoegde dienst die de referentiegegevens heeft verstrekt, worden gemeld via de nationale contactpunten als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van deze Uitvoeringsovereenkomst, behoudens in de gevallen voorzien in het tweede en derde lid van dit artikel.
2. Indien de referentiegegevens enkel ingezet worden in de grensstreek zoals gedefinieerd in bijlage 3 bij het Politieverdrag, kunnen de hits worden gemeld via een vooraf te bepalen regionaal contactpunt als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Politieverdrag of via een vooraf te bepalen gemeenschappelijk politiecentrum als bedoeld in artikel 30 van het Politieverdrag.
3.
De hits mogen rechtstreeks, zonder gebruik te maken van de in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde kanalen, gemeld worden aan een eenheid van de bevoegde dienst die de referentiegegevens heeft verstrekt, indien:
a. a. het gebruik van de in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde kanalen aanleiding zou geven tot een vertraging die de uitvoering van de urgente opdrachten van één van de betrokken bevoegde diensten in het gedrang brengt; of b. b. de hit tot stand is gekomen tijdens een gemeenschappelijk optreden op basis van artikel 18, 20, 53 of 54 van het Politieverdrag of tijdens een gemengde patrouille of een gemeenschappelijke controle uitgevoerd door de speciale eenheden op basis van artikel 57 van het Politieverdrag.
4. In de gevallen voorzien in het tweede en derde lid van dit artikel dient het in het eerste lid van dit artikel bedoelde nationale contactpunt van de Verdragsluitende Partij die de referentiegegevens heeft verstrekt, onmiddellijk op de hoogte te worden gebracht.
Artikel 20
1. Om te bepalen welke referentiegegevens de bevoegde diensten van de Partijen aan elkaar verstrekken op basis van artikel 13 van het Politieverdrag, is het leidende principe steeds dat er een opvolgingshandeling wordt gevraagd die kan worden uitgevoerd door de ontvangende bevoegde dienst op basis van diens nationale wetgeving of een internationale signalering.
2. Door middel van het formulier opgenomen in de Bijlage bij deze Uitvoeringsovereenkomst maken de betrokken bevoegde diensten concrete afspraken over de verstrekking van specifieke referentiegegevens, daarbij inbegrepen de in artikel 11 van deze Uitvoeringsovereenkomst bedoelde criteria inzake plaats, tijd en frequentie van de inzet van de referentiegegevens.
3. De in het tweede lid van dit artikel bedoelde afspraken worden gemaakt in onderling overleg tussen de betrokken bevoegde diensten, rekening houdend met de capaciteit die bij de bevoegde diensten die de referentiegegevens ontvangen beschikbaar is voor de uitvoering van de gevraagde opvolgingshandelingen en voor de verwerking van de te verwachten hits.
4. Het is niet noodzakelijk dat de bevoegde dienst die de referentiegegevens verstrekt, deze zelf inzet of ingezet heeft op door hem gebruikte ANPR-camera’s. De bevoegde dienst die de referentiegegevens verstrekt, mag deze selecteren uit de voor hem reeds beschikbare of toegankelijke gegevens, met het enkele doel deze te verstrekken aan een bevoegde dienst van een andere Partij zoals bedoeld in artikel 13 van het Politieverdrag.
Artikel 21
1. De bepalingen in het nationale recht van de Partijen die gelden ter omzetting van richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad zijn van toepassing op de uitwisseling van gegevens als bedoeld in artikel 13 van het Politieverdrag.
2. De bevoegde diensten die referentiegegevens verstrekken, gaan voorafgaand aan de verstrekking na of de verwerking van de betrokken gegevens in overeenstemming is met de van toepassing zijnde nationale wet- en regelgeving. Ze zorgen er tevens voor dat deze referentiegegevens correct zijn op het ogenblik dat ze worden verstrekt aan een bevoegde dienst van een andere Partij. Indien een van de betrokken bevoegde diensten echter vaststelt dat bepaalde gegevens toch niet correct zijn, meldt hij dit onverwijld aan de andere betrokken bevoegde dienst of diensten, via de in artikel 16, eerste lid, van deze Uitvoeringsovereenkomst bedoelde nationale contactpunten. De bevoegde dienst die de foutieve gegevens had verstrekt, zal vervolgens zo snel mogelijk een gecorrigeerde versie van de referentiegegevens verstrekken aan de ontvangende bevoegde dienst of diensten.
3. De bevoegde diensten van de ontvangende Partij mogen de ontvangen referentiegegevens slechts doorverstrekken aan derden onder de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het Politieverdrag.
Artikel 22
Elke Partij draagt haar eigen kosten voor de uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst.
Artikel 23
1. De secretaris-generaal van de Benelux Unie is depositaris van deze Uitvoeringsovereenkomst.
2. De depositaris doet aan elke Partij een eensluidend afschrift van deze Uitvoeringsovereenkomst toekomen.
3. De Partijen stellen de depositaris in kennis wanneer hun interne procedures vereist voor de inwerkingtreding van deze Uitvoeringsovereenkomst werden voltooid en zij technisch en organisatorisch klaar zijn voor de toepassing ervan.
4. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking op de dag waarop de depositaris vanwege de laatste van de twee Partijen de kennisgeving als bedoeld in het derde lid van dit artikel ontvangt, of op de dag waarop het Politieverdrag in werking treedt indien dit op een later moment gebeurt. De depositaris stelt de Partijen op de hoogte van de datum van inwerkingtreding van deze Uitvoeringsovereenkomst.
5. Het Groothertogdom Luxemburg kan toetreden tot deze Uitvoeringsovereenkomst door een akte van toetreding neer te leggen bij de depositaris, waarin het bevestigt dat zijn interne procedures vereist voor de inwerkingtreding van deze Uitvoeringsovereenkomst werden voltooid en het technisch en organisatorisch klaar is voor de toepassing van deze Uitvoeringsovereenkomst. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking voor het Groothertogdom Luxemburg op de eerste dag van de tweede maand volgend op de dag waarop het Groothertogdom Luxemburg zijn akte van toetreding heeft neergelegd bij de depositaris. De depositaris brengt de andere Partijen op de hoogte van de neerlegging van de akte van toetreding van het Groothertogdom Luxemburg en de datum van inwerkingtreding van deze Uitvoeringsovereenkomst voor het Groothertogdom Luxemburg.
6. Onverminderd een eventuele eerdere opzegging overeenkomstig het zevende lid van dit artikel, blijft deze Uitvoeringsovereenkomst gelijke tijd van kracht als het Politieverdrag.
7. Elke Partij kan deze Uitvoeringsovereenkomst opzeggen door een schriftelijke kennisgeving daartoe aan de depositaris. De depositaris notificeert deze kennisgeving aan de andere Partijen. De opzegging wordt van kracht zes maanden na laatstgenoemde kennisgeving. Indien het Groothertogdom Luxemburg overeenkomstig het vijfde lid van dit artikel intussen Partij bij deze Uitvoeringsovereenkomst geworden is, blijft de Uitvoeringsovereenkomst in werking tussen de Partijen die geen kennisgeving tot opzegging hebben gedaan.
8. De bepalingen van deze Uitvoeringsovereenkomst blijven ook na de beëindiging ervan of na de uittreding van één van de Partijen van toepassing op de informatie die de Partijen elkaar reeds voorafgaand verstrekt hadden in het kader van de door deze Uitvoeringsovereenkomst geregelde samenwerking.
9. De uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst wordt door de bevoegde diensten van de Partijen geëvalueerd twee jaar na inwerkingtreding ervan en daarna minimaal elke vijf jaar.
10. Indien één van de Partijen de inhoud van deze Uitvoeringsovereenkomst wenst te wijzigen, treden de Partijen met elkaar in overleg teneinde overeenstemming te vinden over de eventueel aan te brengen wijzigingen. Een wijziging bevat in ieder geval een regeling inzake de inwerkingtreding ervan.